Geschiedenis van het Hollandse Huis

De Gerulfingen waren de familie van de eerste graven van West-Frisia en Holland en Zeeland. De naamgever was Gerulf. Er zijn hypotheses die veronderstellen dat hij afstamde van de Friese koning Radboud (? 719). Deze dynastie staat ook bekend als het Hollandse Huis en eindigde met de dood van Jan I van Holland in 1299.

De Gerulfingen hebben ?n Rooms-koning voortgebracht: Willem II. Volgens de overlevering zou er een aantal zijtakken zijn van deze dynastie van kinderen, die niet geboren waren binnen het huwelijk. Zij behoorden daarom dan ook niet tot de hoofdtak van de familie. Enkele voorbeelden daarvan zijn de families Egmont, Van Wassenaer en de Jellema. Genoemd worden als zijtak van de grafelijke familie kan natuurlijk ook een manier zijn je reputatie te vergroten. Buitenechtelijke kinderen werden in die tijd nog niet zo afgekeurd als later. Hoewel ze niet rechtstreeks konden opvolgen, konden ze wel gebruikt worden om familiebelangen veilig te stellen. Associatie met machtige families is dus erg handig.

De dynastie van de Gerulfingen werd opgevolgd door de Henegouwse heren van het huis Avesnes.

Gerulf geldt als de stamvader van het huis van Holland. Daarom wordt hij ook vaak als de eerste graaf van Holland genoemd. Die benaming is echter historisch onjuist, omdat de benaming Holland voor West-Frisia pas in de 12e eeuw in zwang kwam. De eerste graaf die officieel graaf van Holland genoemd werd, was Floris II in 1101. Tot 1100 werden de bewoners van zijn gebied nog Friezen genoemd.Een zijtak van deze dynastie was eigenaar van het graafschap Bentheim. Het bezit kwam in de familie door het huwelijk van de erfdochter Sophia van Rheineck met graaf Dirk VI van Holland. Hun oudste zoon Floris III van Holland kreeg het graafschap Holland, de jongere zoon Otto het graafschap Bentheim. Deze tak stierf eind veertiende eeuw uit, waarna Bentheim in vrouwelijke lijn vererfde

Graaf Gerulf (rond 850 - rond 896) was graaf van West-Frisia (comes Fresonum), vanaf ongeveer 885. Zijn naam wordt ook wel geschreven als Gerolf, soms met de toevoeging "van Holland" en soms met de toevoeging ?van Kennemerland?, maar deze zijn beide van latere datum.

Het gebied waarover Gerulf oorspronkelijk zijn grafelijke rechten uitoefende, is niet precies bekend, maar na de moord op Godfried de Noorman heerste hij mogelijk over geheel West-Frisia, het gebied tussen Westflinge en de Maas.  Omstreeks 885 lijkt hij alleen de beschikking te hebben over Rijnland, maar in 889 ontving Gerulf voor zijn optreden in 885 als beloning goederen in zijn graafschap tussen de Rijn en Swithardehaga. Behalve in Rijnland ontving hij goederen gelegen in Kennemerland, in Teisterband en de Betuwe.

Hoewel het gebied waar Gerulf woonde sinds het verdrag van Verdun (843) onderdeel was van het Middelfrankische rijk, maakten in de praktijk de Vikingen er de dienst uit. Na het verdrag van Meerssen (870) viel het gehele gebied waarop het latere Nederland gelegen is onder het Oost-Frankische Rijk. In 884 vergezelde Gerulf Godfried de Noorman op een plundertocht langs de Rijn. In 885 was Gerulf een van de afgezanten van Godfried naar Karel de Dikke. Hij werd daar door Hendrik van Babenburg (de legeraanvoerder van Karel) overgehaald om Godfried uit te schakelen. Gerulf vermoordde, samen met Everhard Saxo en koninklijke soldaten, Godfried tijdens een banket in Spijk.

Gerulf ontving als beloning voor zijn rol bij het verdrijven van de Noormannen van de Oostfrankische koning Arnulf van Karinthi?op 4 augustus 889 een aantal goederen in vol eigendom. Het betrof een gebied buiten zijn graafschap, in Teisterbant, bestaande uit een aantal boerderijen en huizen in onder andere Tiel, Aalburg en Asch, plus een gebied binnen zijn graafschap, bestaande uit een bos en een bouwakker, ergens tussen de monding van de Oude Rijn en (vermoedelijk) Bennebroek.

Gerulf wordt pas sinds laat negentiende eeuw gezien als de stamvader van de het Huis van Holland, de zogenaamde Gerulfingen. Dit is gebaseerd op een gedicht uit omstreeks 1120. Daarin worden de graven uit het Huis genoemd, en het gedicht begint met: "De eerste Dirk, broer van Waldger, was een roemrijk man ......" In een ander werk over deze Waldger staat: "Waldgarius Freso, Gerilfi filius", wat te vertalen is als "Waldger de Fries, zoon van Gerulf". Hiermee wordt Gerulf gezien als de vader van Dirk I en als de stamvader van het Hollandse Huis.

Gerulf (I) is de vader van Dirk I en Waldger.

  • Waldger erfde na de dood van zijn vader de gouwen Nifterlake, Lek en IJssel en Teisterbant. Deze graafschappen verwierf zijn vader Gerulf als leenrecht van Godfried de Zeekoning, die in 882 in die rechten van Rorik was getreden. Waldger was de oudere broer van Dirk I, en gehuwd met Alberade. Waldger had een zoon Radboud. Alberade was bij het huwelijk met Waldger weduwe van graaf Reinier van de Maasgouw, overleden eind 915 Waldger heeft in 898 Everhard Saxo vermoord.

  • Dirk I volgde na de dood van zijn vader hem op in West-Frisia tussen Vlie en Maas. Dirk I  trouwde (in 928?) met Gerberga van Hamaland (Geva), dochter van Meginhard IV van Hamaland, zoon van Everhard Saxo (die in 898 is vermoord door Dirks broer Waldger!), en opvolger van zijn vader als graaf van Hamaland en hertog van Friesland. Meginhard was lid van de delegatie van Hendrik de Vogelaar bij diens ontmoeting met Karel de Eenvoudige in 921. Dirk en Geva hadden een zoon, Dirk II, opvolger van zijn vader als graaf van het westen van Friesland. Dirk I moet ook een zoon Gerulf (II) hebben gehad, die als jongeling of ongehuwd man werd gedood voor het overlijden van zijn vader. Er wordt aangenomen dat hij de oudere broer van Dirk II was.

    De Sint Adelbertabdij is de oudste abdij van Holland, gesticht aan het begin van de tiende eeuw door graaf Dirk I van Holland. De abdij ontwikkelde zich in de Middeleeuwen tot een belangrijk religieus en cultureel centrum in Holland, met een omvangrijke bibliotheek. Het adellijk geslacht Egmont is voortgekomen uit de advocati (voogden) van de abdij.

    In 1573 werd de abdij op bevel van Willem van Oranje verwoest door de watergeuzen onder leiding van Diederik Sonoy. Met de bezittingen van de abdij werd de oprichting van de universiteit van Leiden gefinancierd. De ru?es, in de 1660er jaren geschilderd door Jacob van Ruisdael, bleven liggen tot rond 1800. Toen werden de laatste resten opgeruimd.

    Dirk en Gerberga zijn beiden in de abdij van Egmond begraven.

Dirk I van Holland Dirk II van Holland

_____________________________________________________________________________________________

Dirk II (of Diederik II) (ca. 932 ? Egmond, 6 mei 988) was een Friese graaf (comes Fresonum), uit de 10e eeuw die tussen 965 en 988 het feitelijke bewind voerde over het graafschap West-Frisia, dat het gehele kustgebied besloeg tussen de Oosterschelde en het Vlie en bestond uit de gouwen: Masaland, Kinhem en Texla. Het formele leenschap beruste bij de Utrechtse bisschop.

In 938 verloofde de toen nog zeer jonge Dirk II zich met Hildegard van Vlaanderen, dochter van graaf Arnulf I van Vlaanderen en Aleidis van Vermandois. Het huwelijk volgde circa 950. Uit de Rijmkroniek van Holland van Melis Stoke: Dese Dideric goed ende wert had een wijf, heet Hildegaert ('deze goede en brave Diederik had een vrouw die Hildegard heette').

Uit het huwelijk werden in ieder geval drie kinderen geboren:

  • Aarnout

  • Egbert van Trier (952-994), aartsbisschop van Trier, Na zijn opleiding in de abdij van Egmond werd hij in 976 kanselier van keizer Otto II. Deze benoemde hem in 977 tot aartsbisschop van Trier, in welke functie hij de belangen van het Ottoonse rijk moest bewaken.

  • Erlindis (953-1012) Haar vader liet in Egmond het houten klooster vervangen door een stenen gebouw en de nonnen van Egmond naar Bennebroek verplaatsen. Hij liet monniken uit de Sint-Pietersabdij te Gent, waar hij was opgevoed, naar het klooster van Egmond overplaatsen. Vermoedelijk waren deze maatregelen bedoeld ter bescherming tegen de invallen en strooptochten van de Friezen. Erlindis of Arlinde, die al abdis van Egmond was geweest, werd de eerste abdis van het nieuwe nonnenklooster in Bennebroek.

  • mogelijk een onbekende dochter die trouwde met graaf Everhard van Doornik.

Na het overlijden van zijn schoonvader Arnulf op 27 maart 965 trad Dirk II enige tijd op als voogd voor de minderjarige opvolger Arnulf II van Vlaanderen.

Dirk II, Hildegard, Aarnout en Erlindis werden in de Abdij van Egmond begraven.

_____________________________________________________________________________________________

Arnulf of Aarnout (Gent, ca. 951 ? bij Winkel, 18 september 993) was een Friese graaf (comes Fresonum). Hij bestuurde van 988 tot 993 een graafschap in West-Frisia, dat later Holland genoemd zou worden. Omdat hij in Gent geboren was, werd hij ook wel Arnulf van Gent (Gandensis) genoemd.

Als graaf slaagde hij er zijn grondgebied verder naar het zuiden uit te breiden. Graaf Arnulf probeerde zijn gezag ook naar het noorden verder uit te breiden, in het gebied van de West-Friezen tussen de Rekere en het Vlie. Hij viel met zijn leger in 993 dit gebied binnen. Bij Winkel werd hij verslagen en sneuvelde hij op 18 september in de strijd. Zijn vrouw Liutgard (ook gespeld: Luitgardis) kon daarop alleen met hulp van koning Otto III het graafschap voor haar zoontje bewaren. Arnulf is met diverse andere familieleden begraven in de toenmalige Abdij van Egmond en werd later heilig verklaard.

Aarnout  trouwde met Lutgardis van Luxemburg, een zuster van de Duitse koning Hendrik II. Dit huwelijk vond plaats in mei 980. Arnulf en Liutgard kregen de drie kinderen:

  • Dirk III

  • Siegfried van Holland (985-1030), die huwde met Thetburga (985-) Hun huwelijksplannen vielen niet in goede aarde bij graaf Dirk III van Holland (-27 mei 1039). De toch al gespannen verhoudingen tussen beide broers werden hierdoor nog verder onder druk gezet. Als reden wordt opgegeven het grote standsverschil. Uiteindelijk werd het geschil bijgelegd en het huwelijk voltrokken

  • Aleida Adelina van Holland (rond 995 - rond 1045) was een dochter van Arnulf van Gent en Lutgardis van Luxemburg. Zij huwde een eerste maal met Boudewijn II van Boulogne en werd de moeder van Eustaas I van Boulogne. Zij huwde een tweede maal met Engelram I van Ponthieu, nadat die Boudewijn had gedood.

_____________________________________________________________________________________________

Dirk III (circa 982 ? 27 mei 1039), bijgenaamd Hierosolymita was een Friese graaf (comes Fresonum). Hij was van 993 tot 1039 graaf van het latere graafschap Holland.

Toen zijn vader Arnulf in 993 sneuvelde, was Dirk III nog te jong om het bestuur op zich te nemen, waarop zijn moeder Lutgardis van Luxemburg deze taken waarnam. In 1005 was Dirk oud genoeg om zelfstandig het graafschap te besturen, maar maakte nog steeds dankbaar gebruik van de goede connecties van zijn moeder. Zij riep de hulp in van haar zwager, de Duitse koning Hendrik II, om een Friese opstand te onderdrukken. De koning vertrok vanuit Utrecht per schip met een leger naar Friesland en bracht de aanvallen tot staan.

Dirk III's vrouw was Othelhilde (ca. 985 - Quedlinburg, 9 maart 1043/44). Over haar afkomst bestaat geen zekerheid. Als zij een dochter van hertog Bernhard I van Saksen was, dan trouwde haar zoon Floris met zijn volle nicht. Als vader wordt ook wel Bernard I van Brandenburg, de markgraaf van de Noordmark, genoemd.

Uit het huwelijk van Dirk met Othelhilde werden vier kinderen geboren:

  • Dirk IV

  • Floris I

  • Bertrada, die trouwde met Diederik II van Katlenburg  (10?? - Berka/Werra, 21 januari 1085) was graaf van Katlenburg. Het is onbekend of hij de vermoedelijk in de 11e eeuw ontstane Katlenburg in het huidige Katlenburg-Lindau heeft laten bouwen of dat dit door een van zijn voorgangers is gedaan. Hij was de enige zoon van graaf Diederik I van Katlenburg en Bertrada van Holland (dochter van graaf Dirk III van Holland, de Jeruzalemmer). In 1075 vocht hij in de slag bij Langensalza aan de Saksische kant mee tegen de troepen van keizer Hendrik IV

  • Swanhilde, die trouwde met Emmo van Loon (na 1015 - voor 5 februari 1079?) was de derde graaf van het graafschap Loon. Ze kregen de volgende kinderen:

    • Arnold I, vanaf 1079 graaf van Loon

    • Diederik (Dirk) van Loon, heer van Horne en Herlaar

    • (mogelijk) Reinoud, voogd van Fosses

    • (mogelijk) Sophia (-1065), die volgens twijfelachtige middeleeuwse bronnen tijdens haar gijzelneming in Duitsland trouwde met koning G?a van Hongarije.

Na het overlijden van Dirk III, ging zijn vrouw terug naar Saksen, waar zij op 31 maart 1044 overleed. Dirk III is begraven in de Abdij van Egmond. Othilde werd begraven in Quedlinburg.

Aarnout van Holland Dirk III van Holland

_____________________________________________________________________________________________

Dirk IV van Holland (?, 10?? - Dordrecht, 13 januari 1049) was een Friese graaf (comes Fresonum). Vanaf 1039 volgde hij zijn vader Dirk III op als graaf van West-Frisia, over de gebieden die later bekend zouden staan als het graafschap Holland. Hij sneuvelde nabij Dordrecht op 13 januari 1049.

Hij zette de politiek van machtsuitbreiding van zijn vader voort, namelijk het uitbreiden van het graafschap naar het oosten. Zo eigende hij zich onder meer het gebied ten zuidoosten van Alphen, tussen Zwammerdam en Bodegraven, toe. Hij schond daarmee de belangen van Bernold, de Utrechtse bisschop en de machtige Zuid-Nederlandse kloosters en bisschoppen.

Hierdoor kwam hij in conflict met de keizer en de rijksbisschoppen. Keizer Hendrik III trok daarom persoonlijk tegen hem ten strijde en in 1046 dwong hij Dirk IV afstand te doen van het door hem veroverde gebied. In 1049 werd Dirk IV door de bisschoppen van Metz, Luik en Utrecht in de val gelokt en gedood. Dirk was nog jong, ongehuwd en kinderloos. Hij werd opgevolgd door zijn broer Floris I.

_____________________________________________________________________________________________

Floris I (ca. 1025 ? Nederhemert, 28 juni 1061) was een Friese graaf (comes Fresonum) die van 1049 tot 1061 het bewind voerde over de gebieden die later bekend zouden worden als het graafschap Holland. Hij volgde zijn broer Dirk IV op na diens dood in 1049.

Toen Floris eenmaal tot graaf was benoemd bleef de relatie met de keizer en de bisschoppen slecht. Floris raakte in conflict met de keizer over de tol op de Merwede (vermoedelijk bij Vlaardingen, dus stroomafwaarts van de huidige Merwede).  De volgende slag vond op 28 juni 1061 plaats bij Nederhemert. Floris viel de troepen van Keulen, Brunswijk en Cuijk aan en wist ze snel te verjagen. De Friezen gingen vervolgens rusten in de schaduw van de bomen langs de Maas. Herman van Cuijk, burggraaf van Utrecht, hergroepeerde zijn troepen en overviel het nietsvermoedende leger. Floris werd samen met honderden van zijn mannen gedood.

Floris I trouwde met Geertruida van Saksen. Zij was de dochter van Bernhard II, hertog van Saksen, en Eilika van Schweinfurt. Hun kinderen waren:

  • Dirk V van Holland (1054-1091)

  • Floris, jong overleden te Luik, waar hij mogelijk naartoe was gestuurd voor zijn opvoeding

  • Bertha van Holland (ca. 1058-1094), Ze was getrouwd met koning Filips I van Frankrijk. In 1092 werd ze verstoten omdat Filips zijn zinnen had gezet op de mooie en jonge Bertrada van Montfort en moest ze het hof verlaten. Bekend is dat Filips vond dat Bertha te dik was geworden. In 1094 is ze overleden in een klooster in Montreuil-sur-Mer. Zij was de moeder van:

    • Constance (1078- 14 september 1126).

    • Lodewijk VI (1 december 1081 - 1 augustus 1137), opvolger als koning

    • Hendrik (geboren in 1083, jong gestorven)

    Haar zoon Lodewijk volgde zijn vader op als koning van Frankrijk

    .

  • Adelheid (1045-1085), gehuwd met Boudewijn I van Gu?es, en werden de ouders van:

    • Manasses, ook Robert, (1075-1137)

    • Fulk, graaf van Beiroet

    • Gwijde

    • Hugo, aartsdiaken.

    • Adelheid (1080-1142), gehuwd met heer Godfried II van Semur en Brionnais

    • Gizela (1075-), gehuwd met Wenamar van Gent (1070-1120), 3de burggraaf van Gent, eerste kastelein van Gent en heer van Bornem, werd de moeder van Arnoud I van Gu?es

Floris I  is oorspronkelijk begraven in de eerste abdij van Egmond. Hij ligt nu na opgraving in het nieuwe mausoleum in de in 1935 herstichte Abdij van Egmond

Dirk IV van Holland Floris I van Holland

_____________________________________________________________________________________________

Dirk V (1054 - 17 juli 1091) was een Friese graaf (comes Fresonum) die het bewind voerde over de gebieden die later bekend zouden worden als het graafschap Holland.

Floris sneuvelde in 1061 in de oorlog met de bisschop van Utrecht, Willem van Gelre. Dirk was toen minderjarig en zijn moeder trad op als regentes. Willem, de bisschop van Utrecht, maakte van deze situatie gebruik om het Rijnland en het Kennemerland te annexeren. Deze annexatie werd formeel bevestigd door keizerin Agnes van Poitou (1024-1077), de regentes van Duitsland. Van Dirks graafschap bleven alleen de noordelijkste en zuidelijkste gebieden over. Zijn moeder besefte dat Dirk een sterke bondgenoot nodig had en ze trouwde in 1063 met Robrecht I van Vlaanderen, de broer van de graaf Boudewijn VI van Vlaanderen. Die gaf zijn aanspraken in Vlaanderen op (ten gunste van zijn neef Arnulf III van Vlaanderen) en wijdde zich aan zijn Friese belangen. Daaraan ontleent hij in Vlaanderen zijn bijnaam "de Fries". Dirk ontving Rijks-Vlaanderen ten oosten van de Schelde en de eilanden ten westen van de Schelde (o.a. Walcheren), als apanage. Toen bisschop Willem een paar maanden later ook overleed, verzamelde Dirk een Vlaams leger en probeerde hij opnieuw zijn graafschap te heroveren. De nieuwe bisschop Koenraad verschanste zich in het kasteel van IJsselmonde. De gevechten werden beslist doordat Dirk het kasteel kon veroveren. Koenraad sloot vrede en gaf daarbij het Rijnland en Kennemerland terug aan Dirk.

Dirk V  is vermoedelijk getrouwd met Othelhildis van Saksen (ca. 1065 - 18 november 1120), maar hier kan ook sprake zijn van een verwarring met zijn grootvader. Ze kregen twee kinderen:

  • Floris II

  • Mathilde

Dirk koos in de Investituurstrijd de kant van de paus en hij werd begraven in de abdij van Egmond.

_____________________________________________________________________________________________

Floris II (1091 - 2 maart 1122) bijgenaamd de Vette of de Dikke, was de eerste Friese graaf die zich naar het Graafschap Holland: graaf van Holland noemde ("Florentius comes de Hollant").

Omstreeks 1108 trouwde Floris II met Geertruida van Saksen, dochter van Diederik II van Lotharingen, de hertog van Opper-Lotharingen en een halfzus van de Rooms-Duitse koning Lotharius III van Supplinburg. Geertruida veranderde haar naam waarschijnlijk bij haar huwelijk in Petronilla. Hiermee wilde ze vermoedelijk uiting geven aan haar verbondenheid met Petrus en de paus. Floris II be?ndigde het conflict met bisschop Burchard van Utrecht, waarschijnlijk door hem in 1101 als leenheer te erkennen.

Floris en Petronella kregen de volgende vier kinderen:

  1. Dirk VI

  2. Floris de Zwarte (ca. 1115-1133) kwam tweemaal in opstand tegen zijn oudere broer, Dirk VI. De eerste maal werd hij gesteund door zijn moeder Petronilla, Andries van Cuijk (de bisschop van Utrecht) en de rooms-koning, zijn oom Lotharius III. In 1131 werd het conflict bijgelegd, waarna Floris zich korte tijd graaf van Holland mocht noemen. In augustus 1131 kwam Floris opnieuw in opstand. Ditmaal steunde zijn moeder hem niet en moest hij uitwijken naar het gebied van de West-Friezen die tegen Dirk VI in opstand waren gekomen. Zij boden Floris de heerschappij over geheel West-Friesland en ook de Kennemers schaarden zich achter hem. De broedertwist werd in augustus 1132 door tussenkomst van Lotharius bijgelegd. In 1133 werd Floris de Zwarte nabij Utrecht vermoord.

    De Abdij van Rijnsburg (1133 - 1574) werd in 1133 gesticht door Petronilla van Saksen, de weduwe van graaf Floris II, tijdens haar regentschap voor haar zoon Dirk VI. Het was een benedictinessenabdij voor uitsluitend adellijke vrouwen. Op grond van de overgeleverde liturgische handschriften kan worden vastgesteld dat men de Germaanse liturgische gebruiken volgde. Er is zo goed als geen reden aan te nemen dat de abdij Rijnsburg of haar moederhuis St?terlingenburg in de Noordelijke Harz ooit tot de orde van Cluny hebben behoord.

    Onder bescherming van de graven en gravinnen van Holland werd het de belangrijkste vrouwenabdij van Holland, met zeer veel bezittingen, waaronder Aalsmeer en Boskoop.

    In 1574 werden de gebouwen van de abdij verwoest.

    De overblijfselen van Floris de Zwarte werden, samen met die van andere familieleden van Floris V van Holland, bij opgravingen onder leiding van professor Willem Glasbergen in 1949 op het terrein van de Abdij van Rijnsburg gevonden.

  3. Simon, kanunnik te Utrecht

  4. Hedwig (ovl. 1132), non

Floris II zou ook nog een buitenechtelijke dochter Hadewijch Florisdr hebben gehad. Hadewijch (ca. 1110 - na 1157) trouwde met Hugo III van Voorne (ca. 1100 - na 1168) was heer van Voorne.Hij was een van de heren van het geslacht Van Voorne en had twee kinderen:

  • Floris van Voorne

  • Dirk I van Voorne (ca. 1135, 1189) had de adellijke titel Heer van Voorne (van 1156 tot 1189). Hij is getrouwd met een dochter van Unarch van Nadelwick, Heer van Naaldwijk en verwierf zo Naaldwijk. In latere jaren zou die heerlijkheid door een jongere tak van de familie Voorne worden bestuurd.

    Hij liet de Burcht van Voorne bouwen (samen met zijn broer Floris van Voorne).

    Kind(eren):

    • Hugo (ovl. na 1215)

    • Dirk II van Zeeland Van Voorne 1170-1228

    • Bartholomeus van Voorne Van Naaldwijk 1170-????

    • een dochter (naam onbekend)

Floris II overleed toen zijn oudste zoon DirkVI nog maar 7 jaar oud was. Hij is begraven in de abdij van Egmond.

Dirk V van Holland Floris II van Holland

_____________________________________________________________________________________________

Dirk VI (?, 1114 - bij Utrecht, 5 augustus 1157) was graaf van Holland vanaf 1122, aanvankelijk onder het voogdijschap van zijn moeder.

Omstreeks 1125 huwde hij met Sophia van Rheineck, dochter van Otto van Rheineck en Geertruid van Northausen. Door dit huwelijk kwam het graafschap Bentheim in handen van de graven van Holland. Sophie overleefde haar man met ruim 19 jaar. Ze stierf in 1176 tijdens een bedevaart in Jeruzalem.

Samen kregen ze de volgende kinderen

  • Dirk (ca. 1138 - 1151), begraven te Egmond

  • Floris III, graaf van Holland

  Kasteel Bentheim

  • Otto, (ca. 1140 - 1208/09) graaf van Bentheim In 1196 streed hij tegen de burggraaf van Coevorden. Otto steunde zijn neef Willem I van Holland in diens geslaagde poging om de macht over Holland te verwerven, ten koste van Ada van Holland (gravin).

    Otto was gehuwd met Alveradis van Arnsberg (ca. 1160 - 1230), erfdochter van Malsen, dochter van Godfried I van Cuijk (1100-1167). Zij kregen de volgende kinderen:

    • Egbert, vermoord ca. 1210

    • Boudewijn I van Bentheim, opvolger van zijn vader

    • Otto, 1203 bisschop van M?ster

    • Gertrud (ovl. 1240), kanunnikes te Freckenhorst, 1219 abdis van Metelen

    • Marina, gehuwd met Ricolt van Ochten

    • Agniese, gehuwd met Willem van Teylingen

  • Boudewijn, (gestorven in Mainz, 30 april 1196) was bisschop van Utrecht van 1178 tot 1196.

  • Dirk, (gestorven in Pavia, 28 augustus 1197) was bisschop van Utrecht in 1197.

  • Sophia (ovl. na 1202), abdis van Rijnsburg

  • Hadewig (ovl. Rijnsburg, 28 augustus 1167) non te Rijnsburg

  • Geertruid (ovl. op 13 augustus)

  • Petronilla (ovl. 5 december)

Dirk had ook een buitenechtelijk kind, genaamd Robert (ovl. voor 1190), begraven te Rijnsburg.

In 1156 loste Dirk VI de slepende kwestie rond de Echternachse kerken op. Rond 923 had Dirk I in Egmond een klooster gesticht. Deze Abdij van Egmond kreeg de kerkelijke rechten over het gebied, in plaats van de door Willibrordus gestichte Abdij van Echternach. De abdij van Echternach ondernam herhaaldelijk pogingen het verloren bezit terug te krijgen. Dit had tot gevolg dat in 1063 de bisschop Willem I van Utrecht de kerken in het gebied over beide abdijen verdeelde. De abdij van Egmond wou deze verdeling uiteraard niet accepteren. Dirk VI loste het conflict op door de abdij van Echternach, in ruil voor de gebieden, land op Schouwen en de inkomsten van de grote kerk in Vlaardingen te schenken. Dat de abt van Egmond, die bij de overdracht aanwezig was, weinig gecharmeerd was van deze oplossing, bleek wel toen hij Dirk VI en zijn zoon Floris kort erop in de ban deed. Deze ban is er waarschijnlijk de oorzaak van dat Dirk VI niet in Egmond maar in de Abdij van Rijnsburg werd begraven.

_____________________________________________________________________________________________

Floris III (ca. 1140 ? 1 augustus 1190) was graaf van Holland. Vanaf 1161 was hij in onderhandeling of in oorlog met de West-Friezen. De West-Friezen verwoestten Alkmaar tot twee keer toe, Floris plunderde en verwoestte op zijn beurt Schagen, Winkel (Niedorp) en Niedorp. Toen Floris in 1184 zelfs Texel en Wieringen veroverde, gaven de West-Friezen op. Er werd een vrede gesloten waarbij de West-Friezen 4000 zilveren marken moesten betalen.

Hij huwde op 28 september 1162 met Ada van Schotland, de zuster van de Schotse koning Malcolm IV. Hij kreeg daarbij de titel earl van Ross, die hij later overigens weer moest opgeven. Ook zou Floris zijn wapen hebben gebaseerd op het wapen van Schotland.

Floris en Ada kregen de volgende kinderen:

  • Dirk VII, opvolger van zijn vader

  • Willem I was graaf van Holland.die door opstand het graafschap verwierf ten koste van zijn nicht Ada.

  • Floris, geestelijke

  • Hendrik

  • Boudewijn (ovl. 19 juli 1204)

  • Robert

  • Beatrix

  • Elisabeth (ovl. 27 augustus van een onbekend jaar)

  • Ada, getrouwd met Otto II van Brandenburg, kinderloos en keerde na de dood van haar man in 1205 terug naar Holland

  • Margaretha (ovl. na 1203), gehuwd met Diederik V van Kleef

  • Hedwig (ovl. 13 juli van een onbekend jaar), begraven te Haarlem

  • Agnes (ovl. 22 april 1228), abdis van de abdij van Rijnsburg.

Floris nam ook deel aan de Derde Kruistocht en was daarin een van de aanvoerders van Frederik. Floris stierf op 1 augustus 1190. Hij werd begraven in de Petruskerk van Antiochi?

Dirk VI van Holland Floris III van Holland

_____________________________________________________________________________________________

Dirk VII (12de eeuw - Dordrecht, 4 november 1203) was graaf van Holland vanaf 1190. Dirk VII was de zoon van Floris III en Ada van Schotland. Hij volgde zijn vader op nadat die in 1190 was overleden tijdens de Derde Kruistocht.

Otto van Gelre riep in 1202 de hulp van Dirk VII omdat hij in conflict met de hertog van Brabant was geraakt. Dirk trok met zijn leger naar Brabant, waar hij het net gestichte 's-Hertogenbosch (een rivaal van zijn Geertruidenberg) op 7 september 1202 verwoestte.

Op de terugweg raakte hij bij Heusden slaags met het sterke leger van de hertog van Brabant. Dirk werd gevangengenomen en pas na betaling van een hoog losgeld en het aanvaarden van zeer ongunstige voorwaarden werd hij weer vrijgelaten. Niet alleen over het deel van zijn gebied ten zuiden van het Hollands Diep, maar ook over Zuid-Holland moest hij de Brabantse hertog als leenheer erkennen. Voor het overige deel van Holland werd de nieuwe bisschop van Utrecht de leenheer. Hierdoor verloor Holland zijn overwicht in de noordelijke Nederlanden.

Toen Dirk VII een jaar later stierf, werd hij opgevolgd door zijn op dat moment enige nog in leven zijnde dochter Ada van Holland.

In 1186 huwde hij te Loosduinen Aleid van Kleef, de dochter van graaf Diederik IV van Kleef. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, allen dochters,

  • Ada van Holland,

  • Aleidis en

  • Petronilla.

Omdat Dirk geen zonen had, maakte hij Holland erfelijk voor vrouwen.

_____________________________________________________________________________________________

Ada van Holland (1188 ? 1223) was gravin van Holland vanaf 1203. Ada was een dochter van Dirk VII en Aleid van Kleef. Ze werd vernoemd naar haar grootmoeder Ada van Schotland.

Toen haar vader in 1203 stierf was Ada de laatste nog levende dochter van Dirk VII. Om de positie van Ada te verstevigen, liet haar moeder de 15-jarige Ada nog voor de begrafenis van haar vader trouwen met Lodewijk II van Loon.

Haar oom Willem I  erkende Ada niet als gravin van Holland en riep zich uit tot graaf van Holland. Hij kreeg daarbij steun van de edelen van Kennemerland waarna Aleid van Cleef en Lodewijk van Loon naar Utrecht moesten vluchten.

Ada werd op weg naar de begrafenis van haar vader door getrouwen van Willem bij Leiden in het nauw gedreven.

        

Ze verschanste zich in de burcht van Leiden, die na een kort beleg door de burggraaf van Leiden, Philips van Wassenaar, werd ingenomen. Ada werd door haar oom ge?terneerd op Texel.

Later werd ze naar de Engelse koning Jan zonder Land gezonden. Willem nam vervolgens het bestuur van het graafschap op zich. Wat volgde was de Loonse oorlog, die tot 1206 zou duren. De oorlog eindigde met het verdrag van Brugge. Formeel werd het graafschap tussen Willem en Lodewijk van Loon opgedeeld. Willem kreeg Zeeland en de streek rond Geertruidenberg, Lodewijk de rest. Het lijkt er echter op dat Willem gewoon doorregeerde in Holland

In 1207 wist Lodewijk van Loon Ada vrij te krijgen, maar Ada moest haar claim op het graafschap opgeven. Lodewijk en Ada probeerden het graafschap nog wel te heroveren en deze strijd werd onderdeel van de strijd tussen Frankrijk en de Hohenstaufen-dynastie. Willem wist Holland hier, door kundig tussen de partijen te manoeuvreren, zonder kleerscheuren doorheen te brengen en in 1213 moesten Lodewijk en Ada hun claim op het graafschap Holland definitief opgeven.

Ada stierf kinderloos in 1223 en werd begraven naast haar man Lodewijk II van Loon in de Abdij van Herkenrode in het Graafschap Loon.

_____________________________________________________________________________________________

Willem I (ca. 1175 ? 4 februari 1222) was graaf van Holland.die door opstand het graafschap verwierf ten koste van zijn nicht Ada.

Willem I was de tweede zoon van graaf Floris III en Ada van Schotland en hij bracht zijn jeugd door bij de familie van zijn moeder in Schotland. In 1189 begeleidde Willem zijn vader bij de Derde Kruistocht. Zijn vader overleed in 1190 tijdens de kruistocht en zelf werd Willem tijdens zijn terugtocht in Frankrijk gevangengenomen. Hij keerde in 1191 in Holland terug en raakte in onmin met zijn oudere broer Dirk VII die zijn vader Floris III als graaf van Holland was opgevolgd. Willem zocht daarom steun bij de opstandige Friezen. Omdat Dirk op dat moment niet weg kon uit Zeeland stuurde hij zijn vrouw Aleid met een leger naar West-Friesland. In november 1195 kwam het tot een treffen tussen Aleid en haar zwager Willem. Aleid wist het treffen naar haar hand te zetten door de leiders van Niedorp en Winkel om te kopen. Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers bijgelegd, en kreeg Willem het bestuur over het graafschap Midden-Friesland.

Dirk VII overleed in 1203. Zijn dochter Ada was zijn enige erfgenaam. Zijn weduwe Aleid liet haar onmiddellijk trouwen met Lodewijk II van Loon. Willem maakte ook aanspraken op de opvolging in Holland en zo ontstond de Loonse oorlog. In het begin had Willem de overhand en wist hij Ada gevangen te nemen en Lodewijk en Aleid te verjagen uit Holland. Hij zond Ada naar koning Jan zonder Land van Engeland, ter bewaring.

Willem I huwde in 1197 te Stavoren met Aleid van Gelre (ca. 1182-1218), dochter van Otto I van Gelre. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren:

  • Floris IV, opvolger van zijn vader

  • Otto van Holland (gestorven op 27 maart 1249) was bisschop van Utrecht van 1233 tot 1249. Hij werd in 1233 tot bisschop gekozen, maar door het verzet van de Utrechtse kapittels kon hij pas in 1245 gewijd worden. Hij ontpopte zich als een krachtdadig bestuurder die zich voornamelijk met wereldlijke zaken bezig hield. Na de dood van zijn broer Floris IV van Holland in 1234 werd hij voogd van diens opvolger, de zevenjarige Willem II, en kreeg hij het beheer over het graafschap Holland. Hij loste de problemen in Drenthe op, waaraan bisschop Otto II ten onder was gegaan. Hij onderwierp de heren van Goor aan zijn gezag

  • Willem, 1238 overleden tijdens een toernooi

  • Ada van Holland (1208-1258) was de dochter van graaf Willem I en diens eerste echtgenote Aleid van Gelre. Vanaf ongeveer 1239 was ze abdis van de abdij van Rijnsburg.

  • Ricardis (ovl. 3 januari 1262)

Willem huwde voor een tweede maal met Maria van Brabant. Dit tweede huwelijk is kinderloos gebleven.

     
Dirk VII van Holland Ada van Holland Willem I van Holland

_____________________________________________________________________________________________

Floris IV (24 juni 1210 ? Corbie, 19 juli 1234) was van 1222 tot 1234 graaf van Holland. Hij was de zoon van Willem I en Aleid van Gelre.

Floris trouwde met Machteld van Brabant, weduwe van Hendrik VI van Brunswijk. Op 5 november 1214 maakte zijn vader samen met Hendrik I van Brabant een huwelijksverdrag op waarin werd overeengekomen dat vanaf de dag van het huwelijk van Floris, zijn vader, graaf Willem elk jaar 500 Hollandse ponden zal betalen aan Machteld, de dochter van Hendrik van Brabant. Het geld zou komen uit de inkomsten die Willem I had uit een groot aantal stukken grond, waaronder de Riederwaard. Het huwelijk werd voltrokken op 6 december 1224 te Antwerpen.

Hij volgde zijn vader op in 1222. De eerste paar maanden, tot hij op zijn twaalfde verjaardag meerderjarig verklaard werd, stond hij onder voogdij van graaf Boudewijn van Bentheim.

Floris overleed tijdens een toernooi te Corbie, Frankrijk, op 19 juli 1234. Volgens een romantische overlevering maakte Floris grote indruk op Mathilde II van Boulogne die hem een liefdesbrief stuurde. Haar man, Filips Hurepel, die ook deelnam aan het toernooi, kon dit niet over zijn kant laten gaan en stak Floris dood. Floris werd begraven in de Abdij van Rijnsburg.

Floris en Machteld kregen de volgende kinderen:

  • Willem II, opvolger van zijn vader, tegenkoning van Duitsland

  • Floris de Voogd, (ca. 1228 ? Antwerpen, 26 maart 1258),  regent van Holland, trad op als plaatsvervangend graaf in Holland en Zeeland, toen Willem II van Holland zich als Rooms-koning in Duitsland bevond. Na Willems dood was hij voogd over graaf Floris V. Hij wordt soms aangeduid als "Florentius tutor".

    Samen met Jan van Avesnes versloeg hij in 1253 de Vlaamse legermacht die Walcheren was binnengevallen, waarbij hij de aanvoerders Gwijde en Jan van Dampierre gevangennam, zonen van Margaretha II van Vlaanderen. In 1256 tekende hij een vredesverdrag (het zogenaamde "Dit de P?onne") met Vlaanderen over de status van Zeeland, waarin de rechten van Vlaanderen op Zeeland ten westen van de Schelde werden herbevestigd. Vlaanderen werd gedwongen Holland te compenseren voor de oorlogsschade en Margaretha's zonen werden vrijgelaten.  Floris werd gedood tijdens een toernooi en werd begraven in Middelburg,

  • Aleid van Holland,  (1228 - 1284) regentes van Holland na overlijden van Floris,, ook bekend als Aleid(a) van Avesnes, was gravin van Henegouwen en regentes van Holland. Zij speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van Schiedam,

    Aleid trouwde op 9 oktober 1246 met Jan van Avesnes. Er zijn zeven kinderen uit het huwelijk geboren:

    • Jan II van Avesnes, graaf van Henegouwen(1280) en van Holland (1299)

    • Boudewijn (leefde nog in 1299)

    • Bouchard (26 mei 1251 - 29 november 1296), kanunnik in Kamerijk en Luik (1282), proost van Sint-Lambertus in Luik (1286), proost van Maastricht, aartsdiaken van Leuven, bisschop van Metz (1283). Vader van Elisabeth, gehuwd met Steven van der Weyden.

    • Gwijde, bisschop van Utrecht

    • Willem, bisschop van Kamerijk

    • Floris, stadhouder van Zeeland en vorst van het vorstendom Achaea (1255-1297).

    • Johanna (overleden 1304), abdis van Flines

    Het Hollandse Huis gaat hier verder in vrouwelijke lijn...

     

  • Margaretha, (1234 - 26 maart 1276) beter bekend als Margaretha van Henneberg, was de jongste dochter van graaf Floris IV.Margaretha trouwde in 1249 met Hermann I von Henneberg-Coburg (1224-1290). Zij woonden meestal in Coburg, maar bezaten ook het kasteel de Hooghe Werf bij Loosduinen. Zij kregen drie kinderen, een zoon Herman, die in 1250 in Loosduinen werd begraven, een dochter Jutta (ca 1252-ca 1312) die in 1268 trouwde met markgraaf Otto V van Brandenburg en een zoon Poppo (ca 1254-1291) die zonder nakomelingen stierf.

  • Hendrik

  • Machteld

_____________________________________________________________________________________________

Willem II (?, februari 1227 - Hoogwoud, 28 januari 1256) was graaf van Holland en Zeeland (1234-1256) en koning van het Heilige Roomse Rijk (1248-1256).

Na de dood van tegenkoning Hendrik Raspe was Hendrik II van Brabant de belangrijkste kandidaat om hem op te volgen. Hendrik weigerde maar stelde zijn jongere neef Willem voor als koning. Op 3 oktober 1247 werd Willem op 20-jarige leeftijd door de aartsbisschoppen van Keulen, Mainz en Trier tot koning van Duitsland uitgeroepen Paus Innocentius IV steunde de keuze van Willem op 8 november 1247. Willem benoemde een onderkoning voor Noord-Itali?en kreeg de steun van Bourgondi? In 1248 veroverde Willem Kaiserswerth, Dortmund en Aken. Op 1 november 1248 werd Willem in Aken gekroond door de aartsbisschop van Keulen. Willem was tegenkoning van Koenraad IV, die op gezag van zijn vader Keizer Frederik II al in 1237 op negenjarige leeftijd tot koning van Duitsland was gekozen.

De macht van Willem was eigenlijk beperkt tot het Rijnland en Zwaben. Dankzij de diplomatieke inspanningen van de paus kreeg Willem in 1252 steun van de Noord-Duitse vorsten en steden. Op 25 januari 1252 werd dit bezegeld door het huwelijk van Willem met Elisabeth van Brunswijk.

Willem II voerde verschillende oorlogen tegen de Westfriezen. Tijdens de veldtocht tegen de Westfriezen zakte hij op 28 januari 1256 bij Hoogwoud door het ijs van het Berkmeer. De Westfriezen vonden hem in machteloze positie en doodden hem. Toen ze doorhadden dat ze de koning hadden gedood, werd Willem begraven onder de haardplaat van een boerderij in Hoogwoud. Pas in 1282 wist zijn zoon, graaf Floris V, zijn stoffelijk overschot terug te vinden, maar niet zonder slag of stoot: Hoogwoud werd geplunderd en de bevolking werd voor een groot deel uitgemoord door de Hollanders. Willem II werd begraven in de Abdij van Middelburg.

Willem en Elisabeth hadden een zoon:

  • Floris V van Holland.

Sommige bronnen noemen ook een dochter Mechtild, maar haar bestaan is onzeker. Daarnaast had Willem bij een minnares nog een zoon: Dirk (ovl. 1312).

Floris IV van Holland Willem II van Holland

_____________________________________________________________________________________________

Floris V (Leiden, 24 juni 1254 - Muiderberg, 27 juni 1296), bijgenaamd der keerlen god (god van de kerels, van de gewone man), was graaf van Holland en Zeeland en vanaf 1291 liet hij zich 'heer van Friesland' noemen, ofschoon hij alleen in West-Friesland feitelijke macht uitoefende.

Het ging fout toen Floris zijn Engelse bondgenoot Eduard I in 1296 wegens een conflict over de wolhandel aan de kant zette ten gunste van de Franse bondgenoot. Het verhaal gaat dat de Engelse koning enkele ontevreden edelen zou hebben gevraagd hem gevangen te nemen. Tijdens een valkenjacht - volgens sommige geschiedschrijvers bij de Egelshoek- werd Floris gevangengenomen door Gijsbrecht van Amstel, Herman VI van Woerden, Willem van Zaanden en Gerard van Velsen. Het nieuws van zijn gevangenneming lekte echter snel uit en onder het volk, waar Floris erg populair was, ontwikkelde zich het plan hem te bevrijden. Toen de edelen met hun gevangene op 27 juni 1296 het Muiderslot verlieten met Van Velsen en enkele schildknapen voorop als verkenners, kwamen ze bij Muiderberg een groep Gooilanders uit Naarden tegen die Floris in levende lijve kwamen opeisen. Hierop reed Gerard van Velsen terug, trok zijn zwaard en doodde graaf Floris. Floris was weerloos doordat in zijn mond een handschoen was gepropt, zijn handen en voeten vastgebonden en zijn vingers gekloofd of gespleten waren. Toen Van Velsen zijn zwaard trok, steigerde het paard van schrik, waardoor Floris door de eerste zwaardslag zijn beide handen verloor en zijdelings van het paard viel, waarop Van Velsen naar Floris liep en op hem bleef insteken, gevolgd door de anderen. Vervolgens namen de ontvoerders de vlucht. Floris werd naar het buitenverblijf Florisberg te Muiderberg gebracht, waar hij bezweek aan de toegebrachte 22 steekwonden.

Gerard van Velsen werd later gepakt, gemarteld en ter dood gebracht. Gijsbrecht van Amstel (de vierde met die naam uit het bekende geslacht van de Heren van Amstel) en Herman van Woerden sleten de rest hun leven als ballingen en verloren al hun bezittingen.

Floris V werd vermoedelijk in de abdij van Rijnsburg begraven

In het jaar 1269 trouwde hij op veertienjarige leeftijd met Beatrix van Vlaanderen (Brugge, ca. 1253 - 23 maart 1296). Zij was een dochter van Gwijde van Dampierre en Mathilde van B?hune.

Uit zijn huwelijk met Beatrix werden de volgende kinderen geboren:

  • Dirk, op jonge leeftijd overleden.

  • Floris, op jonge leeftijd overleden.

  • Willem, op jonge leeftijd overleden.

  • Otto, op jonge leeftijd overleden.

  • Willem, tweede kind met deze naam, op jonge leeftijd overleden.

  • Floris, tweede kind met deze naam, op jonge leeftijd overleden.

  • Beatrix, op jonge leeftijd overleden.

  • Machteld, op jonge leeftijd overleden.

  • Elisabeth, op jonge leeftijd overleden.

  • Margaretha (-na 1284). Zij was 5 juli 1281 verloofd met Alfons van Engeland (1273-1284). Hij was een zoon van Eduard I van Engeland en Eleonora van Castili?

  • Jan I van Holland

Floris had bovendien de volgende buitenechtelijke kinderen:

  • Witte van Haemstede, zijn moeder was Anna van Heusden, dochter van Jan van Heusden en Aleid van Arberg, Witte van Haemstede werd ca. 1281 als bastaardzoon geboren uit een verhouding tussen Floris V en Aleid van Heusden, dochter van Jan II van Heusden. Hij overleed in 1321. Het kerkelijk recht bepaalde dat buitenechtelijke kinderen niet konden worden erkend. Witte groeide op als de Witte van Heusden. Maar toen zijn vader in 1296 werd vermoord, kreeg hij van zijn halfbroer Jan I, die Floris V als graaf van Holland was opgevolgd, de heerlijkheid Haamstede in leen. Vanaf die tijd werd hij de Witte van Haemstede genoemd. Sommige bronnen noemen hem ook wel Witte van Holland, maar die benaming was niet correct. Haamstede ligt op het eiland Schouwen-Duiveland in het vroegere graafschap Zeeland. In 1299 nam hij deel aan het beleg van Dordrecht, waarbij hij het kasteel van Putten bezette.

    Witte trouwde met zijn achternicht (ze waren verwant in de zesde graad) Agnes van der Sluis, dochter van Arnold van der Sluijs en diens tweede vrouw Agnes van der Lecke (dochter van Hendrik II van der Lecke, raad van Holland). Drie zoons worden genoemd in naslag werken.

    • Floris I of Frederik van Haemstede (ca. 1301 - Staveren, 27 september 1345): belangrijke hoveling van Willem IV van Holland, verkreeg functies en grote bezittingen in Zeeland, en verkreeg via zijn vrouw bezittingen van het huis Persijn in het Kennemerland en het Waterland. Nam deel aan verschillende oorlogen van Willem en sneuvelde samen met hem bij Staveren.

    • Arnoud van Haemstede, genoemd als heer van Moermont, werd in 1348 waarschijnlijk vermoord door Wolfert III van Borselen.

    • Jan van Haemstede, wordt genoemd in 1348.

    • Gui of Gwijde van Haemstede, die ook bij de Slag van Warns zou zijn gesneuveld in 1345.

    Enkele andere afstammelingen van Witte zijn:

    • Jan II van Haemstede (ca. 1340 - voor 24 mei 1386): vocht een vete uit met Wolfert III van Borselen naar aanleiding van de moord op Arnoud van Haemstede. Uiteindelijk kocht Wolfert de familie van Haemstede af. Jan koos daarna de Hoekse kant en werd verbannen maar kreeg vier jaar later (tegen betaling) zijn functies en bezittingen weer terug.

    • Arend II van Haemstede (1372 - 12 april 1433): dijkgraaf van Zuid-Beveland beoosten Yerseke, rentmeester van Zeeland beoosten Schelde, baljuw van Middelburg, baljuw van Brouwershaven.

  • Catharina van Holland, zij trouwde op 21 april 1301 met Zweder I van Montfoort.Uit hun huwelijk geboren kinderen:

    • Hendrik II van Montfoort (-1332) derde burggraaf van Montfoort

    • Jan I van Montfoort (-1345) vierde burggraaf van Montfoort

    • Adilise van Montfoort (-1325) was gehuwd met Jan van Rozenburg

    • Willem van Montfoort (-1345) heer van Nesse

  • Gerard (- voor 28 juli 1327)

  • Willem

  • Alida

  • Pieter

  • mogelijk Dirk

_____________________________________________________________________________________________

De West-Friese Oorlogen vonden plaats van de elfde eeuw tot het einde van de dertiende eeuw tussen de Friese, later Hollandse graven en de West-Friezen.

In 985 gaf koning Otto III, op verzoek van zijn moeder Theophanu een aantal gebieden in eigendom (proprium) aan graaf Dirk II van Holland die hij eerder in leen (beneficium) had gekregen. Dit was het gebied tussen de rivieren Liora (Lier) en Hisla (Hollandse IJssel) - Masaland -, villa Sunnimeri, het gebied tussen de rivieren Medemelaka en Chinnelosara gemerchi - Kinheim - en Texla. Het gezag van de koning was in de ijzeren eeuw zeer beperkt, zodat deze weinig tot geen macht kon uitoefenen in zijn buitengebieden. In mindere mate gold dit ook voor de graaf zelf, die slechts in zijn kerngebied werkelijk macht kon uitoefenen.

Dit bleek wel toen graaf Arnulf van Gent in 993 om het leven kwam bij een poging zijn opstandige onderdanen tot gehoorzaamheid te dwingen. Dit gevecht vond plaats bij Winkel en wordt gezien als een eerste teken van de libertas van de Friezen, maar op dat moment was er nog geen sprake van scheiding tussen West-Friesland en Kennemerland. Volgens Thietmar van Merseburg kwam het in 1005 tot een verzoening door toedoen van koning Hendrik II naar aanleiding van een verzoek hiertoe van zijn schoonzus Lutgardis van Luxemburg, de weduwe van Arnulf. Van verwijdering was pas sprake toen aan het einde van de elfde eeuw de grafelijke macht tussen 1049 en 1076 wegviel. In dat jaar overleed bisschop Willem I van Utrecht en wist graaf Dirk V van Holland zijn gezag weer grotendeels te herstellen.

Het wegvallen van het grafelijke gezag tussen 1049 en 1076 heeft waarschijnlijk bijgedragen aan het versterkte gevoel door de Friese Vrijheid niet gebonden te zijn aan het betalen van belasting en het leveren van manschappen voor heervaart buiten het eigen gebied. Het onderscheid blijkt uit de eerste vermelding van Floris II van Holland als comes de Hollant, graaf van Holland, waar zijn voorgangers nog als Friese graaf werden aangeduid. Occidentalis Fresia is de naam van het dan blijkbaar afzonderlijke West-Friesland.

De Annales Egmundenses noemen de West-Friezen infidelitas et iniuria - ontrouw en beledigend - tegenover de graaf, al is niet duidelijk waar dit uit zou moeten hebben bestaan. Graaf Dirk VI van Holland greep dit echter aan om in de winter van 1132 het bevroren West-Friesland binnen te vallen vanuit Alkmaar, waarbij een aantal dorpen werd gebrandschat. De West-Friezen boden daarna de tegen zijn oudere in opstand gekomen broer Floris de Zwarte de heerschappij over geheel West-Friesland aan, in een poging tegemoet te komen aan de erkenning van het Hollandse Huis en tegelijkertijd de onafhankelijkheid te bewaren. In 1133 trok Floris met de West-Friezen op tegen Alkmaar, waarna hij de Kennemers wist te bewegen in opstand te komen tegen de graaf. Een aantal kastelen werd verwoest en Haarlem kwam zelfs in het nauw, tot de West-Friezen, die geen lange bezetting voor ogen hadden, huiswaarts keerden. Keizer Lotharius III wist zijn neven te verzoenen, waarna de rust weerkeerde.

In 1155 trokken de Drechterfriezen plunderend door Kennemerland, tot ze bij het dorpje Saenden werden verslagen door troepen uit Haarlem. De Drechterfriezen sloten in 1161 vrede met Floris III van Holland, zonder dat de overige West-Friezen zich daar bij aansloten.

Mogelijk als gevolg van landverlies door de Sint-Thomasvloed van 1163 en een Hollandse plundertocht richting Schagen in 1166 vielen de West-Friezen dat jaar Alkmaar aan dat werd gebrandschat. Daarop trok graaf Floris in 1168 weer richting Schagen dat door een klein deel van zijn troepenmacht geplunderd werd. Op de terugweg vielen zij in een hinderlaag waarbij de meesten omkwamen zonder dat de hoofdmacht van Floris ingreep. In 1169 lokte een voorgenomen West-Friese aanval op Alkmaar een Hollandse tegenaanval uit, waarbij zij werden teruggedreven door onder andere Vlaamse huurlingen met kruisbogen.

In 1180 kwam het tot gevechten bij Winkel en Niedorp, die daarbij verwoest werden. Twee jaar later werd een West-Friese tegenaanval op Akersloot afgeslagen. In 1184 wist Floris Texel en Wieringen te onderwerpen.

Dirk VII van Holland volgde zijn vader op nadat deze in 1190 was overleden terwijl hij deelnam aan de Derde Kruistocht. Nadat zijn jongere broer Willem I van Holland, die zijn vader had begeleid tijdens de derde kruistocht in september 1191 was teruggekeerd, ontstond er al vrij vlug onenigheid tussen de nieuwe graaf en zijn broer. Willem zocht daarom steun bij de Drechterfriezen.

Omdat Dirk op dat moment niet weg kon uit het graafschap Zeeland door zijn strijd tegen de Vlamingen onder Boudewijn I, stuurde hij zijn vrouw Aleid van Kleef met een leger naar West-Friesland. In november 1195 kwam het tot een treffen tussen Aleid en haar zwager Willem. Aleid wist het treffen naar haar hand te zetten door de oudsten van Niedorperambacht om te kopen.

Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers bijgelegd, en werd Willem heer van Friesland. Toen graaf Dirk VII in 1203 stierf, was van zijn drie kinderen alleen zijn dochter Ada van Holland nog in leven. Willem betwistte het recht van opvolging van Ada, die onmiddellijk na de dood van haar vader in het huwelijk was getreden met Lodewijk II van Loon. Het gevolg was de Loonse Oorlog, waarbij vanaf 1205 Willem het graafschap vanuit Zeeland wist te heroveren. In 1206 werd de vrede getekend en formeel werd het graafschap tussen Willem en Lodewijk van Loon opgedeeld. Het lijkt er echter op dat Willem gewoon door regeerde in Holland tot zijn dood in 1122.

Willem I en zijn opvolger Floris IV bemoeiden zich meer met interne aangelegenheden, zodat een rustige periode aanbrak waarin de West-Friezen Willem I zelfs vergezelden tijdens zijn deelname aan de Vijfde Kruistocht. In 1248 hielpen zij Willem II tijdens zijn Beleg van Aken nadat deze in 1247 tot rooms-koning was gekozen.

Willem II begon met de bouw van een keten van burchten in Kennemerland. Aanvankelijk werd hij in beslag genomen door de strijd met de Vlamingen over Graafschap Zeeland, maar nadat hij in 1253 de Slag bij Westkapelle had gewonnen, kon hij zich meer op West-Friesland richten. Het jaar daarop zouden de West-Friezen in opstand zijn gekomen terwijl Willem II zich in Duitsland bevond. Hij keerde terug naar West-Friesland en begon met de aanleg van aanvalswegen, waarna hij in 1255 poogde de West-Friezen te onderwerpen. Door de drassigheid van het terrein moest hij deze poging na de verovering van negen parochi? staken. Eind januari 1256 keerde hij terug met een groot leger om met gebruikmaking van het ijs het gebied in te vallen en de West-Friezen te omsingelen. Hij trok voor zijn troepen uit, maar zijn paard zakte door het ijs, waarna de West-Friezen de voor hen onbekende ruiter doodden. Toen hen bekend werd dat zij de rooms-koning gedood hadden, begroeven zij deze achter een woning in Hoogwoud. Zijn dood zorgde tot in het buitenland voor grote beroering.

Zijn zoon Floris V was slechts een jaar oud toen zijn vader overleed. Hij werd in 1266 op twaalfjarige leeftijd meerderjarig verklaard. Mogelijk deels gedreven door wraak liet hij in 1272 zijn mannen beginnen met de aanleg van wegen en dijken om het gebied toegankelijk te maken. De West-Friezen overrompelden deze mannen echter, waarna troepen uit Alkmaar tegen de West-Friezen optrokken. De West-Friezen hadden in het volgende gevecht de overhand en de Hollanders sloegen op de vlucht. Bij Heiloo kwam het nogmaals tot gevechten, waarbij de West-Friezen tot staan werden gebracht. De verliezen waren echter dusdanig hoog dat er diverse opstanden uitbraken. Het kwam zelfs tot een opstand van de Kennemers tegen de toenemende belastingdruk en inbreuk op het gewoonterecht. De West-Friezen en de Waterlanders sloten zich hierbij aan. Met de hulp van Jan Persijn wist hij deze opstanden in 1274 te onderdrukken. De jaren daarna waren er diverse schermutselingen met de West-Friezen, maar in 1281 wist hij Waterland - dat zich aanvankelijk aan de zijde van de West-Friezen had gevoegd - te verkrijgen. Verder zette hij de bouw van burchten voort.

In 1282 landden zijn troepen bij Nuwewic en trokken naar Wijdenes. De grootste slag vond plaats bij Schellinkhout. Hier wist hij de West-Friezen te overwinnen en bij Hoogwoud vond hij zijn vaders graf, waarna hij diens lichaam over liet brengen naar Middelburg.

