Vanaf 1934 tot 1941 heeft bij Slootdorp in de Wieringermeer een Joods werkdorp bestaan.
Het dorp was opgericht door onder anderen George van den Bergh uit Oss, een lid van de Tweede Kamer van de SDAP en bestuurslid van de Stichting Joodse Arbeid. Het dorp zelf werd door de bewoners gebouwd. De inwoners van dit dorp waren doorgaans vluchtelingen uit Oostenrijk en Duitsland die voor het nazi-regime op de vlucht waren en daarmee wordt het doel van dit werkdorp duidelijk.
Men zag dit dorp, vaak vanuit een zionistisch ideaal (hoewel twee derde van de bewoners die ideaal niet deelde), als een tussenstation op weg naar Palestina. Maar er waren ook jongeren die naar de VS of Zuid Amerika wilden.

Het dorp was op zionistische grondslag opgezet en het was de bedoeling dat de bewoners er praktische zaken zouden leren die ze zouden kunnen gaan gebruiken op boerderijen in Palestina. Men bereidde zich voor, ofwel de hachsjarah. De jongens kregen er een tweejarige scholing tot ambachtsman of boer, de meisjes een kortere opleiding in de landbouw en huishouding. In het dorp was er een meubelmakerij, een smederij, een bakkerij en een timmerwerkplaats. De mannen, vaak al met een goede opleiding, lieten zich omscholen tot landbouwer.
In de dertiger jaren was dit werkdorp een veilige en relatief afgelegen plek waar de jongeren een zorgeloze tijd hadden. Er werden avondcursussen gegeven en de gezinnen kregen er kleine lapjes grond ter beschikking om te bebouwen. Na de omscholing hadden de bewoners een betere kans om in Palestina aan de slag te kunnen.

Na de capitulatie van Nederland op 14 mei 1940 veranderde alles rond het kamp.
SS?er Willy Lages gaf opdracht tot ontruiming van het kamp en Klaus Barbie voerde dit op 20 maart 1941 uit. Er waren toen nog 291 Werkdorpers aanwezig van de oorspronkelijke 400. Meer dan de helft van de 400 gevangenen kwam uiteindelijk om in de concentratiekampen.
Van de 291 in 1941 bleven er 60 achter om het boerenbedrijf tot het najaar (tot na de oogst) draaiende te houden, de anderen werden ondergebracht bij gezinnen in Amsterdam. Het bestuur van het kamp legde zich niet zomaar neer bij de ontruiming en probeerde, samen met de Joodse Raad, de Duitsers ervan te overtuigen dat het voortbestaan van het kamp in ieders belang was.
In 1940 en 1941 was Abel Herzberg directeur van dit werkdorp en Herzberg verkeerde nog in de veronderstelling dat het Duitse beleid alleen maar gedongen Joodse migratie inhield.

Op 24 maart 1941 stuurde een aantal leden van het stichtingsbestuur een brief naar de Sicherheitspolizei in Amsterdam waarin stond dat de voortzetting van de opleiding in het Werkdorp voor de jongeren de enige mogelijkheid was om daarna te emigreren. Men hoopte dat dit de bezetter zou aanspreken. Barbie gaf te kennen welwillend te staan tegen een doorstart van het Werkdorp en het zou dit bespreken met Lages. Op 9 juni kwam er antwoord en de leden van het stichtingsbestuur kregen te horen dat de leerlingen terug konden naar het Werkdorp. Barbie vroeg om een lijst met de namen en adressen van de in Amsterdam verblijvende leerlingen. Het stichtingsbestuur geloofde Barbie en gaven hem de lijst. Op 11 juni kregen de Werkdorpers het bericht van de Joodse Raad dat de Duitsers hen thuis zouden komen ophalen. Een aantal mensen geloofden niet wat er zou gaan gebeuren en ging in onderduik.

De Duitsers waren inderdaad wat anders van plan. De aanslag op 14 mei 1941 op de Bernard Zweerskade in Amsterdam ? zonder slachtoffers en die van 3 juni 1941 op de telefooncentrale op Schiphol ? ?n zwaargewonde ? waren de aanleiding voor de Duitsers om represaillemaatregelen uit te voeren en men wilde 300 mannelijke Joden van 18 tot 35 direct naar Mauthausen sturen.
Op 11 juni begonnen de arrestaties van de Werkdorpers. Uiteindelijk werden er 61 gearresteerd en 239 andere Joodse mannen. Zij gingen naar kamp Schoorl. 4 Werkdorpers kwamen nog vrij, de andere 57 zijn allemaal omgekomen.

Het hoofdgebouw van het werkdorp staat er nog steeds en heet nu de Oostwaardhoeve. Het is sinds de sluiting van het kamp een proefboerderij van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek.