Geschiedenis van West Friesland

In het begin van de zevende eeuw worden de Friezen voor het eerst genoemd. Het is niet zeker dat er een verwantschap is met de Frisii, die voor het laatst genoemd worden aan het begin van de vierde eeuw. Het begrip "Friezen" had sinds de Grote Volksverhuizing vooral een politieke inhoud, en niet zozeer een etnische. De bevolkingsgroei in deze periode bestond waarschijnlijk deels uit Angelen en Saksen - Angelsaksen of 'nieuwe Friezen' - vermoedelijk via Texel of het huidige Friesland. Hiermee vond ook een taalvernieuwing plaats tot het Noordzee-Germaans, ook wel Ingveoons genoemd.

De Friese koning Radbod beheerste tot 689 een gebied, Fresia citerior, dat mogelijk tot Sincfal reikte. De Franken begonnen in deze periode aan een opmars naar het noorden en in 689 won hofmeier Pepijn II van Herstal de Slag bij Dorestad en veroverde zo het gebied ten zuiden van de Oude Rijn op Radbod. Ter bezegeling van de nieuwe verhoudingen trouwde de zoon van Pepijn, Grimoald II, met Theudesinda, de dochter van Radbod. Toen hij echter hoorde dat hij zijn ongelovige voorvaderen niet zou terugzien na zijn dood, liet Radbod zich niet bekeren tot het christendom. Zodra Pepijn van Herstal in 714 overleed, barstte een opvolgingsstrijd uit. Radbod maakte hiervan gebruik en wist in 716 Karel Martel te verslaan in de Slag bij Keulen. Radbod overleed in 719 en rond 720 wist Karel ? de winnaar van de successiestrijd - het Frankische gezag rond Utrecht te herstellen en viel het gehele gebied ten westen van het Vlie in Frankische handen. Er zijn echter meerdere aanwijzingen dat de verhouding tussen de Friezen en de Franken beter was dan de vijandelijkheden suggereren en dat er sprake was van economische samenwerking en uitwisseling.

Nadat de Friezen ten westen van de Lauwers in 734 in de Slag aan de Boorne definitief verslagen werden, kwam daar ook de huidige provincie Friesland bij. Het gebied van de verslagen Friezen werd opgenomen in het Frankische rijk. Aan het einde van de achtste eeuw vonden echter steeds meer invallen van Vikingen plaats, waardoor het gezag van de Franken verminderde.

Het Karolingische rijk was onderverdeeld in gouwen, ook pagus (meervoud: pagi) genoemd. Sommige groepen pagi werden comitatus genoemd, hoewel dit ook wel gebeurde voor afzonderlijke gouwen. Deze werden bestuurd door een comes, een gouwgraaf. Deze werd benoemd door de koning en kon ook weer door hem worden afgezet. Deze leenmannen streefden echter naar erfelijkheid, wat steeds meer regel werd en in 877 gelegaliseerd door het Capitulare van Quierzy. Hiermee werd het onmogelijk nog een groot rijk te vormen. De graven probeerden op hun beurt meerdere gouwen te verkrijgen.

Aan het einde van de regering van Lodewijk de Vrome was de koninklijke macht verzwakt door de stormvloed van 838, maar vooral door de twisten van Lodewijk met zijn zoons.

"Lodewijk de Vrome (Chasseneuil bij Poitiers, 11 april 778 ? Ingelheim am Rhein, 20 juni 840), ook wel de Eerlijke en de Joviale, was de koning van Aquitani?vanaf 781. Hij was ook koning der Franken en medekeizer (als Lodewijk I) met zijn vader, Karel de Grote, vanaf 813. Als de enige overlevende volwassen zoon van Karel de Grote en Hildegard, werd hij de enige heerser der Franken na het overlijden van zijn vader in 814, een positie die hij bekleedde tot zijn overlijden, met uitzondering van de periode 833-834, waarin hij was afgezet."

Na de dood van Lodewijk beleende zijn zoon Lotharius I de Deense broers Rorik en Harald met Frisia - het huidige Friesland en Holland - in een poging de aanvallen van de Vikingen te weren. De gouwgraven zien hun macht daardoor afnemen. Ze gingen samenwerken met de Denen, maar in 885 kwam aan de Deense overheersing een einde door de moord op Godfried de Noorman, waarbij Gerulf I "stamvader van het huis van Holland", comes Fresonum, een aandeel had. Hij ontving als beloning van de Oostfrankische koning Arnulf van Karinthi?/b> op 4 augustus 889 een aantal goederen in vol eigendom. Het betrof een gebied buiten zijn graafschap, in Teisterbant, bestaande uit een aantal boerderijen en huizen in onder andere Tiel, Aalburg en Asch. Daarnaast betrof het een gebied binnen zijn graafschap. Dit laatste goed, bestaande uit een bos en een bouwakker, lag ergens tussen de monding van de Oude Rijn en (vermoedelijk) Bennebroek, Suithardeshaga.

In 985 gaf koning Otto III, op verzoek van zijn moeder Theophanu een aantal gebieden in eigendom (proprium) aan graaf Ansfried, waarschijnlijk de latere bisschop van Utrecht, die hij eerder in leen (beneficium) had gekregen. Dit was het gebied tussen de rivieren Liora (Lier) en Hisla (Hollandse IJssel) - Masaland-, het gebied villa Sunnimeri, het gebied tussen de rivieren Medemelaka en Chinnelosara gemerchi - Kennemerland- en het gebied Texla.

Het gezag van de koning was in de ijzeren eeuw zeer beperkt, zodat deze weinig tot geen macht kon uitoefenen in zijn buitengebieden. In mindere mate gold dit ook voor de graaf zelf, die slechts in zijn kerngebied werkelijk macht kon uitoefenen. Dit bleek wel toen graaf Arnulf van Gent in 993 om het leven kwam bij een poging zijn opstandige onderdanen tot gehoorzaamheid te dwingen. Dit gevecht vond plaats bij Winkel en wordt gezien als een eerste teken van de libertas van de Friezen, maar op dat moment was er nog geen sprake van scheiding tussen West-Friesland en Kennemerland. Volgens Thietmar van Merseburg kwam het in 1005 tot een verzoening door toedoen van koning Hendrik II naar aanleiding van een verzoek hiertoe van zijn schoonzus Lutgardis van Luxemburg, de weduwe van Arnulf.

Van verwijdering was pas sprake toen aan het einde van de elfde eeuw tijdelijk de grafelijke macht tussen 1049 en 1076 wegviel. In dat jaar overleed bisschop Willem I van Utrecht en wist graaf Dirk V zijn gezag weer grotendeels te herstellen.

Het wegvallen van het grafelijke gezag tussen 1049 en 1076 heeft waarschijnlijk bijgedragen aan het versterkte gevoel door de Friese Vrijheid niet gebonden te zijn aan het betalen van belasting en het leveren van manschappen voor heervaart buiten het eigen gebied. Het onderscheid blijkt uit de eerste vermelding van Floris II als comes de Hollant, graaf van Holland, waar zijn voorgangers nog als Friese graaf werden aangeduid. Occidentalis Fresia is de naam van het dan blijkbaar afzonderlijke West-Friesland.

De Annales Egmundenses noemen de West-Friezen infidelitas et iniuria - ontrouw en beledigend - tegenover de graaf, al is niet duidelijk waar dit uit zou moeten hebben bestaan. Graaf Dirk VI van Holland greep dit echter aan om in de winter van 1132 het bevroren West-Friesland binnen te vallen vanuit Alkmaar, waarbij een aantal dorpen werd gebrandschat. De West-Friezen boden daarna de tegen zijn oudere in opstand gekomen broer Floris de Zwarte de heerschappij over geheel West-Friesland aan, in een poging tegemoet te komen aan de erkenning van het Hollandse Huis en tegelijkertijd de onafhankelijkheid te bewaren. In 1133 trok Floris met de West-Friezen op tegen Alkmaar, waarna hij de Kennemers wist te bewegen in opstand te komen tegen de graaf. Een aantal kastelen werd verwoest en Haarlem kwam zelfs in het nauw, tot de West-Friezen, die geen lange bezetting voor ogen hadden, huiswaarts keerden. Keizer Lotharius III wist zijn neven te verzoenen, waarna de rust weerkeerde.

In 1155 trokken de Drechterfriezen plunderend door Kennemerland, tot ze bij het dorpje Saenden werden verslagen door troepen uit Haarlem. De Drechterfriezen sloten in 1161 vrede met Floris III van Holland, zonder dat de overige West-Friezen zich daar bij aansloten.

Mogelijk als gevolg van landverlies door de Sint-Thomasvloed van 1163 en een Hollandse plundertocht richting Schagen in 1166 vielen de West-Friezen dat jaar Alkmaar aan dat werd gebrandschat.

Daarop trok graaf Floris in 1168 weer richting Schagen dat door een klein deel van zijn troepenmacht geplunderd werd. Op de terugweg vielen zij in een hinderlaag waarbij de meesten omkwamen zonder dat de hoofdmacht van Floris ingreep. In 1169 lokte een voorgenomen West-Friese aanval op Alkmaar een Hollandse tegenaanval uit, waarbij zij werden teruggedreven door onder andere Vlaamse huurlingen met kruisbogen,

In 1180 kwam het tot gevechten bij Winkel en Niedorp, die daarbij verwoest werden. Twee jaar later werd een West-Friese tegenaanval op Akersloot afgeslagen. In 1184 wist Floris Texel en Wieringen te onderwerpen

"De Sint-Thomasvloed trof vooral Holland. Verschillende malen dit jaar was Holland getroffen door overstromingen. Dit resulteerde in het breken van dijken langs de Maas. De Stormvloed van 1163 had tot gevolg dat de monding van de Oude Rijn bij Katwijk, die al bijna geheel verzand was, volledig werd gesloten. De dijkdoorbraken in combinatie met de Stormvloed van 21 december 1163 zorgden namelijk voor een groot transport van gronddeeltjes van het gebied bij de dijkdoorbraak naar het binnengebied. Dit sediment bezonk vooral in de ondiepere delen, daar stroomde het water immers vrij rustig. Een van de plekken waar het ondiep was, was bij de monding van de Oude Rijn. Belangrijk gevolg van deze blokkade van de monding van de Oude Rijn was, dat de Rijn zijn water niet meer kon lozen op de Noordzee. Hierdoor liepen de polders in Holland ?n voor ?n onder water. Onder leiding van Graaf Floris III werd in 1165, zonder enige vooraankondiging, de Oude Rijn bij Zwammerdam afgedamd en had vanaf dat moment ook Utrecht met wateroverlast te kampen, hetgeen tot een kortstondige oorlog tussen Utrecht en Holland leidde. Rond 1200 werd een nieuwe afwatering gegraven via de Haarlemmermeer naar het noorden en werd het waterprobleem definitief opgelost."

Dirk VII van Holland volgde zijn vader op nadat deze in 1190 was overleden terwijl hij deelnam aan de Derde Kruistocht. Nadat zijn jongere broer Willem I van Holland, die zijn vader had begeleid tijdens de derde kruistocht in september 1191 was teruggekeerd, ontstond er al vrij vlug onenigheid tussen de nieuwe graaf en zijn broer. Willem zocht daarom steun bij de Drechterfriezen.

Omdat Dirk op dat moment niet weg kon uit het graafschap Zeeland door zijn strijd tegen de Vlamingen onder Boudewijn I, stuurde hij zijn vrouw Aleid van Kleef met een leger naar West-Friesland. In november 1195 kwam het tot een treffen tussen Aleid en haar zwager Willem. Aleid wist het treffen naar haar hand te zetten door de oudsten van Niedorperambacht om te kopen.

Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers bijgelegd, en werd Willem heer van Friesland. Toen graaf Dirk VII in 1203 stierf, was van zijn drie kinderen alleen zijn dochter Ada van Holland nog in leven. Willem betwistte het recht van opvolging van Ada, die onmiddellijk na de dood van haar vader in het huwelijk was getreden met Lodewijk II van Loon. Het gevolg was de Loonse Oorlog, waarbij vanaf 1205 Willem het graafschap vanuit Zeeland wist te heroveren. In 1206 werd de vrede getekend en formeel werd het graafschap tussen Willem en Lodewijk van Loon opgedeeld. Het lijkt er echter op dat Willem gewoon door regeerde in Holland tot zijn dood in 1122.

Willem I en zijn opvolger Floris IV bemoeiden zich meer met interne aangelegenheden, zodat een rustige periode aanbrak waarin de West-Friezen Willem I zelfs vergezelden tijdens zijn deelname aan de Vijfde Kruistocht. In 1248 hielpen zij Willem II tijdens zijn Beleg van Aken nadat deze in 1247 tot rooms-koning was gekozen.

Willem II begon met de bouw van een keten van burchten in Kennemerland. Aanvankelijk werd hij in beslag genomen door de strijd met de Vlamingen over Graafschap Zeeland, maar nadat hij in 1253 de Slag bij Westkapelle had gewonnen, kon hij zich meer op West-Friesland richten. Het jaar daarop zouden de West-Friezen in opstand zijn gekomen terwijl Willem II zich in Duitsland bevond. Hij keerde terug naar West-Friesland en begon met de aanleg van aanvalswegen, waarna hij in 1255 poogde de West-Friezen te onderwerpen. Door de drassigheid van het terrein moest hij deze poging na de verovering van negen parochi? staken. Eind januari 1256 keerde hij terug met een groot leger om met gebruikmaking van het ijs het gebied in te vallen en de West-Friezen te omsingelen. Hij trok voor zijn troepen uit, maar zijn paard zakte door het ijs, waarna de West-Friezen de voor hen onbekende ruiter doodden. Toen hen bekend werd dat zij de rooms-koning gedood hadden, begroeven zij deze achter een woning in Hoogwoud. Zijn dood zorgde tot in het buitenland voor grote beroering.

 

Conflict met de West-Friezen

Internationaal erkenden de meeste Duitse vorsten in de jaren vijftig Willem als hun koning en toekomstig keizer. In 1255 maakte Willem bekend dat hij gereed was naar Rome te vertrekken zodat paus Innocentius IV de keizerskroon op zijn hoofd kon zetten. Een offici?e uitnodiging hiervoor was reeds gearriveerd. Maar voordat hij op deze uitnodiging in zou gaan, wenste Willem II nog ?n probleem op te lossen.
 
In het graafschap Holland bleek zijn macht niet vanzelfsprekend. Met name bij het volk in de kop van Noord-Holland bleef het voortdurend onrustig. Regelmatig kwamen deze West-Friezen in opstand en soms hielden ze strooptochten tot ver in Kennemerland. Dit zinde de koning allerminst: die lastige West-Friezen zou voor eens en altijd het zwijgen moeten worden opgelegd. De kop van Noord-Holland hoorde in feite wel tot zijn graafschap maar was moeilijk te controleren. West-Friesland was een moeilijk begaanbaar gebied, vol met kwelders, meren en verraderlijke moerassen.
 
Van deze problemen was graaf Willem zich goed bewust. Eerdere conflicten met het West-Friese volk hadden uitgewezen dat zijn ridders tegen hen zeer weinig konden uitrichten. Het West-Friese land was slechts via enkele dijken te bereiken en wie niet oppaste maakte grote kans met paard en al in de modder weg te zakken. Dit keer zou Willem de zaak anders aanpakken. De graaf rekende op een strenge vorst in de winter zodat de kwelders en moerassen zouden bevriezen. Met een goed voorbereid leger zou hij de West-Friezen vast tot gehoorzaamheid kunnen dwingen.

Eind december van het jaar 1255 trok Willem II met een ridderleger naar het noorden ter hoogte van Alkmaar. Hij had zijn soldaten goed voorbereid, zij droegen allemaal een stevig en zwaar harnas, net als de koning zelf. Willem wilde zich laten gelden en duidelijk maken aan de West-Friezen dat hij baas was in zijn eigen graafschap. Gelukkig voor Willem begon het in januari steeds harder te vriezen. In de laatste dagen van de maand januari 1256 achtte hij het ijs stevig genoeg om de overtocht via de Heerhugowaard richting West-Friesland te maken. Als heldhaftig koning reed Willem steeds voor zijn leger uit en leidde hen de goede kant op richting het oosten, waar de West-Friezen zich ophielden. De rooms-koning hield er ernstig rekening mee dat in het moeilijk begaanbare en beschutte gebied overal vijanden op de loer konden liggen.

Na enkele uren zag hij plotseling in de verte iets bewegen. De contouren van een groep mannen tekenden zich steeds duidelijker af, en al snel besefte de jonge koning dat dit boeren uit Hoogwoud waren, een dorp in West-Friesland. Deze Hoogwouders naderden de rooms-koning met spiesen, speren en bijlen. Als moedige aanvoerder van zijn gevolg deinsde Willem niet terug maar ging met zijn koninklijke viervoeter recht op zijn doel af. De Hoogwouders kwamen steeds dichterbij en het paard van Willem ging recht op hen af. Maar vlak voordat de eerste klappen vielen, begon de ijsvloer onder Willem te kraken en te scheuren. Op het gewicht van een groot paard met daarop een zwaarbewapende ridder was het ijs niet berekend. Er was nu geen weg meer terug. Het ijs brak en Willem zakte met paard en al weg in het ijskoude moeras. De Hoogwouders stortten zich op de rooms-koning. Willem II werd voor het oog van zijn volgelingen in stukken gehakt. Totaal machteloos moest Willems leger toezien hoe hun aanstaande keizer werd vermorzeld. Als zwaarbewapende soldaten met loodzware harnassen konden zij niets uitrichten op deze breekbare ijsvloer. De Hoogwouders leken de slag wederom te hebben gewonnen.
 
Onder luid gelach en met een gevoel van trots trokken de West-Friezen zich terug richting hun kamp. Zojuist hadden zij een voornaam edelman van Holland vermoord. Deze gewonnen slag moest gevierd worden: wat dachten die Hollanders wel. Tegen de mannen uit het West-Friese dorp Hoogwoud waren zij niet opgewassen.

Het gejoel was echter van korte duur. E? van de Hoogwouders herkende op het vergulde harnas van de dode edelman een rode leeuw en een zwarte adelaar. Een grote paniek brak uit. De West-Friese boeren begrepen wat dit betekende: "Wapene!", schreeuwde een omstander uit. "Wat hebdi ghedaen? Ghi hebt den coninc selve doot!"

De blijdschap sloeg om in rouw. Het besef drong door: Willem II was vermoord. Hij was niet alleen de graaf van Holland maar tegelijkertijd de opperste leenheer van de West-Friezen en rooms-koning. Wat hadden de mannen uit Hoogwoud een spijt. De wraakzucht van de Hollanders zou vast groot zijn. Het lijk moest worden verstopt zodat niets meer aan deze pijnlijke geschiedenis kon herinneren.

Om ontbinding tegen te gaan werd het lichaam van Willem II met zout behandeld en verborgen in Hoogwoud. Het zou vervolgens tot 1282 duren voordat Willems zoon Floris V de dood van zijn vader zou wreken. Slechts vier Hoogwouders uit Willems tijd waren toentertijd nog in leven. Drie daarvan werden meteen vermoord en de vierde smeekte Floris V om genade. In ruil zou hij de plek aanwijzen waar Willem II was begraven. Op twee en halve meter diepte werd een massieve houten kist gevonden met daarin het lijk van Willem. Vol triomf legde Floris het lijk op zijn schouder en nam het mee huiswaarts. In de grote abdij te Middelburg vond Willem II, voormalig rooms-koning, eindelijk zijn laatste rustplaats.

 

Floris V

Zijn zoon Floris V was slechts een jaar oud toen zijn vader overleed. Hij werd in 1266 op twaalfjarige leeftijd meerderjarig verklaard. Mogelijk deels gedreven door wraak liet hij in 1272 zijn mannen beginnen met de aanleg van wegen en dijken om het gebied toegankelijk te maken. De West-Friezen overrompelden deze mannen echter, waarna troepen uit Alkmaar tegen de West-Friezen optrokken. De West-Friezen hadden in het volgende gevecht de overhand en de Hollanders sloegen op de vlucht. Bij Heiloo kwam het nogmaals tot gevechten, waarbij de West-Friezen tot staan werden gebracht. De verliezen waren echter dusdanig hoog dat er diverse opstanden uitbraken. Het kwam zelfs tot een opstand van de Kennemers tegen de toenemende belastingdruk en inbreuk op het gewoonterecht. De West-Friezen en de Waterlanders sloten zich hierbij aan. Met de hulp van Jan Persijn wist hij deze opstanden in 1274 te onderdrukken. De jaren daarna waren er diverse schermutselingen met de West-Friezen, maar in 1281 wist hij Waterland - dat zich aanvankelijk aan de zijde van de West-Friezen had gevoegd - te verkrijgen. Verder zette hij de bouw van burchten voort.

Vanuit Nuwewic, een plaats waavan men zich heden nog niet weet waar die zich bevind,  voer hij op de Zuiderzee naar Wijdenes, waar hij West-Friesland binnenviel. In 1282 landden zijn troepen bij Wijdenes. De grootste slag vond plaats bij Schellinkhout. Hier wist hij de West-Friezen te overwinnen en bij Hoogwoud vond hij zijn vaders graf, waarna hij diens lichaam over liet brengen naar Middelburg.

Floris V liet toen dwangburchten bouwen en wegen en dijken aanleggen om de bevolking te onderwerpen. De Sint-Luciavloed in december 1287 en de Sint-Aagthenvloed van februari 1288 richtten grote schade aan in West-Friesland en Waterland. Dirk II van Brederode onderwierp de West-Friezen huis voor huis per schip. Op 21 maart 1289 sloot Floris V gematigde verdragen met de West-Friezen, waarin bepaald werd dat hij het recht had om burchten en wegen aan te leggen naar zijn goeddunken. Hoewel zijn gezag in West-Friesland nog niet bijzonder stevig was, besloot Floris V zich in 1291 graaf van Holland en Zeeland en heer van Friesland te noemen. Het opnemen van de naam Friesland was voor de graaf ook een uiting van zijn claim op Friesland ten oosten van het Vlie.

In 1296 leek de situatie veranderd, want de West-Friezen poogden toen zonder succes Floris V te bevrijden uit het Muiderslot, waar hij gevangen werd gehouden. Het ging fout toen Floris zijn Engelse bondgenoot Eduard I in 1296 wegens een conflict over de wolhandel aan de kant zette ten gunste van de Franse bondgenoot. Het verhaal gaat dat de Engelse koning enkele ontevreden edelen zou hebben gevraagd hem gevangen te nemen. Tijdens een valkenjacht - volgens sommige geschiedschrijvers bij de Egelshoek- werd Floris gevangengenomen door Gijsbrecht van Amstel, Herman VI van Woerden, Willem van Zaanden en Gerard van Velsen. Het nieuws van zijn gevangenneming lekte echter snel uit en onder het volk, waar Floris erg populair was, ontwikkelde zich het plan hem te bevrijden. Toen de edelen met hun gevangene op 27 juni 1296 het Muiderslot verlieten met Van Velsen en enkele schildknapen voorop als verkenners, kwamen ze bij Muiderberg een groep Gooilanders uit Naarden tegen die Floris in levende lijve kwamen opeisen. Hierop reed Gerard van Velsen terug, trok zijn zwaard en doodde graaf Floris. Floris was weerloos doordat in zijn mond een handschoen was gepropt, zijn handen en voeten vastgebonden en zijn vingers gekloofd of gespleten waren. Toen Van Velsen zijn zwaard trok, steigerde het paard van schrik, waardoor Floris door de eerste zwaardslag zijn beide handen verloor en zijdelings van het paard viel, waarop Van Velsen naar Floris liep en op hem bleef insteken, gevolgd door de anderen. Vervolgens namen de ontvoerders de vlucht. Floris werd naar het buitenverblijf Florisberg te Muiderberg gebracht, waar hij bezweek aan de toegebrachte 22 steekwonden.

Gerard van Velsen werd later gepakt, gemarteld en ter dood gebracht. Gijsbrecht van Amstel (de vierde met die naam uit het bekende geslacht van de Heren van Amstel) en Herman van Woerden sleten de rest hun leven als ballingen en verloren al hun bezittingen.

Na zijn dood namen de West-Friezen met de Kennemers en de Waterlanders deel aan de belegering van kasteel Kronenburg bij Loenen, waarnaar de moordenaars van Floris gevlucht waren. Een verwarde periode volgde waarin verschillende potenti?e opvolgers zich aandienden. De vrije boeren en burgers verdachten veel edelen echter van samenheulen met de moordenaars van Floris, zodat dezen zich gedeisd hielden tot de jonge Jan I van Holland in 1297 overkwam uit Engeland. Deze kwam aanvankelijk onder invloed van Jan III van Renesse te staan.

Bisschop Willem van Utrecht maakte van de gelegenheid gebruik door het Muiderslot te bezetten, waarna hij de West-Friezen tot een opstand wist te bewegen.

Dezen verwoestten de kastelen Nuwendoorn en Wijdenes en belegerden kasteel Radboud bij Medemblik.

Het kasteel werd afgesneden van bevoorrading om zo de bewoners van de burcht uit te hongeren. Jan II van Avesnes, de naaste mannelijke erfgenaam van Jan I, moest eerst de opstand in Zeeland onderdrukken, maar wist in januari 1297 Medemblik te ontzetten. Hij besloot via het water langs Enkhuizen naar Medemblik te trekken om het kasteel aldaar te bevoorraden. Enkhuizen werd voor een groot gedeelte in brand gestoken om de aanval van de West-Friezen via die hoek te voorkomen. Het lukte Jan om het kasteel te bevoorraden, maar bij de terugkeer was het water zo bevroren geraakt dat de schepen niet terug konden varen, zodat men besloot via het land terug te keren. Dat bleek echter niet echt een goede keus; het leger viel uit elkaar en veel kleine groepjes liepen in hinderlagen van de West-Friezen. Slechts enkelen overleefden de tocht.

Hierna nam Jan van Renesse het heft in handen en stelde zijn troepen op bij de Torenburg, de Middelburg en de Nieuwenburg.