Floris V liet toen dwangburchten bouwen en wegen en dijken aanleggen om de bevolking te onderwerpen.

  • Slot te Wijdenes

  • Kasteel Radboud, ook bekend als kasteel Medemblik

  • De Nuwendoorn

  • De Middelburg

  • De Nieuwburg

De Sint-Luciavloed in december 1287 en de Sint-Aagthenvloed van februari 1288 richtten grote schade aan in West-Friesland en Waterland. Dirk II van Brederode onderwierp de West-Friezen huis voor huis per schip. Op 21 maart 1289 sloot Floris V gematigde verdragen met de West-Friezen, waarin bepaald werd dat hij het recht had om burchten en wegen aan te leggen naar zijn goeddunken. Hoewel zijn gezag in West-Friesland nog niet bijzonder stevig was, besloot Floris V zich in 1291 graaf van Holland en Zeeland en heer van Friesland te noemen. Het opnemen van de naam Friesland was voor de graaf ook een uiting van zijn claim op Friesland ten oosten van het Vlie.

In 1296 leek de situatie veranderd, want de West-Friezen poogden toen zonder succes Floris V te bevrijden uit het Muiderslot, waar hij gevangen werd gehouden door Gijsbrecht van Amstel, Herman van Woerden en Gerard van Velsen. Hierbij zal een belangrijke rol gespeeld hebben dat der keerlen god de infrastructuur sterk wist te verbeteren. Na zijn dood namen de West-Friezen met de Kennemers en de Waterlanders deel aan de belegering van kasteel Kronenburg bij Loenen, waarnaar de moordenaars van Floris gevlucht waren. Een verwarde periode volgde waarin verschillende potenti?e opvolgers zich aandienden. De vrije boeren en burgers verdachten veel edelen echter van samenheulen met de moordenaars van Floris, zodat dezen zich gedeisd hielden tot de jonge Jan I van Holland in 1297 overkwam uit Engeland. Deze kwam aanvankelijk onder invloed van Jan III van Renesse te staan.

Bisschop Willem van Utrecht maakte van de gelegenheid gebruik door het Muiderslot te bezetten, waarna hij de West-Friezen tot een opstand wist te bewegen. Dezen verwoestten de kastelen Nuwendoorn en Wijdenes en belegerden kasteel Radboud bij Medemblik. Het kasteel werd afgesneden van bevoorrading om zo de bewoners van de burcht uit te hongeren. Jan II van Avesnes, de naaste mannelijke erfgenaam van Jan I, moest eerst de opstand in Zeeland onderdrukken, maar wist in januari 1297 Medemblik te ontzetten. Hij besloot via het water langs Enkhuizen naar Medemblik te trekken om het kasteel aldaar te bevoorraden. Enkhuizen werd voor een groot gedeelte in brand gestoken om de aanval van de West-Friezen via die hoek te voorkomen. Het lukte Jan om het kasteel te bevoorraden, maar bij de terugkeer was het water zo bevroren geraakt dat de schepen niet terug konden varen, zodat men besloot via het land terug te keren. Dat bleek echter niet echt een goede keus; het leger viel uit elkaar en veel kleine groepjes liepen in hinderlagen van de West-Friezen. Slechts enkelen overleefden de tocht.

Hierna nam Jan van Renesse het heft in handen en stelde zijn troepen op bij de Torenburg, de Middelburg en de Nieuwenburg. Op 27 maart 1297 vond de veldslag bij Vronen plaats. De West-Friezen vielen aan en trokken op naar Alkmaar, waarop de Hollanders zich terugtrokken naar de Middelburg. Hierna werd de tegenaanval ingezet, waarbij ook troepen werden aangevoerd via het Vronermeer. De West-Friezen weken af van hun oude tactiek, die al honderden jaren gebruikt werd, van verrassingsaanvallen en op meerdere fronten verdedigen van gebieden die ongunstig waren voor de tegenstanders om op te vechten. Nu had men besloten tot een geregelde oorlog en zette alle troepen in nabij Vronen, waar zij werden verslagen.

Willem van Utrecht probeerde daarna nog te landen bij Monnickendam, maar werd door de Waterlanders en Kennemers teruggedreven. Op 7 november 1297 gaven de West-Friezen zich op de Torenburg uiteindelijk over.

_____________________________________________________________________________________________

 

Jan I (1284 - Haarlem, 10 november 1299) was graaf van Holland en zoon van Floris V van Holland.

Jan werd direct na zijn geboorte verloofd met Elisabeth, de dochter van Eduard I van Engeland aan wiens hof hij ook werd opgevoed. Na de dood van zijn vader, in 1296, waarin ook Eduard I een grote rol speelde, aarzelde de koning om hem terug te sturen naar Holland. Hij liet een aantal Engels-gezinde edelen naar Engeland komen, onder wie Jan III van Renesse en Wolfert I van Borselen. Op 7 januari 1297 huwde Jan Elisabeth van Rhuddlan, dochter van de Engelse koning, en mocht hij naar Holland terugkeren, onder de belofte dat hij zich hield aan de door de koning toegevoegde raadslieden.

In eerste instantie stond de jonge graaf geheel onder invloed van Jan van Renesse. Op 30 april 1297 droeg Jan I echter het bestuur over aan Wolfert I van Borselen, tot aan zijn 15e verjaardag. Na een conflict met het stadsbestuur van Dordrecht werd Van Borselen op 1 augustus 1299 vermoord. Hierna benoemden de steden Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen, als regent en op 27 oktober 1299 droeg Jan I de regering voor een periode van 5 jaar aan hem over. Twee weken later stierf Jan, 15 jaar oud, en met hem stierf ook het Hollandse Huis uit.

Omdat hij geen directe troonopvolgers had, ging het graafschap naar Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen (als Jan II van Holland), zoon van zijn oudtante, Aleid van Holland. Dit was de grondslag voor een personele unie tussen het graafschap Holland en het graafschap Henegouwen, die tot na de Beierse tijd zou duren.

Floris V van Holland Jan I van Holland

_____________________________________________________________________________________________

Jan II van Avesnes (1247 - Valenciennes, 22 augustus 1304), was als Jan I van Avesnes graaf van Henegouwen van 1280 tot 1304 en als Jan II van Avesnes graaf van Holland en Zeeland van 1299 tot 1304.

Jan was de oudste zoon van Jan van Avesnes (zoon van Margaretha van Constantinopel) en Aleid van Holland (dochter van graaf Floris IV van Holland). Zijn vader Jan en Margaretha hadden een lange strijd gevoerd over de verdeling van de goederen van Margaretha. Daaruit volgde dat vader Jan Henegouwen zou erven, maar omdat hij voor Margaretha overleed, ging dit recht over op Jan II. Jan II sloot voor alle zekerheid in 1272 een verbond met zijn neef Floris V van Holland tegen Margaretha. Daarmee werd het verbond van hun vaders voortgezet. Koning Rudolf van het Heilige Roomse Rijk, erkende Jans rechten in 1275. In 1277 wees Rudolf Jan bovendien aan als erfgenaam van Floris, indien die kinderloos zou overlijden.

Toen op 1 augustus 1299 Wolfert I van Borselen, regent van Holland en schoonzoon van Jan, werd vermoord, riepen Dordrecht en de andere steden van Holland Jan te hulp. Hij nam de regering in handen en werd op 27 oktober officieel door de vijftienjarige graaf Jan I van Holland tot "ruwaard" benoemd voor de duur van vijf jaar. Twee weken later stierf de jonge graaf, officieel aan dysenterie, maar er deden natuurlijk ook kwade geruchten de ronde. Jan was zijn erfgenaam en werd in 1299 graaf van Holland. Voortaan was Holland in een personele unie met Henegouwen verenigd. De Duitse koning Albrecht I meende zich met de opvolging te moeten bemoeien en ging daarvoor naar Nijmegen, maar toen daar een Hollands leger naderde, zette hij zich op sienen peerde ende reet te lande, al dat hi mochte.

Jan trouwde in 1270 met Filippa van Luxemburg. Het echtpaar kreeg de volgende kinderen:

  • Jan, graaf van Oostervant, ook Jan zonder Genade genoemd, gesneuveld aan Franse zijde tijdens de Guldensporenslag op 11 juli 1302, verloofd met Blanche van Frankrijk (1278-1305)

  • Hendrik (ovl. 1303), kanunnik in Kamerijk

  • Margaretha (ovl. 19 oktober 1342, begraven te Valencijn), getrouwd met Robert II van Artesi?(zijn derde huwelijk)

  • Alix (ovl. 26 oktober 1317), getrouwd met Roger Bigod, 5e graaf van Norfolk

  • Isabella, (ovl. december 1305), getrouwd met Raoul van Clermont, heer van Nesle

  • Johanna, non in de abdij van Fontenelle

  • Willem III, opvolger van zijn vader in Henegouwen en Holland

  • Jan van Beaumont ook bekend als Jan van Blois en Jan van Henegouwen (Ca.1288 - 11 maart 1356) was een jongere broer van graaf Willem III van Holland. heer van Noordwijk, Beaumont, Gouda en Schoonhoven. Jan huwde Margaretha van Soissons, waardoor hij de titel graaf van Soissons kon voeren. Uit dit huwelijk had hij nakomelingen via zijn dochter Johanna, gravin van Beaumont (geboren in 1323, overleden in december 1350).

  • Walram

  • Maria (1280?1354), getrouwd met hertog Lodewijk I van Bourbon

  • Simon

  • Mathilde, abdis van de abdij van Nijvel

Jan had daarnaast ook een aantal buitenechtelijke kinderen:

  • Simon (ovl. 1356), heer van Bruyelle

  • Hendrik

  • Aleid, getrouwd met Wolfert II van Borselen, daarna met Otto III van Buren uit het Huis Buren

  • Ida

_____________________________________________________________________________________________

Willem de Goede (1287 ? Valencijn, 7 juni 1337) was, van 1304 tot aan zijn dood, als Willem I van Henegouwen graaf van Henegouwen, en als Willem III van Holland graaf van Holland en Zeeland.

Voordat hij zijn vader opvolgde nam hij als zeventienjarige deel aan de Slag bij Zierikzee in 1304 tegen het graafschap Vlaanderen.

Hij volgde zijn vader, graaf Jan II van Avesnes, op en zette de strijd met de Vlaamse erfvijanden met wisselende hevigheid voort tot de Vrede van Parijs (6 maart 1323), waarbij de graaf van Vlaanderen van alle leenheerschappij over Zeeland ten westen van de Schelde afzag. Inmiddels had hij zich weten op te werpen tot de feitelijke meester in het Sticht Utrecht, terwijl hij verder ging met zijn macht over Friesland uit te breiden.

Hoewel Willem op 19 mei 1305 in het huwelijk was getreden met Johanna van Valois, een zuster van koning Filips VI van Frankrijk, belette hem dit niet als vertegenwoordiger van de Engelse vorst op te treden bij pogingen om de vorsten in de Nederlanden tot een anti-Franse coalitie over te halen. Na Willems dood trad zijn weduwe Johanna in het klooster te Fontenelle, waar zij in 1352 overleed. Het echtpaar kreeg de volgende kinderen:

  • Jan (1306-1316)

  • Margaretha van Beieren, ook wel Margaretha van Holland en Henegouwen of Margriet van Beieren genoemd (?, 24 juni 1310 - Le Quesnoy, 23 juni 1356) was gravin van Holland en Zeeland (1345-1354) en Henegouwen (1345-1356). Zij was een dochter van Willem III van Holland en Johanna van Valois. Ze trouwde op 26 februari 1324 in Keulen met keizer Lodewijk de Beier.

  • Filippa van Henegouwen, ook wel Filippina van Henegouwen genoemd (Valencijn, 24 juni 1314 - Windsor Castle, 14 augustus 1369) was een dochter van Willem III van Holland en Johanna van Valois. Op jeugdige leeftijd (in januari 1328) huwde zij met koning Eduard III van Engeland. Samen kregen ze 12 kinderen, waaronder Eduard de Zwarte Prins en Jan van Gent. Filippa overleed aan oedeem op Windsor Castle en werd begraven in de Westminster Abbey.

  • Johanna, (1315-1374), in 1334 gehuwd met graaf, vanaf 1356 hertog . Willem VI van Gulik

  • Willem IV, (1317-1345) graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, 1336 gehuwd met Johanna van Brabant

  • Agnes, overleden na 1327

  • Isabelle (1323-1361), in 1354 gehuwd met Robert van Namen (1323-1391), heer van Beaufort-en-Argonne

  • Lodewijk (1325-1328)

Willem had een bastaardzoon bij een jonkvrouw uit het Brabantse geslacht De Moor:

  • Jan Aelman (omstreeks 1320 - 1359), ridder, was een bastaardzoon van graaf Willem III van Holland en een jonkvrouw uit het Brabantse geslacht De Moor. Jan Aelman vergezelde zijn halfbroer graaf Willem IV van Holland naar het Heilige Land. In 1352 schonk graaf Willem V hem landerijen onder Haarlem omdat hij in zijn dienst in Utrecht gevangen had gezeten. In 1356 werd hij beleend met het Huis Te Nesse onder Linschoten. In 1372 stuurde hertog Albrecht, graaf van Holland, hem naar Frankrijk om te onderhandelen over het huwelijk van de latere graaf Willem IV met Margaretha van Bourgondi?/b>. Hij was raad van Henegouwen.

Jan II van Avesnes Willem III van Holland

_____________________________________________________________________________________________

Willem IV (1317 ? Stavoren, 26 september 1345) was als Willem IV van Holland graaf van Holland en Zeeland en als Willem II van Henegouwen graaf van Henegouwen. Hij stamde uit het huis Avesnes.

Veel is er niet over hem bekend. Hij werd in 1308 geboren als tweede zoon van Willem III en Jeanne de Valois. Hij volgde zijn vader Willem III op. Hij staat bekend als Willem de Stoute (Le comte hardi) en moet een moedig ridder zijn geweest. In 1336 trad hij in het huwelijk met Johanna van Brabant in Limburg. Op het moment van zijn dood had hij geen wettige nakomelingen. Hun gemeenschappelijke zoon Willem stierf op jeugdige leeftijd. Willem IV had twee bastaardzonen, Adam van Berwaerde en Johan van Vlissingen

Van zijn dood tijdens de Slag bij Warns op 26 september 1345 is veel bekend. Samen met zijn oom, Jan van Beaumont, graaf van Soissons, trok hij op naar Friesland, en wel naar Stavoren om daar bij het Sint-Odulphusklooster een sterke vesting te maken. Geharnast, maar zonder paarden, trokken ze brandschattend op. De plaatselijke bevolking had echter een hinderlaag voorbereid en in het moerassige landschap werden de Hollanders verpletterend verslagen. Ook Willem verloor hierbij zijn leven.

Willem had bij zijn dood geen wettige kinderen en werd opgevolgd door zijn zuster Margaretha van Beieren, de vrouw van keizer Lodewijk IV. Tijdens de heerschappij van Margaretha braken de Hoekse en Kabeljauwse twisten uit.

 

 

 

 

 

 

De gesloten lijkkist van Willem IV

_____________________________________________________________________________________________

Margaretha van Beieren, ook wel Margaretha van Holland en Henegouwen of Margriet van Beieren genoemd (?, 24 juni 1310 - Le Quesnoy, 23 juni 1356) was gravin van Holland en Zeeland (1345-1354) en Henegouwen (1345-1356). Zij was een dochter van Willem III van Holland en Johanna van Valois. Ze trouwde op 26 februari 1324 in Keulen met keizer Lodewijk de Beier.

Margaretha werd gravin nadat haar broer Willem IV van Holland kinderloos sneuvelde in de Slag bij Warns. Margaretha's tweede zoon, de latere graaf Willem V van Holland, was de rechtmatige troonopvolger, maar was nog te jong.

Tussen aanhangers van Margaretha en aanhangers van Willem V braken in 1349 conflicten uit, die de geschiedenis in zouden gaan als de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De eerste slagen werden in het voordeel van de aanhangers van Willem V beslist, waarna Margaretha in 1354 afstand deed van haar macht in Holland en Zeeland. Na haar overlijden erfde Willem V ook Henegouwen.

Margaretha en Lodewijk hadden tien kinderen:

  • Margaretha (1325-?) trouwde met Stefan van Kroati? Dalmati?en Sloveni?(1332-1353), (zoon van koning Karel I Robert van Hongarije, Huis Anjou) later voor de tweede maal met Gerlach van Hohenlohe (?-1387)

  • Anna (1326-1361) trouwde met  Johan I van Beieren (1329-1340)

  • Lodewijk VI van Beieren (1328-1365) trouwde met  Cunigonde van Polen (1334-1357), later voor de tweede maal met Ingeborg van Mecklenburg (1340-1395)

  • Elisabeth van Beieren (1329-1402) trouwde met  Cangrande II van Verona (Huis della Scala) (1332-1359), later voor de tweede maal met Ulrich van W?ttemberg (1342-1388)

  • Willem V van Holland (1330-1389 trouwde met  Machteld van Derby en Lincoln (Huis Lancaster) (1339-1362)

  • Albrecht van Beieren (1336-1404) trouwde met  Margaretha van Brieg en Silezi?(1336-1386), later voor de tweede maal met Margaretha van Kleef en Mark (1375-1412)

  • Otto V van Beieren (1346-1379) trouwde met  Catharina van Bohemen (1342-1395), (dochter van keizer Karel IV)

  • Beatrix van Brandenburg (1344-1359) trouwde met  Erik XII van Zweden (1339-1359)

  • Agnes (1345-1352)

  • Lodewijk (1347-1348)

Willem IV van Holland Margaretha van Beieren

_____________________________________________________________________________________________

Willem V van Holland (Frankfort, 12 mei 1330 - Le Quesnoy, 15 april 1389) was een zoon van keizer Lodewijk de Beier en Margaretha, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen. Hij is in de Nederlanden ook bekend als Willem van Beieren.

Na de dood van keizer Lodewijk de Beier in 1347 verdeelden zijn zoons in 1349 de bezittingen bij de tweede Beierse deling waarbij Willem I samen met broer Albrecht I van Beieren hertog van Beieren-Straubing werd.

Willem V volgde in 1354 zijn moeder op als graaf in Holland en Zeeland. Tijdens haar bewind waren er tussen aanhangers van Margaretha en aanhangers van Willem V conflicten uitgebroken, die de geschiedenis in zouden gaan als de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De eerste slagen werden in het voordeel van de aanhangers van Willem V beslist, waarna Margaretha in 1354 afstand deed van haar macht in Holland en Zeeland. Na haar overlijden 1356 erfde Willem ook Henegouwen (als Willem III van Henegouwen). In die functie bemiddelde hij in de Brabantse Successieoorlog, hetgeen leidde tot de Vrede van Aat tussen Brabant en Vlaanderen.

Hij woonde een groot deel van zijn tijd in de grafelijke woning bij de Ridderzaal, tot in de 19e eeuw Grote Zaal geheten, in Den Haag. Hij liet enkele gebouwen rondom deze Grote Zaal plaatsen en zorgde tevens voor een (eenvoudige) ommuring van wat later het Binnenhof ging heten. In 1353 trad de jurist Filips van Leiden in dienst van de jonge graaf.

Willem V huwde in 1352 met Machteld van Lancaster (1335 - 1362). Vanaf 1354 begon hij tekenen van krankzinnigheid te vertonen, toen hij onverwachts ?n van zijn aanhangers doodde (Gerard van Wateringe). Zijn jongere broer Albrecht van Beieren liet hem opsluiten in een kasteel in Le Quesnoy (Henegouwen) en nam als ruwaard de regering waar. 1358 verlegde Albrecht I zijn residentie naar Holland. Willem overleed daar in 1389. Hij is begraven in Valenciennes. In deze stad is zijn lichaam bijgezet in een graftombe in de Artois-kapel van de kerk van de minderbroeders.

Willem V verleende de volgende Hollandse steden stadsrechten: Monnickendam, Weesp, Naarden in 1355, Enkhuizen in 1356, Edam en Hoorn volgden in 1357.

Uit een relatie met Catharina Gerrits Busendr. (1332-1370) werd een dochter geboren:

  • Elisabeth van Beieren (ca.1350-1415). Zij trouwde met Bruysten Jans van Herwijnen ridder in 1386, kasteelheer van Loevestein (ca. 1330-1410).

_____________________________________________________________________________________________

Albrecht van Beieren, ook wel Aalbrecht (M?chen, 25 juli 1336 - 's-Gravenhage, 16 december 1404) was graaf van Holland, Henegouwen en Zeeland en hertog van Beieren-Straubing uit het Huis Wittelsbach.[1]

Albrecht van Beieren was de derde zoon van de Duitse keizer Lodewijk de Beier en zijn tweede echtgenote Margaretha, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen. Na de dood van zijn vader werd hij in 1347 hertog van Beieren-Straubing. Hoewel hij in het Beierse Straubing een groot slot bezat, woonde hij na 1358 vooral in Den Haag. Hij bestuurde Holland en Zeeland sinds 1358 als voogd voor zijn geestzieke broer Willem V met de titel ?ruwaard? en na diens dood in 1389 op eigen titel.

Albrecht trouwde op 28 juli 1353 met Margaretha van Brieg (1336 - 18 of 22 februari 1386), dochter van graaf Lodewijk I van Silezi?Liegnitz en Agnes van Glogau en kreeg met haar zeven kinderen:

  • Johanna van Beieren (1356 - 31 december 1386) Zij werd op 29 september 1370 uitgehuwelijkt aan koning Wenceslaus van Bohemen, waardoor zij koningin van Bohemen en Rooms koningin werd. Dit huwelijk bleef echter kinderloos.

  • Catharina van Beieren  (30 mei 1361 - Hattem, 19 november 1400), die in 1371 huwde met Eduard van Gelre (sneuvelde nog datzelfde jaar) en op 18 september 1379 huwde met hertog Willem III van Gulik. Beide huwelijken bleven kinderloos.

  • Margaretha van Beieren (1363 - Dijon, 23 januari 1423). Zij huwde met Jan zonder Vrees, een zoon van Filips de Stoute en hertog van Bourgondi? Uit dit huwelijk werden geboren:

    • Margaretha (1393 - 2 februari, 1441), gehuwd met Lodewijk van Guyenne en met Arthur III van Bretagne.

    • Maria (1393 - 30 oktober, 1463), in 1406 gehuwd met Adolf IV van Kleef-Mark

    • Filips de Goede (1396 - 1467)

    Het Hollandse Huis gaat hier verder in de "van Bourgondi?quot; lijn...

    • Anna (1404 ? 14 november, 1432, te Parijs), gehuwd met Jan van Bedford, zoon van Hendrik IV van Engeland,

    • Agnes (1407 ? 1 december, 1476, Ch?eau de Moulins)

    • Isabella (? - 1412)

    • Katharina (? - 1414)

    Praalgraf "Jan zonder Vrees"

     

  • Willem VI (5 mei 1364 - 1417), gehuwd met Margaretha van Bourgondi? dochter van Filips de Stoute

  • Albrecht II van Beieren (1368 - 21 januari 1397)

  • Johanna (M?chen, 1373 - Wenen, 15 november 1410), Zij huwde in 1390 met Albrecht IV van Oostenrijk. Hun dochter Margaretha (1395-1447) huwde in 1412 met hertog Hendrik XVI van Beieren. Later kregen ze ook een zoon: Albrecht V.

  • Jan van Beieren (Le Quesnoy, ca. 1374 - Den Haag, 6 januari 1425), bijgenaamd Jan zonder Genade, was hertog van Beieren-Straubing, en later ook graaf van Holland, Zeeland en graaf van Henegouwen. Als hertog van Beieren en graaf van Holland werd hij Jan III genoemd, als niet-gewijde prins-bisschop van Luik Jan VI. Hij speelde een grote rol in de Hoekse en Kabeljauwse Twisten. Hij huwde met Elisabeth van G?litz, waardoor hij hertog van Luxemburg werd.

    In 1389 volgde hij Arnold van Horne op als prins-bisschop van Luik. In 1406 moest hij Luik ontvluchten vanwege conflicten met de burgers van die stad. Hij verbleef enige tijd in de Commanderij Nieuwen Biesen van de ridders van de Duitse Orde in Maastricht, waar hij de staten van Luik bijeen riep. In 1407 en 1408 werd Maastricht belegerd door burgermilities van onder andere Luik, Hoei, Dinant en Hasselt. Jan van Beieren had een ruiterleger van 1200-1600 Beierse ruiters tot zijn beschikking, die vanuit Maastricht uitvallen deden. Met hulp van hertog Jan zonder Vrees van Bourgondi? versloeg hij de opstandige Luikenaren bij Tongeren. Na het opbreken van het beleg, trad hij hard op tegen de opstandelingen. Zo liet hij gevangenen op de Maastrichtse wallen ophangen en werd de Luikse burgemeester op het Vrijthof onthoofd en gevierendeeld.

    Na de dood van zijn broer graaf Willem VI in 1417 erfde diens dochter Jacoba van Beieren aanvankelijk diens gebieden. Jan begaf zich direct naar de Nederlanden om steun te werven bij de ridderschap en de steden voor zijn eigen kandidatuur. Die steun kreeg hij ook van de Rooms koning Sigismund. Deze kende de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen toe aan Jan van Beieren, die tot dan toe bisschop was. De strijd die ontstond tussen Jacoba van Beieren (Hoeken) en haar oom Jan van Beieren (Kabeljauwen) betekende een nieuwe fase in de Hoekse en Kabeljauwse Twisten.

    Jan van Beieren speelde ook een prominente rol in de Grote Friese Oorlog, waar hij de kant van de Schieringers koos, echter met als doel zelf de Friese gebieden voor zichzelf op te eisen.

    Uiteindelijk werd hij vergiftigd door zijn tegenstanders.

Albrecht had drie wettige zonen (waarvan ?n hertog Willem VI was) en zeven bastaardzonen. E? van deze bastaardzonen, geboren uit de relatie met Maria van Bronckhorst dochter van Willem IV van Bronckhorst en Cunegonde van Meurs was Willem 'de Bastaard' van Holland. Deze zoon had veel aanzien en verkreeg van Albrecht in 1427 de heerlijkheid van Schagen. Jacoba van Beieren zette dit bezit in 1430 om in een erfleen.
Daarnaast had hij een bastaarddochter Margrite, deze trouwde met Dirk van Zandhorst, waarop hij in 1414 benoemd werd als kastelein en schout van Kasteel Radboud te Medemblik. Van Zandhorst was een neef van Willem III van Naaldwijk.

In 1364 kregen Grootebroek en Bovenkarspel gezamenlijk van Hertog Albrecht van Beieren stadsrechten en het recht om een jaarmarkt te houden. Dat kan worden gezien als de start van de stede Broek. Het bestuur kwam in handen van schepenen; acht uit Grootebroek, zes uit Bovenkarspel. Zij werden geassisteerd door de schout, een soort politiefunctionaris. In 1402 sloot Lutjebroek zich aan, een jaar later Hoogkarspel. Het aantal schepenen werd uitgebreid met vier uit Hoogkarspel en twee uit Lutjebroek. Bijna 400 jaar later, in 1786, meldde Andijk zich als vijfde partner.

Hoewel de stede een uitgesproken agrarisch gebied was, blijkt uit documenten dat Broek wel als een stad werd behandeld en zich ook als zodanig gedroeg. Stadsmuren, die de inwoners van een stad bescherming gaven, waren er echter niet. Daar werd iets op gevonden: wie langdurig buiten de stad verbleef, moest dat bij de schout melden. Hij kon dan evengoed op bescherming rekenen. Iedereen kon twee keer per jaar veertig dagen buiten de stad vertoeven: in de zomer om te oogsten, in de herfst om te zaaien.

Albrecht trouwde op 5 april 1394 voor een tweede maal, met Margareta van Kleef, dochter van Adolf III van der Mark, dit huwelijk bleef kinderloos.

De Hofkapel is een voormalige kapel op het Binnenhof in Den Haag.

De Kapel van Maria ten Hove werd in de dertiende eeuw gesticht door Willem II of graaf Floris V als een hofkapel bij de Grafelijke zalen. De kapel was 7,5 meter breed en 22 meter lang. In 1453 is de kapel in de lengte met een travee uitgebreid naar 28 meter.

Albrecht van Beieren overleed in Den Haag op 16 december 1404 en werd in de Hofkapel op het Binnenhof in Den Haag in het graf naast zijn eerste vrouw Margaretha van Brieg bijgezet. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Willem VI.

 

Willem V van Holland Albrecht van Beieren

_____________________________________________________________________________________________

Willem van Oostervant (Den Haag, 5 april 1365 - Bouchain, 31 mei 1417) was als Willem VI van Holland graaf van Holland en Zeeland, als Willem II hertog van Beieren-Straubing en als Willem IV graaf van Henegouwen.

Over zijn jeugd is weinig bekend. In 1404 nam hij het graafschap van Holland van zijn vader over. Vanwege de grote allure met bijpassende pracht en praal die hij van jongs af aan voerde, was Willem zwaar in de schulden geraakt en had veel van zijn domeinen, landen en heerlijkheden aan verscheidene leden van het ridderschap moeten verkopen of belenen. Zijn in 1406 aangestelde thesaurier en hofmeester, de Amsterdamse koopman Willem Eggert van Gendt verloste hem echter in korte tijd van zijn schulden en zorgde ervoor dat de graaf alle verkochte en onderpande landen en goederen kon aflossen of weer terug kon kopen. Zelfs winst wist deze hofmeester voor zijn graaf te maken, zodat Willem VI een van de rijkste en machtigste vorsten van het Roomse rijk werd.

Graaf Willem verzette zich tegen zijn vader in de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Hij was mogelijk verantwoordelijk voor de moord op diens minnares Aleid van Poelgeest (1392). Vader en zoon verzoenden zich echter in 1394. In 1401 kwam Willem in conflict met Jan V van Arkel, een van zijn landheren, die hem niet meer wilde dienen: daaruit ontstonden de Arkelse Oorlogen. Na elf jaar kwam het Land van Arkel weer in Hollandse handen.

Hij overleed op 31 mei 1417 aan de complicaties van een hondenbeet. Zijn lichaam werd bijgezet in een bestaande graftombe in de Artois-kapel van de kerk van de Minderbroeders in Valenciennes.

Willem werd in 1417 opgevolgd door zijn dochter Jacoba.

Hij was getrouwd met Margaretha van Bourgondi?/b> (1374-1441), ze kregen ?n dochter:

  • Jacoba van Beieren (1401-1436)

Naast zijn dochter had Willem VI nog een aantal bastaardkinderen:

  • Eduard van Hoogwoud (ca. 1400-1458) heer van Hoogwoud, Aartswoud en baljuw van Holland

  • Beatrijs van Beieren (ca.1390/1400-1455), gehuwd met Jan van Woerden, Heer van Vliet (ca.1390-3 augustus 1424).

_____________________________________________________________________________________________

Jacoba van Beieren (Le Quesnoy, gedoopt 16 juli 1401 ? Slot Teylingen, 9 oktober 1436) was gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen tussen 1417 en 1433.

Jacoba werd in 1401 geboren en op 16 juli van dat jaar gedoopt in Le Quesnoy in Henegouwen.. In 1406 werd zij op 5-jarige leeftijd uitgehuwelijkt aan de Franse prins Jan van Touraine. In 1415, toen zij 14 was, werd dat huwelijk voltrokken in Den Haag. Kort daarop overleed Jans oudere broer Lodewijk van Guyenne, waarna Jan de Dauphin van Frankrijk werd, en Jacoba dus Dauphine, oftewel: kroonprinses. In 1417 overleed echter ook Jan van Touraine en werd Jacoba weduwe. Enkele maanden later overleed ook haar vader graaf Willem VI van Holland.

Jacoba volgde haar vader op zestienjarige leeftijd op, maar haar oom, de Luikse bisschop Jan VI van Beieren, had ook zijn oog laten vallen op de erfenis van graaf Willem VI. Hij werd hierin gesteund door de Duitse keizer Sigismund, die verdere invloed van de Bourgondische hertogen in zijn gebieden wilde voorkomen. Jacoba, gesteund door haar moeder Margaretha van Bourgondi?/b> zocht haar steun bij Jan zonder Vrees, de hertog van Bourgondi?en broer van Margaretha. De strijd tussen Jacoba en Jan betekende tevens een oplaaiing van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Onder Jacoba's leiding behielden de edellieden die onder Willem VI gediend hadden hun positie, zij behoorden tot het Hoekse kamp. Daarentegen werd Jan VI van Beieren door de Kabeljauwse edelen gesteund

Om haar machtspositie te versterken trouwde Jacoba in 1418 met haar neef in de vierde graad Jan IV van Brabant. Ze kreeg hiervoor toestemming van paus Martinus V. Jan VI van Beieren en zijn partijgenoten protesteerden tegen dit huwelijk. Onder druk van keizer Sigismund werd de pauselijke toestemming later ingetrokken. Na het Beleg van Dordrecht en omdat hij zijn financi?e verplichtingen niet kon nakomen, verpandde Jan van Brabant het grondgebied van Jacoba voor 12 jaar aan haar vijand Jan van Beieren. De Zoen van Woudrichem, een vredesverdrag tussen Jacoba van Beieren en Jan VI van Beieren, werd ondertekend op 13 februari, 1419. Jacoba liet hierop het huwelijk ongeldig verklaren en vertrok in 1421 naar Engeland, waar zij in 1423 in het huwelijk trad met Humphrey van Gloucester, zoon van koning Hendrik IV van Engeland.

Samen met Humphrey ging zij met een leger in 1424 terug naar Henegouwen om de strijd op te nemen tegen haar ex-echtgenoot Jan van Brabant, die gesteund werd door Filips de Goede, hertog van Bourgondi? Het escaleerde in een persoonlijke ruzie tussen Filips de Goede die een duel wilde uitvechten met Humphrey. De koningen van Engeland en Frankrijk vonden dat beide royals zich niet tot z'n duel moesten begeven, Filips bleef echter strijdvaardig, maar Gloucester besloot eind april er toch vanaf te zien. Jacoba bleef achter in Henegouwen. Vervolgens begon de Inname van Henegouwen (1424-25) en moest zij zich overgeven en werd in Gent gevangen gezet. Gloucester steunde zijn vrouw nog wel met Engelse troepen in de Slag bij Brouwershaven in 1426, maar het huwelijk werd al snel daarna ontbonden.

Toen haar oom Jan van Beieren in januari 1425 overleed, kwamen de gebieden die hij eerder verpand had gekregen weer bij Jan van Brabant terecht. Echter, onder druk van Filips de Goede, stelde hij in 1425 Filips aan als ruwaard en erfgenaam. Zo zouden de graafschappen aan de hertog van Bourgondi?toevallen als Jan kinderloos zou sterven. Dit betekende feitelijk dat deze gebieden onder het gezag van Filips de Goede. De Hoeken verzetten zich hiertegen en besloten Jacoba van Beieren te bevrijden. De edellieden Spiering en Aalburg van het Schuttersgilde St. Joris van Heusden (opgericht in 1356) slaagden erin Jacoba van Beieren te ontmoeten en met haar werd een ontsnappingsplan gemaakt. Jacoba zei niet gestoord te willen worden, omdat ze een bad ging nemen, waarna zij en haar kamenier mannenkleren aantrokken en zo vermomd het kasteel uitliepen waar ze gevangen zaten. Buiten wachtten Spiering en Aalburg met paarden en het viertal wist te ontkomen via Breda en Woudrichem naar Vianen. Hier ontdeed ze zich van haar vermomming en reisde vervolgens verder naar Schoonhoven waar de Hoeken kort daarvoor de macht hadden gegrepen.

Jacoba van Beieren nam samen met de Hoeken de strijd tegen Filips de Goede weer op in de driehoek Gouda - Oudewater - Schoonhoven. Jacoba wist mede met hulp van Floris van Kijfhoek in september 1425, Schoonhoven te veroveren op de bezetters onder Albrecht Beiling. Ze zou daarna de stad incognito in mannengewaad bezocht hebben. Ze nam haar intrek in het kasteel van Gouda, waarvandaan ze haar strijd ondernam tegen de Kabeljauwen in Holland. Ze won een kleine slag bij de Gouwsesluis in 1425. Herhaaldelijk vroeg zij om hulp van haar echtgenoot Humphrey van Gloucester, die nog steeds in Engeland verbleef. Het leidde nog tot de slag bij Brouwershaven, maar de weinige hulp die hij kon bieden was niet genoeg. Na de tegenslag bij Brouwershaven profiteerde Jacoba van de opstand die in Kennemerland was ontstaan. Daar bezetten ontevreden boeren Haarlem. Ze toog er met haar leger naartoe om de opstandige boeren te helpen met het beleg op de stad. Ze brak het beleg echter halverwege op, omdat een ontzettingsleger onderweg was naar Haarlem. Dit leger passeerde echter eerst Gouwsluis, waar een tweede slag plaatsvond. Jacoba steunde de Kennemerse opstandelingen nog minimaal een half jaar daarna, maar met de Slag bij Hoorn werd deze opstand gebroken. Twee jaar later, in 1428, moest ze vrede sluiten. In dit vredesverdrag (de Zoen van Delft) werd bepaald dat Filips erfgenaam van Jacoba van Beieren zou worden en dat zij niet in het huwelijk mocht treden zonder zijn toestemming. Jacoba bleef in naam nog gravin van Holland, maar moest feitelijk vrijwel alle macht afstaan. Haar huwelijk met Humphrey van Gloucester werd in 1428 door de paus onwettig verklaard, omdat zij volgens de kerk al getrouwd was met Jan van Brabant toen zij met Humphrey in het huwelijk trad. Jan van Brabant stierf echter een jaar eerder, waarmee Jacoba dus weer een ongehuwde vrouw was.

Na de overdracht van haar landen verbleef ze op de landen die haar waren toebedeeld. In het voorjaar van 1434 trad ze in het huwelijk met Frank van Borssele. Dit huwelijk was economisch voor beide partijen gunstig, al was voor Jacoba ook liefde in het spel. Lang heeft ook dit huwelijk niet geduurd.

In 1436 werd ze ziek. Na een ziekbed van enkele maanden op het slot Teylingen, stierf zij op 9 oktober 1436 op 35-jarige leeftijd aan tuberculose.

De wens van Jacoba van Beieren te worden begraven in de kerk van Sint-Maartensdijk is niet ingewilligd. Zij werd begraven bij haar voorouders in de Hofkapel op het Binnenhof in Den Haag onder het koor in de kerk. Bij de teraardebestelling van Jacoba in 1436 was de Hofkapel op het Binnenhof vol mensen.

_____________________________________________________________________________________________

Filips de Goede, ook genaamd Filips III van Bourgondi?/b> (Dijon, 31 juli 1396 ? Brugge, 15 juni 1467), was hertog van Bourgondi?van 1419 tot aan zijn dood. Als landsheer van Vlaanderen, Brabant, Namen en Limburg heeft hij een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de Nederlanden. Gedurende een korte periode was hij ook graaf van Charolais. Hij is de stichter van de Orde van het Gulden Vlies.

Na de dood van zijn vader, Jan zonder Vrees, volgde Filips hem op in het hertogdom Bourgondi?en in de graafschappen Vlaanderen en Artesi? Tijdens zijn bestuur verwierf hij vervolgens het graafschap Namen (1429), de hertogdommen Brabant en Limburg door erfopvolging van Filips van Saint-Pol (1430), de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen (1433) alsook het hertogdom Luxemburg (1451).

Na de moord op zijn vader wendde hij zich af van Frankrijk en begon zich na de indrukwekkende expansie van zijn rijk tijdens het bewind van zijn vader te richten op de interne consolidatie van zijn gebieden. In zijn rol als heer van de Nederlandse gewesten voerde hij veel hervormingen door die het bestuur over zijn gebied moesten vergemakkelijken. Vooreerst begon hij aan de invoering van een centraal bestuur voor alle Nederlandse gewesten, alsmede een centrale rechtspraak (de Grote Raad) en een centrale inning van belastingen in de vorm van ?n enkele som voor het hele gebied, die door de gewesten opgebracht werd volgens een door henzelf vast te stellen verdeelsleutel. Om dit centrale overleg mogelijk te maken, stelde Filips de eerste Staten-Generaal in. Hun eerste belangrijke bijeenkomst was in het jaar 1464 in Brugge. Deze vergadering ging de geschiedenis in als de eerste van de Staten-Generaal. Deze centrale instellingen van Filips legden de basis voor de Nederlanden als land (als groter geheel dan alleen de afzonderlijke gewesten) door de gewesten te confronteren met het feit dat ze gezamenlijke belangen hadden tegenover ?n enkele vorst.

In 1453 versloeg hij de Gentenaars tijdens de Slag bij Gavere.

In 1454 nam hij na de val van Constantinopel het kruis aan tijdens het banket van de fazant, waar de aanwezigen de beroemde eed bij de fazant zwoeren, mogelijk om de nederlaag van zijn vader tijdens de Slag bij Nicopolis van 1396 te wreken. In de eerste vergadering van de Staten-Generaal werd het regentschap besproken tijdens de afwezigheid van Filips, maar voor hij op kruistocht kon vertrekken, zakte hij in 1465 weg in seniliteit en zijn zoon Karel de Stoute nam vanaf dan de staatszaken waar.

Filips de Goede was de zoon van Jan zonder Vrees en Margaretha van Beieren en trouwde drie keer.

  • Eerste huwelijk in 1409 met Michelle van Valois (1395-1422), dochter van Karel VI van Frankrijk en van Isabella van Beieren;

  • Tweede huwelijk in 1424 met Bonne van Artesi?(1396-1425), dochter van Filips van Artesi?en van Maria van Berry;

  • Derde huwelijk op 7 januari 1430 in Sluis met Isabella van Portugal (1397-1472). Zij kregen drie kinderen:

    • Anton (Brussel, 30 september 1430 ? Brussel, 5 februari 1432)

    • Jodocus (Gent, 24 april 1432 - na 6 mei 1432)

    • Karel de Stoute (1433-1477).

Filips had ook dertig bekende ma?resses en achttien toegegeven bastaardkinderen, onder wie:

  • Cornelis van Bourgondi?(c. 1420 - 1452), ook bekend als Cornelis van Beveren, gedood bij de Slag van Bazel (1452);

  • Anton van Bourgondi?(1421 - 5 mei 1504), graaf van La Roche, Sainte-Menehould, Gu?es, heer van Cr?ecoeur en Beveren;

  • David van Bourgondi? (c. 1427 - 1496) die bisschop van Utrecht werd;

  • Anna van Bourgondi?(c. 1435 - 1508), gouvernante van Maria van Bourgondi? gehuwd met Adriaan van Borssele en later met Adolf van Kleef-Ravenstein;

  • Rafa? van Bourgondi?(c. 1437 - 1508), ook genoemd Rapha? de Marcatellis, abt van de Sint-Baafsabdij in Gent en van de Sint-Pietersabdij in Oudenburg;

  • Boudewijn van Bourgondi?(c. 1446 - 1508), heer van Fallais, Peer, Boudour, Sint-Annaland, Lovendegem, Zomergem en Fromont;

  • Filips van Bourgondi?(1464 - 1524), bisschop van Utrecht

Antoine en Corneille zouden zijn lievelingsbastaards geweest zijn; zij droegen (eerst Corneille, dan Antoine) de titel van Groot-bastaard van Bourgondi? (Grand b?ard de Bourgogne).

Filips de Goede stierf in Brugge op 15 juni 1467 en liet de hele stad in rouw. Een rouwstoet en 20.000 toeschouwers zou hem begeleiden naar de Sint-Donaaskerk, waar hij ceremonieel en onder ongeziene pracht en praal werd begraven voor het altaar.

In 1476 besliste Karel de Stoute om het stoffelijk overschot van zijn vader, naar diens uitdrukkelijke wens, over te brengen naar het Paleis van de hertogen van Bourgondi?/b> in Dijon. Enkel het hart en ingewanden, die reeds apart werden bewaard, zijn achtergebleven in Brugge, tot op het moment van de afbraak van de Sint-Donaaskathedraal in Brugge in 1799.

_____________________________________________________________________________________________

Karel de Stoute (Dijon, 10 november 1433 ? Nancy, 5 januari 1477) was hertog van Bourgondi? Brabant, Limburg en Luxemburg, graaf van Vlaanderen, Artesi? Bourgondi? Henegouwen, Holland, Zeeland en Namen, heer van Mechelen. In 1472 werd hij bovendien hertog van Gelre en graaf van Zutphen. Hij was de zoon van Filips de Goede en Isabella van Portugal.

De bijnaam, de Stoute (in het Frans: le T??aire of le Hardi), in Belgi?en Frankrijk pas gangbaar sinds de periode van de romantiek, betekent "de stoutmoedige" of "de roekeloze". Door de kroniekschrijvers van zijn tijd werd deze bijnaam echter niet systematisch gebruikt. In de kronieken van zijn tijdgenoten heette hij gewoon Karel van Bourgondi?

Net als zijn vader had Karel van Bourgondi?een grote belangstelling voor de kruistochten. Hij had in zijn jeugd een biografie van Alexander de Grote gelezen en bewonderde deze vorst. Hij sprak meerdere talen, met name Frans, Diets (de oude benaming voor de volkstaal in Vlaanderen en Brabant), Italiaans, Latijn en Engels. Hij waardeerde muziek, schreef liederen en speelde harp. Karel trouwde drie keer:

  • In 1440 met Catharina van Valois

  • In 1454 met Isabella van Bourbon. Met haar had hij een dochter: Maria van Bourgondi?/b>.

  • In 1468 met Margaretha van York te Damme in het huis van baljuw Eustachius Wyts. Het huwelijksfeest te Brugge is beschreven in Die Excellente Cronicke van Vlaenderen door Anthonius De Roovere (uitgave Vorsterman, 1532).

Nadat Karel de Stoute het stadje Neuss van juli 1474 tot juni 1475 had belegerd, trad Keizer Frederik III in onderhandeling met Karel. Tijdens deze onderhandelingen werd het huwelijk van van Maria met Maximiliaan gepland.

Karel de Stoute breidde de Bourgondische Nederlanden uit naar het oosten. In 1468 rekende Karel voorgoed af met de Luikenaars, die al sinds 1465 opstandig waren (zie Luikse Oorlogen). In 1471 viel hij het hertogdom Gelre binnen om hertog Arnold te steunen tegen zijn zoon Adolf van Egmond. Adolf werd gevangengezet en om hem te onterven duidde Arnold Karel aan als wettige erfgenaam van Gelre en het bijhorende graafschap Zutphen.

Deze twee titels zouden hem door keizer Frederik III zelf worden toegekend in Trier. Bovendien zou dan de titel koning van Lotharingen opnieuw ingevoerd worden (deze titel was in 900 afgeschaft), doordat de keizer Karel tot koning zou kronen. Keizer Frederik bedacht zich echter en de nacht voor de kroning ontvluchtte hij de stad per schip over de Moezel, zodat Karel zijn onverwachte vertrek niet tijdig opmerkte.

Karel sneuvelde op 5 januari 1477 tijdens de Slag bij Nancy, een poging om Nancy op de Lotharingers te veroveren. Hij vluchtte toen bleek dat zijn manschappen aan de verliezende hand waren. Zijn stoffelijk overschot werd twee dagen later pas terug gevonden, hij was van zijn paard gevallen. Hoewel hierover nog altijd onduidelijkheid bestaat, zou zijn gezicht al zijn aangevreten door wolven en waren zijn wapenrusting en kleren geroofd; identificatie van de hertog moest plaatsvinden aan de hand van de littekens op zijn lichaam die bij zijn lijfarts bekend waren. Hij werd begraven in de collegiale Sint-Joriskerk (Saint Georges) te Nancy.

Zijn stoffelijke resten werden op 22 september 1550 opgegraven door Christina van Denemarken (1521-1590), regentes van Lotharingen, op vraag van keizer Karel V, de achterkleinzoon van Karel de Stoute. Vanuit Nancy werden ze eerst naar Luxemburg (stad) overgebracht, waar ze in het Minderbroederklooster een plaats kregen. Begin 1553 werden ze ten slotte naar Brugge overgebracht. Daar werden ze eerst tijdelijk in de collegiale Sint-Donaaskerk, die op de Burg stond, begraven.

Praalgraf van Karel de Stoute in het koor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge

 Op 7 juni 1553 vonden ze hun definitieve rustplaats in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge, aanvankelijk in de grafkelder van zijn dochter en opvolgster Maria van Bourgondi?/b> in het koor van de kerk en vanaf 1563 in een eigen praalgraf, vervaardigd door Jacob Jonghelinck, naast dat van Maria. Tijdens de Franse Revolutie werden beide grafkelders geplunderd. Vermoedelijk gingen de stoffelijke resten van Karel de Stoute toen verloren. De ligbeelden, de familiestambomen en de wapenschilden die het grafmonument versierden, waren gelukkig tijdig in veiligheid gebracht. In 1806 werden beide grafmonumenten haastig gereconstrueerd in de Lanchalskapel en pas bij de archeologische opgravingen van 1979 werden ze opnieuw in hun originele toestand heropgebouwd op hun oorspronkelijke plaats in het koor van de kerk. Bij die opgravingen werd wel het skelet van Maria van Bourgondi?/b> teruggevonden (en als het hare ge?entificeerd), maar niet dat van Karel de Stoute. Waar het gebleven is, is nog steeds een raadsel.

Zijn dood in 1477 veroorzaakte een crisis in het hertogdom. Zijn dochter Maria van Bourgondi?/b> werd onmiddellijk geconfronteerd met de ontevredenheid over het oorlogszuchtige en centralistische beleid van haar vader. Door toekenning van het Groot Privilege op 11 februari 1477 verkreeg Maria financi?e en militaire steun van de Staten-Generaal. Ook moest zij, om tegemoet te komen aan het particularisme, aan verscheidene gewesten en steden eigen keuren verlenen. Holland en Zeeland verkregen in maart 1477 hun eigen Groot Privilege, waarbij Nederlands de bestuurstaal werd en zuiderlingen werden uitgesloten van belangrijke functies. Lodewijk van Gruuthuse werd hierop opgevolgd door Wolfert VI van Borselen. Bovendien viel Frankrijk zijn Franse gewesten aan omdat Lodewijk XI nu de kans had om deze terug in te lijven bij zijn koninkrijk. Op 19 augustus 1477 trouwde Maria met Maximiliaan I van Oostenrijk, waardoor er een einde kwam aan haar korte persoonlijke regeerperiode en meteen de Franse dreiging het hoofd geboden kon worden: Maximiliaan versloeg op 7 augustus 1479 de troepen van Lodewijk XI in de Slag bij Guinegate. Door het huwelijk kwamen de Nederlanden uiteindelijk in handen van de Habsburgers.

_____________________________________________________________________________________________

Maria van Bourgondi?/b> (Brussel, 13 februari 1457 ? Wijnendale, 27 maart 1482) was hertogin van Bourgondi? Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelre, gravin van Vlaanderen, Artesi? Holland, Zeeland, Henegouwen, Namen en Franche-Comt? en vrouwe van Mechelen. Door al deze titels was zij samenvattend vorstin van de Nederlanden.

Maria werd geboren in het paleis van de Koudenberg te Brussel. Haar grootvader Filips de Goede wou haar doopsel niet bijwonen, omdat het kind "slechts een meisje was" en hij hoopte dat de dynastie door een mannelijke opvolger zou worden voortgezet. Maria werd opgevoed in de hoftaal, die Frans was en leerde ook Latijn.

Als enig kind van Karel de Stoute en Isabella van Bourbon, moest zij, na het onverwachte overlijden van haar vader in de Slag bij Nancy op 5 januari 1477, op 20-jarige leeftijd het bewind in zijn erflanden overnemen. Zij werd door prinsen over heel Europa ten huwelijk gevraagd en onder meer koning Lodewijk XI van Frankrijk zag in haar de gedroomde huwelijkspartner voor zijn zoon, de dauphin Karel, om zo Bourgondi?en Vlaanderen bij zijn kroondomein te kunnen voegen. Maria zocht daarom steun bij haar onderdanen.

Zij werd onmiddellijk geconfronteerd met hun ontevredenheid omwille van het oorlogszuchtig en centralistisch beleid van haar vader. Door toekenning van het Groot Privilege op 11 februari 1477 verkreeg Maria financi?e en militaire steun van de Staten-Generaal. Ook moest zij, om tegemoet te komen aan het particularisme, aan verscheidene gewesten en steden eigen keuren verlenen en toezien hoe haar vaders trouwe kanselier Hugonet en raadgever Guy van Brimeu (heer van Humbercourt, stadhouder van Limburg, Maastricht en Namen) alsook schatbewaarder Jan van Meile, op beschuldigingen van hoogverraad wegens corruptie werden onthoofd te Gent.

Op 19 maart 1477 deed ze op verzoek van de prins-bisschop afstand van al haar rechten op het prinsbisdom Luik

Op 19 augustus 1477 trouwde Maria met 18-jarige kroonprins Maximiliaan I van Oostenrijk. Daarmee kon de Franse dreiging het hoofd geboden worden: Maximiliaan versloeg op 7 augustus 1479 de troepen van Lodewijk XI in de Slag bij Guinegate.

Het echtpaar kreeg 3 kinderen:

  • Filips de Schone (22 juni 1478 - 25 september 1506), trouwde met Johanna van Castili?/font>

  • Margaretha van Oostenrijk (10 januari 1480 - 1 december 1530), trouwde met Johan van Arag? en met Filibert II van Savoye

  • Frans (*/? 1481)

  Kasteel van Wijnendale

Maria overleed op 25-jarige leeftijd aan de gevolgen van een val van haar paard in Sint-Pieters-op-den-Dijk tijdens een valkenjacht die startte bij het kasteel van Wijnendale nabij Torhout. Haar paard struikelde nabij het Sint-Hubertuskapelletje en ze kwam onder het paard terecht. Ze werd overgebracht naar het Prinsenhof, haar woning in Brugge. Daar overleed ze op 27 maart 1482. Haar vierjarige zoontje Filips volgde haar op, onder het regentschap van zijn vader Maximiliaan.

Praalgraf "Maria"

Zij werd begraven in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge, waar haar grafmonument zich bevindt, vlak naast het praalgraf van haar vader Karel de Stoute. In 1793 werd haar graf geschonden door Franse revolutionairen. Tijdens archeologisch onderzoek in 1979 werd haar stoffelijk overschot ge?entificeerd.

Na haar dood zou Maximiliaan het zeer nadelige vredesverdrag dat Maria had gesloten met de Franse koning betwisten, maar kreeg hierdoor te kampen met voortdurend verzet van de Vlaamse steden. In Vlaanderen was men reeds blij verlost te zijn vanonder de Franse leenheerschappij en men ervoer oorlog als een aanslag op hun welvarende economie. Deze was gevoelig voor oorlogen, vanwege de import van grondstoffen.

_____________________________________________________________________________________________

Filips, bijgenaamd de Schone (Frans: Philippe le Beau) (Brugge, 22 juni 1478 - Burgos, 25 september 1506) was heerser over de landen die tezamen de Habsburgse Nederlanden en de kroon van Castili?worden genoemd.

Toen zijn moeder Maria van Bourgondi?in 1482 stierf, werd hij als vierjarige kleuter troongerechtigd. Zijn vader oefende tijdens zijn minderjarigheid het regentschap over de Nederlanden uit. Filips werd opgevoed te Mechelen bij zijn (stief)grootmoeder Margaretha van York en onderging de invloed van de Nederlandse adel. Dat bleek heel duidelijk toen hij in 1494 meerderjarig werd verklaard en persoonlijk het bewind in handen nam.Hij was van 1482 tot 1506 landsheer van de verschillende Bourgondische Nederlanden. Van meet af aan stemde hij zijn beleid af op het verdedigen van de belangen van zijn landen en het bewaren van de neutraliteit in de toenmalige Frans-Engelse tegenstellingen. Hierdoor week hij af van de politieke lijn van zijn vader Maximiliaan, die steeds een harde anti-Franse houding had aangenomen, maar die zich na zijn aanstelling tot keizer (1493) niet meer met de Nederlanden bemoeide. Met de Engelsen sloot Filips in 1496 een handelsverdrag dat Engeland toeliet vrij aan lakenhandel te doen in de Nederlanden (uitgezonderd in Vlaanderen). Met de Fransen kwam hij op goede voet door aan koning Karel VIII leenhulde te brengen voor Vlaanderen en Artesi? Bovendien sloot hij met Frankrijk in 1498 het Verdrag van Parijs af, waarmee hij definitief afzag van de herovering van Bourgondi?en van zijn aanspraken op Gelre

Filips de Schone was de laatste vorst uit het huis van Bourgondi?die de Nederlanden persoonlijk regeerde. Hij zette er de centralisatiepolitiek van zijn voorgangers voort, onder meer door de Grote Raad definitief te Mechelen te vestigen (1504).

Op 20 oktober 1496 trad hij in de Sint-Gummaruskerk in Lier in het huwelijk met Johanna van Castili?/b>, dochter van het katholieke koningspaar Ferdinand van Arag? en Isabella I van Castili?

Daarmee werd de basis gelegd voor een meer dan tweehonderd jaar durende verbintenis tussen de (Zuidelijke) Nederlanden en Spanje

Op 20 oktober 1496 werd er het huwelijk van Filips de Schone en Johanna van Castili?/b> ingezegend. Tijdens de Blijde Intrede in Lier als hertog van Brabant bezocht de jonge Karel V de kerk in het gezelschap van zijn grootvader Maximiliaan van Oostenrijk. Het koor werd voor die gelegenheid versierd met een reeks van vijf koninklijke lancetglasramen. Ze zijn het werk van Nicolaas Rombouts, de hofglazenier van Margaretha van Oostenrijk die ze in 1516-19 vervaardigde. Ze werden geschonken door Maximiliaan en het zijn de oudste en best bewaarde glasramen in de Nederlanden waarvan de stijl werd be?vloed door de Italiaanse renaissance. Op een ervan is Johanna van Castili?/b> te zien.

Het huwelijk was een gebeurtenis op zich. Vanuit Spanje werd de bruid uitgestuurd, vergezeld van 20.000 personen en 130 schepen, met kamerheren, hofdames, pages, kamervrouwen, lijfknechten, thesauriers, grootmeesteressen en bedienend personeel. De vloot vertrok uit Laredo op 30 juli 1496 met bestemming Zeeland. Er was 85.000 pond gerookt vlees mee, 50.000 haringen, 1000 kippen, 6000 eieren en 400 vaten wijn. Tijdens de twee maanden durende reis gingen er een paar schepen verloren tijdens stormweer.

In Antwerpen wachtte Johanna een grandioze ontvangst en een offici?e plechtigheid. Op 19 oktober nam ze haar intrek in Lier. De volgende dag arriveerde Filips vanuit Tirol, waar hij met zijn vader op jacht was. Amper hadden de toekomstige echtelingen ?n blik gewisseld, of de vonk sloeg over. Tegen elke hofetiquette in liep het koppel zwijgend - ze spraken immers elkaars taal niet - de deur uit en lieten de verstijfde hovelingen achter voor wat ze waren. Ze gingen samen gewoon op zoek naar een priester. Toen ze die vonden beval Johanna hem om hen ter plekke in de echt te verbinden, zomaar midden op een Lierse straat. Zonder op hun gevolg te letten begaven de jongelui zich op een drafje naar de voor hen voorziene woning (het tegenwoordige "Hof van Aragon"), en draaiden de deur achter zich dicht. De volgende dag kwamen zij buiten en werden zij tijdens een luisterrijke plechtigheid voor een tweede keer in de echt verbonden. Het huwelijk werd gevolgd door een hofbal, volksfeesten en een gigantisch banket, er werd 1200 liter wijn geconsumeerd. Het aantal toeschouwers was zo groot dat op zeker ogenblik een brug over de Nete instortte door overbelasting met als gevolg tal van doden en gewonden.

Het huwelijk, waaruit in 1500 de latere keizer Karel V werd geboren, kreeg in de loop van hetzelfde jaar grote politieke betekenis, toen Johanna als gevolg van verschillende omstandigheden erfdochter van Arag? en Castili?werd. In 1497 stierf immers de enige troonopvolger van Spanje, Johan. Door deze gebeurtenis zou Filips (ooit) de heerser worden over Oostenrijk, de Nederlanden en heel Spanje. Voor Filips gingen de belangen van zijn dynastie ineens zwaarder wegen dan die van de Nederlanden en in zijn beleid kwam een abrupte ommekeer. De neutraliteitspolitiek werd vervangen door een duidelijke Fransgezinde houding, onder meer door een huwelijksovereenkomst die Filips in 1501 liet sluiten tussen zijn anderhalf jaar oude zoon Karel en Claude, dochter van koning Lodewijk XII. Filips bracht ook een toenadering tot stand tussen zijn vader Maximiliaan en de Franse koning (Verdrag van Blois, 1504), waarbij beide vorsten het eens werden over het tussen hen betwiste hertogdom Milaan.Eind november 1504 overleed Filips' schoonmoeder Isabella, en terwijl zijn schoonvader Ferdinand koppig het regentschap voor zich opeiste, liet Filips zich te Brussel tot koning van Castili? uitroepen. In 1506 vertrok hij naar Spanje om zijn rechten te laten gelden. Na een moeilijke reis - een zware storm dreef het schip onder meer naar Engeland - belandde hij dan toch in Spanje, waar zijn schoonvader hem niet zonder slag of stoot als koning van Castili? wilde erkennen. Op 15 juli 1506 werd hij echter ook officieel door de Cortes erkend als Filips I, koning-gemaal van Castili?/b>, naast Ferdinands dochter Johanna als koningin.

Nauwelijks drie maanden later overleed Filips de Schone, onder mysterieuze omstandigheden. Boze tongen beweren dat hij werd vermoord. Het was namelijk niet gepland dat hij koning zou worden van Spanje, want de kroonprins, Johan, was nog maar pas, op achttienjarige leeftijd, gestorven, waardoor de kroon, niet volgens planning, in zijn handen kwam. De koning van Aragon, Ferdinand kon het maar moeilijk verkroppen dat deze vreemdeling die reeds voorbestemd was om heerser over de Nederlanden en Oostenrijk te worden, ook de macht verwierf over Spanje. Het blijft speculatie. Koningin Johanna bleef verbijsterd achter en sloot zich na de dood van haar man volledig af van de wereld, soms ronddolend met zijn loden kist, wat haar later de naam Johanna de Waanzinnige bezorgde. Toch bleef ze haar titel (in naam) behouden tot haar dood in 1555.

De jonge Karel V kreeg, onder het regentschap van Maximiliaan, zijn grootvader, de heerschappij over de Lage Landen, en na de dood van Ferdinand II van Aragon in 1516, ook die over Spanje. Het Spaans-Habsburgse rijk werd voor lange tijd de machtigste fractie van het Europese continent.

Het praalgraf van Filips en Johanna bevindt zich in de koninklijke kapel naast de kathedraal van Granada.

Johanna van Castili?/b> en Filips de Schone hadden zes kinderen:

  • Eleonora (15 november 1498 - 25 februari 1558), koningin van Portugal (door haar huwelijk met Emanuel I) en Frankrijk (door haar tweede huwelijk met Frans I van Frankrijk)

  • Karel V (24 februari 1500 - 21 september 1558) keizer van het Heilige Roomse Rijk en koning van Spanje, trouwde met Isabella van Portugal

  • Isabella (18 juli 1501 - 19 januari 1526), koningin van Denemarken door haar huwelijk met Christiaan II

  • Ferdinand I (10 maart 1503 - 25 juli 1564), keizer van het Heilige Roomse Rijk, trouwde met Anna van Bohemen

  • Maria van Hongarije (18 september 1505 - 18 oktober 1558), koningin van Hongarije door haar huwelijk met Lodewijk II

  • Catharina (14 januari 1507 - 12 februari 1578) koningin van Portugal door haar huwelijk met Johan III

Zijn 6-jarige zoon Karel erfde zijn bezittingen, maar stond tot 1515 onder het theoretische voogdijschap van zijn grootvader Maximiliaan. Deze liet zich echter, met instemming van de Staten-Generaal, in deze functie vervangen door zijn dochter Margaretha van Oostenrijk, Filips' zuster.

_____________________________________________________________________________________________

 

Keizer Karel V (Gent, 24 februari 1500 ? Cuacos de Yuste, Spanje, 21 september 1558), voor zijn mondigverklaring Karel van Luxemburg geheten, uit het Huis Habsburg, was sinds 1506 landsheer van uiteindelijk (1543) alle Nederlandse gewesten, van 1516 tot 1556 als Karel I koning van Spanje en van 1519 tot 1556 als Karel V Rooms-Duitse keizer. In Vlaanderen staat hij algemeen bekend als keizer Karel, in Nederland als Karel V.

De landen waarover hij regeerde, vormden tezamen het grootste Europese rijk sinds dat van Karel de Grote. Feitelijk was zijn gehele rijk, dus inclusief de Amerikaanse en Aziatische gebieden, zelfs groter dan het vroegere Romeinse Rijk en kan met recht een van de eerste wereldrijken van de nieuwe tijd genoemd worden. Met de feitelijke macht van zijn erflanden was Karel V bovendien de laatste Rooms-Duitse keizer die in de gelegenheid was om zijn universele autoriteit ook daadwerkelijk te laten gelden. Op Europees niveau wist hij met succes de aanvallen van het Ottomaanse Rijk af te slaan. De vrijwel permanente strijd met Frankrijk bleef per saldo onbeslist. Als zijn grootste nederlaag ervoer hij het feit dat hij de christelijke eenheid van Europa niet had weten te behoeden voor de scheuring die de Reformatie teweegbracht. Op nationaal niveau heeft Karel V voor zijn erflanden Spanje en de Nederlanden de basis gelegd voor een moderne eenheidsstaat. De heerschappij van keizer Karel V vormt met deze en vele andere aspecten de overgang van de middeleeuwen naar de nieuwe tijd.

Karel, bij de gratie Gods, Heilig Rooms keizer, Semper Augustus, Koning van Duitsland, Koning van Itali? Koning van heel Spanje, Castili? Arag?, Le?, Navarra, Granada, Toledo, Valencia, Galici? Mallorca, Secillia, C?doba, Murcia, Ja?, Algarve, Algeciras, Gibraltar, de Canarische eilanden, Koning van de Beide Sicili?, Sardini? Corsica, Koning van Jerusalem, Koning van de Westelijke en Oostelijke Indi?, Heer van de Eilanden en de Grote Oceaan, Aartshertog van Oostenrijk, Hertog van Bourgondi? Brabant, Lotharingen, Stiermarken, Karinthi? Krain, Limburg, Luxemburg, Gelderland, Neopatri? W?ttemberg,

 Landgraaf van de Elzas, Prins van Zwaben, Graaf van Vlaanderen, Habsburg, Tirol, Gorizia, Barcelona, Artesi? Franche Comt? Henegouwen, Holland, Zeeland, Ferrette, Kyburg, Namen, Roussillon, Cerdagne, Drenthe, Zutphen, Markgraaf van het Heilig Roomse Rijk, Burgau, Oristano en Gociano, Heer van Friesland, het Wendland, Pordenone, Biskaye, Molin, Salins, Tripoli en Mechelen.?

Karel was de oudste zoon van Filips de Schone en Johanna van Castili?/b>, die de geschiedenis zou ingaan als Johanna de Waanzinnige. Hij werd geboren op 24 februari 1500 in het Prinsenhof in Gent. Op 9 maart werd hij gedoopt in de Sint-Janskerk, de huidige Sint-Baafskathedraal. Hij kreeg twee meters: Margaretha van York de weduwe van zijn overgrootvader Karel de Stoute, wiens naam hij kreeg en zijn tante Margaretha van Oostenrijk, die een grote rol in zijn leven zou spelen. Zijn peters waren Karel I van Cro?/b>, prins van Chimay en Jan III van Glymes, beiden ridder van het Gulden Vlies. Hij voerde toen reeds de titels van aartshertog van Oostenrijk en hertog van Luxemburg. Samen met zijn eveneens in de Nederlanden geboren oudere zuster Eleonora (1498) en zijn twee jongere zusters Isabella (1501) en Maria (1505), zou hij te Mechelen worden grootgebracht aan het Hof van zijn tante Margaretha van Oostenrijk, toen landvoogdes van de Nederlanden.

Tijdens de reizen van Karels ouders naar Spanje werden aldaar nog zijn jongere broer Ferdinand (1503) en zijn jongste zuster Catharina (1507) geboren. Deze beide kinderen werden in Spanje opgevoed en Karel zou hen dan ook pas op zijn eerste reis naar dat land in 1517 voor het eerst ontmoeten. Bij die gelegenheid zag hij ook voor het eerst sinds 1505 zijn inmiddels gekverklaarde moeder terug. Zijn moeder had de dood van zijn vader Filips de Schone in 1506 niet kunnen verwerken.

Kasteel van Tordesillas

Zij bleef tot haar dood in 1555 opgesloten op het kasteel van Tordesillas, waar Karel haar nog enkele malen zou bezoeken.

Aan het hof van zijn tante Margaretha werd Karel vanaf 1507 in de praktijk opgevoed door Willem II van Cro?/b>, heer van Chi?res en Adriaan van Utrecht, de latere paus Adrianus VI. Naast de klassieke ridderlijke vaardigheden, zoals het zwaardvechten en de jacht, probeerden zij hem ook de nieuwe humanistische idealen bij te brengen, maar daarvoor interesseerde de jonge Karel zich een stuk minder. Grootkanselier Jean le Sauvage bracht hem de beginselen van politiek en bestuur bij.

Aan het Bourgondische hof was Frans de voertaal en daarmee was dit Karels moedertaal. In de dagelijkse omgang had hij zich ook Nederlands aangeleerd, dat toen nog haast niet onderscheiden werd van het Duits. Tijdens zijn eerste reis naar Spanje leerde hij ook vloeiend Spaans. Volgens de overlevering zou hij in latere jaren gezegd hebben: Ik spreek Spaans tegen God, Italiaans tegen vrouwen, Frans tegen mannen en Duits tegen mijn paard.

Karel V had net als zijn andere familieleden last van een erfelijke afwijking aan het kaakgewricht, die bekend kwam te staan als de Habsburgse kin. Zijn kin stond ver vooruit, al liet de ene portretschilder dat duidelijker naar voren komen dan de andere. Door deze kin kon hij slecht kauwen, wat leidde tot indigestieproblemen. Bovendien schijnt hij een voorkeur voor excessief veel vlees en koud bier te hebben gehad. Dit zal mede hebben bijgedragen aan de jicht, waar Karel steeds meer onder gebukt ging naarmate hij ouder werd. Volgens het Bourgondische hofprotocol at hij meestal alleen.

Karel V trouwde op 10 maart 1526 in Sevilla met de toen 23-jarige Isabella van Portugal. Dit huwelijk was in eerste instantie bedoeld om nauwere banden met Spanjes buurland Portugal aan te gaan. Isabella was een nicht van Karel, zodat pauselijke dispensatie voor dit huwelijk nodig was.

Paleis van Karel V

Na het huwelijk vond een huwelijksreis door Zuid-Spanje plaats, die bijna een jaar duurde en tijdens welke hij opdracht gaf om het paleis van Karel V in Granada te bouwen. Het zou een relatief gelukkig huwelijk worden, ondanks dat het om politieke redenen gesloten was en ze elkaar vaak jarenlang niet zagen. Zij kregen ?n zoon, twee dochters en twee zoontjes die reeds kort na geboorte stierven.

  • Filips II (21 mei 1527 ? 13 september 1598), getrouwd met, achtereenvolgens, Maria van Portugal (1527 ? 1545), Maria I van Engeland (1516 - 1558), Elisabeth van Valois (1545 - 1568) en Anna van Oostenrijk (1549-1580)

  • Maria (21 juni 1528 ? 26 februari 1603), trouwde met Maximiliaan (haar neef)

  • Ferdinand (1530)

  • Johanna (24 juni 1535 ? 7 september 1573), getrouwd met Johan van Portugal (1537 ? 1554)

  • Isabella (?) (1536-1538)

  • Johan (1539)

Karel V is ook bekend om zijn amoureuze escapades. Hij zou veel minnaressen hebben gehad, al is onbekend hoeveel. Twee ervan speelden een belangrijke rol, doordat ze het leven schonken aan twee latere landvoogden, beiden bastaardkinderen van Karel V:

  • Johanna van der Gheynst schonk het leven aan Margaretha van Parma (28 december 1522 - 18 januari 1586) en

  • Barbara Blomberg, de poortersdochter uit Regensburg, die het leven schonk aan Don Juan (24 februari 1547 ? 1 oktober 1578).

_____________________________________________________________________________________________

Het einde van het Hollandse Huis

Filips II (Valladolid, 21 mei 1527 - San Lorenzo de El Escorial, 13 september 1598) was heerser over Castili?/b>, Arag? (deze landen vormden samen Spanje), Napels, Sicili? de Spaanse Nederlanden en Portugal. Door deze personele unies had Filips dynastiek verschillende volgnummers, maar hij staat het bekendst onder de naam Filips II die verwijst naar zijn koningschap over Castili?

Hij was heerser van het grootste koloniale rijk in de 16e eeuw, dat in 1580 bovendien Portugal annexeerde, destijds de enige andere koloniale mogendheid. Daardoor had hij veel geld beschikbaar voor de strijd tegen de islamitische Ottomanen en inmenging in de Europese godsdiensttwisten; daartoe kan ook de Nederlandse Opstand gerekend worden, hoewel daarin ook andere motieven een rol speelden. Samen met zijn tweede echtgenote Maria I van Engeland was hij, tot haar dood, gedurende vier jaar ook koning van Engeland, in de hoop een katholieke troonopvolger te kunnen verwekken die zou heersen over Engeland en over de Nederlanden. Pas bij zijn vierde en laatste vrouw kon hij de gewenste mannelijke troonopvolger voor Spanje verwekken. Onder zijn bewind bereikte Spanje het hoogtepunt van zijn macht, maar Filips zette zijn land op een spoor van economische uitputting en cultureel verval, hetgeen na zijn dood gevolgen zou hebben voor Spanjes status als grote mogendheid.

Vanaf 1539, na de dood van zijn moeder, trad hij in Spanje al op als regent voor zijn vader, die vrijwel voortdurend op reis was in zijn uitgestrekte rijk. Van 1554 tot 1556 regeerde hij samen met zijn tweede vrouw, de Engelse koningin Maria Tudor over Engeland, maar kon niet langer blijven wegens zijn vele verplichtingen elders. In 1555 volgde hij zijn vader op als heer der Nederlanden. Anders dan zijn in Gent geboren en in Mechelen opgegroeide vader had hij geen persoonlijke band met de Nederlanden. Hij verfoeide merkbaar de vrijmoedigheid en ongedwongen houding van de bewoners. De Spaanse troon verkreeg hij nadat zijn vader in 1556 als koning van Spanje afgetreden was. Daarnaast kreeg hij gebieden in de Franche-Comt?/b> en Itali?/b>, die door hun geografische positie eveneens bijdroegen aan de omsingeling van Frankrijk door de Habsburgers

Filips II trouwde in 1543 met prinses Maria van Portugal. Zij kregen in 1545 een zoon, Don Carlos van Spanje (1545?1568). Maria overleed vier dagen na de geboorte.

Filips probeerde zijn macht verder uit te breiden door in 1554 te trouwen met de katholieke Engelse koningin Maria Tudor. Filips deed dit om Engeland als bondgenoot te krijgen in de sinds 1494 voortslepende Italiaanse Oorlogen tegen Frankrijk en om Maria een katholieke troonopvolger te bezorgen en daarmee haar protestantse jongere halfzuster Elizabeth van de troon weg te houden.

Maria was het vooral om dat laatste te doen. In 1555 en 1556 verwierf dit koninklijk paar in Engeland beruchtheid met felle vervolgingen van protestantse ketters. Het leverde Maria Tudor de bijnaam 'Bloody Mary' op, maar had geen blijvend effect op het opkomende protestantisme.

Filips moest in 1556 vertrekken wegens zijn verplichtingen als heer der Nederlanden en als koning van Spanje. Hij had wel Engeland als onwillige bondgenoot tegen Frankrijk gekregen, waarbij Engeland Calais zou verliezen aan Frankrijk in 1558, het jaar waarin Maria kinderloos stierf. Elizabeth was toen haar wettige erfgename. Filips had al voor Maria's dood geprobeerd Elizabeth over te halen tot een huwelijk. Om een aantal redenen ging dit niet door (zoals trouwens alle volgende huwelijksaanzoeken aan Elizabeth). Elizabeth maakte na haar aantreden zo snel mogelijk een eind aan het bondgenootschap met Spanje tegen Frankrijk. Filips geloofde dat zijn zoon Don Carlos achter het mislukte huwelijksaanzoek zat. Deze Carlos, Filips' wettige opvolger in Spanje, zou tekenen van waanzin en razernij hebben vertoond. In 1568 kon de jonge prins niet verkroppen dat zijn vader de Hertog van Alva in zijn plaats had benoemd tot landvoogd over de Nederlanden en hij zou zijn vader daarop hebben willen vermoorden. Toen dit uitkwam probeerde hij uit Spanje te vluchten, maar hij werd door zijn vader gevangen en opgesloten. In hetzelfde jaar stierf hij op mysterieuze wijze. Boze geruchten dat hij zou zijn vermoord op last van zijn vader zijn nooit bewezen.

In 1559 be?ndigde Spanje met de Vrede van Cateau-Cambr?is een in 1494 begonnen reeks van elf Italiaanse Oorlogen met Frankrijk. Dit land voelde zich in de 16e en 17e eeuw omsingeld door de Duitse en de Spaanse Habsburgers; Franse invloed in Itali?had voor Frankrijk niet alleen economische betekenis, maar ook als geostrategisch voordeel dat die omsingeling daarmee bemoeilijkt werd. Spanje kon echter voorlopig als winnaar beschouwd worden en behield aanzienlijke invloed in Itali? Tot in de jaren 1570 zou de Spaanse hegemonie in Europa onaantastbaar zijn. Het onmiddellijke gevolg van dit verdrag was dat beide katholieke mogendheden de handen vrij kregen om godsdiensttwisten uit te vechten, wat nog zou leiden tot Spaanse inmenging in de Franse Hugenotenoorlogen.

Als onderdeel van het vredesverdrag (van Cateau-Cambr?is) huwde Filips met de 14-jarige dochter van de Franse koning Hendrik II, Elisabeth van Valois. Zij was eerder beloofd geweest aan Filips' destijds 14-jarige zoon Don Carlos. Bij Elisabeth kreeg hij twee dochters, Isabella (1566) en Catharina (1567), maar geen zonen. Elisabeth stierf na een aantal miskramen in 1568.

In 1570 huwde hij zijn vierde vrouw, zijn 22 jaar jongere nichtje Anna van Oostenrijk, dochter van keizer Maximiliaan II, die tot diens dood in 1568 ook al beloofd was geweest aan Don Carlos. Bij deze vrouw kreeg hij eerst drie zonen die heel jong stierven en pas in 1578, Filips was toen bijna 51 jaar oud, kreeg hij de zoon die hem zou opvolgen als Filips III van Spanje. Daarna kreeg hij nog een dochter die op 3-jarige leeftijd stierf.

Opstand in de Nederlanden

Sinds Filips' definitieve vertrek uit de Nederlanden in 1559 was de politieke situatie daar steeds verder verslechterd. Filips kon de aartsbisschop van Mechelen, Granvelle, niet langer handhaven als hoogste raadsheer van de toenmalige landvoogdes, Filips' halfzuster Margaretha van Parma en riep hem in 1564 voorgoed terug. Hij werd door de Nederlandse edelen en de Staten-Generaal te veel gezien als zetbaas, die namens de koning aan de touwtjes trok, naast de onervaren Margaretha. Het ging de edelen echter niet in de eerste plaats om de persoon Granvelle, maar om de hoge belastingdruk, de inbreuken op de traditionele bevoegdheden van de gewesten en om de al uit de tijd van Karel V daterende anti-ketterse plakkaten. Vooral in Vlaanderen, maar ook in Zeeland en Holland in de de Noordelijke Nederlanden had het protestantisme flink wortel geschoten. Filips probeerde in zijn brieven uit het bos van Segovia in oktober 1565 duidelijk te maken dat hoop op verzachting van de anti-ketterse maatregelen ijdel was.

In 1566 werd desondanks het Smeekschrift der Edelen ingediend bij de betrekkelijk populaire landvoogdes, met het verzoek de Inquisitie op te heffen. De circa 200 edelen werden door haar adviseurs weggehoond en uitgemaakt voor 'gueux' (bedelaars). Margaretha stemde echter in met een voorlopige opschorting van de activiteiten van de Inquisitie, zodat de edelen handtekeningen konden verzamelen, die dan met het Smeekschrift bij Filips II zelf zouden kunnen worden ingediend. Daar zou het echter nooit van komen. Zodra de repressie in 1566 na tientallen jaren opgeschort was, braken het doperse en het calvinistische protestantisme door in het publieke leven, in de vorm van massaal bezochte hagenpreken en op gewelddadige wijze in de beeldenstorm.

Tachtigjarige Oorlog

De Tachtigjarige Oorlog, in de modernere geschiedschrijving ook De Opstand of de Nederlandse Opstand genoemd, was een opstand en strijd in de Nederlanden (1568-1648, met een Twaalfjarig Bestand in de jaren 1609-1621).

De oorlog begon als opstand in een van de rijkste gebieden van Europa, de Habsburgse Nederlanden (ook wel Spaanse Nederlanden genoemd), tegen het machtigste rijk in Europa, het Spaanse Rijk onder koning Filips II, de landsheer van dit gebied. Aanvankelijk trokken de uit Zeventien Provinci? bestaande Lage Landen meestal gezamenlijk op, om een combinatie van religieuze, bestuursrechtelijke en fiscale redenen.

Na 1576 groeiden de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden steeds meer uit elkaar, vooral omdat de protestantse Reformatie in het noordelijke deel dieper wortel had geschoten dan in het zuidelijke deel, waar (in Brussel) het machtscentrum van de (katholieke) Habsburgse bestuurders in de Lage Landen lag. De 'Val van Antwerpen' in 1585 wordt vaak gezien als aanleiding tot de definitieve scheiding van noord en zuid. Tijdens de oorlog ontstond in 1588 de noordelijke Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar het calvinisme de toon aangaf. De Zuidelijke Nederlanden bleven onder het bewind van een landvoogd die door de koning van Spanje benoemd werd. Het katholicisme bleef daar de enige toegestane godsdienst. Isabella Clara Eugenia was van 1598 tot 1621 vorstin en na het overlijden van haar echtgenoot Albrecht van Oostenrijk van 1621 tot haar dood in 1633 landvoogdes van de Zuidelijke Nederlanden en daarna Ferdinand van Oostenrijk, bijgenaamd kardinaal-infant Hij was een zoon van Filips III van Spanje. Toen hij 10 jaar oud was, verzocht zijn vader de paus hem tot kardinaal te cre?en. Hij werd - hoewel hij nooit priester gewijd werd - in 1619 aartsbisschop van Toledo en was van 4 november 1634 tot zijn dood landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden.

De eerste twintig jaar van de oorlog was de situatie voor de opstandelingen vaak somber of wanhopig, maar rond 1590 keerde het tij definitief ten gunste van de Republiek. De imperial overstretch van het Spaanse Rijk, de bekwame militaire leiding van prins Maurits van Oranje (Zie hoofdstuk Nassau) en de maritieme expansie van de Nederlanden, veelal ten koste van het Spaanse koloniale rijk, maakten de uiteindelijke triomf mogelijk voor de Republiek, die zich ontwikkelde tot een wereldmacht. De 17e eeuw wordt beschouwd als de Gouden Eeuw voor de Republiek op economisch, wetenschappelijk en cultureel gebied. Voor de calvinisten was het ook de tijd waarin hun politieke invloed groter dan ooit ervoor of erna was en de nauwe band met het Huis van Oranje ontstond.

Al in de 15e eeuw had de centralisatiepolitiek van de Bourgondische hertogen weerstand ondervonden van het stedelijk particularisme. Dit had vooral in het graafschap Vlaanderen geleid tot opstanden, zoals de Vlaamse Opstand tegen Maximiliaan van 1482 tot 1492. De vader van Maximiliaan, keizer Frederik III, stuurde Duitse troepen naar Gent en Brugge, maar hierdoor sloten Brabant en de Hoeken zich aan bij de Vlamingen. Jan III van Egmont dwong echter in juni 1489 Rotterdam tot overgave en in juli 1492 gaf Gent zich over aan Albrecht van Saksen.

Naast landsheer van de Habsburgse Nederlanden was keizer Karel V echter ook keizer van het Heilige Roomse Rijk. In die hoedanigheid kwam hij door zijn expansiepolitiek in conflict met Frans I van Frankrijk. Deze Italiaanse Oorlogen zorgden voor een toenemende belastingdruk op de rijke Nederlanden, vooral Vlaanderen. In de periode 1552 - 1556 steeg de rente in Antwerpen hierdoor bijvoorbeeld tot 48,8%, wat de economie van de Nederlanden ondermijnde. Door deze druk van het imperium kwam Gent daarvoor al in opstand, maar in 1540 wist Karel V de Gentse Opstand neer te slaan, waarna de privileges van de stad ontnomen werden, wat voor de andere steden een voldoende waarschuwing was.

De oorlogen met Frankrijk werden ook uitgevochten op het grondgebied van de Nederlanden. De Gelderse Oorlogen werden mede hierdoor gevoerd met steun van de Fransen. Dit zorgde ervoor dat de Hollandse schepen constant gekonvooieerd moesten worden door de samenwerking tussen Karel van Gelre en de Fries Grote Pier. Deze methode van kaapvaart werd later voortgezet door de watergeuzen.

Ter bescherming tegen invallen van de hertog van Gelre onderwierp het Sticht Utrecht (ruwweg de huidige provincies Utrecht en Overijssel omvattend) zich in 1528 en Groningen en Drenthe in 1536 aan Karel V. Ten slotte wist Karel V na afloop van de Gelderse Oorlogen in 1543 ook het hertogdom Gelre onderdeel te maken van de Habsburgse Nederlanden. Ondanks de tegenstribbelingen leek het tot ?n geheel smeden van de Nederlanden succes te hebben en in 1548 kon dit middels de Transactie van Augsburg geconsolideerd worden. Alle Zeventien Provinci? werden toen opgenomen in de Bourgondische Kreits en kregen als zodanig vergaande onafhankelijkheid binnen het Heilige Roomse Rijk.

Aan het eind van de 14e eeuw kwam de Moderne Devotie op. Dit was een spirituele beweging binnen de middeleeuwse kerk die de nadruk legde op de innerlijke ontwikkeling van het individu. De beweging ontstond door ontevredenheid over de misstanden in de kerk. Het begin lag in de IJsselstreek, van daar uit verspreidde ze zich via handelssteden als Deventer en Zwolle over de hele wereld van de Hanze, met name in het noorden en oosten van Duitsland. De Moderne Devotie zorgde voor een verandering in denken. Dit cre?rde een voedingsbodem voor het Bijbels humanisme ? in navolging van de humanisten uit Itali?? en de Reformatie, die allereerst vaste voet aan de grond kreeg in Duitsland (Saksen). Als reactie op de Reformatie ontstond de Contrareformatie.

in Nederland en ook in Duitsland vonden naar aanleiding van de Reformatie schermutselingen plaats. Dit leidde tot de oprichting van het Schmalkaldisch Verbond in 1531, waarin Duitse protestantse vorsten ijverden voor de erkenning van de nieuwe Duitse godsdienst, het lutheranisme. Hoewel dit aanvankelijk succesvol leek, wist de keizer in 1541 landgraaf Filips I van Hessen voor zich te winnen en later ook hertog Maurits van Saksen. Omdat het Schmalkaldisch Verbond nu verlamd was, besloot de keizer het religievraagstuk met geweld op te lossen en voerde in 1546 en 1547, verbonden met paus Paulus III, het hertogdom Beieren en enkele protestantse vorsten de Schmalkaldische Oorlog, die het Schmalkaldisch Verbond verloor. Evenwel werd in 1555 de Godsdienstvrede van Augsburg getekend, die uitging van het principe cuius regio, eius religio: van wie het land is, is ook de godsdienst. Dit hield in dat iedere rijksvorst besliste welke godsdienst in zijn gebied opgelegd werd en dat hij daarom ook de kerkgoederen mocht beheren. De godsdienstvrede maakte definitief en officieel een einde aan de geloofseenheid in het Heilige Roomse Rijk, waarvan feitelijk al enige tijd geen sprake meer was.

In 1559 vaardigde paus Paulus IV de bul Super universas uit waarin een nieuwe bisschoppelijke indeling van de Nederlanden werd beschreven. Dit was een bijzonder impopulair plan, omdat men verwachtte dat hiermee ook de al bekende inquisitie vervangen zou worden door de Spaanse Inquisitie. Hierover deden gruwelijke verhalen (de zogenaamde zwarte legende) de ronde, die niet noodzakelijk waren gebaseerd op de realiteit, maar waarvan de geuzen wel profiteerden.

De religieuze tegenstellingen legden het constitutionele probleem bloot: had de koning absolute macht, of moest hij samenwerken met de hoge adel en de Staten-Generaal? De stadhouders en de hoge adel hadden onder Karel V en zijn zuster, landvoogdes Maria van Hongarije, veel van hun macht moeten inleveren ten bate van ambtelijke juristen. Na het aantreden van Margaretha van Parma als landvoogdes richtte de hoge adel, onder anderen Van Oranje, Van Egmont en Van Horne, zich vooral tegen haar adviseur Granvelle. Op 23 juli 1561 schreven Van Oranje en Van Egmont hun eerste protestbrief aan Filips. Nadat er een jaar later geen verandering was opgetreden, sloten zij zich aaneen in de Liga tegen Granvelle. In 1563 sloot Horne zich aan bij de tweede protestbrief. In 1564 wisten ze Granvelle weg te werken, waarna hun invloed op de landvoogdes toenam. Hierna konden zij zich weer meer richten op de godsdienstkwesties.

Economisch waren er in die tijd grote problemen. De Spaanse staatsschuld was opgelopen van twee miljoen gulden in 1544 tot zeven miljoen in 1556. In 1557 schortte Filips II de rentebetalingen op. Dit was een van de eerste van een serie Spaanse staatsbankroeten en had als gevolg dat de Zuid-Duitse bankiers en Antwerpse kleine spaarders geru?eerd waren.

Vlaanderen en Artesi?waren in deze tijd sterk ge?dustrialiseerd, waarbij de lakennijverheid domineerde. Deze was sterk afhankelijk van de wolimport uit Engeland en blokkade hiervan zorgde direct voor een grote werkloosheid onder handelaren en ambachtslieden. In de eeuwen daarvoor had dit al geregeld voor opstanden gezorgd en ook nu was er weer een handelsoorlog met Engeland. Elizabeth I van Engeland had een uitvoerverbod afgekondigd, waardoor de Engelse wolstapel in 1563 uit Antwerpen was gehaald.

Daarnaast viel door de zware winter in 1564 de oogst in Frankrijk en de Nederlanden tegen. Door de Zevenjarige Oorlog tussen Denemarken en Zweden werd eind april 1565 de Sont ook nog eens gesloten. Hoewel deze na twee maanden weer geopend werd onder druk van Polen ? dat op dat moment bondgenoot van Denemarken was en de handel op Danzig verstoord zag ? zorgde de mede door speculaties gestegen graanprijs voor een hongersnood. Deze combinatie van economische malaise, particularisme en religieuze onderdrukking zorgde voor grote onlusten.

Met de Transactie van Augsburg van 1548 had Karel V de uitbreiding van zijn bezittingen in de Nederlanden bezegeld door de erkenning van de Zeventien Provinci? als Bourgondische Kreits binnen het Heilige Roomse Rijk. In 1549 had hij met de Pragmatieke Sanctie bepaald dat de Zeventien Provinci? steeds als ?n geheel overge?fd moesten worden. In 1555 droeg Karel de regering van de Nederlanden over aan zijn zoon Filips II. De meeste vorsten bleven aan tot hun dood en mogelijk voorzag hij de oppositie tegen de onbekende Filips. Karel leunde bij deze plechtigheid op de schouder van Willem van Oranje.

Was het onder het gezag van Karel alleen in 1554 in Antwerpen tot onlusten gekomen, onder zijn zoon zou een einde komen aan de opgebouwde eenheid.

Gedurende de tijd die nodig was om met Filips in Spanje te communiceren over het smeekschrift, schortte Margaretha van Parma de vervolgingen op, wat door de lokale bestuurders ruimer werd ge?terpreteerd dan zij bedoeld had. Naar aanleiding hiervan keerden gevluchte protestanten terug, waarna zij tussen mei en augustus begonnen met hagenpreken. Vanaf 10 augustus tot oktober 1566 vond de Beeldenstorm plaats, waarbij protestanten de katholieke kerken binnendrongen en de beelden en afbeeldingen van rooms-katholieke heiligen vernietigden. Op 20 augustus bereikte deze Antwerpen en twee dagen later Mechelen. De schutterijen in veel steden weigerden op de eigen burgers te schieten, wat zorgde voor een machtsprobleem voor de stadsbesturen, waarna Margaretha op 23 augustus de calvinistische erediensten weer toestond nadat het Eedverbond der Edelen had toegezegd zichzelf op te heffen. Van Egmont wist in zijn Vlaanderen de rust te herstellen, net als Van Oranje in Antwerpen. Op 3 oktober bespraken Van Oranje, Lodewijk van Nassau, Van Egmont en Van Horne in Dendermonde of zij de wapens op zouden nemen tegen de landvoogdes, maar Van Egmont weigerde zover te gaan, waarop Van Oranje afzag van verdere actie. Hendrik van Brederode wilde wel zover gaan en versterkte zijn bolwerk Vianen, terwijl de calvinistische bolwerken Doornik en Valencijn - waar veel Hugenoten naar waren gevlucht vanwege de Hugenotenoorlogen in Frankrijk - hun poorten sloten voor de regeringstroepen. Ook Amsterdam, Antwerpen, 's-Hertogenbosch en Maastricht werden door opstandelingen bezet.

Toen de calvinisten die Valencijn bezetten weigerden een regeringsregiment binnen de muren toe te laten, werden zij op 17 september 1566 door het regeringsleger tot rebel verklaard, wat op 14 december door de regering in Brussel werd bevestigd, terwijl de koninklijke troepen op 6 december reeds begonnen waren de stad te belegeren. Op 27 december 1566 werden Vlaamse calvinisten en geuzen, die trachtten Valencijn te ontzetten, uitgemoord in Wattrelos.

In januari 1567 werd Doornik door regeringstroepen belegerd en veroverd. Oranje, Horne en Brederode weigerden intussen opnieuw de eed van trouw af te leggen die Margaretha van alle Nederlandse edelen eiste. Op 13 maart verloren de geuzen onder leiding van Jan van Marnix de Slag bij Oosterweel, waarbij Willem van Oranje, die toen nog gouverneur van Antwerpen was, verbood hulp te bieden aan de geuzen en de stadspoorten sloot. Burgemeester Antoon van Stralen wist een dag later het oproer in Antwerpen te bedaren. Op 24 maart viel Valencijn, en toen de andere opstandige steden tegen mei ook heroverd waren op de rebellen, leek de opstand voorbij. Op 15 april vertrok Willem van Oranje uit Breda naar zijn geboorteplaats, het Duitse Dillenburg, vanwaar hij later zelfs Alva zijn diensten aanbood.

Filips II besloot dat de harde lijn gevolgd moest worden - ook om te voorkomen dat het voorbeeld gevolgd zou worden in de Spaanse gebieden in Itali?/b> - en op 29 november 1566 stelde hij de hertog van Alva aan als landvoogd van de Nederlanden om de opstand te beteugelen. De bijnaam van Alva was de ijzeren hertog, een naam die hij eer aandeed gezien zijn brute optreden.

Toen Alva in augustus 1567 in Brussel aankwam, was er door de tolerante politiek een goede kans dat de opstand zou bedaren. In plaats van de opstand te onderdrukken, was de legering van tienduizend vreemde troepen in de Vlaamse en Brabantse steden door Alva dan ook eerder een provocatie. Hij voerde meteen de drie opdrachten van Filips uit, namelijk de opstandelingen straffen, ervoor zorgen dat alleen het katholieke geloof in de Nederlanden beleden zou worden en centralisatie van het bestuur invoeren. In de praktijk kwam dit neer op een bestraffing van de Beeldenstormers, het instellen van nieuwe bisschoppen in bepaalde bisdommen en het doorvoeren van de besluiten van het Concilie van Trente.

Hij nodigde de edelen van de opstandige gebieden uit voor een gesprek. De meeste edelen doorzagen dat het een list was. Op 9 september werd de op de vlucht geslagen Antoon Van Stralen opgepakt en later ter dood veroordeeld. Een dag later werden Egmont en Horne gevangengenomen toen zij wel op kwamen dagen bij Alva. Later werden beiden, evenals Van Oranje, op beschuldiging van hoogverraad door de Raad van Beroerten ter dood veroordeeld. De laatste was inmiddels naar zijn slot in Dillenburg gevlucht. Nadat op 1 juni de eerste achttien edelen waren onthoofd op de Grote Markt van Brussel, volgden Horne en Egmont op 5 juni 1568, wat tot grote onrust onder de bevolking leidde.

In 1568 probeerde Willem van Oranje, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, Alva te verdrijven uit Brussel. Het ging hier nadrukkelijk om een opstand tegen Alva en niet tegen de koning. Oranje en zijn bondgenoten deden dat jaar drie verschillende invallen. In april werd de Slag bij Dalheim door Jan van Montigny verloren. Maar de Slag bij Heiligerlee op 23 mei 1568 was de eerste overwinning van de troepen van Willem van Oranje (aangevoerd door Lodewijk van Nassau) op die van Alva.

Er was echter nog weinig steun voor Oranje - geen enkele stad verkoos zich aan te sluiten bij de opstand. Bovendien liet Alva op 5 juni de edelen Lamoraal van Egmont en Filips van Montmorency (van Horne) onthoofden om het volk schrik aan te jagen, waarna hij naar het noorden trok en Lodewijk van Nassau versloeg in de Slag bij Jemmingen. Na deze nieuwe nederlaag deed Willem van Oranje in oktober zelf nog een inval, maar faalde om slag te leveren met Alva op het Lanakerveld, en in de Slag bij Geldenaken werd Oranje uiteindelijk verpletterend verslagen. Dit be?ndigde voorlopig zijn pogingen om de Nederlanden te bevrijden, terwijl Alva de orde herstelde.

Behalve de Raad van Beroerten voerde Alva ook belastingen in. De kosten van het bestuur en de verdediging van de Nederlanden werden namelijk voor een groot deel gefinancierd door Spanje, en Filips II wilde dat de Lage Landen deze kosten zelf gingen dragen. Onder dreiging van Alva stelden de provinciale staten voor om een aantal nieuwe belastingen in te voeren, zoals de Honderdste Penning, de Twintigste Penning en de controversi?e Tiende Penning, die veel weerstand opwekte. De watergeuzen, op dat moment een stel zeerovers met een kaperbrief van Willem van Oranje, profiteerden hiervan. Bij gebrek aan een eigen marine zag Willem in de Geuzen een nieuwe mogelijkheid de troepen van Alva te verslaan en verleende hun het recht zijn oranje-wit-blauwe vlag te voeren. Kaperij was in die tijd een gebruikelijke aanvulling van de maritieme macht van veel vorsten.

De watergeuzen zorgden voor de bevoorrading van de troepen tijdens de Slag bij Heiligerlee en kaapten Hollandse schepen. Daarop gaven Alva en Maximiliaan van H?in-Li?ard, de graaf van Bossu, opdracht om schepen uit te rusten om tegen de geuzen op te trekken. Tijdens de eerste zeeslag van de opstand die volgde, behaalde de sterkere geuzenvloot een overwinning op het Hollandse eskader van viceadmiraal Fran?is van Boshuizen in de Zeeslag op de Eems. Aangezien de commandant van de watergeuzen, Louis de Bergues, de broer van Adriaan de Bergues, de heer van Dolhain, tegen de afspraken in neutrale schepen bleef overvallen, benoemde Willem van Oranje in augustus 1570 Lumbres uit Artesi?als admiraal, de eerste van de gehele geuzenvloot. Lumbres had contacten met Elizabeth I van Engeland. De geuzen mochten ook gebruikmaken van Engelse havens. Lumbres was geen zeeman, maar moest met zijn diplomatieke gaven van de geuzen een eenheid maken. Ondanks plannen voor een grootscheepse aanval kwam men niet verder dan de verovering van Texel onder leiding van Lancelot van Brederode, broer van Hendrik van Brederode.

In het voorjaar van 1571 plunderden de geuzen Monnickendam, Schellingwoude en omgeving. Als reactie hierop werd een deel van de Spaanse soldaten in Utrecht naar Holland overgebracht en op 21 mei liet Alva elf schepen uitvaren onder Boshuizen, die een maand later de geuzen versloeg bij Emden. De hoofdmacht van de geuzen in het Kanaal ontvluchtte naar Dover.

Voor de tweede keer waren er plannen voor een grote aanval met behulp van Karel IX van Frankrijk, de Hugenoten en Elizabeth I, waar echter niets van kwam, doordat veel kapiteins meer voordeel zagen in de kaapvaart. Lumbres trok zich daarom terug en werd opgevolgd door Willem van der Marck, bekend als Lumey

Ondertussen wilde Elizabeth de relaties met Spanje verbeteren en verdreef de geuzen uit de Engelse havens. Een van de gevolgen was de inname van Den Briel op 1 april 1572, door de watergeuzen onder aanvoering van Lumey en Bloys van Treslong door de Noordpoort. Het wordt wel gezien als het begin van de opstand in de Nederlanden, maar voor Alva was het verlies van Vlissingen op 6 april schokkender. Op 14 april deed Willem van Oranje een oproep aan de inwoners van de Nederlanden om in verzet te komen tegen het bestuur van de hertog van Alva  Hij had intussen zijn broer Lodewijk aangesteld tot leider van de geuzen. De bedoeling was dat de geuzen enkele steden innamen en dat tezelfdertijd een nieuw invasieleger de Nederlanden binnenviel. Eind mei 1572 vielen de steden Valencijn en Bergen in Henegouwen in handen van de Geuzen.

Een maand later, juni 1572, sloot Enkhuizen zich aan bij de opstandelingen. Later volgden de meeste steden in Holland en Zeeland. Middelburg, Goes en Amsterdam bleven trouw aan Alva. Brugge werd door de Geuzen wel aangevallen, maar ze slaagden er niet in de Vlaamse stad te veroveren. Bovendien zorgde de Bartholomeusnacht op 24 augustus te Parijs dat men voorlopig niet meer op Franse steun hoefde te rekenen.

De zoon van Alva, Fadrique ?varez de Toledo zet een tegenoffensief in. De steden Mechelen en Zutphen werden met harde hand heroverd: de Spaanse Furie van Mechelen en het Bloedbad van Zutphen. De innames gingen gepaard met zware mishandelingen, martelingen, verkrachtingen, grootschalige moord en brandstichting. De strafexpeditie bereikt een dieptepunt in het bloedbad van Naarden. Slechts zestig burgers zouden de slachtpartij hebben overleefd.

Alva en Don Frederik richtten zich vervolgens op de belegering van Haarlem, terwijl Willem van Oranje en de Watergeuzen Amsterdam blokkeerden in een poging om de Haarlemse belegering te breken. Er werd gevochten in Diemen (Slag op de Diemerdijk), op de Zuiderzee (Slag op de Zuiderzee) en het Haarlemmermeer (Slag op het Haarlemmermeer) en bij Muiden (Aanval op Muiden).

Doordat Den Briel, Vlissingen en Enkhuizen zich bij de opstand hadden aangesloten, hadden de rebellen de controle over de handelsroutes. Een ander gevolg was dat de watergeuzen niet meer hoefden rond te zwerven. Daarentegen vielen ze nu onder de magistraten van deze steden, die zorgden voor de financiering van de opstand. Op de eerste vrije vergadering van de Staten van Holland - waarop Willem van Oranje werd bevestigd als stadhouder - werd besloten alle commissiebrieven in te trekken. Ook probeerde men zich te ontdoen van de ongedisciplineerde elementen die de opstand schade berokkenden door hun gedrag. Op grote schaal werden namelijk katholieke burgers en geestelijken vermoord en kloosters geplunderd, dit alles tot woede van Willem van Oranje. Uiteindelijk liet hij Lumey ontslaan voor zijn aandeel in de moord op de Martelaren van Gorcum. Een gevolg van de terreur was dat er van een volksopstand al snel geen sprake meer was en katholieken steeds meer terugkeerden naar het Spaansgezinde kamp. Dit alles zorgde ervoor dat in 1573 de watergeuzen niet meer als ?n groep bestonden.

In een vergadering van de Staten van Holland werd nogmaals bevestigd dat Willem van Oranje stadhouder van de koning was. Nog altijd was de opstand alleen gericht tegen Alva en niet tegen het koninklijke gezag. Willem van den Bergh, een zwager van Willem van Oranje, veroverde ondertussen grote delen van Gelderland en het graafschap Zutphen en Overijssel, waaronder Doesburg (Inname van Doesburg), Bredevoort (Inname van Bredevoort (1572)), Doetinchem (Inname van Doetinchem (1572)), Zutphen (Inname van Zutphen), Harderwijk (Inname van Harderwijk), Zwolle (Inname van Zwolle) en Kampen (Beleg van Kampen (1572)). Ook Friesland schaarde zich geheel achter Oranje. Later dat jaar volgde nog de inname van steden als Mechelen, Dendermonde en Leuven.

Door Alva werd het verzet getypeerd als een opstand, niet als een oorlog. In 1572 berichtte Lodewijk van Nassau aan zijn broer Willem dat de hertog van Alva zeer verbaasd is ... dat de steden zo in opstand komen (les villes se revoltent ainsi). In brieven, kronieken en dagboeken uit die tijd wordt gesproken over verzet, afzwering van de landsheer enzovoorts.

Na de zes jaar durende harde lijn van Alva, bleek deze averechts gewerkt te hebben. De opstand was niet neergeslagen, maar de repressie had wel gezorgd voor een groeiende onvrede onder aanvankelijk nog gematigde onderdanen. In 1573 werd Alva dan ook teruggehaald naar Spanje. Hij werd op 17 oktober opgevolgd door de gematigder Requesens.

Voor het verloop van de Opstand was niet alleen de situatie in de Nederlanden van belang; Spanje stond in het Middellandse Zeegebied onder druk van het Ottomaanse Rijk, dat net als Spanje in die tijd op het hoogtepunt van zijn macht was. Een oude vriend van Willem van Oranje uit Antwerpen, de jood Josef Nasi, was adviseur geworden van de sultan in Istanboel. Toen in 1566 de Beeldenstorm Antwerpen bereikte, stuurde S?eyman I in oktober een brief aan de vergadering te Antwerpen, waarin hij de opstandelingen financi?e en militaire hulp aanbood, opdat zij samen tegen de Spanjaarden zouden strijden. Kort daarna stierf hij. De Turkse vlaggen van de Watergeuzen en hun geuzenpenningen met de tekst 'Liever Turks dan paaps', die zij ook vanaf het jaar 1566 droegen met een Turkse halve maan, verwijzen naar dit aanbod. In 1568 stuurde Willem van Oranje een delegatie naar de nieuwe sultan, Selim II, om de samenwerking voort te zetten. De Turken hadden op dat moment echter al hun krachten nodig tegen Ivan de Verschrikkelijke in de Russisch-Turkse Oorlog, die duurde tot 1570. In dat jaar wist Nasi met de hulp van Lala Kara Mustafa Pasha Selim te bewegen Cyprus te veroveren, tegen de wil van grootvizier Mehmet Sokollu in, de machtigste man aan het hof. Het Ottomaanse Rijk leed in 1571 een grote nederlaag in de Slag bij Lepanto tegen de Heilige Liga, die bestond uit Spanje, de republiek Veneti? de Kerkelijke Staat, de republiek Genua, Savoye en de orde van Malta. Dat was echter geen definitieve nederlaag, want de Heilige Liga viel al in 1573 weer uiteen. In datzelfde jaar verloren de Venetianen Cyprus aan de Ottomanen. In 1574 heroverden de Ottomanen Tunis op de Spanjaarden. Het zou nog meer dan een eeuw duren voordat het Ottomaanse Rijk definitief tot de terugtocht werd gedwongen. De Ottomaanse druk verhinderde Spanje zich volledig te richten op het neerslaan van de opstand in de Nederlanden

Vrijwel direct na hun nederlaag bij Alkmaar omsingelden de Spanjaarden Leiden. Tijdens dat beleg werd door de legers van de prins van Oranje Middelburg ingenomen (9 februari 1574). Ook werd wederom een vlootoverwinning op de Spanjaarden behaald, ditmaal op de Oosterschelde (zie Slag bij Vlissingen). De legers van de prins konden echter niets doen om Leiden te ontzetten. Lodewijk van Nassau probeerde met financi?e steun van zijn broer Jan en de Fransen een Duits invasieleger op de been te brengen. Het Spaanse leger rondom Leiden gaf tijdelijk de omsingeling op, om het nieuwe leger tegen te houden. Op 14 april 1574 vond op de Mookerheide een slag plaats tussen het leger van Lodewijk van Nassau en het Spaanse leger. Lodewijk van Nassau en zijn broer Hendrik van Nassau sneuvelden.

De verslagenheid over de nederlaag op de Mookerheide en het sneuvelen van twee van Willems broers was groot. De Spanjaarden hervatten het beleg van Leiden. De Leidenaren weigerden zich over te geven, waarna opnieuw besloten werd de dijken door te steken. Na twee maanden, op 3 oktober 1574 stond het water rondom Leiden zo hoog dat de Spanjaarden hun beleg moesten opgeven. De Geuzen werden op platte schuiten over het ondergelopen land als overwinnaars binnengehaald, daarbij haring en wittebrood uitdelend aan de uitgehongerde bevolking. Tot op de dag van vandaag wordt het ontzet zowel in Alkmaar als in Leiden jaarlijks gevierd. In Leiden werd op initiatief van Willem van Oranje kort daarna, op 8 februari 1575, de universiteit gesticht, die overigens wel was opgedragen aan Filips II. Deze was immers nog niet afgezworen als staatshoofd; de opstand ging in principe slechts over herstel van geschonden autonome rechten van de provincies.

De Spaanse bevelhebber Don Requesens probeerde een vredesverdrag te sluiten. Om de opinie gunstig te stemmen, schafte hij de Tiende Penning en de Raad van Beroerten af. Ook werd de opstandelingen amnestie beloofd, maar omdat hierop weer driehonderd uitzonderingen werden gemaakt, was dit vermoedelijk geen serieus aanbod. Op 3 mei 1575 vonden in Breda onderhandelingen plaats. Hier bleek echter hoe sterk de opstand het karakter van een godsdienstoorlog had gekregen: de onderhandelingen liepen stuk op godsdienstige eisen. Zo eisten de Spanjaarden dat de protestanten het land zouden verlaten en eisten de opstandelingen dat alle bisschoppen zouden vertrekken. Na het mislukken van de onderhandelingen werd de strijd in alle hevigheid voortgezet. Oudewater en Schoonhoven werden door de Spanjaarden veroverd. In de herfst van dat jaar viel ook Zierikzee. De stad Woerden werd door de Spanjaarden belegerd, maar door het doorsteken van de dijken werden de Spanjaarden, na elf maanden, verdreven.

Door het verlies van de steden leek de situatie voor de opstandelingen hopeloos. Maar vrij onverwacht keerden de kansen: op 1 september 1575 werd Spanje voor de tweede keer bankroet verklaard, en hierdoor moest er bezuinigd worden op de soldij van de troepen. Bovendien overleed Requesens onverwacht op 1 maart 1576 zonder een opvolger te hebben aangewezen. Door de achterstallige soldij en het ontbreken van een leider, begonnen Spaanse troepen te deserteren en te muiten. Zierikzee en Aalst werden door plunderende troepen leeggeroofd, Mechelen en Brussel werden bedreigd. De Staten van Henegouwen en Brabant riepen begin september de Staten-Generaal van de Nederlanden bijeen en knoopten onderhandelingen aan met de opstandige gewesten Holland en Zeeland. Dit was uitzonderlijk omdat de Staten-Generaal niet op eigen initiatief mochten vergaderen, en bovendien trachtten de gematigden en radicalen samen te werken. In Gent werden eind oktober afspraken gemaakt tussen de opstandige en de koningsgetrouwe gewesten over het verdrijven van de muitende Spaanse troepen. De godsdienstige meningsverschillen hoopte men later op te lossen.

Op 4 november trokken Spaanse troepen moordend en plunderend Antwerpen binnen. Achtduizend Antwerpenaren vonden de dood en duizenden gebouwen gingen in vlammen op in de Spaanse Furie. Een storm van verontwaardiging over deze gruweldaad raasde door de Nederlandse steden, waar nu in grote omvang opstanden uitbraken. Na deze zoveelste plundering werd de Pacificatie van Gent meteen ondertekend en op 8 november 1576 afgekondigd. De Nederlanders leken zich weer verenigd te hebben in hun verzet. Op 9 november werden de Spanjaarden verdreven uit Gent, waarop vele andere steden volgden: in 1577 maakten opstandelingen zich meester van de steden Antwerpen, Brussel, Breda, Eindhoven, Groningen, Goes, Haarlem, Maastricht, Steenbergen, Utrecht en Valencijn. De regeringstroepen moesten zich in veel plaatsen op bevel van de nieuwe landvoogd don Juan van Oostenrijk terugtrekken.

Filips II stuurde zijn halfbroer Don Juan - een bastaardzoon van Karel V, die in 1571 tijdens de Slag bij Lepanto de Turkse vloot had verslagen - naar de Nederlanden. De Staten-Generaal probeerden met hem tot een overeenkomst te komen. Op 7 januari 1577 werd de Unie van Brussel gesloten tussen de gewesten die de Pacificatie erkenden (alle Nederlanden behalve Luxemburg). Zij stelden de eisen van de Pacificatie samen in het Eeuwig Edict, en legden deze voor aan de nieuwe landvoogd Don Juan. Deze besloot op 12 februari het edict te tekenen vanwege de ernst van de situatie en erkende hiermee de Pacificatie van Gent. De Staten-Generaal erkenden op hun beurt nogmaals de koning en beloofden zich sterk te maken voor het behoud van het rooms-katholieke geloof in de provincies. Don Juan zou landvoogd worden en de Spaanse troepen zouden zich (tegen betaling) terugtrekken. Op 6 april tekende ook Filips II de overeenkomst, echter niet uit overtuiging. In feite betekende het edict een wapenstilstand van enkele maanden.

De Spaanse troepen begonnen zich eind april 1577 terug te trekken. Maar na enkele maanden, op 24 juli, nam Don Juan de Citadel van Namen in, wat een breuk met het edict was. Het begon ernaar uit te zien dat er geen vreedzame oplossing zou komen en op 31 augustus beval Filips II bovendien dat de Spaanse troepen terug moesten keren naar de Nederlanden.

Willem van Oranje liet zich op 24 september 1577 triomfantelijk binnenhalen in Brussel, om het volk zijn steun te betuigen tegen de Spanjaarden. Dit was een vrij revolutionaire daad, maar het volk steunde hem en bood hem zelfs de titel 'Ruwaard van Brabant' aan, die vroeger werd gegeven aan een plaatsvervanger van de hertog, als deze niet in staat bleek (goed) te regeren.

De Staten-Generaal moesten snel vergaderen over wat te doen tegen het nieuwe offensief van Don Juan, maar dat was niet gemakkelijk: men was onderling vooral verdeeld over godsdienstige kwesties, en het vormen van ?n gezamenlijk leger ging uiterst moeizaam. Op 28 oktober vond er bovendien een staatsgreep van radicale calvinisten plaats in Gent, die begonnen aan gewelddadige bekeringen onder de bevolking, wat katholieken en gematigde protestanten afschrikte en het Willem van Oranje nog moeilijker maakte eenheid te smeden.

In januari 1578 kwam Alexander Farnese, zoon van Margaretha van Parma en de latere hertog van Parma, met verse troepen Don Juan ondersteunen. Op 31 januari behaalde Farnese een verpletterende overwinning op het Staatse leger in de Slag bij Gembloers, ten zuidoosten van Brussel. Na de slag werd Leuven ingenomen. Hierdoor werden de Staten-Generaal nog verder verdeeld tussen voor- en tegenstanders van de opstand.

Don Juan schreef aan Filips II dat Oranje feitelijk de macht had in de Nederlanden. De gewesten erkenden hem niet meer als landvoogd, maar stelden in zijn plaats de aartshertog Matthias van Oostenrijk, neef van Filips II, aan. Dit was tegen de zin van Filips II, voor wie Don Juan nog gewoon landvoogd was. Matthias van Oostenrijk was nog erg jong en politiek onervaren, zodat hij in de praktijk weinig in te brengen had tegen Willem van Oranje. In de volksmond werd hij spottend de griffier van de prins genoemd. De Spaanse troepen bedreigden Brussel en de Staten-Generaal besloten zich terug te trekken naar Antwerpen. Op 1 oktober 1578 overleed Don Juan in zijn legerkamp nabij Namen op 33-jarige leeftijd aan tyfus, nadat hij Farnese aangewezen had als zijn opvolger.

Intussen werd op 26 mei 1578 in Amsterdam de Alteratie ingevoerd, waarmee de katholieke stadsregering werd afgezet. Amsterdam was in 1578 een belangrijke stad die nog niet tot de prins was overgegaan. De oorlog was kostbaar en een aantal steden dreigde af te haken. Tijdens de Satisfactie verzoende de stad zich met de overige steden van Holland.

Het doel van de Pacificatie van Gent was het verenigen van de Nederlanden in de strijd tegen Spanje. Echter, al vrij snel begonnen de meningsverschillen op te spelen. Behalve de godsdienstige conflicten, speelde ook mee dat ieder gewest vooral voor zijn eigen belangen opkwam. Zo werd de toegangsweg naar de Antwerpse haven door Zeeland en Holland geblokkeerd: alleen tegen betaling werden schepen doorgelaten.

De zuidelijke gewesten Artesi?en Henegouwen en de Franstalig-Vlaamse stad Dowaai sloten op 6 januari 1579 de Unie van Atrecht, waarin zij zich weer onder het gezag van de koning schaarden. In de Unie van Atrecht werd wel afgesproken dat de buitenlandse troepen zich terug dienden te trekken. In het traktaat van Atrecht van 17 mei 1579 erkenden dezelfde gewesten Farnese als landvoogd. Deze begon het 'Project van Reconciliatie', waarbij hij onderzocht of de gewesten zich werkelijk wilden overgeven, en nog enkele praktische zaken. Dit rondde hij af op 4 oktober waarmee de Waals-Picardische gewesten weer onder Spaans gezag waren.

Op 23 januari 1579 tekenden Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht en de Ommelanden een eigen verdrag, de Unie van Utrecht. In de daaropvolgende maanden sloten ook de andere noordelijke provincies en veel steden in Brabant en Vlaanderen zich daarbij aan. De Gentse, Brusselse en Antwerpse Republiek werden als "calvinistische republieken" bestuurd. Willem van Oranje was aanvankelijk tegen deze Unie, omdat het in feite een afscheuring was en hij nog altijd geloofde in een verenigd Nederland. Feitelijk vielen ook de Staten-Generaal van de Nederlanden uiteen in een noordelijke ("Utrechtse") en een zuidelijke ("Atrechtse") vergadering. Op 3 mei 1579 ondertekende Willem echter een steunverklaring aan de Unie van Utrecht. Deze wordt gezien als de oprichting van de Verenigde Provinci?, die overigens pas na de Vrede van M?ster op 15 mei 1648 internationaal werd erkend.

Op uitnodiging van keizer Rudolf II begonnen in mei 1579 vredesonderhandelingen in Keulen. De Spanjaarden eisten dat de protestanten zich terugtrokken uit de Nederlanden en dat de politieke situatie van voor 1559 werd hersteld. Van de kant van de koning verwachtte men niet dat de opstandelingen hierop in zouden gaan, maar hoopte men hen op het slagveld te dwingen. Parma veroverde intussen in juni 1579 Maastricht (Beleg van Maastricht) en de stadhouder van Groningen, Friesland en Drenthe, de graaf van Rennenberg, sloot zich in 1580 weer aan bij de koning. Hiermee gingen Coevorden, Groningen, Grol en het toch al weerspannige katholieke Oldenzaal verloren (Beleg van Groningen en van Steenwijk, 1580-1581). Alleen in Friesland konden de opstandelingen hun posities behouden. Toen Rennenberg in 1581 overleed, werd hij vervangen door de Spanjaard Francisco Verdugo.

Gesteund door deze militaire successen besloot Filips II zich te richten op de oorlog tegen Portugal. Hij liet Willem van Oranje op 15 juni 1580 vogelvrij verklaren: hiermee raakte Willem van Oranje definitief vervreemd van de Spaanse troon. Op 13 december bood Oranje daarop zijn Apologie aan de Staten-Generaal aan, waarin hij zich voor het eerst openlijk afzet tegen Filips II in plaats van tegen diens landvoogd.

De Apologie werd onder meer be?vloed door Vindiciae contra tyrannos uit 1579 van Mornay of Languet. Dit was een belangrijk werk van de monarchomachen, Franse hugenoten die ook de volkssoevereiniteit en het recht van opstand benadrukten.

Door het uitblijven van steun van Spanje en doordat Alexander Farnese, de hertog van Parma, de buitenlandse troepen zoals afgesproken terugtrok, stokte zijn militaire campagne. In twee jaar tijd werd alleen Doornik veroverd, op 29 november 1581.

Willem van Oranje zocht al in 1573 een buitenlandse partner. Engeland, met als staatshoofd de protestantse Elizabeth I, leek voor de hand te liggen, maar Elizabeth aarzelde om zich in een oorlog met Spanje te storten en de onderhandelaars keerden met lege handen terug.

In 1580 hadden de opstandelingen meer succes: de hertog van Anjou, broer van de Franse koning, zou de opstand met 10.000 man steunen, al was hij katholiek. Anjou eiste wel dat de noordelijke gewesten definitief de Spaanse koning zouden afzweren, en op 26 juli 1581 werd de Plakkaat van Verlatinghe aangenomen. Op 10 februari 1582 kwam Anjou aan in Vlissingen en op 19 februari werd hij ingehuldigd als hertog van Brabant. De hertog was niet populair onder de bevolking en toen in 1582 een mislukte moordaanslag op Willem van Oranje werd gepleegd, dachten velen ook dat hij hierachter zat.

Op 4 juli werd Oudenaarde veroverd door de hertog van Parma. Pas toen in de herfst van 1582 de 10.000 man versterking kwamen (voornamelijk Zwitserse huurlingen) keerden de kansen in de strijd. Uit frustratie over zijn ondergeschikte positie ten opzichte van Willem van Oranje, besloot de hertog van Anjou tot een aanval op Antwerpen en andere Brabantse steden om daar zijn gezag te vestigen. Deze gebeurtenis staat bekend als de Franse Furie. Op 17 januari 1583 raakte hij binnen de Antwerpse stadsmuren maar stuitte op hevig verzet van de bevolking, waarna de Fransen op de vlucht sloegen. De Franse politiek van Willem van Oranje had hiermee definitief afgedaan. Ondanks een verzoeningspoging verliet Anjou in juni 1583 de Nederlanden.

De hertog van Parma kreeg door deze ontwikkelingen opnieuw ruimte, en hij veroverde in hoog tempo steden aan de Vlaamse kust. De grote Vlaamse steden Brugge, Gent en Ieper werden ingesloten en veroverd en in september 1583 viel ook Zutphen.

Op 10 juni overleed de hertog van Anjou. Voor de Staten-Generaal en Willem van Oranje was dit een reden om opnieuw met Frankrijk te onderhandelen over steun in de strijd. Frankrijk ging daar echter niet op in en de moord op Willem van Oranje, op 10 juli 1584 door Balthasar Gerards, maakte definitief een einde aan de gesprekken. Bovendien verloor de opstand met Oranjes dood zijn leider. Maurits van Nassau, zijn 16-jarige oudste in Nederland verblijvende zoon, was wel zijn beoogde opvolger als stadhouder, maar speelde in het begin nog nauwelijks een rol.

Die maanden leek het einde van de opstand nabij. Het leger van de hertog van Parma begon een nieuwe opmars in Brabant. Op 27 augustus 1585 viel Antwerpen, na een beleg van ruim veertien maanden, weer in Spaanse handen. Eerder dat jaar hadden Parma's troepen ook al Brussel (Beleg van Brussel (1584-1585)) en Mechelen ingenomen. Parma had bij het beleg van Antwerpen de toevoerwegen naar Antwerpen ?n voor ?n afgesloten, met als technisch hoogtepunt een 730 meter lange brug van schepen dwars over de Schelde.

Kasteel van Beveren

Op 27 augustus op het kasteel van Beveren tekende de protestantse burgemeester Filips van Marnix van Sint-Aldegonde de overgave van de uitgehongerde stad.

De val van Antwerpen was de militaire bezegeling van de scheuring van de Nederlanden in een noordelijk en een zuidelijk deel, die al politiek vorm had gekregen in de Unie van Utrecht en de Unie van Atrecht. Het betekende ook de door Willem van Oranje ongewilde scheiding van de Nederlandse natie: de Vlamingen (behalve de Zeeuws-Vlamingen), de zuidelijke Brabanders en de inwoners van Opper-Gelre en Limburg zouden tot 1815 gescheiden blijven. Grote delen van de bevolking, vooral (protestantse) kooplui en intellectuelen vertrokken naar het Noorden, waar zij en hun nakomelingen in grote mate bijdroegen aan de zogenaamde "Gouden Eeuw" van de Noordelijke Nederlanden

Op 14 augustus 1585 weigerde de Engelse koningin Elizabeth de soevereiniteit over de Nederlanden te aanvaarden, omdat de relaties met Spanje toch al slecht genoeg waren, maar ze beloofde wel graaf van Leicester met een troepenmacht van 6000 man naar de Nederlanden te sturen. Leicester kwam in december 1585 in Vlissingen aan. Even voordien, in november 1585, was Willem van Oranjes tweede zoon, graaf Maurits van Nassau, op 18-jarige leeftijd benoemd tot stadhouder van Holland en Zeeland. Op 4 februari 1586 liet Leicester zich uitroepen tot landvoogd en kapitein-generaal van de Nederlanden, maar Elizabeth gelastte hem die titel op te geven omdat zij de al aan de gang zijnde Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604) niet verder wilde laten escaleren. Vanaf februari 1586 regelde Johan van Oldenbarnevelt, landsadvocaat van Holland, de interne zaken binnen de Unie van Utrecht. Graaf Leicester behield de leiding over de militaire operaties. Maar de Engelse militaire steun was halfslachtig: twee Engelse officieren, William Stanley en Rowland York, gaven Deventer en de schans voor Zutphen over aan de Spanjaarden. Ook Sluis viel in Spaanse handen, al kon graaf Maurits, met zijn eerste krijgsdaad, Axel op 17 juli 1586 op de Spanjaarden veroveren en het beleg van Zutphen mislukte. Leicester bleek echter op last van koningin Elizabeth op een vrede met Spanje aan te sturen. In december 1587 werd hij gedwongen te vertrekken.

Maurits en Van Oldenbarnevelt besloten na de debacles met de Franse en Engelse hulp geen pogingen meer te ondernemen om een soevereine vorst voor de Nederlanden te vinden. In de Justificatie of Deductie werd bepaald dat de politieke macht bij de Staten-Generaal zou komen te liggen. Daarmee was zonder formeel besluit de Republiek der Verenigde Provinci? geboren. Dat een land bestuurd werd zonder vorst, was een nieuw verschijnsel in Noordwest-Europa.

Mede als reactie op deze halfslachtige Engelse inmenging besloot Filips II niettemin een invasievloot te sturen, om eindelijk de volgens hem illegitieme koningin Elizabeth van de troon te stoten en daarna definitief met de opstandelingen in de Nederlanden af te rekenen. Hoewel admiraal hertog van Medina Sidonia geen maritieme ervaring had, werd de vloot vanwege haar omvang als onoverwinnelijk beschouwd. De oorlogsvloot, armada invencible (gewapende onoverwinnelijke) of kortweg Armada genaamd, was 130 schepen en 30.000 man (waarvan 20.000 soldaten) groot. Er moesten voor de invasie ook troepen van Parma uit Vlaanderen worden opgehaald en over het Nauw van Calais gezet. De megaoperatie liep echter op een drama uit voor de Spanjaarden: in juli 1588 werd al een deel van de armada bij Grevelingen, tussen Calais en Duinkerken, zwaar toegetakeld door de beter manoeuvreerbare Engelse schepen, waarbij ook 30 Nederlandse 'kromstevens' betrokken waren. Daarna draaide ook nog de wind ongunstig voor een invasie in Engeland. De overgebleven schepen moesten, achtervolgd door de Engelsen, om Schotland en Ierland terug naar Spanje, maar door stormen en stromingen verging nogmaals een groot aantal schepen. Minder dan de helft van de vloot keerde terug in Spanje. De hertog van Parma kreeg de schuld van deze nederlaag.

Na de nodige tegenslagen volgde een periode waarin de situatie voor de Republiek sterk verbeterde, door Fruin de Tien jaren genoemd. De Nederlandse Opstand ontwikkelde van vrijwel hopeloos in 1588 tot vrijwel gewonnen in 1598. Deels was deze ontwikkeling toe te schrijven aan internationale factoren zoals de Spaanse inmenging in de Franse Hugenotenoorlogen, deels echter ook aan de politieke bekwaamheid van Johan van Oldenbarnevelt en de militaire bekwaamheid van Maurits van Nassau, de latere prins van Oranje.

In Frankrijk was een strijd gaande tussen de protestantse koning Hendrik van Navarre en de katholieke Liga, die een katholieke vorst op de Franse troon wilde. Filips II steunde de Liga om het katholicisme in Europa te beschermen. Dit vond hij belangrijker dan de strijd tegen de opstandige Nederlanders, daarom gaf hij de hertog van Parma vanaf 1590 driemaal de opdracht Frankrijk binnen te vallen. Hierdoor kon die zijn succesvolle activiteiten in het noorden niet voortzetten. Strijd leveren op twee fronten was voor de regering in Brussel financieel niet haalbaar.

In die periode bestudeerden Maurits, die inmiddels ook stadhouder van Utrecht, Gelderland en Overijssel was geworden, en zijn neef Willem Lodewijk, stadhouder van Friesland, militaire geschriften van de Romeinen en de Byzantijnen. Aan de hand van die kennis werd het leger hervormd. Zo werd het leger verdeeld in kleinere eenheden waardoor het wendbaarder werd. Ook kwam er een stelsel van verstaanbare bevelen en werd een strenge discipline afgedwongen. Met deze en andere hervormingen was het leger lange tijd d?militaire leerschool van Europa.

De provincies hadden in 1588 de Engelse gouverneur-generaal Leicester afgezworen en waren voor het eerst helemaal onafhankelijk. Dus toen de kans er lag iets te ondernemen waren de provincies nog terughoudend. De verovering van Breda in 1590 door troepen via een turfschip de stad binnen te smokkelen, bracht de overtuiging van de eigen kracht. Plannen werden voorbereid en de financi? verhoogd voor het voeren van een offensieve oorlog. De Republiek was omsingeld met steden in het oosten, noorden en zuiden die in Spaanse handen waren. Daarom zag iedere provincie graag de steden veroverd worden in of dichtbij zijn provincie.

Van Oldenbarnevelt kon iedereen overtuigen, het eigen belang opzij te zetten en eerst de steden in Gelderland en Overijssel te veroveren, omdat die een grote dreiging voor het hart van de Republiek vormde. Daarna zou het mogelijk zijn in het noorden en in het zuiden door te pakken. Zo geschiedde en de jonge republiek boekte hierop een reeks militaire successen. In 1591 begon Maurits een veldtocht in het oosten van het land. Hij veroverde achtereenvolgens Zutphen (Beleg van Zutphen (1591)), Deventer (Beleg van Deventer (1591)), Delfzijl, Hulst (Beleg van Hulst (1591)) en Nijmegen (Beleg van Nijmegen (1591)). In 1592 werden in het noorden Steenwijk (Beleg van Steenwijk (1592)) en Coevorden (Beleg van Coevorden (1592)) heroverd.

Inmiddels was de hertog van Parma overleden op 6 december 1592. In het katholieke Zuiden volgde daarop een periode met niet minder dan 40 muiterijen. Omdat Filips II ook zijn eigen einde voelde naderen, liet hij zijn dochter Isabella trouwen met haar neef Albrecht van Oostenrijk om samen over de Nederlanden te regeren. In 1598 werd door Spanje een poging ondernomen om de gewesten te verenigen, maar de Noordelijken kwamen niet opdagen bij de Statenvergadering in Brussel. Op 13 september van datzelfde jaar overleed Filips II en werd in het Zuid-Europese deel van zijn rijk opgevolgd door zijn niet al te bekwame zoon Filips III. De Spaanse macht was over haar hoogtepunt heen.

In 1593 volgde de inname van het Brabantse Geertruidenberg (Beleg van Geertruidenberg (1593)), in 1594 vond de 'reductie' van het hele gewest Groningen plaats.

In 1597 vond Maurits' veldtocht plaats. In het oosten werden Rijnberk (Beleg van Rijnberk (1597)), Meurs (Beleg van Meurs (1597)), Grol (nu Groenlo, Beleg van Groenlo (1597)), Bredevoort (Beleg van Bredevoort (1597)), Enschede (Inname van Enschede (1597)), Ootmarsum (Inname van Ootmarsum (1597)), Oldenzaal (Beleg van Oldenzaal (1597)) en Lingen (Beleg van Lingen (1597)) ingenomen.

Maurits' overwinningen betekenden een enorme opsteker voor de Republiek. Er werd gesproken over 'het sluiten van de Tuin van de Republiek'.

Na de negen jaren van Parma in Spaans voordeel, gevolgd door Tien jaren waarin Maurits en Willem Lodewijk het tij van de oorlog keerden, kwamen de 'Elf jaren', waarin noch de staatsen, noch de Spanjaarden de overhand wisten te krijgen. Beide kampen hadden wisselend succes, en na elf jaren vergeefs geprobeerd te hebben de ander te overwinnen, kwam men in 1609 het Twaalfjarig Bestand overeen.

In juni 1600 besloten de Noordelijke Staten-Generaal, waar Johan van Oldenbarnevelt grote invloed had, dat Duinkerke aan de Vlaamse kust moest worden ingenomen: het was een uitvalsbasis van de Duinkerker kapers, die in opdracht van de Spaanse regering aan de tegenblokkade deelnamen en regelmatig grote schade aan de Noordelijke handelsvloot toebrachten. Het doel lag dus ver in vijandelijk gebied, maar de kans lag er doordat het leger van de Zuidelijke Nederlanden geteisterd werd door muiterijen. Maurits was, evenals Willem Lodewijk, fel tegen deze aanval, omdat het risico groot was dat hij van zijn troepen afgesneden zou worden. Toch voerde hij het plan uit. Onderweg naar Nieuwpoort werd het leger van Maurits verrast door een Spaans leger, dat snel door de aartshertog op pad gestuurd was. De daaropvolgende Slag bij Nieuwpoort werd gewonnen door Maurits. Een ramp voor de Republiek werd zodoende voorkomen, maar achteraf was het leger dermate verzwakt, dat Duinkerke buiten bereik was geraakt. Na een 11 dagen durend vergeefs beleg van Nieuwpoort werd het risico van de komst van een nieuw ontzettingsleger te groot geacht en Maurits keerde terug naar huis. De verstandhouding tussen de politieke leider Van Oldenbarnevelt en de jonge militaire leider Maurits was van toen af behoorlijk verstoord.

In de jaren na Nieuwpoort bepaalde in de Republiek Maurits grotendeels de oorlogsvoering, hoewel daarin regelmatig bijgestuurd door de Staten. Bij al de pogingen van het Staatse leger om de Vlaamse kustplaatsen te controleren was het uit staatse handen houden van Oostende, de enige stad dieper in Vlaanderen, voor Albrecht van Oostenrijk een hoofddoelstelling. Zodoende kreeg Maurits ruimte om andere plaatsen te belegeren zoals Rijnberk en Grave in 1601 en 1602. Tweemaal probeerde hij zonder succes ook Den Bosch te veroveren, maar in 1604 overwon hij Aardenburg en Sluis. Zijn aanvallen hadden ook ten doel Albrecht met zijn leger weg te lokken van Oostende, maar die bleek vastberaden. Sinds 1601 werden de Spaanse legers aangevoerd door Ambrogio Spinola, een Genuese bankier die ook een kundige veldheer bleek te zijn. Het beleg van Oostende was kostbaar en langdurig, want de stad, waar de opstandelingen meester waren, kon steeds vanuit zee bevoorraad worden. Na drie jaar werd de stad in 1604 door Spinola ingenomen.

Volkomen onverwacht stootte deze hierna met zijn snelle leger door de verdedigingsgordel van de Republiek om tijdens zijn veldtocht in Zutphen en Twente de steden Lochem, Rijnberk, Groenlo en Oldenzaal in te nemen. Voor het eerst sinds 1594 verplaatste de oorlog zich benoorden de grote rivieren, zodat de Republiek zich in zijn hart bedreigd zag. Vanwege een tekort aan financi? bleef het hier echter bij, waardoor Maurits de gelegenheid kreeg gebied in de Achterhoek te heroveren. Veel meer kon hij niet doen, want ook de Republiek had te maken met financi?e problemen. De krachtmeting waarin beide partijen bovenmatig hadden ge?vesteerd, ook aan mensenlevens, toonde het belang dat aan de havenplaatsen werd gehecht.

Op zee had de Republiek evenwel nog weinig te vrezen van Spanje. Op 25 april 1607 vernielden Nederlandse oorlogsschepen onder leiding van Jacob van Heemskerck een Spaanse vloot, nog gedeeltelijk in aanbouw in de haven van C?iz. Deze zeeslag staat bekend als de Zeeslag bij Gibraltar.

De ontstane patstelling leidde tot vredesbesprekingen in Den Haag, waar ook belanghebbende derde partijen, waaronder Frankrijk en Engeland, aan deelnamen. Ook Spinola zelf kwam hiervoor naar Den Haag. Er kon geen overeenstemming worden bereikt over definitieve vrede, maar wel werd op 9 april 1609 in Antwerpen besloten tot een bestand, dat uiteindelijk twaalf jaar zou duren. Maurits was hier zeer op tegen omdat volgens hem de Spanjaarden hun leger weer konden herstellen en opnieuw op konden bouwen. De Hollandse regenten stemden voor omdat dit de handel ten goede zou komen.

Onder het bestuur van de aartshertogin Isabella en haar gemaal Albrecht braken voor de Nederlanden in het algemeen jaren van relatieve rust en welvaart aan. De Staten-Generaal van de Republiek verlangden voor het aangaan van een bestand offici?e erkenning van hun autonomie en na lange onderhandelingen via de bemiddelaar Jan Neyen stemden Albrecht en Isabella toe, zij het met de nodige reserves. Op 12 april 1607 was reeds een staakt-het-vuren van acht maanden te lande overeengekomen, dat eerst werd uitgebreid tot de vijandelijkheden op zee, en meerdere malen verlengd, om verder onderhandelen toe te laten.

Aartshertog Albrecht slaagde er op 31 januari 1609 in een bestand te sluiten met de opstandelingen. Dit Twaalfjarige Bestand ging officieel in op 9 april 1609 en zorgde voor een tijdelijke onderbreking van de oorlog tegen Spanje. Hiermee begon de rol van de Republiek als een feitelijk erkende onafhankelijke mogendheid. In de Spaanse Nederlanden droegen de aartshertogen in deze periode aanmerkelijk bij tot de opbloei van de kunsten en verstevigden de positie van de Rooms-katholieke Kerk.

Binnen de Republiek ontstond tijdens dit Treves, zoals het bestand ook genoemd werd, nieuwe godsdienstige en politieke verdeeldheid. Volgelingen van de geestelijke Jacobus Arminius (de remonstranten) kregen een conflict met de volgelingen van Franciscus Gomarus (de contraremonstranten). Behalve een godsdienstig meningsverschil (de remonstranten kenden een grotere rol toe aan de vrije wil van de mens), speelde er vooral een politiek conflict. De remonstranten waren meer republikeins dan de contraremonstranten, die meer zagen in een sterke positie van het Huis van Oranje. Johan van Oldenbarnevelt koos partij voor de remonstranten. Doordat Maurits (uiteraard) koos voor de contraremonstranten dreigde er zelfs even een burgeroorlog.

Maurits wist tijdens het Twaalfjarig Bestand het gezag in te perken van de 'regenten', een informele, niet strikt erfelijke hogere laag van de bevolking die de invloedrijke functies bekleedden. Dit kwam onder meer doordat steeds meer burgers van buiten de regentenklasse kapitalen verdienden met de handel. Op 4 augustus 1617 begon het conflict te escaleren: de Staten van Holland namen de Scherpe Resolutie aan, waarin de steden de vrijheid kregen op te treden tegen de contraremonstranten. Deze resolutie pakte echter averechts uit: Maurits liet de grijze eminentie Van Oldenbarnevelt en anderen op 28 augustus 1618 tot hun verbazing arresteren en beschuldigde hen van landverraad. Johan van Oldenbarnevelt werd ter dood veroordeeld en op 13 mei 1619 op het Binnenhof in Den Haag onthoofd.

Door het overlijden van prins Filips Willem van Oranje in 1618 werd Maurits de nieuwe prins van Oranje. In 1620 overleed ook Willem Lodewijk, op dat moment stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe. Hij werd opgevolgd door zijn jongere broer Ernst Casimir.

Nadat in 1621 ook aartshertog Albrecht overleed, kwamen de Zuidelijke Nederlanden conform de Akte van Afstand weer rechtstreeks onder de Spaanse troon, met Isabella van Spanje als landvoogdes.

In 1621 overleed Albrecht van Oostenrijk. Omdat zijn huwelijk met Isabella kinderloos was gebleven, kwamen de Zuidelijke Nederlanden weer onder Spaans bestuur. Isabella bleef wel landvoogdes, maar kon niet voorkomen dat de strijd tussen de Spaanse troepen en de Republiek weer oplaaide.

Na de hervatting verliep de strijd aanvankelijk niet gunstig voor de Republiek. Spinola had in februari Gulik veroverd, waarbij Maurits niet in staat bleek de stad te ontzetten. Dat lukte hem wel tijdens het beleg van Bergen op Zoom.

Spinola heroverde Breda op 2 juni 1625. Eerder dat jaar, op 23 april, was prins Maurits overleden. Beide gebeurtenissen hadden grote symbolische en morele waarde voor de Spaansgezinden; Breda was immers eigendom van de Nassaus en Maurits was de sterkste vijand die ze tijdens de oorlog hadden gekend. De Spaanse schilder Vel?quez schilderde De Overgave van Breda dat tegenwoordig in het Museo del Prado hangt.

Maurits werd opgevolgd door zijn halfbroer Frederik Hendrik. Vanaf 1626 begon Frederik Hendrik samen met zijn neef Ernst Casimir met een veldtocht, waarin hij verschillende successen boekte. Zo werden de inmiddels door de katholieke Contrareformatie stevig be?vloede steden Oldenzaal (1626) en Groenlo (1627) heroverd. In 1628 veroverde de kaper Piet Hein in de Baai van Matanzas in naam van de Republiek een Spaanse Zilvervloot, die tot op de dag van vandaag nog bezongen wordt. Plotseling was er geld in overvloed.

Een jaar na de verovering van de Zilvervloot sloeg Frederik Hendrik het Beleg van 's-Hertogenbosch. In een poging de Staatse troepen weg te lokken probeerden de Spaanse troepen onder leiding van Ernesto Montecuccoli Amersfoort en de Veluwe in te nemen. Dit mislukte echter na een Staatse aanval op een Spaans voedseldepot, waarna 's-Hertogenbosch zich overgaf.

Hierna kwam steeds meer gebied in handen van de Republiek. In 1632 liepen hoge Zuid-Nederlandse edelen over, waarna Frederik Hendrik zijn Veldtocht langs de Maas begon, waarin hij vrijwel probleemloos Roermond (Beleg van Roermond (1632)) en Venlo (Beleg van Venlo (1632)) in kon nemen. Maastricht werd na een belegering (Beleg van Maastricht (1632)) in datzelfde jaar ingenomen. Ernst Casimir sneuvelde bij het beleg van Roermond. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik Casimir I.

Landvoogdes Isabella probeerde in 1633 op eigen gezag (zonder de koning in Madrid te raadplegen) vrede te sluiten met de Republiek. De onderhandelingen liepen echter op niets uit. Datzelfde jaar overleed Isabella.

Op 15 april 1634 sloot Frederik Hendrik met Frankrijk een geheim principeakkoord ter verdeling van de Zuidelijke Nederlanden. Op 4 november 1634 werd Ferdinand van Oostenrijk (Don Ferdinand) de nieuwe landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. Don Ferdinand ging voortvarend te werk en veroverde de steden Sierck-les-Bains en Trier. Hierop verklaarde Frankrijk Spanje de oorlog. De Franse troepen versloegen de Spanjaarden in de Slag bij les Avins. Samen met het leger van de Republiek veroverden ze enkele steden in de Zuidelijke Nederlanden, waaronder Tienen, Diest en Aarschot, gevolgd door een maandenlange belegering van de Schenkenschans.

Op 8 februari 1635 formuleerden kardinaal Richelieu namens Frankrijk en Frederik Hendrik namens de Republiek de definitieve verdeling van de Zuidelijke Nederlanden. De bedoeling was dat de Waalse Nederlanden bij Frankrijk en de Vlaamse Nederlanden bij de Republiek gevoegd zouden worden. Het plan werd opgenomen in een verdrag, het Trait?de Partage, maar de uitvoering pakte anders uit dan verwacht. De gezamenlijke troepen van Frankrijk en Nederland misdroegen zich bovendien zo, dat na de inname van Tienen de publieke opinie in sommige van de Zuidelijke Nederlanden zich fel tegen de Republiek keerde. Het beleg van Leuven mislukte. In 1636 vonden opnieuw vredesonderhandelingen plaats, maar wederom zonder resultaat.

In 1637 werd het leger van Frederik Hendrik verslagen bij het Zeeuws-Vlaamse Hulst, waarna hij Breda belegerde. Don Ferdinand begon een campagne in Limburg en veroverde Venlo op 7 augustus 1637 en op 4 september Roermond. Ook heroverde hij enkele steden op de Fransen. Hij kon echter niet voorkomen dat Frederik Hendrik Breda innam.

In juni 1638 probeerde het Staatse leger Antwerpen te veroveren. Om de stad te kunnen omsingelen trok Frederik Hendrik op door Brabant. Het legeronderdeel van Willem Jonker van Nassau, zoon van Willem van Nassau, zou de stad van de Vlaamse kant benaderen, maar werd verpletterend verslagen in de Slag bij Kallo. De belegering van Antwerpen werd daardoor verijdeld. De Spanjaarden ondernamen vervolgens een tweede poging om met een armada de zeemacht van de Republiek te breken. Op deze tweede armada behaalde Maarten Harpertszoon Tromp zijn vermoedelijk grootste overwinning, in de Zeeslag bij Duins, vlak onder de Engelse zuidkust.

In 1640 deed men een hernieuwde poging Hulst te veroveren op de Spanjaarden. Ook deze poging mislukte; op 4 juli sneuvelde Hendrik Casimir in de Slag bij Hulst en de Spanjaarden hielden stand. Hendrik Casimir werd door zijn broer Willem Frederik opgevolgd als stadhouder van Friesland en Hulst zou nog tot 1645 in Spaanse handen blijven.

