Geschiedenis van Egypte

 

Egypte heeft een lange geschiedenis als staat.

De Nijl is sinds de oudheid een natuurlijke levensader en belangrijke economische factor.

De Nijl stroomt uit het zuiden via diverse cataracten naar het noorden toe alwaar deze uitmondt in een delta in de Middellandse Zee.

De noordelijke Sahara werd van 38.000 tot 12.000 v.Chr. tot aan Ahaggar, Tassili en Tibesti dichtbevolkt door mensen afkomstig uit Noord-Afrika.

Tussen 18.000 en 10.000 beleefde de zuidelijke Sahara een extreem droge periode, waarin de woestijn verder naar het zuiden trok.

Het eerste teken van een vochtiger klimaat vond plaats aan het begin van het Preboreaal en het ontstaan van postglaciale omstandigheden in Europa.

Men ziet een plotselinge verschijnen van meren in de Soedanese Sahara en kiezelhoudende modderlagen in de Egyptische Sahara.

Na 10.000 v.Chr. wordt de zuidelijke Sahara weer vochtiger.

In de oostelijke Sahara kan men drie fasen onderscheiden:

  1. De herbevolkingsfase, (8.500 tot 7000 v.Chr). De Sahara werd groen, de Nijlvallei ontvolkte vanwege de te hoge waterstand.

  2. De formatieve fase (7000 tot 5.300 v.Chr), een relatief stabiele periode welke in alle gebieden zonder permanent water abrupt eindigde.

  3. De regionaliserende fase (5.300 tot 3500 v.Chr), waarin de bevolking zich plaatselijk terugtrok tot de gunstigere locaties. De Nijlvallei werd herbevolkt, Badaricultuur en begin van de pre-dynastieke periode in Egypte.

Rond 8000 ?7000 v.Chr. migreerden groepen vanuit Noord-Afrika (Libi? en de Levant naar Egypte. De rivier de Nijl, die met jaarlijkse overstromingen het land zeer vruchtbaar maakte, zou altijd van centrale betekenis zijn voor Egypte, dat dan ook de bijnaam ?geschenk van de Nijl? kreeg.

    

De Badaricultuur, rond 4700 v.C. in Midden-Egypte, vervaardigde al aardewerk, en er zijn resten van hun begraafplaatsen gevonden. Meer noordelijk vindt men de Fajoemcultuur.

Tot 3500 zijn er slechts sporen van eenvoudige dorpscultuur. Tussen 3500 en 3300 ontstonden enkele steden; er was sociale stratificatie (= verschillen in sociale status); er waren contacten met het buitenland, met name Mesopotami? en er was een begin van centralisatie van staatsmacht.

Fajoemcultuur, ook Fajoem A-cultuur of Fayumien, is een archeologische cultuur van het Neolithicum in Egypte. Ze is vernoemd naar de Fajoem, een met de Nijl verbonden depressie 80 km ten zuidwesten van Cairo. In haar midden ligt de Birket Karoen ofwel het Moeris-meer, waaromheen de vondstplaatsen van deze cultuur liggen.

De voorafgaande cultuur wordt Fajoem-B-cultuur ofwel Qarunien genoemd (6000 - 5000 v. Chr.). De eerste bewoning in het noordelijke deel van de Fajoem is voor rond 4.500 v.Chr. aangetoond. Dat is in een periode van droogte, die tot ongeveer 4.000 v.Chr. duurde. In de eerste helft van het 4e millennium v.Chr. begon een periode met meer, soms zeer heftige neerslag. Rond 3.500 v.Chr. wordt het Fajoemien opgevolgd door het Moerien, een woestijncultuur met invloeden uit de geleidelijk uitdrogende omgeving en de zich ontwikkelende oasen.

De economie was gebaseerd op jacht en visserij, veeteelt, met enige graanteelt en aardewerk. Er zijn overeenkomsten met de iets latere Merimdecultuur in het noordoosten, met name wat betreft de stenen werktuigen (tweezijdig bewerkte vuurstenen) en het aardewerk. Beide lijken hun oorsprong in Zuidwest-Azi?te hebben. De Fajoemcultuur toont duidelijke banden met de Jordaanvallei en het daar gevonden Yarmoukien. De oorsprong van de Fajoemcultuur kan daarom afgeleid worden van een neolithisering vanuit het noordoosten waarbij een materi?e cultuur, economie en bevolking naar Neder-Egypte en de Fajoem migreerde.

Badaricultuur is een cultuur en een periode in de geschiedenis van Egypte. Het liep van 4750 tot 4400 voor Christus. Het is vernoemd naar de stad el-Badari te Assioet waar de cultuur voor het eerst is vastgesteld. Het gebied waar de meeste vondsten zijn gedaan ligt grofweg tussen Hemamia en Matmar in Midden-Egypte. De stad Nechen of Hierakonpolis werd gebouwd tijdens de late Badaricultuur of de vroege Naqadacultuur.

De cultuur onderscheid zich van de andere door:

  • Ontwikkeling van keramiek

  • Ontwikkeling van de metaalbewerking

  • Het maken van vrouwenbeelden

In de graven lagen voorwerpen van koper, steatiet en zeeschelpen wat duidt op handel met de Sina?

       

 

Naqadacultuur is een archeologische cultuur van de Kopertijd in het Oude Egypte (ca. 4400-3000 v.Chr.) Ze is genoemd naar de stad Naqada, gouvernement Qina.

De laatste fase, Naqada III valt samen met de zogenaamde Proto-dynastieke Periode van het Oude Egypte (Vroege Bronstijd, 3200-3000 v.Chr.).

     

Naqada I staat ook wel bekend als de Amratische periode, het is vernoemd naar de archeologische site Amra ongeveer 9 kilometer van Abydos. Ze vangt aan in ca. 4000 v.Chr. en gaat in ca. 3500 v.Chr. over in Naqada II.

Zoals de eerdere culturen is Naqada I vooral een lokale dorpscultuur waar weinig sporen te vinden zijn van sociale stratificatie (verschillen in sociale status die tot uitdrukking gebracht kunnen worden in verschillende grafgiften). Tijdens deze periode zijn er geen sporen die wijzen op contacten met het buitenland.

          

   
Naqada II staat ook wel bekend als de Gerze?che periode. Het is vernoemd naar de plek Al-Girzah vlak bij de Fajoem-oase. Ze vangt aan rond 3500 v. Chr. en gaat in 3300 v. Chr in Naqada III.

Deze periode vormt een keerpunt in de Egyptische prehistorie. Tijdens deze periode verspreidde ze zich over de gehele Nijldal tot in de Delta. Er is ook sprake van contacten met het buitenland. Er is eveneens sprake van sociale stratificatie en ontwikkeling van belangrijke bevolkingscentra, zoals Hierakonpolis, Koptos, Abydos en Naqada. Het proces van verspreiding leidt uiteindelijk tot centralisatie en het begin van staatsorganisatie in Egypte, waardoor het land uiteindelijk verenigd werd onder ?n heerser. Tijdens Naqada II wijzen motieven in kunst en architectuur op contacten met Mesopotami? Het Egyptische schrift zou ontstaan kunnen zijn als reactie op contacten met dit gebied, maar is zeker niet afgeleid van schriftsystemen uit Mesopotami? aangezien de twee radicaal verschillen.

      

Naqada III of Dynastie 0 , ook wel de Proto-dynastieke Periode genoemd, is de laatste fase van de Naqadacultuur van Prehistorisch Egypte (vroege Bronstijd, 3200-3000 v.Chr.).

Het is de periode waarin het proces van staatsvorming, welke al was begonnen tijdens Naqada II, steeds duidelijker zichtbaar wordt. De namen van koningen zijn bekend van serechs op graftombes, aardewerk en andere objecten. Ondanks de vaak gebruikte naam "Dynastie 0" waren deze heersers waarschijnlijk geen deel van dynastie?.

De periode werd gekenmerkt door een proces van politieke eenwording, uiteindelijk leidend tot de eenwording van Egypte en het begin van de Vroeg-dynastieke Periode. De mogelijk al eerder begonnen staatsvorming zette zich voort, resulterend in verscheidene kleine stadstaten langs de Nijl. Een verscheidene eeuwen durend proces van veroveringen leidde tot het ontstaan van drie belangrijke staten in Opper-Egypte: Thinis, Naqada en Nechen. Het tussen Thinis en Nechen gelegen Naqada werd als eerste door Thinis veroverd, dat daarna Neder-Egypte veroverde. Nechen is daarna mogelijk op vreedzame wijze samengegaan met Thinis, waarmee de koningen van Thinis over geheel Egypte heersten. Ze werden begraven in de Umm el-Qaab-begraafplaats bij Abydos..

 

Mastaba's in Umm el-Qaab (Abydos)

 

De plaats is een necropolis van een aantal koningen uit de Egyptische geschiedenis. Het gaat om enkele tombes van lokale heersers van Dynastie 0 uit de Proto-dynastieke Periode, tombes uit de 1e Dynastie en enkele tombes uit de 2e Dynastie van Egypte. Het gebied is verdeeld in twee stukken: Begraafplaats U en B. Begraafplaats U herbergt de eerste koningen van voor de vereniging (Naqada IIIb) en Begraafplaats B herbergt de koningen nadat het rijk ?n was (Predynastie periode).

De eerste tombes van U-J tot B19 bestonden uit kleine putten dat kon dienen als voorraadkamer of als graf. De latere graven bestonden uit grotere kamers vandaar dat er ?n nummer voor een tombe is gegeven zoals T. De graven bestonden uit stenen gemaakt uit leem.

Mensenoffers waren een onderdeel van de dodencultus uit de vroege eerste dynastie. Bij de tombe van Djer zijn 338 mensenlichamen aangetroffen, deze hadden als doel om de farao te assisteren bij het leven na de dood. Om onduidelijke redenen eindigde deze traditie. Kleine beeldjes van mensen of Oesjabti's namen deze rol over.

De tombes werden voor het eerst uitgegraven door ?ile Am?ineau in 1890. In 1889-1901 voerde William Flinders Petrie uitgebreidere opgraven uit. Vervolgens de egyptologen: W. Kayzer en G. Dreyer. Sinds de jaren 70 wordt deze plek opgravingen uitgevoerd door de German Archeological Institute. Nu nog steeds wordt er onderzoek gedaan in het gebied, omdat er veel te vinden valt.

 

Farao,s van de 0e Dynastie

De periode van 3300 voor Chr. tot 332 v.Chr. wordt het Oude Egypte genoemd. In die periode was Egypte soms verenigd in ?n rijk onder een koning (farao), soms verdeeld in een aantal heerschappijen. Vanaf circa 2680 v.C. was het duizend jaar de gewoonte van koningen om al tijdens hun leven een piramide, of meer dan ?n, te laten bouwen als grafmonument voor zichzelf. De Egyptenaar vereerde doorgaans een groot aantal goden. Rond 1700-1600 heersten Aziatische nomaden over een deel van Egypte, rond 667 v.C. Assyri?s enkele jaren. Tussen 525 en 404 heersten de Perzen over Egypte; vanaf 343 opnieuw.

 

Schorpioen I  ca 3150  v Chr  was een koning van Opper-Egypte tijdens de Proto-dynastieke Periode.

Koning Schorpioen I regeerde in Thinis in Opper-Egypte. Archeologische resten van zijn regeerperiode zijn gevonden in de steden Naqada, Abydos, Hierakonpolis en Elephantine.

Onder zijn regering was er handel met de stad Retjenoe in Palestina en Syri? met Boeto en met Minschat Abu Omar. Zijn tombe ligt in de necropolis van Abydos.
 
 
 

Dubbele Valk. ca 3120 v Chr. was mogelijk een koning in proto-dynastiek Egypte. Informatie over zijn chronologische classificatie in de Egyptische geschiedenis en zijn regeringsduur zijn niet beschikbaar.

Koning Dubbele Valk is hoofdzakelijk geattesteerd uit de regio van Beneden-Egypte. Wat erop wijst dat zijn koninkrijk beperkt was tot dit gebied. Een enkel document is afkomstig uit Abydos. De bevindingen die zijn naam dragen zijn voornamelijk kleien en stenen vazen en komen uit El-Beda, Toera, El-Mehemdia en de noordwestelijke regio van de Sinai. Zijn begraafplaats is in Umm el-Qaab vlakbij Abydos.

 
 
 

 

 

Ny-hor  ca 3130 - 3110 v Chr. was mogelijk een koning in proto-dynastiek Egypte.

Zijn naam verschijnt overwegend op kleien- en stenen voorwerpen van tombes uit de plaatsen: Tarkhan, Toera en in Naqada zijn gevonden.

 
 
Hor Iri  ca. 3110 - 3100 v  Chr. was een koning die heerste tijdens de Proto-dynastieke Periode van het Oude Egypte.

Koning Hor Iry zou geregeerd hebben over de regio van Abydos en is begraven in Umm el-Qaab, de begraafplaats van vele pre- en protohistorische koningen van Egypte

 
 
Hor Ka  ca. 3020 v.Chr was een koning ten tijde van de Proto-dynastieke Periode in Egypte.

De koning is de eerste farao die de naam liet schrijven in een serech. Zijn voorgangers beelden eerst de valk uit en dan de naam van de koning. Aan het bestaan van deze koning kan niet getwijfeld worden, zijn naam komt veelvuldig voor op artefacten van dynastie 0.

De twee ondergrondse kamers: B7 en B9 te Umm el-Qa'ab in Abydos worden aan deze heerser toegeschreven als tombe van de koning. De tombe is voor het eerst afgegraven door Flinders Petrie in 1902. Hij ontdekte fragmenten een mes en verschillende potten. Op de potten werden meer dan veertig inscripties gevonden

 
 
Schorpioen II  ca. 3052 v. Chr is een van de koningen die regeerden tijdens de Proto-dynastieke Periode van Egypte. Zijn naam wordt ook wel aangeduid met Serket.

De naam van deze koning is bekend van fragmenten van een kop van een knots, in kalksteen, die bij opgravingen te Hierakonpolis door James Quibell in 1897-1898 gevonden is. Deze knotskop draagt een afbeelding van een Boven-Egyptische koning, herkenbaar aan de hadjet (de witte kroon van Boven-Egypte), die 'srkt' oftewel Schorpioen wordt genoemd. De koning heeft geen Horusnaam maar een rozet voor zijn naam.

Waarschijnlijk was hij een lokale heerser van deze stad. Recent is een circa 5000 jaar oude muurschildering ontdekt door professor John Darnell van de Yale-universiteit waarop eveneens de symbolen van Schorpioen te zien zijn. In de schildering wordt zijn overwinning op een andere predynastieke heerser afgebeeld.

     .

 

Farao,s van de 1e Dynastie

De 1e Dynastie van het Oude Egypte wordt gedateerd tussen (ca.) 3150 v.Chr. en 2853 v.Chr. en maakt samen met de 2e Dynastie en de 3e Dynastie deel uit van de Vroeg-dynastieke Periode die liep van (ca.) 3150 v.Chr. tot 2639 v.Chr.

Twee opmerkelijke veranderingen luidden het begin van deze periode in, namelijk de verspreiding van het schrift en de stichting van Memphis, de stad die waarschijnlijk vanaf dat moment de politieke hoofdstad van Egypte was. Het schrift werd gedurende deze periode vooral gebruikt voor het schrijven van jaarnamen, een soort annalen die per regeringsjaar van een koning de belangrijkste gebeurtenissen noemen.

Volgens de Oud-Egyptische koningslijsten begint de 1e Dynastie met de farao Menes. Echter, in bepaalde bronnen (het Narmerpalet) wordt de naam Narmer genoemd als stichter van de 1e Dynastie, en in nog andere bronnen verschijnt de naam Hor-Aha, waardoor enige verwarring is ontstaan.

De belangrijkste machtscentra in deze periode in Egypte waren Abydos, Memphis en Hierakonpolis. In veel plaatsen in Egypte zijn grote begraafplaatsen uit deze tijd gevonden, wat impliceert dat het land minder gecentraliseerd was dan tijdens het Oude Rijk, toen er geen sprake meer was van rijke provinciale begraafplaatsen. De koningen werden in de woestijn bij Abydos begraven, terwijl de monumenten voor de cultus van de overleden koningen zich aan de rand van de woestijn, dichter bij de nederzettingen bevonden. Terwijl de koningen en andere leden van het koninklijk huis in Abydos werden begraven, werden de hoge ambtenaren in Saqqara begraven. Van enkele opslagruimten die bij deze graven hoorden, is de inhoud bewaard gebleven en tonen dat er reeds in de 1e Dynastie een groot scala aan koperen objecten en stenen vazen als luxeobjecten in omloop waren.

 

Narmer, Menes, Meni  ca. 3150-3032 v.Chr  was de eerste farao van Egypte en waarschijnlijk de stichter van de Eerste dynastie. Met hem liet Manetho zijn bekende geschiedenis van Egypte in Dynastie? beginnen, namelijk als eerste vorst van de Eerste Dynastie. Narmer zou mogelijk geleefd hebben rond 3100 v. Chr. en zou verantwoordelijk zijn voor de (eerste) eenmaking van Egypte en voor de stichting van de stad Memphis. De echtgenote van Narmer lijkt de uit het noorden afkomstige prinses Neith-hotep te zijn. Haar naam is gevonden in de graven van Narmers directe opvolgers Hor-Aha en Djer, hetgeen impliceert dat zij de moeder of de vrouw van Hor-Aha was, waardoor Narmer in dat laatste geval ge?entificeerd zou kunnen worden met Hor-Aha. Het graf van Narmer zelf wordt gedacht graf B17 en B18 in Umm el-Qaab bij Abydos te zijn.

   

 
 
Hor-Aha, Aha, Hor-Aka  ca. 3000-2980 v.Chr  kwam rond 3032 op de troon. Hij regeerde ongeveer 32 jaar en werd gedood door een nijlpaard. Koning Hor-Aha wordt beschouwd als de zoon van koning Narmer. De moeder zou dan Neith-hotep kunnen zijn, echtgenote van koning Narmer. Hor-Aha was getrouwd met Chenethapi, moeder van koning Djer. Aan het hof leefde ook de koninklijke vrouwe was Berenib.

Het graf van koning Aha is recentelijk (anno 2004) gevonden in de woestijn van Abydos. Archeologen van de Universiteit van Pennsylvania, New York Universiteit en Yale doen er opgravingen. Zijn ommuurde graf ligt in het noordwestelijke deel van een ommuurde begraafplaats samen met enige andere graven, waarschijnlijk van een aantal hovelingen van Aha. Uit de ononderbroken pleisterlaag die de graven bedekt is af te leiden dat de lichamen tegelijkertijd zijn begraven en men denkt daarom dat het hier om mensenoffers gaat.

          

 
 
Djer   ca 2980 - 2960 v.Chr  was een farao tijdens de 1e Dynastie van Egypte. Tijdens zijn regering werd hij Horus Djet genoemd oftewel "Horus die helpt". Op de koningslijst van Abydos, een koningslijst, wordt hij "Iti" genoemd, een postume benaming geschreven in een cartouche en niet in een Horusnaam. De moeder van Djer was koningin Chenethapi volgens de Cairosche Annalensteen. Djer wordt beschouwd als zoon van Hor-Aha, en Djet als zijn zoon. Gemalinnen waren Nachtneith, mogelijk ook Peneboei, Sesjemetka en Herneith.

Doordat Djer al vanaf jonge leeftijd regeerde was de eigenlijke bestuur in handen van zijn grootmoeder Neith-hotep. Djer besteedde veel tijd aan de vereniging van Opper- en Neder-Egypte, omdat de twee volkeren moeilijk met elkaar konden samenwerken. Tijdens zijn regering hield hij zich bezig met de uitbouw van steden als Boeto en Dep, haalde hij hout uit Libanon, en bouwde hij een paleis. Tijdens zijn koningschap verloor hij twee koninginnen.

Net zoals zijn voorganger Hor-Aha, werd hij begraven in vlakbij Abydos, Umm el-Qaab. In de buurt van zijn graf ligt een ander graf, dat waarschijnlijk toebehoorde aan zijn echtgenote Herneith, grootmoeder van de latere koning Den. Zijn graf werd later gezien als het graf van Osiris en werd een pelgrimsoord in het Nieuwe rijk.

         

 
 
Djet  ca 2952 - 2939 v.Chr is vernoemd naar zijn Horusnaam, zoals gebruikelijk was in de 1e Dynastie, variatie van de naam is Zet. De naam wordt geschreven met het hi?oglief voor een kronkelende slang. Zijn naam kan vertaald worden als "Horus slang" of "Cobra van Horus"  Er bestaat ook een variant van de naam, gevonden bij een rots inscriptie in de buurt van Zuid-Edfoe. Deze bestaat uit het hi?oglief voor kronkelende slang samen met het teken voor een papyrusstengel. De naam wordt dus: Wadji, Wadj, Uadji of Oeadji. Wat betekent: de frisheid of de herwonnen kracht.

Postuum werd de koning aangeduid als Ita of Itaoe op de koningslijst van Abydos en Itai op de Turijnse koningslijst. De geschriften gebaseerd op het werk van Manetho, vermelden de naam Kenken? of Ueneph?.

Koning Djet was een zoon van Hor Djer en vermoedelijk koningin Herneith. Er wordt aangenomen dat hij zijn zus trouwde Merneith en een koningin Ahaneith. Koning Djet en Merneith kregen samen een kind: Den, tevens opvolger. Toen Djet stierf nam zijn echtgenote Merneith de regering over, omdat Den, de toekomstige farao, nog te jong was. De koning zou zijn begraven in Umm el-Qa'ab, een plaatsje bij de stad Abydos.

         

 
 
Den  ca 2939 - 2892 v.Chr  is vernoemd naar zijn Horusnaam, deze kan worden vertaald als "Horus die strijd" en bestaat uit de tekens d en n. Deze tekens worden soms ook ge?terpreteerd als Oedimoe of Dewen. Op ivoren labels werd ook de Nebtynaam gegraveerd: Nebti Chasety wat betekent: Man van de woestijn. Onder de regering van Koning Den werd ook de Nesoet-bit-naam voor het eerst gehanteerd: Nswt-biti-chaseti wat betekent: Koning van Opper- en Neder-Egypte, de man van de twee woestijnen.

Aangenomen wordt dat farao Den een zoon is van Hor Djet en koningin Merneith. Er gaat ook een theorie op dat Herneith de moeder kan zijn van farao Den.

De koning had vier vrouwen: Sesjemetka, Semat, Serethor en nog een waarvan de naam niet goed te lezen is. Een zoon en opvolger van farao Den zou zijn Anedjib.

Deze koning heeft zeer veel sporen nagelaten. Hij behoort tot de grotere koning naast Narmer, Chasechemoey en Djoser.

Zijn tombe staat in Umm el-Qa'ab vlakbij Abydos vlakbij andere tombes uit de 1e en 2e dynastie. Vergeleken bij de andere tombes in het gebied is dit de grootste en best afgewerkte en het heeft een vloer van graniet

            

 
 
 

Anedjib  ca 2892 - 2886 v.Chr  was vrij onbekend en heeft weinig sporen nagelaten. Zijn Horus-naam is Anedjib ("Veilig is zijn hart") zijn Nebti-naam is Merepbia en is ook wel bekend als Merbapen. Zijn echtgenote was Betrest en zijn navolger was Semerchet. Semerchet heeft een tijd in de plaats van Anedjib geregeerd.

Hij kwam als een oude man al aan de macht, omdat zijn voorganger Den al heel lang had geregeerd. Volgens contemporaine data regeerde Anedjib Egypte in een tijd van politieke instabiliteit. Er ontstonden conflicten over de dynastie in Opper-Egypte en Neder-Egypte, waarschijnlijk omdat ze (Anedjib kwam uit This bij Abydos) zich niet vertegenwoordigd voelden als landsdelen. Hij kreeg te maken met opstanden in Neder-Egypte. Verscheidene potten zijn gevonden die eerst de naam van Anedjib droegen maar later waren uitgewist door Semerchet.

Het graf van Anedjib was niet groot in vergelijking met dat van de andere farao's van deze dynastie. Het was volledig van hout gemaakt en wordt beschouwd als de slechtst gebouwde graftombe van de 1e Dynastie van Egypte.

         

 
 
Semerchet  ca 2886 - 2878 v.Chr. kwam aan de macht in een roerige tijd. Koning Semerchet was een usurpator die de troon had bemachtigd van Anedjib. Hij probeerde de naam van Anedjib te verwijderen van voorwerpen en beelden. Zijn eigen naam werd later echter weggehaald van de koningslijst van Saqqara. Het is hem gelukt om een veel grotere graftombe dan zijn voorganger te bouwen ondanks zijn magere negenjarige regering. Hij is bekend van twee contemporaine artefacten en van de Palermosteen annalen.

De koninklijke naam werd geschreven in een Serech die bewaard is gebleven. Zijn vader was farao Anedjib en zijn moeder was waarschijnlijk Betrest, een vrouw over wie we niet veel informatie hebben. Er zijn een paar gebeurtenissen bekend, festiviteiten voor het vereren van zijn ouders en van de god Sokaris.

         

 
 
Qa?nbsp; ca 2878 - 2853 v.Chr  is de laatste Egyptische koning van de 1e dynastie. Zijn naam betekent zijn arm is geheven. Zijn Nebti-naam is Sen Nebti wat betekent broer van de twee landen.

Een vrij onbekende koning met weinig bronnen. Koning Qaa had een regering van 25 jaren. Dit wordt bevestigd door de grootte van zijn grafplaats in Abydos. Een zegel met de naam van Hotepsechemoei is gevonden bij de ingang van de tombe van Qa'a in 1990. Deze vondst geeft een bevestiging dat na de dood van Qa'a, Hotepsechemoei de opvolger was. Uit een tombe van een zijn hoge officieren kon men opmaken dat Qa'a een tweede Heb-Sed-festival heeft gevierd. Hieruit blijkt dat de tijd van Qa'a redelijk stabiel en welvarend moet zijn geweest.

Qa'a was een broer van de vorige koning, Semerchet. Qa'a zag in hem een riviaal en nam de regering over. Het is bekend dat hij een order gaf om de namen van zijn voorganger te beschadigen.

         

 

Farao,s van de 2e Dynastie

De tweede Dynastie van het Oude Egypte begint met de regering van Hotepsechemoei in (ca.) 2853 v.Chr. en loopt tot (ca.) 2707 v.Chr.

Tijdens deze periode werd de koninklijke begraafplaats verplaatst van Abydos naar Sakkara onder Hotepsechemoei. In de latere deel van deze periode werd de koninklijke begraafplaats verplaatst weer richting Abydos, naar Umm el-Qaab.

Onder Hotepsechemoei wordt de traditie gestart om de horusnaam en de nebtynaam op elkaar te laten lijken. Er wordt gedacht dat dit een soort van filosofische achtergrond heeft. Dezelfde Horus- en Nebtynaam zouden ook betekenen dat de Horusnaam werd toegekend na het bestijgen van de troon.

 
 
Hotepsekhemwy ca 2853 - 2825 v.Chr. was de eerste koning (farao) van de 2e dynastie. De koning heeft verschillende namen. Zoals gebruikelijk was in de 1e en 2e Dynastie zijn de koningen bekend van hun Horusnaam. Tijdens zijn regering stond hij bekend als hotepsechemoei, wat betekent: ?De twee machten zijn tevreden?.

De overgang van 1e Dynastie van Egypte naar de 2e Dynastie is niet duidelijk, zodoende is er ook onduidelijkheid over de familie van Hotepsechemoey. Wat wel duidelijk is dat de farao geen familie is van de 1e Dynastie. Mogelijk dat Hotepsechemoey zijn functie als farao te danken heeft aan het trouwen van een erf-prinses uit de 1e Dynastie.  Uit de annalen is duidelijk dat hij ook een broer had, die verantwoordelijk was voor zijn dood.  En dat de farao mogelijk een kleinzoon zou zijn geweest van farao Qa'a, toch bestaat er enige verwantschap want hij offerde aan de voormalige farao.

De koning was verantwoordelijk voor het stichtten van een koninklijke begraafplaats in Sakkara. Dit is ten zuiden van het piramidecomplex van Djoser.[

 
Sakkara is een necropolis uit het Oude Egypte. Het ligt ongeveer 30 kilometer ten zuiden van Cairo. Het gebied heeft een oppervlakte van ongeveer 7 km bij 1,5 km.en was in de Egyptische oudheid een grafveld behorend bij de (hoofd)stad Memphis. De eerste piramide in de geschiedenis, de trappiramide van Djoser, werd gebouwd in de 3e dynastie. 16 andere koningen van Egypte bouwden ook een piramide in Sakkara . Gedurende de gehele faraonische periode werden er grafmonumenten aangelegd door hoge ambtenaren.

            

 
 
 

 

 

 

 

Raneb ca 2825 - 2810 v.Chr. die wij kennen als Nebra of Raneb is vernoemd naar zijn horusnaam. In zijn horusnaam staan twee tekens: een zon (ra) en een kom (Nb of Neb). Als de naam als Raneb wordt gelezen betekent het: Re is de heer. en als Nebra betekent het: Heer van de zon van Horus.

De vrouw van Raneb is onbekend. Een zoon kan mogelijk Perneb zijn, hoewel het ook een zoon kan zijn van Hotepsechemoei.

Zijn tombe is gevonden in Sakkara. Dit is een necropolis uit het Oude Egypte

            

 
 
 

 

 

Nynetjer  ca 2810 - 2767 v.Chr is bekend van de Steen van Palermo en van modderreliefs in een ondergrondse galerij van Sakkara. Zijn galerij is waarschijnlijk zijn graftombe. Er zijn verscheidene objecten van zijn regeringstijd bekend. Hij schijnt een behoorlijke lange tijd te hebben geregeerd.

De Steen van Palermo vermeldt een aantal religieuze verdragen waar de koning bij betrokken was. Tevens vermeldt hij een aantal andere gebeurtenissen gedurende de eerste 26 jaar van zijn regering, waaronder de geboorte in het 15e jaar van de op een na volgende koning, Chasechemoey. In het 13e jaar van zijn regering vond er een veldtocht plaats waarbij het Huis van het Noorden en de stad Sjem-Re werden geplunderd.

         

 
 
Weneg, Wenegnebti of Wadj-las, Tlas  ca 2767 - 2760 v.Chrb.is alleen maar bekend van zijn cartouche, en de twee-godinnen-naam. Zijn naam is redelijk betwistbaar. Andere namen voor hem zijn: Wadj-nes, Wadj-las, Tlas (volgens Manetho), of Horus Za.     De Abydos en Saqqara koningslijst reppen allebei over de koning.

Verder zijn er ook nog sporen gevonden van aardewerk potten met daarop hi?ogliefen. In het begin van 2002 is het graf van Merineith gevonden (18e dynastie) door de Universiteit Leiden. Ze vermoeden dat in het graf een ander, onvoltooid graf zit van Weneg(nebti).   

De naam van Weneg(nebti) is gevonden op een aantal ingekerfde potten / kruiken. Die zouden zijn gevonden in de onderaardse ruimte van de trappenpiramide van Djoser

             

 
 
Sened, Senedi, Sethenes  ca ? (ca. 2760 v Chr)  wordt tussen twee grote koningen in geplaatst ? hij wordt ge?entificeerd met Seth-Peribsen (Sechemib) of Weneg(nebti). Over de persoon weten we weinig. Het is de eerste farao (lees ns.bity) waarvan de naam in een cartouche is gevonden.
 
Dit verschilt met andere farao's die later een cartouche of praenomen kregen zoals Narmer. Het is niet bekend hoeveel jaar Sened heeft geleefd. Door de Griekse/Egyptische priester Manetho werd het geschat op 41 regeringsjaren. Het Turijn-papyrus vermeldt 54 of 70 jaar.
 
 
 
Seth-Peribsen  ca 2760 - 2749 v.Chr  was de zesde koning (farao) van de 2e dynastie. De koning is ook wel bekend onder de naam Horus-Sechemib ("Sterk van hart") later werd hij bekend als Seth-Per-ib-sen ("Hoop van alle harten").

Hij is de enige Egyptische koning die een Seth-naam gedragen heeft. Blijkbaar waren er ernstige interne spanningen tussen Opper- en Neder-Egypte tijdens zijn regering, die een religieus karakter aannamen, waardoor de strijd voorgesteld werd als een afspiegeling van de mythologische strijd tussen Horus en Seth. Daar hij zijn naam veranderde wordt aangenomen dat de Seth-strekking de overhand kreeg. Waarschijnlijk kwam deze farao dan ook uit het zuiden. Onder zijn regering werd de macht steeds meer verspreid tussen Opper- en Neder-Egypte aan kleine onderkoninkjes.

Graftombe in Abydos

         

 
 
 

Neferkare  ca 2749 - 2744 v.Chr  was een Egyptische farao van de 2e dynastie. De koning is ook wel bekend als Nefer-Ka-Re, Neferkara, Nefercheres, Cheres.

Van Neferkare zijn geen of weinig voorwerpen gevonden, dus de Horusnaam en Nebtinaam kunnen niet worden getraceerd. Ook is niet duidelijk uit welke plaats deze koning kwam. De naam Neferkare is bekend van een koningslijst, waardoor hij geplaatst kan worden tussen Peribsen en Chasechemoey.

 
 
 
 

Neferkasokar   ca 2744 - 2736 v.Chr  was een oud-Egyptische koning van de 2e Dynastie.

De naam Nefer-ka-Sokar is uit het graf van Tjuloi in Sakkara en uit de Turijnse koningslijst bekend. Volgens deze regeerde hij 8 jaar en 3 maanden. Daar er in Opper-Egypte geen bewijs is voor deze koning, wordt hij net zoals zijn voorganger Neferkare, beschouwd als een Neder-Egyptische tegenkoning. Nefer-ka-sokar kan geplaatst worden tussen Seth-Peribsen en Chasechemoey

 
 
 
 

Hoedjefa  ca 2736 - 2734 v.Chr  was een oud-Egyptische koning van de 2e dynastie. De koning regeerde tussen Seth-Peribsen en Chasechemoey in als tegenkoning.

Van koning Hoedjefa is vrij weinig bekend. Er zijn geen artefacten gevonden die rechtstreeks met deze koning in verband gebracht kunnen worden, net zoals dat met de twee vorige koningen het geval is. Waarschijnlijk was hij daar familie van. Hoedjefa werd opgevolgd door Chasechemoey.

 
 
 
Chasechemoey  ca 2734 - 2707 v.Chr was de zevende en laatste koning (farao) van de 2e dynastie. De koning noemde zich eerst Chasechem, later Chasechemoey ("De twee machtigen verschijnen"). De koning is onder andere ook bekend als Cheneres, Chasechemuy of Khasekhemwy.

Deze koning zou oorspronkelijk Chasechem geheten hebben. Bij zijn installatie op de troon ontstonden er spanningen tussen Opper-Egypte en Neder-Egypte, die ook reeds aanwezig waren bij zijn voorganger Seth-Peribsen. Na een aantal opstanden de kop te hebben ingedrukt zou hij zijn naam veranderd hebben in Chasechemoey. Hij nam hierdoor op diplomatieke manier zowel de Horus-valk als het Seth-dier op in zijn naam, teneinde aan beide strekkingen tegemoet te komen.

Zijn waarschijnlijke koningin was Nimaathapi, een prinses uit het noorden.

 
Op een zegel wordt zij koningbarende moeder genoemd, wat zou betekenen dat zij de moeder van ofwel Sanacht, ofwel Djoser is, of misschien zelfs van beiden. Trapeziumvormige graftombe in Abydos (V).

         

 

Farao,s van de 3e Dynastie

De 3e Dynastie van de Egyptische oudheid regeerde van ca. 2707 tot 2639 v.Chr.

Over de eerste koning van de 3e Dynastie, Sa-nacht, is weinig bekend. Zijn opvolger Djoser Netjerikhet is vooral bekend als de bouwer van de Trappiramide in Sakkara. De architect van Djoser, Imhotep, had een ingenieus bouwplan opgesteld. Tot die tijd werden koningen begraven in de zogenaamde mastaba's, vierkante stenen monumenten. Door meerdere van deze mastaba's opeen te stapelen kwam de architectuur van de Trappenpiramide tot stand. De stap naar de echte piramide werd dan ook al snel gemaakt in de daaropvolgende dynastie.

Na Sechemset volgde een obscure periode waarvan weinig bekend is. Tegen het einde van de 3e Dynastie was Egypte een gecentraliseerde staat geworden, waarin architectuur, kunst, schrift, administratie, techniek en wijnbouw hun klassieke vorm hadden bereikt.

 
 
Nebka, Necherofes, Sa-nacht  ca 2707 -2690 v.Chr  was de eerste koning (farao) van de 3e dynastie. De farao is ook wel bekend onder de naam Nebka en Necherofes (Manetho).

Koning Sa-nach was waarschijnlijk een broer van zijn meer bekende opvolger Djoser. Zijn afstamming is onzeker, doch hij is naar alle waarschijnlijkheid aan de macht gekomen door een huwelijk met een dochter van Chasechemoey, de laatste koning van de 2e dynastie.

 
 
 
Djoser  ca 2690 -2670 v.Chr  is slechts een naam waarmee hij bekend werd in de 18e dynastie. Andere namen zijn: Netjeri-chet ("goddelijk lichaam"), Tosorthos en Zoser/Djoser/Djeser.

Djoser was waarschijnlijk een broer van zijn voorganger Sanacht. Bij zijn troonsbestijging diende hij net als Sanacht aan interne strubbelingen het hoofd te bieden. Eens deze overwonnen lijkt zijn macht zich uitgestrekt te hebben tot Aswan, de eerste cataract van de Nijl. Hij was in zijn tijd bekend onder zijn Horusnaam Netjerichet, en al zijn monumenten zijn dan ook met deze naam gemerkt. Pas in latere tijden wordt meer en meer naar hem verwezen met de naam Djoser (of Zoser), wat vermoedelijk zijn geboortenaam was. Dat deze twee namen verwijzen naar dezelfde persoon blijkt uit de koppeling van beide namen op de Hongersnoodstele op het eiland Sehel bij Aswan. Djoser was de eerste farao die een Eerste Minister ofwel vizier benoemde om hem te helpen bij het steeds ingewikkelder wordende bestuurssysteem van Egypte. De man die deze belangrijke functie, de hoogste na de koning zelf, kreeg was Imhotep.

 
De Piramide van Djoser is echter voornamelijk zijn graf, de Trappiramide en het bijhorende complex, dat hem beroemd maakte, zowel in de Oudheid als in het heden. Het is, voor zover bekend, het eerste gebouw dat volledig in steen was opgetrokken. De trappiramide is oorspronkelijk niet als dusdanig opgezet, maar begon als mastaba, een klassieke Egyptische grafvorm. In latere stadia werd het grondvlak vergroot, tot uiteindelijk 126 bij 109 meter, en werden steeds kleinere treden toegevoegd. Uiteindelijk kwamen er zes treden voor een totale hoogte van meer dan 60 meter. Het vermoeden bestaat dat de piramide, die steeds groter werd, zich zelfs over het graf van Sanacht, de voorganger van Djoser, uitstrekt. De architect die verantwoordelijk was voor het ontwerp van dit bouwwerk was de al genoemde vizier Imhotep, een geniaal man, hoog gewaardeerd door de koning en de Egyptenaren, en later vergoddelijkt.

Djoser maakte ook werk van de ontginning van de rijkdommen van de Sina? vooral koper (bij de Wadi Maghareh) en turkoois (bij Serabit-el-Chadim).

         

 
 
Sechemche  ca 2670 -2663 v.Chr  is ook bekend onder andere namen: Tyreis (Manetho) of Djoserti (canon van Turijn).

De juiste afstamming van Sechemchet is niet duidelijk. Algemeen wordt aangenomen dat hij een zoon of een kleinzoon was van zijn voorganger Djoser. Tot 1951 was hij een van die zeer obscure koningen van het oude Egypte. Toen werd zuidwestelijk van Djosers grafcomplex onder het zand een begin van een trappenpiramide ontdekt, waarvan de constructie zeer geleek op die van Djoser.

 
Het ziet ernaar uit, dat dit het onvoltooide grafmonument van Sechemchet is, onvoltooid omdat de koning stierf kort nadat de bouw begon. Het bewijs dat Sechemchet wel degelijk de bouwheer was, werd geleverd toen vijf kruikstoppen van klei werden gevonden met zegelafdrukken met daarop zijn naam.

In het ondergrondse grafgedeelte van de onvoltooide piramide werd een rechthoekige sarcofaag van albast gevonden, die nog verzegeld was met gips. Bij het openen bleek hij echter vreemd genoeg leeg.

Na zijn dood kwam er een cultus op voor het eren van de dode farao dit was echter normaal bij alle farao's maar zijn cultus bleven voortbestaan tot in de late periode.

         

 
 
Chaba  ca 2663 - 2657 v.Chr was de vierde koning (farao) van de 3e dynastie. Hij is ook bekend als Khaba of Mesochris. De Turijnse Papyrus verhaalt dat Chaba zes jaren heeft geregeerd. Vroeger werd gedacht dat Hor Neferkare en Chaba twee dezelfde heersers waren onder verschillende namen. In 1985 kwam daar verandering in door een vondst van een cilinder in Elephantine.

De Trappenpiramide van Chabai bevindt zich in Zawyet el'Aryan, tien kilometer ten zuiden van Cairo in Egypte. In het Arabisch is het bouwwerk ook wel bekend als Haram el-Meduwara ofwel de ronde piramide. De archeologen noemen het zelf de lagenpiramide (the layer-pyramid).

 
De piramide is voor het eerst onderzocht door Pirring in 1839. De piramide bevindt zich in een slechte staat, vroeger was de piramide waarschijnlijk 40 meter hoog; nu is er nog 16 meter over. De basis van de piramide is 84 meter, de ondergrondse kamer is 26 meter en leeg. De kern van de piramide is gebouwd met diverse lagen soorten steen vandaar de naam. Enkele meters ten noorden van de piramide was er een put ongeveer 80 meter diep.

Ten noorden van de piramide ontdekte een Amerikaanse expeditie een mastaba, ge?entificeerd als Z-500 met daarin acht albasten vazen met de naam van Chabai, Chaba of Khaba.

         

 
 
Hoeni Aches, Nesoe Hu  ca 2657 - 2639 v.Chr. was de vijfde en laatste koning (farao) van de 3e dynastie. De koning is ook bekend als Aches (Manetho) en Nesoe Hu (koning Hu).

Koning Hoeni is meerdere malen genoemd in verschillende koningslijsten in de Tabel van Sakkara en in een papyrus van Kagemni en Ptahhotep. Er wordt aangenomen dat hij de bouwer was van verschillende anonieme trappiramiden in Edfoe, Abu Rawash, Sinki, Naqada, Zawajet el-Matijtin, el-Koehla en Elephantine. In Elephantine staan verschillende forten die volgens vondsten de naam 'Hoeni' bevatten, om hiermee de zuidelijke grens van Egypte veilig te stellen bij de Eerste cataract. Hoeni was waarschijnlijk de vader van Hetepheres I, koningin van de volgende koning, Snofroe en zijn echtgenote was Meresankh I. Verder bewijs voor Hoeni is dat zijn naam wordt genoemd aan het hof van Djoser als hoge officier. Volgens de Turijnse koningslijst heeft hij 18 jaar geregeerd. Zijn begraafplaats was de Trappenpiramide van Snofroe in Meidoem volgens de beschrijvingen van zijn zoon en opvolger Snofroe.

 
De trappenpiramide van Snofroe van Meidoem is een Egyptische piramide, had een oorspronkelijke hoogte van 93,5 meter en de lengte van de zijde bedraagt 147 m.

De piramide wordt toegeschreven aan Snofroe. Omwille van enkele graffiti uit het Nieuwe Rijk die in de grafkamer zijn aangebracht, bestaat er twijfel of ze wel van hem is en niet van zijn vader Hoeni. De piramide is immers nog een trappiramide en geen 'echte' piramide. Toch staat er ook nergens een vermelding van Hoeni, dus voorlopig is het nog onduidelijk. De afwerking van de piramide is zeker door Snofroe gebeurd, want er zijn verschillende graffiti van de arbeiders op de blokken. De twijfel dat Snofroe hem bouwde ligt aan het feit dat deze nog twee andere piramiden heeft gebouwd: de (Rode piramide van Snofroe en de knikpiramide van Snofroe.

De noordzijde van de piramide bevat de toegang tot een ondergrondse kamer, waar een ondergrondse grafkamer (zonder sarcofaag) in is. Auguste Mariette was in 1881 de eerste die de piramide binnendrong.

De piramide heeft een zeer bizarre vorm: ze heeft een grote basis, maar versmalt dan plots.

     

 

Farao,s van de 4e Dynastie

De 4e Dynastie van het Oude Egypte was het begin van het Oude Rijk in (ca.) 2639 v.Chr.

Snofroe was de eerste koning van de 4e Dynastie. Hij bouwde twee piramides in Dasjoer en ?n in Meidoem. De grote bouwprojecten van de koningen uit de 4e Dynastie impliceren grote effici?tie in de economie en in de organisatie van arbeidskrachten en bouwmateriaal. Tijdens de regering van Snofroe vonden diverse militaire campagnes in Koesj plaats en werd Buhen gesticht als basis voor mijnbouwexpedities en handel met het noorden van Afrika.

De zonnereligie speelde een grote rol in de 4e en 5e Dynastie. Piramides waren zonnesymbolen bij uitstek (zij imiteren in steen de stralen van de zon die in een driehoek vanuit de wolken op aarde schijnen), en koningen gingen zich 'zoon van Ra' noemen.

Andere bekende koningen uit de 4e Dynastie zijn Chufu, Chefren en Menkaura, de bouwers van de drie grote piramides bij Gizeh. Rondom hun piramides zijn grote groepen mastaba's geplaatst, waarin hoge ambtenaren en andere leden van het koninklijk hof begraven werden.

Tijdens de 4e Dynastie werden enkele van de meest verfijnde sculpturen en reli?s van het Oude Rijk vervaardigd. Qua materi?e cultuur vormt de 4e Dynastie dan ook het hoogtepunt van het Oude Rijk.

 
 
Snofroe  ca 2639 - 2604 v.Chr was de eerste koning (farao) van de 4e dynastie in het Oude Egypte. De koning is ook bekend onder de namen: Sneferoe, Seneferoe, Soris en Senefer. Zijn naam betekent: "hem van schoon".

Snofroe is de zoon van koning Hoeni en Meresanch I. Hij trouwde met Hetepheres I en zou dus eigenlijk moeten behoren tot de derde dynastie omdat het dezelfde familie was. Manetho heeft beslist dat de koning van een andere familielijn zou afkomen en dus in de 4e dynastie hebben geplaatst. De bronnen lopen uiteen over de exacte regeringsduur. De koning heeft drie bekende piramiden gebouwd, verschillende expedities ondernomen naar Koesj en Libi?om daar te plunderen. Hij kwam terug met duizenden slaven en vee.

De koning organiseerde ook overzeese expedities, onder andere naar Libanon voor cederhout. Veertig schepen vol met hout kwamen terug naar Egypte. Deze werden gebruikt voor boten, barken en deuren van paleizen. Men gelooft dat de koning stichter is van de stad Boehen, vlak bij de 2e cataract van Nubi? Later werd de koning vereerd in de buurt van de Sina?

In politiek probeerde hij de koninklijke familie en de adel te behouden. De meeste van de hoog geplaatste officieren en nobelen bij de rechters waren lid van zijn familie. Hij is ook verantwoordelijk voor het herverdelen van het land onder de adel, om te voorkomen dat ze te machtig zouden worden.

 
De rode piramide van Snofroe van Dasjoer is de eerste echte piramide en de derde piramide van de Egyptische koning Snofroe die eerder een trappenpiramide en een knikpiramide had laten bouwen. Tegenwoordig noemen we de piramide De rode piramide naar de kleur van de piramide zelf die ooit met kalksteen was bedekt. De Egyptenaren noemden het zelf de schijnende.

Er is aan de voet van de piramide een inscriptie gevonden die laat zien dat de piramide werd gebouwd in de tijd van de 15e telling van het vee sinds zijn aantreden als farao. Men heeft berekend dat dat neerkomt op tussen het 15e en 30e regeringsjaar van Snefroe. Later in het gebouw is er nog een aantekening gevonden die 2 of 4 jaar later gedateerd kan worden. Het geeft ons een idee van de snelheid van het bouwen van de piramide. Het bouwen werd vermoedelijk gestart toen er problemen ontstonden in de knikpiramide.

De piramide is gemaakt van Toera-kalksteen en zijn hoogte was oorspronkelijk 104 meter. De zijden zijn 43 en 22 graden.

De ingang bevond zich in het noorden op 28 meter hoogte en kwam uit in drie kamers. De derde ervan was de grafkamer en hoogstwaarschijnlijk werd Snofroe in deze piramide begraven. De grafkamer kreeg een hoogte van 14,7 m. De pyramidion van de piramide is eveneens bewaard.

De interne structuur van de piramide is een voortzetting van die van eerdere piramiden. De kamers zijn nogal eenvoudig vormgegeven en vertonen niet de complexiteit van andere piramiden. Door zijn eenvoud en door de schuine schachten en tegengewichten kan hier ook een gelijkenis gezien worden met de piramide van Cheops en latere 4e dynastie-achtige piramiden.

De knikpiramide van Snofroe van Dasjoer was de eerste 'echte' piramide van Egypte, maar blijkbaar was de bouw niet vlekkeloos verlopen. De piramide neemt plots een kleinere hoek (van 54?28' naar 43?22'). De reden hiervoor was dat piramide tijdens de bouw instabiel was geworden. Snofroe had naast deze piramide nog twee andere: de Rode piramide van Snofroe en de trappenpiramide van Snofroe.

De piramide had twee ingangen, waarvan alleen de noordelijke uitmondt in de ondergrondse kamers. Naast de piramide ligt nog een kleinere, die waarschijnlijk ook voor de koning was. Wat verder ten noorden ligt de daltempel die echter niet zo goed bewaard is. Opmerkelijk is dat ze niet aan de Nijl mondde.

           

 
 
Chufu, Cheops  ca 2604 - 2581 v.Chr is ook bekend als Choefoe, Khufu, Suphis en Chnoemchoefoe. Zijn naam betekent: "beschermd bij Chnoem".

Cheops was de zoon van farao Snofroe en koningin Hetepheres I. Cheops had meerdere zonen (waaronder zijn opvolgers Djedefre en Chefren) en een dochter Hetepheres II.

Hij is vooral bekend omdat men aan hem de bouw van de grote piramide heeft toegeschreven. De piramide van Cheops is de grootste van de drie grote piramiden van Gizeh en was meer dan 3800 jaar het hoogste bouwwerk ter wereld (148 meter).

 
De Piramide van Cheops of de Grote Piramide (van Gizeh) is het enige van de zeven klassieke wereldwonderen dat tot op de dag van vandaag bewaard is gebleven. De piramide was ongeveer 230 meter breed en 146,59 meter hoog en bevatte ongeveer 2,3 miljoen stenen met een gemiddeld gewicht van 2500 kilogram. De piramide is nu nog 138,75 hoog. De inhoud komt daarmee op ongeveer 2,6 miljoen m?.

De oorspronkelijke Egyptische naam was "Horizon van Cheops". Deze naam verwijst mogelijk naar de rol die de piramide speelde in een mysterie waarin sterren een hoofdrol speelden. De piramide zou het instrument zijn waardoor de ziel van de dode koning ten hemel kon stijgen om "naar zonnegod Ra (of Re)" te gaan.

De piramide van Cheops maakt deel uit van een complex van drie grote en zes kleine piramiden. De grote piramiden worden toegeschreven aan de koningen Cheops (of Choefoe), Chefren (of Khafra) en Mycerinus (of Menkaure). Men vermoedt dat deze werden gebouwd tussen ca. 2551 en 2472 v.Chr. Dankzij hun zeer stabiele constructie zijn ze goed bewaard gebleven. De buitenste laag van witte Toera -kalksteen is in de loop der tijden grotendeels verdwenen doordat de stenen in de Middeleeuwen gebruikt zijn voor andere bouwwerken. Men vermoedt dat de opdrachtgever voor dit indrukwekkende bouwwerk farao Cheops was die tussen 2589 en 2566 v.Chr. regeerde. De piramide zou zijn bedoeld als graf en stelde de heuvel voor waarop de zonnegod Ra had gestaan toen hij de andere goden en godinnen schiep.

Aan de grote piramide werd waarschijnlijk ongeveer 20 jaar gewerkt. Men vermoedt dat het geen slaven waren die eraan werkten, maar betaalde arbeiders. Het binnenste van de piramide bestond uit plaatselijke kalksteen en daarboven werd een laag van gepolijste kalksteen gelegd waardoor de piramide leek te glanzen in het zonlicht. De top werd afgedekt door een deksteen (de Benben-steen), die mogelijk van goud was. De Grieken noemden de steen het pyramidion. Vandaag de dag is die toplaag volledig weggesleten. De manier waarop ze gebouwd werd is echter nog een groot raadsel. De meeste geleerden denken dat de stenen naar boven werden gebracht op een heuvel van slijk en zand. Deze heuvel moet dan vele malen groter zijn geweest dan de piramide zelf.

De oorspronkelijke ingang van de piramide bevindt zich aan de noordzijde. Deze ingang was in de oudheid open, maar door aardbevingen weer verborgen. In de 10e eeuw heeft een Arabische schatgraver een nieuwe ingang in de noordzijde gemaakt en zo toegang verschaft tot de interne structuur. Vanuit de ingang loopt een dalende gang van ongeveer 1 vierkante meter door tot in de rots beneden de piramide. De gang komt uit in een niet afgemaakte ondergrondse kamer. De dalende gang sluit aan op een omhoog gaande gang die uiteindelijk leidt tot de grafkamers. Deze gang is ook zeer klein en was oorspronkelijk van de dalende gang afgesloten door middel van granieten pluggen. De omhoog gaande gang komt uit in de galerij, een imponerende constructie in het midden van de piramide. De galerij geeft toegang tot twee kamers. De kamers, misschien grafkamers, maar het kunnen ook rituele ruimten zijn geweest, zijn zeer verschillend van aard en in geen van de kamers zijn resten gevonden van een begrafenis. De namen van de kamers, grote grafkamer of koningskamer en koninginnenkamer, berusten op 18e-eeuwse speculaties. Het doel van de kamers is onduidelijk en het is niet aannemelijk dat een koningin in de piramide werd bijgezet.

Een interessant detail in beide kamers is de aanwezigheid van schachten. Dit zijn geen luchtschachten, want ze reikten niet tot de oppervlakte of tot in de kamers, in de noord- en zuidwanden. De schachten zijn ongeveer 25 centimeter breed en hoog. De schachten in de onderste kamer eindigen midden in de piramide. Recent onderzoek met een robotcamera heeft aangetoond dat ze uitkomen op een deur waarvan niemand weet waarom zij er is. De schachten staan in verband met de stand van de sterren. De schachten in de bovenste kamer gaan door de hele piramide heen, vandaar dat ze luchtschachten worden genoemd. Geen enkele andere Egyptische piramide heeft dergelijke schachten.

De meeste farao's werden begraven met fabelachtige schatten. Binnen in de piramide van Cheops werd echter niets aangetroffen dat zou verwijzen naar een grafmonument. Men vermoedt dat er al grafrovers op bezoek zijn geweest. Naast de piramide werd echter een zeer goed bewaarde zonnebark gevonden. Dit was de boot waarmee het lichaam van Cheops werd vervoerd naar zijn graf. Onder het bouwwerk, tussen de grote gang en de tweede grafkamer, vond men een uitgehouwen ruimte waarin misschien een farao uit een eerdere dynastie begraven lag.

         

 
 
Djedefre  ca 2581 - 2572 v.Chr volgde zijn vader Chufu op en regeerde 9 jaar en daarin liet hij de piramide van Abu Roasj iets ten noorden van Gizeh bouwen. Zijn piramide is nooit goed onderzocht (ru?es) en zijn sarcofaag is nooit gevonden. Uit gegevens blijkt dat Djedefre zijn vader hielp bij het afbouwen van de piramide. Uit de annalen blijkt dat hij het schip dat naast de piramide ligt en verschillende dodentempels voor de voorouderverering had gebouwd.

Hij trouwde met zijn zuster Hetepheres II. Verder had hij een verhouding met Khentet-en-ka waaruit drie zonen Setka, Baka en Hernet en een dochter Neferhetepes geboren werden.

           

 
 
Chefren  ca 2572 - 2546 v.Chr  was de vierde koning (farao) van de 4e Dynastie. De farao is ook wel bekend onder andere namen: Chafra, Chafre en Suphis.

Er is bekend dat Chefren getrouwd was met Meresanch III, een nicht van hem. Chefren bouwde de tweede grootste piramide in Gizeh, de sfinx van Gizeh en een tempelterrein. Er zijn ook nog overblijfselen van de tempel, deze werd ontdekt door Auguste Mariette met twee standbeelden van de koning. Het schijnt dat er tijdens zijn regering weinig bijzonders gebeurd is.

Chefren is de zoon van Choefoe (Cheops), die de grootste van de drie piramiden in Gizeh bouwde. De zoon van Chefren, Menkaoera (Mykerinos), heeft de derde van de drie piramiden gebouwd.

 
De Piramide van Chefren is de op een na grootste piramide in Gizeh en is de graftombe van koning Chefren (of Khafra). De piramide is in het Nederlands bekend als de piramide van Chephren of van Chafra maar de koning heeft er vroeger ook een naam aan gegeven die luidt: de grote piramide.

De piramide van Chefren is niet zo goed onderzocht als die van Cheops. Dit komt doordat deze piramide niet zoveel van die kamers heeft. De piramide heeft twee ingangen, een lagere en hogere. Er gaat na de ingang een gang naar een centrale kamer toe waar de sarcofaag staat. De piramide is niet beschilderd of gegraveerd.

Hoewel de Piramide van Cheops de grootste van de drie piramiden van het complex in Gizeh is, is alleen nog bij de Piramide van Chefren de volledige piramidevorm te zien. Bij geen van de andere piramiden op het plateau van Gizeh is de piramidetop en het grafcomplex zo goed bewaard gebleven.

         

 
De daltempel was een gebouw dat vanaf de Nijl kon worden benaderd, via twee toegangswegen kon men naar binnen toe komen, deze werden bewaakt door twee sfinxen. Hierin gaf men toegang tot de dodentempel van Chafra. De daltempel van Chafra is een van de best bewaarde tempels uit het Oude Rijk. In de jaren 1869 werd het uit het zand vandaan gehaald, en werd er de ceremonie van de opening van het Suezkanaal in gevierd. In 1995 liet Zahi Hawass de daltempel schoonmaken.

In de oosthoek van de piramide is een dodentempel gebouwd. Deze tempel werd gebouwd om de dode te voeden na zijn dood, zodat de ziel kon voortleven. De tempel is geori?teerd oost-west. De muren van het gebouw waren van kalksteen, dat overging naar fijn-kalksteen. Binnen in zijn de bouwwerken van graniet. Tegenwoordig is de dodentempel een ru?e geworden.

De tempel kan betreden worden via een lange gang (Causeway) die uit de daltempel komt, die voorts weer kon worden betreden vanaf (toen) de Nijl. Na de gang kwam men in een open gedeelte (Entrance Hall) waar verschillende zuilen stonden. Uiteindelijk kwam men in nog een open ruimte (Courtyard) die uitzicht gaf op vijf beelden van de koning (of godheden). Uiteindelijk kwam men in de heilige der heilige (Inner Sanctuary). Waar men offers kon plaatsen voor de koning.

555 meter van de piramide vandaan staat de Sfinx van Gizeh. Sommigen gaan ervan uit dat de sfinx een bestaand beeld was, dat slechts werd aangepast door het de gelaatstrekken van de farao te geven. Belangrijke argumenten in dezen zijn dat het hoofd van de farao veel te klein is voor het lichaam, in vergelijking met andere sfinxen in Egypte, en dat er op het lichaam veel meer erosie is dan op de kop. Ook zijn er erosiesporen gevonden van regen, iets dat al heel lang niet meer gebeurt rond de sfinx en de piramides in Gizeh.

 
 
Baka  ca 2546 - 2539 v.Chr was de vijfde koning (farao) van de 4e dynastie. De farao is ook wel bekend onder de namen Bicheris en Bikare. De naam betekent: "de ziel van ka".

Baka was een zoon van farao Chefren en diens vrouw Chentetenka. Hij volgde zijn vader Chefren op, maar regeerde slechts 7 jaar, waardoor zijn piramide niet werd voltooid. Er zijn weinig sporen van zijn regeerperiode gevonden: een beeld bij Abu Rawash en graffiti in zijn piramide.

De piramide van Baka is een onafgemaakte piramide van de heerser Baka of Bicheris in Zawyet el'Aryan

 
De piramide is gebouwd in de 4e dynastie door Baka of Bicheris. In het midden is een oost-west geori?teerde geul. Op de vloer liggen blokken van kalksteen en graniet, de fundering van de begraafkamer. In het westelijke deel staat een sarcofaag die van roze graniet is gemaakt. Eromheen zijn de resten van een muur gevonden, in de vorm van een rechthoek en noord-zuid geori?teerd.

            

 
 
Menkaoera, Menkaoere, Mykerinos, Menchere  ca. 2539 - 2511 v.Chr   bouwde de derde grote piramide in Gizeh. Meer is over hem niet bekend. De dodentempel van Menkaoera werd voltooid door zijn opvolger Sjepseskaf. Hij werd dan ook aanbeden na zijn dood tot aan de tijd van Pepi II (6e dynastie).

Herodotus vermeldt hoe een orakel voorspelde dat de koning nog zes jaar te leven had. De koning stortte zich op de wijn (bier was voor arbeiders) en leefde nog 18 jaar. Verder is bekend dat de dochter van de koning zelfmoord pleegde.

De Piramide van Mykerinos is de op twee na grootste piramide op het plateau van Gizeh. Hij heeft de benaming: Menkaura is goddelijk en de piramide bestaat uit kalksteen uit nabijgelegen plekken. Bij de ingang van zijn piramide is er een stele waarop staat dat de koning deze piramide heeft gebouwd, daarnaast staat er ook bij wanneer de koning overleed. Waarschijnlijk dateert deze stele uit de tijd van Ramses II. Het piramidecomplex bestaat uit de hoofdpiramide en drie kleinere piramiden. Aan de oostzijde bevinden zich resten van een tempel en een processieweg naar de Nijl. De piramide is gebouwd als graftombe voor farao Mykerinos in de 26e eeuw v.Chr. De oorspronkelijke hoogte van de hoofdpiramide is 66,45 meter, met zijden van 104,6 meter. Deze piramide werd in de klassieke tijd de rode piramide genoemd, vanwege het gebruik van rood graniet als buitenbekleding.

 
De ingang is bij de noordelijke muur en vier meter boven de grond. De gang daalt naar beneden tot onder het grondniveau. Als beveiliging tegen grafrovers konden er drie blokken worden neergehaald die de gang afsloten. Dan kronkelt de gang met een boog en komt uit in een grote kamer. In de bovenste deel van de grote kamer ontdekte Vyse de restanten van een houten sarcofaag met de naam van Menkaura en menselijke botten. De sarcofaag werd meegenomen op het schip Beatrice met bestemming Groot-Brittanni?maar het zonk tussen Malta en Spanje.

         

Het piramidecomplex omvat nog andere piramiden waar de koninginnen Khamerernebti II, en twee onbekende koninginnen zijn begraven. De piramiden zijn genoemd: G3a, b en c. Nummer A is ontdekt en onderzocht door George Reisner, zijn basis is 44 meter en de hoogte 28,4 meter. Bij deze piramide gaat er een gang naar beneden waar centraal een dodentempel staat voor de koningin. Anders dan bij nummer A hebben de piramides B en C een trappenmodel en is er geen gang binnen in de piramide maar buiten de piramide.

De dodentempel van Menkaure is de meest complete bewaard gebleven dodentempel op het Gizeh-plateau. Het is gemaakt van kalksteen, graniet en tichelsteen.

         

 
 
Sjepseskaf  ca 2511 - 2506 v.Chr  was de zoon van Menkaura en koningin Chuenra, die zijn vader opvolgde op de troon. Hij was waarschijnlijk de laatste Egyptische farao van de 4e Dynastie als die niet was opgevolgd door een obscure farao: Djedefptah. De Turijnse koningslijst beschrijft Sjepseskaf zijn regering in vijf jaren en zijn opvolger Djedefptah met een regering van twee jaar.

Sjepseskaf brak met de traditie van de 4e Dynastie om grote piramiden te bouwen. In plaats daarvan bouwde hij een grote mastaba in zuidelijk Saqqara (beter bekend in de volksmond als: Mastabet el-Fara'un ).Ook in de plaats brak de farao met zijn voorgangers die in Gizeh hun tomben lieten bouwen. Sommige egyptologen denken, dat deze terugtrekking een gevolg was van verschillende geloven.

 
Anderen denken, dat hij niets te maken wilde hebben met de bouwtraditie van zijn voorvaderen, misschien ook omdat zijn voorvaderen het bouwmateriaal hadden opgemaakt. Het bouwmateriaal van de piramiden van de voorgangers was kalksteen en basalt dat in de buurt van Gizeh te vinden was. De farao bouwde een kleinere tombe voor zichzelf, omdat hij zijn vaders piramide moest afmaken in zijn korte regeringsperiode.

         

 
 
Djedefptah  ca 2506-2504 v Chr  was de achtste en laatste koning (farao) van de 4e dynastie. Djedefptah is ook wel bekend onder andere namen, te weten Thamphtis en Ptahefdjed.

Djedefptah was een farao die zijn vader Sjepseskaf opvolgde en regeerde van 2506 tot 2504 v. Chr. In de loop van de tijd zijn er geen sporen van hem overgebleven. Het enige wat wij weten is dat hij een zoon van Sjepseskaf en Boenefer was.

 

Farao,s van de 5e Dynastie

De 5e Dynastie van het Oude Egypte duurde van ca. 2504 tot 2347 v.Chr. en was een van de dynastie? tijdens het Oude Rijk.

De eerste koning van de 5e Dynastie bouwde een kleine piramide in Saqqara en een zonnetempel in Aboesir. De reductie in de grootte van de piramides werd niet gecompenseerd door andere grote monumenten, zodat deze ontwikkeling zou kunnen wijzen op economische achteruitgang, of een toename van consumptie en activiteiten in facetten van de samenleving waar geen sporen van bewaard zijn gebleven.

Vanaf de 5e Dynastie worden de graven van hoge ambtenaren steeds uitgebreider gedecoreerd. Ook bouwden zij hun graven vaker in de provincies, dan vlak naast het koninklijke piramidegraf zoals in de 4e Dynastie van Egypte het geval was. De steeds groter wordende onafhankelijkheid van lokale machthebbers die hun eigen begraafplaatsen in de provincie hadden, duidt op een achteruitgang van het centrale gezag van de koning.

De laatste koningen van de 5e Dynastie bouwden geen zonnetempels meer zoals hun voorgangers gedaan hadden, wat wijst op het minder belangrijk worden van de zonnecultus tijdens deze periode. Oenas, de laatste koning van de 5e Dynastie, was de eerste die de wanden van zijn piramide liet beschrijven met magische teksten, de zogenaamde Piramideteksten.

 

Egyptische mummificatie

De Egyptische mummificatie ontstond in het Oude Egypte. De eerste vorm van mummificatie betrof slechts het uitdrogen van het lichaam in het hete zand. In de religie van de oude Egyptenaren nam mummificeren een steeds belangrijkere plaats in omdat zij geloofden dat het lichaam van de dode niet naar het eeuwige leven kon reizen zonder een stoffelijk lichaam dat niet verging.

Herkomst van natron

Meren in de woestijn die af en toe door regen gevuld worden maar geen afvoer naar de zee hebben, worden steeds rijker aan zouten: natron. Als het water verdampt worden de erin opgeloste zouten steeds geconcentreerder en kristalliseren uiteindelijk uit. Een eigenschap van deze substantie is dat het hygroscopisch is: het trekt vocht aan en is absorberend. De belangrijkste vindplaats was Wadi Natroen.

Het Oude Rijk

Tijdens het Oude Rijk werden de interne organen van Koningin Hetepheres verwijderd en in een oplossing van natron geplaatst (ongeveer 3%). De vroege pogingen tot mummificatie waren totale mislukkingen. Dit werd erkend door balsemers en zij namen de taak op zich de vorm van het lichaam te bewaren. Zij deden dit door het lichaam in met hars doorweekte verbanden te verpakken. Zij werden hier zo goed in dat ?n voorbeeld uit de 5e Dynastie van Egypte van een hofmusicus, genaamd Waty, nog details van wratten, rimpels en gezichtsdetails heeft behouden.

Het Nieuwe Rijk

De 18e Dynastie van Egypte kondigt het begin van het Nieuwe Rijk aan. In dit Nieuwe Rijk, veranderden de doodskisten van vorm: de rechthoek uit het Middenrijk (Egypte) ging over in de bekende mummie-vorm met hoofd en ronde schouders. Eerst werden deze verfraaid met gesneden of geschilderde veren, maar later werden ze beschilderd met een afbeelding van overleden persoon. Zij werden ook in elkaar gelegd als Russische poppetjes, in die zin dat een grote buitendoodskist kleinere binnenkisten bevatte en uiteindelijk het gebalsemde lichaam. Uit deze tijd zijn de meeste mummies overgebleven.
In het Nieuwe Rijk ontstond ook de gewoonte om de doden een voorwerp mee te geven.

Werkwijze

De mummificatie gebeurde in een Per Nefer, Egyptisch voor 'Mooi Huis'. Dit was meestal een tent, want hier bleef de lucht langer fris. Het lichaam werd op een houten tafel gelegd. De Egyptenaren gebruikten geen massieve tafels. Dat was makkelijker als ze de windsels om het lichaam moesten doen. Via een snee in de linkerzij werden alle interne organen verwijderd. De holten werden gewassen en werden dan volgepakt met natron. Het lichaam werd in een stapel natron begraven. De darmen, de longen, de lever en de maag werden gewassen in palmwijn en afzonderlijk bewaard in canopen (kruiken) en werden door de vier zonen van Horus Amset, Doeamoetef, Hapy en Kebehsenoef beschermd. Deze vazen werden meebegraven en waren vaak uitbundig versierd. Beroemd zijn de canopen van Toetanchamon. Het hart moest in het lichaam blijven zitten; dat was nodig bij de ceremonie van het wegen van het hart. Daarna werd het stoffelijk overschot 30 dagen in natron gelegd zodat het lichaam uitdroogde. Tot slot werd het lichaam in linnen doeken gewikkeld. Voor het lichaam begraven werd, werd het vaak nog versierd met sieraden en werden er zaden of vruchten meegegeven, vaak tussen het linnen. De mummie werd een masker opgedaan met zijn gezicht van goud. Het masker van Toetanchamon is een van de beroemdste. Het gemummificeerde lichaam werd in een of meer sarcofagen gelegd en daarna begraven (in mastaba, piramide of rotsgraf).

Het mummificatieproces werd beschreven door Herodotus, een Griek, die Egypte bezocht.

 

 
 
Oeserkaf  ca 2504 - 2496 v.Chr is de grondlegger van de 5e Dynastie van Egypte en de eerste farao die een traditie maakte met het bouwen van zonnetempels bij Aboesir. Hij liet zijn piramide bouwen te Saqqara. De moeder van Oeserkaf is bekend onder de naam koningin Neferhetepes, maar zijn vader is niet bekend. Toch was Oeserkaf een kleinzoon van Djedefre. Een buste van Oeserkaf is gevonden, ook een hoofd is gevonden in de eerste van de vijf tempels bij Aboe Gorab. Het object wordt beschouwd als ontzettend belangrijk omdat het een van de weinige artefacten is die de koning laat zien met de desjret. Het hoofd was ontdekt in 1957 tijdens een expeditie van zowel een Duits als een Zwitsers team.

Algemeen wordt aangenomen dat de Oeserkaf de vader was van twee regerende farao's: Sahoere en Neferirkare I die hem beide opvolgden. Een ander minder populaire kijk op de zaken is gebaseerd op het verhaal van de Westcar Papyrus. Daarin zouden de eerste drie koningen van de 5e Dynastie alleen broers zijn, zonen van koningin Chentkaoes I. De regering van de farao duurde acht jaar.

 
         
 
De zonnetempel van Oeserkaf werd gebouwd door Oeserkaf,. Ze is naast de zonnetempel van Nioeserre de enige van de zes zonnetempels die zijn teruggevonden. Er is niet veel van bewaard en er zijn geen bas-reli?s in teruggevonden. Er bestaat onder de wetenschappers echter discussie of de tempel misschien was opgericht ter ere van de godin Neith. Hieronder de reconstructie van de zonnetempel van Oeserkaf.

         

 
 
Sahoere  ca. 2496 - 2483 v.Chr was de tweede koning van de Egyptische oudheid uit de 5e Dynastie van Egypte. Hij was de zoon van koningin Chentkaoes I en Oeserkaf. Er zijn geen vrouwen of kinderen van hem bekend. Hij werd opgevolgd door Neferirkare, de eerste koning met vijf namen.

Volgens een legende opgetekend uit het Westcarpapyrus, zouden koning Sahoere en zijn broers nazaten geweest zijn van priesteres Radjeded en de god Ra. De koning is bekend van de mooie afbeeldingen in zijn dodentempel en piramide.

 
Sahoere is een actieve farao geweest. De Steen van Palermo verhaalt van verschillende expedities naar onder andere de Sina?en Aboe Simbel voor het delven van geschikte stenen. De koning bouwde een piramide voor zichzelf. Waarbij de piramide ook verschillende andere bouwwerken had: een daltempel en een dodentempel. De koning regeerde volgens de Palermosteen 12 jaar.

Sahoere gaf veel om de economische positie; hij handelde met verschillende buren. Dat is te zien in de vele reli?s, waar verschillende boten aankomen op Aziatische bodem. Er zijn cartouches gevonden van de koning in Libanon. Dit was de eerste gedocumenteerde expeditie naar het land Poent.

         

 
 
Neferirkare  ca. 2483 - 2463 v.Chr was de derde farao uit de 5e Dynastie van Egypte. Zijn regeringsperiode is onduidelijk omdat van de Steen van Palermo het betreffende fragment ontbreekt.

Vlakbij zijn dodentempel werd een verborgen archief van administratieve papyrus ontdekt uit de tijd van Djedkare Isesi en Oenas. Een document is een brief van koning Djedkare naar de tempelpriesters die de dodentempel van Neferirkare bevoorraden met offers.

 
De regering van Neferirkare viel uit de toon van het gebruikelijke beeld van de farao, hij gedroeg zich als een mild heerser. Zoals beschreven in een graftombe in Giza raakte Rawer, een oudere adelman en een man van het hof, per ongeluk de staf aan tijdens een religieuze ceremonie. Dit misdrijf werd gewoonlijk bestraft met de dood of verbanning van het hof omdat de farao de levende god was. Maar Neferirkare verontschuldigde Rawer en beloofde dat hem niks gedaan werd.

Hij heeft een piramide kunnen bouwen maar zijn tempels niet kunnen voltooien.

Van de koning is bekend dat hij de eerste was die een nomen en praenomen naam had. Een gebruik dat later traditie werd bij de koningen van Egypte. In de piramide van Neferirkare is een papyrus gevonden met erop de eerste beginselen van Hi?atisch schrift.

         

 
 
Sjepseskare  ca. 2463 - 2445 v.Chr is ?n van de kortstondige heersers van de 5e dynastie, sommige Egyptologen zoals Miroslav Verner menen, dat de koning maar een paar maanden heeft geregeerd. Dit is gebaseerd op de onafgemaakte piramide te Aboesir, de basis is maar deels gemaakt en de objecten met de naam van de koning. Toch staat in de Koningslijst van Turijn en die van Manetho dat de koning Egypte heeft geregeerd voor 18 jaar. Er zijn artefacten gevonden waaronder zegels van een zonnetempel.

         

 
 
Neferefre  ca. 2445 - 2444 v.Chr  was een broer van Nioeserre en zoon van Neferirkare en Chentkaoes II. Zijn vroegtijdige dood maakte een eind aan zijn bouwactiviteiten in Aboesir. Zijn piramide had meer de vorm van een mastaba, zijn dodentempel werd door zijn broer afgemaakt. Er zou ook een nog niet ontdekte zonneheiligdom geweest zijn dat Hetep-Re heette.

In de dodentempel van de koning ontdekten Tsjechische archeologen verschillende voorwerpen, waaronder beelden van de koning, verschillende papyri, gedecoreerde platen en veel zegels. De papyri zijn in 1982 door een archeologisch team van de Universiteit van Praag in de dodentempel van de piramide ontdekt.

 
In januari 2015 meldde een groep Tsjechische archeologen dat zij het graf van een tot dan toe onbekende echtgenote Chentkaoes III hadden gevonden.

Farao Neferefre (ca. 2448 - 2445 v.Chr.) zat amper drie jaar op de troon toen hij overleed. Bij zijn dood was alleen het fundament voor zijn piramide af. Zijn opvolger, farao Nioeserre liet dit fundament snel ombouwen tot een lage, met grind bedekte heuvel. Daar bovenop liet hij een graftempel bouwen.

Het leek erop dat dit graf in de vergetelheid zou raken, maar dat gebeurde niet. De Tsjechische egyptoloog Miroslav Verner werkt nu al jaren in Abydos en heeft de graftombe van Neferefre kunnen analyseren. Hierin werden ruim 2000 papyrusrollen gevonden, waarop de grafcultus van een farao op werd beschreven. Deze riten werden honderd jaar na zijn dood nog gebruikt

         

 
 
Nioeserre  ca. 2444 - 2414 v.Chr  kwam aan de macht nadat zijn broer en voorganger Neferefre overleed. Zijn ouders waren vermoedelijk Neferirkare en Chentkaoes II, de farao was getrouwd met Reput-Nebu. Van het leven van de farao is weinig met zekerheid te zeggen. De man was actief in de Sina? zo blijkt uit enkele inscripties van hem. Waarschijnlijk was Nioeserre daar actief omdat er koper- en turquoisemijnen lagen. Ook zou hij gehandeld hebben in malachiet, mirre en elektrum.

Het bekendst is Nioeserre om zijn bouwwerken. Na het overlijden van zijn broer liet hij de beginselen van de piramide van Neferefre ombouwen tot een grote graftempel. Deze piramide stond in Abusir tussen die van Sahoere en van Neferirkare. Zijn vrouw werd vlakbij begraven. Ook was de farao de man die de Zonnetempel van Nioeserre bouwen, deze tempel noemde hij: "Vreugde van Ra". De graftempel van onder anderen Khnumhotep, Niankhkhnum en Ty ten slotte was ook gebouwd in opdracht van Nioessere. Nioessere heeft ongeveer 30 jaar geregeerd. Er zijn verschillende theorie? over het jaar van zijn dood, maar vermoedelijk was dat in 2414 v. Chr.

De piramide van Nioeserre is de laatste piramide die in Aboesir werd gebouwd en door het gebrek aan ruimte heeft hij zijn piramide vlak bij de dodentempel van de Piramide van Neferirkare gebouwd. De piramide werd reeds opgetekend door Lepsius, maar het was Ludwig Borchardt die ze in de 19e eeuw voor het eerst betrad.