Op 27 maart 1297 vond de veldslag bij Vronen plaats. De West-Friezen vielen aan en trokken op naar Alkmaar, waarop de Hollanders zich terugtrokken naar de Middelburg. Hierna werd de tegenaanval ingezet, waarbij ook troepen werden aangevoerd via het Vronermeer. De West-Friezen weken af van hun oude tactiek, die al honderden jaren gebruikt werd, van verrassingsaanvallen en op meerdere fronten verdedigen van gebieden die ongunstig waren voor de tegenstanders om op te vechten. Nu had men besloten tot een geregelde oorlog en zette alle troepen in nabij Vronen, waar zij werden verslagen.

Willem van Utrecht probeerde daarna nog te landen bij Monnickendam, maar werd door de Waterlanders en Kennemers teruggedreven.

 

 Op 7 november 1297 gaven de West-Friezen zich op de Torenburg uiteindelijk over.

 

 

Kasteel Nuwendoorn
 

Kasteel Nuwendoorn (ook Nieuwendoorn) was een dwangburcht van Floris V in de buurt van de Rekerdam met een uitloper van de Rekere, in het uiterste westen van West-Friesland, nabij het huidige Krabbendam (Gemeente Harenkarspel). Hij bestond uit een woontoren van 11 bij 11 meter, een hoofdburcht van 32 bij 32 meter, en een voorburcht.

Met de bouw werd omstreeks 1282 begonnen. Na de moord op Floris V in 1296 werd het nog steeds in aanbouw zijnde kasteel door de West-Friezen verwoest, waarna het werd herbouwd. Op 5 augustus 1321 werd Jan I van Polanen tot kasteelheer benoemd. Uit 1367 is nog een rekening voor onderhoud aan het kasteel bekend. Daarna wordt het kasteel niet meer genoemd; het is mogelijk rond 1370 verdwenen bij een overstroming. De kloostermoppen waaruit het kasteel was opgetrokken zijn misschien hergebruikt voor het kerkje (de oude Ursula) in Warmenhuizen.

De naam van het gebied (Nyewendoren) werd in de loop der eeuwen verbasterd tot "Nieuwe Deuren". Hoewel bekend was dat hier een oude vesting moest liggen, en in een krantenartikel uit 1883 al bericht werd dat daar kloostermoppen werden gevonden, werd het kasteel pas in 1948 herontdekt. Bram Biersteker vond tijdens het ploegen regelmatig kloostermoppen en toonde twee hiervan aan de amateurarcheologen Cees Wagenaar, Johan Lutjeharms en Jaap Westra die vervolgens een fundering van ongeveer 36 meter uitgroeven.

Na een ruilverkaveling in 1960 deed de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek verder onderzoek. In 1961 werd de Stichting Nuwendoorn opgericht. Tussen 1961 en 1967 werden de fundering en de grachten hersteld. De stichting werd in 1980 opgeheven. Sinds 1983 is het terrein eigendom van de provincie Noord-Holland. Het is in beheer bij Landschap Noord-Holland.

In juni 2006 besloten Gedeputeerde Staten van Noord-Holland maximaal 500.000 euro te reserveren voor het opknappen van het terrein om verder verval te voorkomen. Op 7 juli 2011 werd het kasteelterrein door gedeputeerde Elvira Sweet geopend. De kasteelmuren zijn gedeeltelijk heropgebouwd met modern materiaal en de hoofdtoren is in staal als uitkijktoren opgericht.

 

Kasteel Wijdenes
 

Na deze uiteindelijke overwinning liet Floris V in Wijdenes een dwangburcht bouwen, waarvan de exacte plaats tot op heden onbekend is. Men gaat er momenteel vanuit, dat deze waarschijnlijk ergens buitendijks, in het huidige Markermeer gesitueerd is. Dit is aannemelijk omdat in 1434 een nieuwe dijk werd gebouwd, waardoor er ca. 60 hectare land buitendijks kwam te liggen

 

Kasteel Torenburg
 

Het kasteel de Torenburg, is onlosmakelijk verbonden met de vroege geschiedenis van de stad Alkmaar. Het kasteel stond van oorsprong niet in de stad Alkmaar, maar er iets ten noordwesten ervan, buiten de stad. In het algemeen wordt aangenomen dat het kasteel in ca. 1250 is gebouwd (of verbouwd) door graaf Willem II van Holland, als middel om de West-Friezen te onderwerpen. Er zijn aanwijzingen dat op de plaats van de Torenburg een ander slot (toen een ronde toren) heeft gestaan en dat in het kader van de modernisering, het kasteel door Willem II is verbouwd.