Op een ander front leed Spanje een gevoelige nederlaag: Portugal werd onafhankelijk

Don Ferdinand werd in 1641 vervangen door Francisco de Melo als landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. In datzelfde jaar nam Frederik Hendrik Gennep in. Francisco de Melo richtte zich aanvankelijk op de strijd tegen de Franse troepen. In 1642 maakte hij grote delen van de Franse gebiedswinsten ongedaan en hij behaalde grote overwinningen. De Republiek vocht in dat jaar nauwelijks, maar een aanbod tot onderhandelingen over vrede werd door Frederik Hendrik afgewezen. Na zijn aanvankelijke successen tegen de Fransen, werd Francisco de Melo op 16 mei 1643 echter vernietigend verslagen in de Slag bij Rocroi. Op 20 september 1644 werd hij opgevolgd door Manuel de Castel Rodrigo. Inmiddels hadden de Fransen Grevelingen (in het huidige Frans-Vlaanderen) veroverd op de Spanjaarden en had Frederik Hendrik Sas van Gent veroverd.

Door de opeenvolgende nederlagen tegen de Republiek en ook in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) en door de interne spanningen nam de kracht van het Spaanse leger snel af. In 1645 veroverden de Fransen enkele steden en herwon Frederik Hendrik Hulst. In 1646 sloeg Frederik Hendrik opnieuw (vergeefs) het beleg voor Antwerpen: de Fransen konden daardoor enkele steden in het zuiden veroveren, waaronder Duinkerke en Kortrijk. Frederik Hendrik overleed in 1647 nadat zijn gezondheid al geruime tijd achteruit was gegaan. Hij werd opgevolgd door zijn zoon stadhouder Willem II. Landvoogd van de zuidelijke Nederlanden werd aartshertog Leopold van Oostenrijk.

Inmiddels was het oorlog in grote delen van Europa, de Dertigjarige Oorlog. In 1641 begonnen de vredesonderhandelingen tussen de strijdende partijen. Afgesproken werd dat in M?ster en Osnabr?k onderhandeld zou worden. Via Frankrijk ontving ook de Republiek een uitnodiging.

Hoewel er rond die tijd enorme militaire successen werden geboekt, was er binnen de \steeds meer sprake van een vredesstemming. De langdurige oorlog kostte veel geld en mensenlevens. Alleen de provincies Zeeland en Utrecht, en de stad Leiden, bleven tot het einde toe voorstander van de oorlog.

De Republiek slaagde erin als volwaardige staat aan de onderhandelingen mee te mogen doen; zelfs Spanje stemde ermee in. In januari 1646 kwamen acht vertegenwoordigers van de Staten aan in M?ster om te onderhandelen met de Spanjaarden over vrede.

Haus der Niederlande

De onderhandelingen zouden plaatsvinden in het Huis van het Kramersgilde, tegenwoordig het Haus der Niederlande genoemd. De Spaanse onderhandelaars hadden uitgebreide volmachten meegekregen van koning Filips IV, die al jaren vrede zocht. Tijdens de onderhandelingen werden de Republiek en Spanje het snel eens: de tekst van het Twaalfjarig bestand werd als uitgangspunt genomen en de Republiek werd door Spanje als soevereine staat erkend. De vrede leek snel nabij. Frankrijk gooide echter roet in het eten door steeds met nieuwe eisen te komen. De Staten besloten hierop buiten Frankrijk om vrede te sluiten met Spanje. Op 30 januari 1648 werd de vredestekst vastgesteld. Deze werd ter ondertekening naar Den Haag en Madrid gestuurd. Op 15 mei werd de vrede definitief getekend.

De godsdienstige onverdraagzaamheid en de ellende die de oorlog meebracht, leidden tot migratiestromen in de Nederlanden, onder meer die van protestanten gericht naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (reeds in de jaren 1578-1588 toen deze formeel nog niet bestond), maar ook de andere omringende landen, en omgekeerd van katholieken naar het zuiden.

De grootste beweging naar het noorden (vooral Holland) vond plaats in de jaren 1583-1585 tijdens de herovering door het regeringsleger van de grote Vlaamse en Brabantse steden (Ieper, Brugge, Gent, Brussel, Mechelen en vooral Antwerpen). Dankzij de instroom van deze veelal kapitaalkrachtigen en/of intellectuelen ging het economische en militaire overwicht verschuiven van de Zuidelijke naar de Noordelijke Nederlanden,

Terwijl in het noorden de Nederlandse 'Gouden Eeuw' aanbrak, waarvan veel uitgeweken zuiderlingen aan de basis lagen, kende het zuiden een Gouden Eeuw van Antwerpen. Zo werd bijvoorbeeld tussen 1611 en 1627 het Rubenshuis in Antwerpen gebouwd, door renovatie van een deels verwoest woonhuis uit 1550.

De massale inwijking van vluchtelingen, die in de Republiek een grote demografische verschuiving veroorzaakte, bracht naast economische, culturele en wetenschappelijke verrijking, ook sociale spanningen met zich mee.

Het verdrag betekende de onomkeerbare opsplitsing van de oorspronkelijke Habsburgse, thans Spaanse Nederlanden. De totaal verzwakte Zuidelijke Nederlanden waren uit alle besprekingen geweerd en moesten, hoewel het territorium voor verlies van de kuststeden gevrijwaard bleef, lijdzaam toezien hoe de binnenlandse handel de facto geboycot bleef door de in het verdrag ingeschreven en alsmaar voortdurende blokkering van deze havens en van de Schelde voor Antwerpen, de Sassevaart en het Zwin, en de tolheffing op alle uit het zuiden afkomstige vrachten, terwijl handel op Indi?hen verboden werd. Zeer tegen de zin van de Spaanse koning bleef de katholieke godsdienst in de Verenigde Provinci? verboden. De Vrede van M?ster leverde de Republiek Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant, Maastricht en Staats-Overmaas (met uitzondering van Roermond, dat tijdelijk Frans werd) over, waardoor de huidige noordergrens van Belgi?op de kuststeden na grotendeels werd omsloten door de Republiek. De zuidergrens zou door de oorlogen van Lodewijk XIV tussen 1648 en 1713 verder worden vastgelegd, maar eveneens in het nadeel van de Spaanse Nederlanden. Zo zou Spanje na de nederlaag bij Duinkerke in 1659 het verdrag van de Pyrenee? ondertekenen, waarbij Artesi? met uitzondering van Sint-Omaars en Ari?, met elf steden naar Frankrijk werden overgedragen.

In Zeeland en in veel stede en dorpen ijverden predikanten vanaf de kansel tegen de bewerkers van de vrede en vooral Willem II, die er niet echt toe bereid was, onderhandelde in het geheim voort met Frankrijk ter hervatting van de oorlog, niet alleen tegen Spanje, maar nu tegelijk ook tegen Engeland, dat in januari 1649 zijn schoonvader Karel I had ge?ecuteerd. Voorjaar 1650 kwam het tussen hem en de noordelijke Staten-Generaal tot een krachtmeting over de nodige financi? die hij, ondanks de steeds toegenomen afbetalingen van schuld als gevolg van het eerdere aandeel van de Republiek in de Tachtigjarige Oorlog, daarvoor wenste op te bouwen.

  Slot Loevestein

Omdat hij zijn zin niet kreeg koos Willem ervoor om die dan maar met geweld door te drijven en op 30 juli liet hij zes vertegenwoordigers van de Staten van de recalcitrante steden aanhouden en op beschuldiging van weerstand tegen wettelijke orders van de Staten-Generaal naar Slot Loevestein overbrengen. Een leger dat hij tezelfdertijd naar Amsterdam stuurde liep evenwel vertraging op en stuitte daar op fel verzet vanwege de ingezetenen. Na een beleg, dat intussen de handel lam legde, maar waarbij de belegeraars voortdurend zelf gevaar liepen de verdrinkingsdood te sterven indien Amsterdam de dijken zou doorbreken, werd uiteindelijk een compromis bereikt. De gevangengezette mandatarissen werden vrijgelaten, maar verloren hun post als dusdanig. Nu lag de weg voor Willem II open om zijn plannen uit te voeren. Maar de argwaan van de bevolking tegen hem, vooral in Holland, was groot. Er was angst voor een militaire dictatuur, een monarchale heerschappij en nieuwe betrokkenheid in oorlogsgeweld. Nog voor hij zijn plannen kon uitvoeren, stierf Willem begin november onverwacht aan de pokken. Acht dagen later werd zijn zoon geboren, de latere stadhouder Willem III van Oranje.

Vanaf 1670 bleek met het Verdrag van Dover, (een geheim verdelingsakkoord nu om van de Republiek een rompstaat te maken) gesloten tussen Engeland en Frankrijk, de verstandhouding tussen dit laatste en de Republiek onder de vroegtijdig meerderjarig verklaarde Willem III van Oranje problematisch. De Grote Alliantie had Lodewijk XIV niet op de knie? kunnen krijgen. Al sinds 1667 had deze zich voor delen van Vlaanderen op het devolutierecht beroepen als erfenis voor zijn gemalin. De verwoeste Zuidelijke Nederlanden waren in de 17e eeuw na de invallen van de Republiek en Frankrijk verweesd achtergebleven en 1672 werd een rampjaar voor de Republiek. In 1678 betaalde ook Spanje nog eens de prijs voor de vredesonderhandelingen van Nijmegen die een einde aan de vijandelijkheden maakten, met het verlies van Artois en Franche-Compt?/b> aan Frankrijk. Opvolgverdragen, met de clausule dat de eindafbakening van de grens later zou worden bepaald, waren voortdurend in het nadeel van de Nederlanden en zorgden voor nieuwe verwoestende veldslagen op hun grondgebied. Lodewijk XIV had Maastricht aan de Hollanders teruggegeven, en vijf weken later, op 17 september, trof hij een schikking met Spanje, waarbij hem, behalve het Vrijgraafschap, ook nog een nieuwe strook van de Nederlanden afgestaan werd. Kortrijk, Oudenaarde, Binche en Charleroi ontruimde hij, maar door het bezit van Valencijn, Bouchain, Cond? Kamerijk, Ari?, Sint-Omaars, Ieper, Waasten, Poperinge, Belle, Cassel, Bavai en Maubeuge, bekwam hij voor Frankrijk een doorlopende regelmatige grens. De Verenigde Provinci? van hun kant hielden de vesting van Maastricht voor zich, in plaats van ze aan de katholieke koning over te dragen zoals in 1673 beloofd was.

Ook in vredestijd trachtte de Zonnekoning steden als 'aanhorigheden' bij bezet gebied in te rekenen, zoals hij in 1683-84 met de Chambres de R?nion probeerde te bereiken. Een nieuwe Europese coalitie regelde deze kwestie met het twintigjarig Bestand van Regensburg zo dat de Franse koning de steden in pand kreeg. Met de Negenjarige Oorlog kwamen door de Vrede van Rijswijk een aantal steden terug aan de Zuidelijke Nederlanden.

Maar alles in de Zuidelijke Nederlanden had onder de veroveringen en het voortdurend gesjoemel daaromtrent te lijden en deed het land geleidelijk naar een relatieve staat van onderontwikkeling verglijden.

Na de Hollandse Oorlog was in 1678 ene Alessandro Farnese als nieuwe landvoogd over de Zuidelijke Nederlanden aangesteld (ter onderscheiding van zijn overgrootvader hertog Alessandro van Parma ook wel Alessandro di Odoardo genoemd). Maar in tegenstelling tot zijn beroemde naamgenoot bleek deze figuur totaal onbekwaam. Hij werd door het volk bespot en gehaat wanneer hij omringd door talrijke lijfjonkers en voetknechten in zijn pompeuze koets door Brussel trok, terwijl de in lompen gehulde soldaten langs de straten schooiden en de reizigers op de hoofdwegen uitschudden. In april 1681 weigerden de ?nati?? van Brussel de door hem gevraagde belasting toe te staan, en weldra volgde zijn schandelijke aftocht.

Te Madrid was na de dood van don Juan en de wanorde die deze al had teweeggebracht de Oostenrijkse invloed sterk toegenomen en het Hof begon een krachtdadiger politiek te voeren. Dat bleek uit het zenden van de ambassadeur van keizer Leopold bij Karel II, de markies van Grana, naar de Nederlanden om in april 1682 de onbekwame nieuwe prins van Parma te komen vervangen.

Maar ondanks zijn goedbedoelde pogingen om de tucht in het leger te herstellen, de financi?e toestand te saneren en overal het gezag te versterken, bleef de situatie ronduit slecht, deels omdat hij het land niet voldoende kende, deels vanwege de tegenwerking van ambtenaren en magistraten, die aan een vadsig kommerloos bestaan gewend waren geraakt. Maximiliaan II Emanuel van Beieren werd in 1691 als nieuwe landvoogd aangesteld, maar liet het dagelijks bestuur steeds meer over aan Jan van Brouchoven. In 1695 werd het land opnieuw in het hart bedreigd, toen de Franse generaal Villeroy drie dagen lang de hoofdstad liet beschieten. Daarbij werden in totaal 3.830 woningen en 16 kloosters vernield, terwijl het Stadhuis van Brussel samen met andere kostbare panden rond de Grote Markt zware schade leden. De Vrede van Rijswijk maakte de gewelddadige pogingen van Frankrijk om gebied in te palmen ongedaan.

Met de dood van Karel II van Spanje op 1 november 1700 als laatste afstammeling van Karel V eindigde het Spaanse stelsel. Hij had gewenst dat de band die sedert het einde van de 15e eeuw de ?landen van herwaarts over? aan zijn dynastie verbond bleef bestaan, indachtig dat hij de wettige opvolger was van die hertogen van Bourgondi?/b>, van wie hij echter sedert 1680 de titel niet meer voerde.

Maar de tien katholieke provinci? van het zuiden, ook al waren ze verzwakt, ten onder gebracht door de sluiting van de Schelde, verwoest door de oorlogen, en lieten ze de godsdienst de plaats van vaderlandsliefde innemen, ze bleven kostbaar, omdat Europa er strategisch belang aan hechtte.

Maximiliaan Emanuel keerde in 1701 al terug naar Beieren en koos in de oorlog de zijde van de Franse koning, daar hij hoopte daarmee de hem reeds eerder beloofde soevereiniteit over de Zuidelijke Nederlanden te verkrijgen en eventueel de Habsburgers van de keizerstroon te kunnen stoten. Na de Frans-Beierse nederlaag in de Slag bij Blenheim in 1704 moest hij echter zijn land verlaten en twee jaar later werd hij samen met zijn broer Jozef Clemens in de rijksban gedaan.

Het feit dat Karel bij testament nog kort voor zijn dood op 1 november 1700 geheel onverwacht Filips V, tweede kleinzoon van Lodewijk XIV, tot erfgenaam van het Spaans erfdeel, waaronder de Nederlanden, benoemd had, leidde in 1701 tot de nodige betwistingen die uitmondden in de Spaanse Successieoorlog. Keizer Leopold I zag namelijk zijn tweede zoon aartshertog Karel, hierin gesteund door de alliantie met de Republiek en Engeland, als Habsburgs opvolger voor de Spaanse erfenis op basis van het Tweede Partitieverdrag.

Eens te meer lag dus de kwestie van de katholieke Nederlanden nu duidelijker dan ooit aan de basis van het geschil. De landvoogd Maximiliaan Emanuel had de regering ervan in handen gelegd van de Franse markies Bedmar en deze in Parijs laten meedelen dat hij de zijde van de Fransen koos.

Daarna was hij in 1701 zelf voor enige tijd naar Duitsland getrokken. Opnieuw werden de Zuidelijke Nederlanden tot 1713 met de vrede van Utrecht het strijdveld. Een verdedigingslinie werd in 1702 door Bedmar rondom Vlaanderen en Brabant aangelegd, als een lange linie verschansingen van het land van Waas tot de omstreken van Hoei. Het oosten werd dankzij bondgenootschappen met de prinsdommen Luik en Keulen gedekt. Alleen Spaans Gelderland lag, als noordelijke uitloper, nog open voor de bondgenoten en werd dan ook reeds in 1703 gemakkelijk door de alliantie ingenomen.

 Nadat in 1709 de Fransen verpletterend werden verslagen bij Malplaquet werd ook Henegouwen bezet, en namen de geallieerden in 1710 niet de moeite om Namen in te nemen, maar richtten zich nu direct op Frankrijk. Dowaai, op 4 mei ingesloten, gaf zich op 25 juni over. Na hardnekkige weerstand vielen B?hune, Aire en Saint-Venant. Na de inname van Bouchain in 1711 lag de weg naar Parijs open, maar de geallieerden namen die niet. De verzoening van Lodewijk XIV met Engeland het volgende jaar, en de overwinning van Villars te Denain op prins Eugeen (24 juli 1712) lieten het uitgeputte Frankrijk toe, met zijn tegenstrevers de kwestie van de Nederlanden aan de onderhandelingstafel te regelen.

Op 25 mei 1711 had Maximiliaan Emanuel te Laken al aan de afgevaardigden der Staten van Brabant verklaard, dat ?zijn troepen de vijand het hoofd niet meer konden bieden? en hun aangeraden ?door een schikking te trachten Brabant en de hoofdstad te bewaren?, waarna hij zich terugtrok in Bergen voor de niet bezette gewesten, waarover hij van Filips V de soevereiniteit ontving.

Bij de voorbereidingen van de Vrede van Utrecht (1713) kwamen drie uiteenlopende standpunten van de geallieerden aan het licht. Oostenrijk zag geen probleem meer. Aangezien Engeland en de Republiek de rechten van de Spaanse nalatenschap aan Karel III erkenden, was het logisch dat zij hem ook de regering over de Nederlanden zouden afstaan. Marlborough deelde die visie, maar zijn insteek was er vooral een van het gebied als operatiebasis tegen Frankrijk. In Den Haag dacht men daar anders over. De Republiek had zich niet in de strijd geworpen voor de Habsburger. Zij wilden Karel III wel de katholieke Nederlanden laten, doch enkel na ze te hebben veranderd in een ?barri?e?, waarachter zij verder tegen Frankrijk beschut zouden zijn. Om dat behoorlijk te realiseren, hadden zij de hoge leiding van de Nederlanden nodig. Oostenrijk boezemde hen daartoe niet het nodige vertrouwen in. De moeilijkheden waren reeds bij de bezetting van Gelderland en Limburg in 1703 ontstaan en dat geschil was na Ramillies nog verergerd. Oostenrijk had toen listig Marlborough de landvoogdij over de Nederlanden aangeboden. Deze moest daarover echter Den Haag raadplegen en stelde vast dat de Republiek nog liever het bondgenootschap opzegde dan de opperste leiding over haar ?barri?e? in Belgi? te moeten derven. Marlborough wees het aanbod dus af, maar eiste, dat de Verenigde Provinci? niet naar eigen goeddunken over de katholieke Nederlanden konden beschikken. Dus zou het bestuur voorlopig aan een ?conferentie? worden toevertrouwd van Engelse en Hollandse ministers, waarmee het hof van St-James Belgi?tot zijn beschikking wist te houden, ondanks de pogingen tot weerstand vanwege de Raad van State te Brussel, terwijl het land verder uitgebuit werd.

Op 20 februari 1713 verklaarden de afgevaardigden der Staten van Brabant en van Vlaanderen zonder omwegen aan de Raad van State, dat zij hadden besloten deze slechts te erkennen als regerend ?in naam Zijner Keizerlijke en Katholieke Majesteit, zonder dat de zeemogendheden zich daarin enige macht of enig gezag zouden voorbehouden?. De Raad van State verstoutte zich daarop te antwoorden op 28 februari, dat hem alleen ?de belangen van Zijne Majesteit en die van het vaderland in de ongelukkige toestand waarin het zich bevindt? aan het hart lagen. Die bevestiging van monarchale trouw, maar vooral de aanroeping van het vaderland in een land dat voorgoed in het gewestelijk particularisme gedompeld had geleken, verontrustte de Conferentie. Deze maande de Raad aan hetzij een verklaring van ondergeschiktheid te ondertekenen dan wel ontslag te nemen. De Raad, die zich nu door de Staten van Brabant gesteund voelde, antwoordde dat hij bleef zetelen, ?tot dat het onze doorluchtige meester behagen zal er anders over te beschikken'. Enkele dagen later, op 22 maart, werden alle leden afgezet. Maar iedereen wist, dat weldra de algemene vrede zou gesloten worden.

Op 11 april 1713 werden de verdragen van Utrecht dan ondertekend. Na zovele door oorlog verwekte deiningen hervond Europa zijn evenwicht, terwijl het over Belgi?s lot besliste, zonder dat dit daarbij vertegenwoordigd was. Ook de Republiek kwam bij de besprekingen nog nauwelijks te pas. In de woorden van de Franse onderhandelaar Melchior de Polignac: "Nous traiterons sur vous, chez vous, sans vous", (We gaan onderhandelen over jullie, bij jullie, zonder jullie). Duidelijk werd de Republiek vanaf nu als een tweederangs grootmacht beschouwd. Hoewel aan de kant van de overwinnaars verloren de Noordelijke Nederlanden het overwicht op zee, en de Zuidelijke Nederlanden kwamen aan Oostenrijk. Wel mochten Staatse garnizoenen worden gelegerd in acht steden van de thans Oostenrijkse Nederlanden als bescherming tegen de Fransen. Ook bekrachtigde de Vrede van Utrecht de soevereiniteit van Frankrijk over het vorstendom Orange en het wees wapen en titel van Oranje toe aan het gebied van de oorspronkelijke erfgenaam, Pruisen. Opper-Gelre werd gesplitst en kwam met de hoofdstad Gelderen ook in handen van Pruisen, met uitzondering van Venlo, dat aan de Republiek toekwam, en Roermond met enkele omliggende gemeenten, die Oostenrijks werden.

De enige territoriale winst voor de Republiek bestond dus uit de inlijving van Venlo. Vanaf 1672 was de Republiek veertig jaar bijna onafgebroken in oorlog geweest met Frankrijk. De schuldenlast van Holland, dat het grootste deel van de lasten droeg, was dusdanig hoog dat 70 procent van het inkomen aan de betaling van rente opging.

Met de Verenigde Provinci? onderhandelde Maximiliaan Emanuel op 8 mei zelf, en op 29 mei ontruimden de Fransen hun laatste bezettingen van het land.

De Zuidelijke Nederlanden bleven intussen onder Staats-Brits condominium tot een definitieve barri?eregeling met Karel VI van Oostenrijk in voege was. Bijgevolg werd ook geen voedsel of materiaal meer aan de voorbijtrekkende soldaten geleverd. Engeland bleek na de ondertekening door de keizer meegaand, en scheepte zijn laatste bezettingstroepen op 28 augustus te Oostende in. Maar de Hollandse garnizoenen vertrokken niet en zouden ook niet vertrekken. Zij bleven, met de Britse ministers, het land door de tussenkomst van de Conferentie besturen. De garnizoenen der ?barri?e? dienden volgens hem geenszins tot de verdediging van de Republiek. Door hun slapheid en tuchteloosheid illustreerden zij enkel het verval van de republikeinse oorlogsmacht. Toch bleef die ze stijfhoofdig behouden, wellicht minder omdat zij daarin een overleving van haar roemrijk verleden zag, dan omdat zij er een bron van inkomsten in vond, alsmede een voorwendsel om elke poging tot economische wedergeboorte in de Belgische provinci? te beletten. In 1715 moest de keizer noodgedwongen de bepalingen van het Barri?e-tractaat aanvaarden en tegelijk de belofte doen van het eerbiedigen van de privileges van de gewesten. Dat ze moesten als ondeelbaar geheel bestuurd worden hield hun gedeeltelijke zelfstandigheid in.

Na de Vrede van Utrecht en de Vrede van Rastatt (1714), waarbij hij zijn pas verkregen soevereiniteit afstond aan Oostenrijk, was Maximiliaan Emmanuel hersteld op de Beierse troon. In 1714 werd Jozef von K?igsegg gevolmachtigd minister voor het bewind over de Oostenrijkse Nederlanden in naam van Karel VI en werd ook Luxemburg bij de Oostenrijkse Nederlanden ingedeeld (tot 1795).

Uiteindelijk werd aan dit alles een eind gemaakt met de komst van de Fransen op het einde van de 18e eeuw. Een groot deel van het huidige Belgi? en ook delen van Nederland, werden bij Frankrijk ingelijfd. Van belang is in dit verband de uitruil tussen Lommel, dat tot de Meierij van 's-Hertogenbosch behoorde (en toen deel uitmaakte van Bataafs-Brabant), en Luyksgestel, dat tot dan toe tot de Zuidelijke Nederlanden (en toentertijd tot het Franse departement Beneden-Maas) had behoord. Dit geschiedde per decreet in 1807, wat de aanleg van het Kempens Kanaal over -toen Frans- gebied mogelijk maakte.

Na de Napoleontische oorlogen werd in 1815 het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden opgericht, waar Belgi?en Nederland werden verenigd onder koning Willem I. In 1830 kwam het, met steun van Frankrijk en onder leiding van de rijke voornamelijk Franstalige burgerij, in de Zuidelijke Nederlanden echter tot een opstand, de Belgische Revolutie. De Zuidelijke Nederlanden riepen op 4 oktober 1830 de onafhankelijkheid uit als eentalige Franse staat. Mede door de militaire dreiging van Frankrijk accepteerde Willem I in 1839 de onafhankelijkheid van Belgi?in het Verdrag van Londen.

Hierin werden onder andere ook de IJzeren Rijn en de Belgische toegang tot de Westerschelde afgesproken, die nog voor vele moeilijkheden tussen Nederland en Belgi?zouden zorgen, alsook het afgeven van Zeeuws-Vlaanderen, Het groothertogdom Luxemburg en het noordelijke deel van Limburg aan Nederland.

Sinds Hendrik Van der Noot in 1789 aan de Republiek om een hereniging vroeg, had dit idee de dan nog jonge Willem niet meer losgelaten. De nederlaag van Napoleon gaf hem de kans om deze wens te vervullen.

Een volgend voorstel kwam op 9 november 1813 van Willem zelf:

  • Frankrijk zou binnen zijn oude grenzen blijven, en de Noordelijke Nederlanden zouden uitgebreid worden met de Zuidelijke Nederlanden, een stuk Duitsland op de westoever van de Rijn tot aan de Moezel, op de oostoever het hertogdom Berg en de oude Nassause landen die aan de Oranje's hadden toebehoord.

Voor Willem was het nu afwachten wat er op het Congres van Wenen, dat officieel opende op 1 november 1814, zou worden beslist over de vereniging van zijn vorstendom met Belgi?en zijn grenzen. Op 1 augustus ontmoette hij de Engelse minister Castlereagh die in Brussel was op weg naar Wenen. Zijn wensen bleken voor Pruisen onaanvaardbaar, maar ook de plannen van Pruisen riepen bij de bondgenoten weerstand op. Aanvankelijk wilde Pruisen het hele rijk van Willem opnemen in de Duitse bond. Het vaststellen van de grenzen van het rijk van Willem maakte deel uit van de globale onderhandelingen over de nieuwe Europese grenzen en nam maanden in beslag.

Op 13 februari 1815 bereikten de mogendheden een akkoord dat voor wat de Nederlanden betreft, later ook terecht zou komen in de slotakte van het Congres van Wenen. Willem zou zijn erflanden moeten opgeven en de grens tussen Nederland en Pruisen werd vastgesteld. Artikel 21 bepaalde dat Holland en de Belgische provincies volgens de nieuw bepaalde grenzen onder de Prins-Souverein van de Verenigde Provincies een enkel koninkrijk zouden vormen onder de benaming Koninkrijk der Nederlanden (Royaume des Pays-Bas). De prins en zijn opvolgers zouden de titel van Koning der Nederlanden dragen. Het was nu wachten op de ratificatie.

Enkele weken later, terwijl het congres nog in volle gang was, begon Napoleon aan een nieuw offensief. Willem wachtte niet langer op de slotakte en riep zichzelf in navolging van de reeds genomen besluiten op 16 maart 1815 uit tot koning der Nederlanden, Willem I. Hij handhaafde zijn Belgische regering in afwachting van de instelling van een constitutionele monarchie voor het hele gebied. Op 12 mei 1815 werden uiteindelijk de Belgische provincies gelegen aan de oostelijke Maasoever overgeheveld naar het voorlopige Gouvernement-generaal van Belgi?/b>. De slotakte van het Congres van Wenen van 9 juni 1815 legde alle bepalingen over de totstandkoming van de nieuwe staat vast. Uiteindelijk werd Napoleon op 18 juni 1815 definitief verslagen bij Waterloo. Vanaf 16 september 1815 treedt de eerste regering op die bevoegd is voor het ganse grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden. De bestuurlijke en territoriale eenheid zijn gerealiseerd en met de goedkeuring van de grondwet is nu in principe een constitutionele monarchie gevestigd over het hele grondgebied.

Op 21 september 1815 werd in Brussel op de Coudenberg de eenwording van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden plechtig gevierd. Met de eenwording verwezenlijkte Willem I het ideaal van Willem van Oranje.

 

De verdere geschiedenis van Nederland word beschreven in het Hoofdstuk Nassau.....

_____________________________________________________________________________________________

Samenvatting:

Het Hollandse Huis is ontstaan bij: Gerulf de stamvader van het Huis van Holland.

Volg de stamboom en zie ......

Via Aleid van Holland (dochter van graaf Floris IV van Holland) en later via Filips de Goede  "van Bourgondi?quot;  komt deze terecht bij het koninklijke Spaanse vorstendom. Dus de Oranjes hebben uiteindelijk het Hollandse Huis bestreden, om zo Koninkrijk der Nederlanden te worden , van Duitse bloed (zoals bezongen in het Wilhelmus).

_____________________________________________________________________________________________

 

 

 

 

_______________________________________________________________________________________________________________________________

Copyright 2001 - 2017 Karigro. Alle rechten voorbehouden  |  Colofon  Privacy  |  Disclaimer