Het militaire doel van de Torenburg was duidelijk. Graaf Willem II was van plan om de West-Friezen te verslaan, alvorens hij zich in Rome tot keizer liet kronen. De stad Alkmaar (dat in 1254 van de graaf stadsrechten kreeg) en de Torenburg namen beide een strategische positie in. De Torenburg lag precies in de bocht van de oude verbindingsweg van Kennemerland en West-Friesland. Het kasteel beheerste deze toegangsweg volledig. Daarom zetelde hier dan ook de baljuw van Kennemerland (de baljuw was de hoogste vertegenwoordiger van het grafelijk gezag).

In 1256 wordt Arend van Heemskerk nogmaals genoemd als "castellanus in Torenburg".
Vermoedelijk was Arnoud een jongere zoon van de burchtheer van Marquette (Heemskerk) en was hij, gedurende het leven van zijn vader, burggraaf van de Torenburg. Na de dood van zijn vader werd hij waarschijnlijk kastelein van de Marquette.

Zoals bekend liep het slecht af met Willem II. Tijdens het offensief tegen de West-Friezen in 1256, werd hij bij Hoogwoud door de West-Friezen vermoord. Zijn zoontje Floris V was toen nog maar 1? jaar oud en dus nog te klein om iets te ondernemen. Pas in 1272 deed Floris V een poging om de West-Friezen te onderwerpen. In de periode 1282-1289, lukte het hem uiteindelijk om dit volk te overwinnen

 

     
Kasteel Nieuwburg   Kasteel Middelburg
 

Omstreeks deze periode moet de Nieuwburg (Nijenburg) reeds een stille getuige van deze gebeurtenissen zijn geweest. Kennelijk was deze burcht er al, hetzij dat het nog in aanbouw was. Dit valt af te leiden uit een zinsnede uit het Dodenboek van Egmond (Necrologium Egmundense). Hierin wordt vermeld dat op 20 augustus 1272, de baljuw van Kennemerland, enkele soldaten en geestelijken bij de Nieuwburg door de Friezen werden gedood.

De Nieuwburg en de Middelburg beheersten beiden de weg vanuit Alkmaar naar de Vronergeest (het gebied tussen Oudorp en Vronen) en vormden samen met het oude slot Torenburg (bij de stad Alkmaar) een sterk drietal. Ze stonden hooguit 500 tot 600 meter van elkaar, volgens Melis Stoke: tweemaal de afstand van een pijl. Melis Stoke vermeldde de bouw van beide kastelen: de Middelburg die de dijk bewaakte en de Nieuwburg, die bij Vronen op de harde geestgrond werd neergezet. De bouw van de Nieuwburg zou, zoals gezegd rond 1270/1272 hebben plaats gevonden. Van de Middelburg, die diende om de dijk tussen Alkmaar en de Vronergeest te bewaken is het bouwjaar niet bekend, maar is mogelijk in dezelfde periode gebouwd.

 

Kasteel Radboud
 
Kasteel Radboud staat aan de oostkant van de haven in Medemblik. Het kasteel dateert uit 1288.en is ?n van de vele kastelen in de provincie Noord-Holland, die gebouwd werden mede in opdracht van Floris V. Hij wilde niet alleen een dam opwerpen tegen de veelvuldige infiltraties in zijn gebied door de Friezen, maar hier ook steunpunten hebben waar hij de pas onderworpen West-Friezen onder de duim kon houden. Kasteel Radboud was een zogenoemde dwangburcht. In vroeger tijden was het kasteel groter in omvang. Nu resteren nog twee woonvleugels, een vierkante- en ronde toren. De rest is in de loop der eeuwen verdwenen. Het originele kasteel heeft in grote lijnen dezelfde plattegrond als het kasteel Muiderslot. Tijdens het Tweede beleg van Medemblik in 1517 werd het kasteel belegerd door de Friese rebellenlegers van Pier Gerlofs Donia en Wijerd Jelckama. Na 1578, er werden toen stadswallen aangelegd, verloor het kasteel zijn functie als verdedigingswerk en toevluchtsoord en raakte het in verval. Er heeft nooit een adellijk geslacht gewoond op het kasteel.

 

 

 

_______________________________________________________________________________________________________________________________

Copyright 2001 - 2017 Karigro. Alle rechten voorbehouden  |  Colofon  Privacy  |  Disclaimer