 
Nioeserre had de daltempel van zijn voorganger Neferirkare herbruikt. De tempel was ongeveer hetzelfde opgebouwd als deze van Sahoere. In de tempel bevonden zich enkele beelden van de farao en gevangengenomen vijanden. De daltempel is net zoals vele andere daltempels zeer slecht bewaard.

De dodentempel van de piramide heeft ook een gelijkaardige opbouw als deze van de piramide van Sahoere. De tempel is vrij groot en geeft een vloer met grote basaltplaten. De dodentempel bevond zich niet helemaal in het oosten maar meer ten zuidoosten van de piramide. De dodentempel heeft de ongebruikelijke L-vorm en dit omdat het centrale binnenhof en de vestibule niet op dezelfde lijn lagen als het binnenste heiligdom.

De piramide van Nioeserre die oorspronkelijk De plaatsen van Nioeserre blijven bestaan heette is zeer slecht bewaard en lijkt niet meer dan een puinhoop. Oorspronkelijk had de piramide een hoogte van 51,5 meter en waren de zijden 81 meter, maar net zoals de piramides van na de vierde dynastie was ze niet zo duurzaam gebouwd. De ingang van de piramide bevond zich in het noorden en een via een gang betreedt men de tweedelige grafkamer. Deze bestond uit een antichambre en de eigenlijke grafkamer. Er zijn verschillende reli?s met vechtsc?es bewaard.

Ten zuiden van de piramide bevond zich nog een bij-piramide die niet voor de koninginnen bestemd was, maar voor de cultus van de farao.

         

De zonnetempel van Nioeserre werd door Nioeserre gebouwd in de 5e dynastie. Het is samen met de zonnetempel van Oeserkaf de enige van de zes zonnetempels die zijn teruggevonden. De tempel staat te Aboe Gorab, niet ver van de piramides te Aboesir. Ze werd ontdekt door John Perring en opgegraven door Duitse archeologen.

De zonnetempel bestond uit een groter complex. Er was een klein tempeltje dat als voorportaal diende. Van daaruit liep een processieweg naar de eigenlijke tempel. Deze was ommuurd en binnenin bevonden zich talrijke magazijnen. Er was ook een slachthuis en er zijn nu nog bassins bewaard waar het bloed van de dieren werd opgevangen. Er was daarnaast een grote obelisk waar de eigenlijke offertafel voorstond. Aan de zuidkant van de obelisk lag de 'kamer der seizoenen' met talrijke bas-reli?s. Buiten de muren lag ten zuiden een zonneboot. Zie hieronder de reconstructie van zonnetempel.

         

 
 
Menkaoehor  ca. 2414 - 2405 v.Chr was een farao uit de 5e Dynastie. De koning was ook bekend onder de namen: Menkauhor en Mencheres (Manetho). Achter zijn naam wordt ook nog Kaioe vastgeplakt omdat zijn troonnaam is. Zijn naam betekent: "eeuwigdurend zoals de zielen (ka) van Horus".

De koning is ook begraven alleen weten we niet meer waar, waarschijnlijk een piramide in noord-Sakkara of ergens in Dasjoer. De koning werd in het Nieuwe Rijk vereerd met zijn cultus. De afkomst van Menkaoehor is onbekend. Het kan een nazaat zijn van Nioeserre bij Neput-Nebu. Het is mogelijk dat hij de vader is van Djedkare Isesi of anders zijn broer.

Zijn regering is vastgesteld op een inscriptie uit de Sina? Het geeft aan dat hij net zoals zijn voorgangers steen uit de groeven van Sina?haalde. In Dorak (Midden-Oosten; waarschijnlijk Byblos) vinden we een inscriptie van de koning. In Aboesir is er een zegel van de koning gevonden.

         

 
 
Djedkare  ca. 2405 - 2367 v.Chr was een farao uit de 5e Dynastie. De koning was ook bekend onder de namen: Djedkare Isesi en Tancheres (Manetho). Achter zijn naam wordt ook nog Isesi vastgeplakt omdat dat zijn troonnaam is. Zijn naam betekent: "de ziel van Re schrijdt voort".

Zijn piramide staat in Sakkara. Hij was waarschijnlijk een zoon van Menkaoehor maar dat is niet zeker. Zijn zoon was prins Remekoei maar die ging dood voordat hij kon regeren. Zijn piramide staat net als die van anderen in Sakkara.

Er zijn verschillende sporen gevonden van de koning, zoals in de Sina?waar hij steen haalde voor de monumenten. Maar ook in Aswan en Abydos en in Nubi?

 
De koning heeft een tweetal expedities gevoerd naar het buitenland, in Poent en Byblos. Verder is de koning vermeld in verschillende biografie? van ambtenaren. De koning vierde vanwege zijn hoge leeftijd een Sed-festival. In zijn regering gebeurde een aantal belangrijke dingen. De religie veranderde want de zonnereligie verloor iets van zijn macht. Een andere verandering was dat de koning begraven werd in Saqqara in plaats van Aboesir.

             

Haram el-Shawaf is het piramidecomplex van koning Djedkare-Isesi van de 5e dynastie in zuid-Sakkara in Egypte. Behalve de piramide van de koning omvat het complex een satellietpiramide en een koninginnepiramide(?). De piramide heette oorspronkelijk Mooi is Isesi. De moderne Arabische naam Haram el-Shawaf, حرم الشواف, de wachter, is te danken aan het feit dat de piramide uitkijkt over het moderne dorp Sakkara.

De piramide had een getrapte kern en een vlakke buitenkant; de ingang is aan de noordzijde. Vanaf de ingang daalt een gang af naar een kamer van kalksteenblokken. Van hieruit leidt een horizontale gang naar de antichambre, die zich recht onder de top van de piramide bevindt. Ten oosten van de antichambre ligt een magazijn bestaande uit drie ruimtes, ten westen de grafkamer. Hier zijn fragmenten gevonden van een basalten sarcofaag die in de vloer verzonken was. Het dak van de grafkamer is een zadeldak bestaande uit drie lagen van enorme kalksteenblokken.

De daltempel en toegangsweg liggen tegenwoordig onder het moderne dorp Sakkara. De toegangsweg kwam de dodentempel binnen tussen twee massieve pylonen. Hiertussen lag een lange hal die leidde naar een open hof met granieten zuilen rondom en geplaveid met albast. Er waren verschillende magazijnen, een kamer met vijf nissen voor de cultus en een offerkapel. De 'koninginnepiramide' is mogelijk geen grafmonument van Djedkare's echtgenote, maar een complex voor de zonnecultus vergelijkbaar met de zonnetempels uit de vroege 5e dynastie te Aboesir.

           

 
 
Oenas  ca. 2367 - 2347 v.Chr was de laatste farao van de 5e Dynastie. De koning was ook bekend onder de namen: Unas, Wenis en Onnos.

De koning regeerde 20 jaar. Hij had twee vrouwen: Nebet en Chenoet. Van Nebet kreeg hij een zoon: Oenasanch en van Chenoet kreeg hij een dochter Ipoet I, de vrouw van de latere farao Teti, de eerste farao van de 6e Dynastie van Egypte. Hij onderhield contacten met Azi? wat een traditie werd. Ook een expeditie naar de bedoe?nen.

De koning werd begraven in Sakkara in een piramide met een dodentempel en een daltempel. Zijn voorouders zijn niet goed bekend. Een mogelijkheid is dat hij de zoon is van Djedkare, maar daar wordt aan getwijfeld. De koning was de eerste die het Egyptisch dodenboek op de wanden liet uithakken in zijn piramide, waarin hij zich bij zijn dood liet vereenzelvigen met Ra en Osiris.

 
Er kwam bij de dood van Oenas de 5e Dynastie van Egypte ten einde, omdat de koning geen zoons had. Er zijn aanwijzingen dat de continu?eit tussen de 5e en 6e Dynastie heel geleidelijk ging. Ten eerste: Kagemni, de vizier van Teti, begon zijn carri?e onder Djedkare en Oenas. Van de gemalin van Teti, Ipoet I, wordt aangenomen dat ze de dochter van Oenas was, en dat Teti dus Oenas' schoonzoon was. De overgang tussen de 5e en de 6e Dynastie lijkt meer dus dan dat hij werkelijk is geweest.

De piramide van Oenas was in de oudheid al erg vervallen, maar werd in de oudheid al voor een eerste keer hersteld door de hogepriester van Ptah, Chaemwaset. Deze liet de piramide restaureren en bracht de naam van Oenas weer op het monument aan.

     De piramide heette in de oudheid 'Volmaakt zijn de verblijven van Oenas' en ze had een oorspronkelijke hoogte van 105 meter en de zijden waren 57,5 meter lang. De piramide is vrij zwaar beschadigd en enkel de kalkstenenbekleding aan de zuidkant is bewaard. De ingang van de piramide ligt zoals gewoonlijk in het noorden en via twee gangen komt men in het onderaardse complex. Er is een antichambre die uitgaf op enerzijds een kapel in het oosten en de grafkamer in het westen. De kamers zijn versierd met teksten en sterren aan het plafond. De piramide van Oenas is de eerste piramide waar inscripties op voorkomen. Deze piramideteksten moeten verticaal gelezen worden en bevatten religieuze en magische formules.
 
Ten zuidwesten van de piramide stond de cultuspiramide.

In de grafkamer stond de sarcofaag die uitgehakt werd uit een blok zwarte zandsteen. Binnen in lagen enkele menselijke resten, maar het is niet zeker als het om farao Oenas gaat.

 

 
 

         

Enkele zuilen aan de vroegere daltempel van Oenas.

De daltempel is zoals de meeste tempels zeer slecht bewaard en de meeste stenen werden herbruikt in andere monumenten. Oorspronkelijk lag er waarschijnlijk een kaai en haven naast.

       

Farao,s van de 6e Dynastie

De 6e dynastie van het Oude Egypte liep van ca. 2347 tot 2216 v.Chr. en was de laatste dynastie van het Oude Rijk en leidde uiteindelijk tot de Eerste tussenperiode.

De traditie van het bouwen van kleine piramides waarvan de wanden gedecoreerd werden met de magische Piramideteksten werd voortgezet tot aan het eind van het Oude Rijk.

Tijdens de regering van Pepi II vond het grootste verval plaats, wat duidelijk zichtbaar is in de graven. Er werd minder gedecoreerd, vaak werd zelfs alleen het ondergrondse deel van het graf gedecoreerd. Na het einde van de regering van Pepi II kwam er een einde aan het centrale gezag van de farao. De provinciale bestuurders waren steeds onafhankelijker geworden en namen elk voor zich de macht over, waardoor er niets over bleef van de politieke eenheid van het Oude Rijk.

 
 
Teti  ca. 2347 - 2337 v.Chr was de eerste farao van de 6e Dynastie. De koning was ook bekend onder de namen Teti, Merienptah en Othoes. De moeder van Teti was koningin Sesjesjet.. Haar vermoedelijke graftombe is gevonden.

Koning Teti was geboren als eenvoudig man, maar kreeg recht op de troon nadat hij trouwde met de dochter van Oenas, prinses Ipoet I. Hij stuurde een aantal keren expedities naar Kana?. Er zijn sporen van hem gevonden in Byblos.

 
Tijdens de regering van Teti waren er hoge officieren die begonnen met het bouwen van een eigen graftombe, deze waren zo groot dat ze die van de farao overtroffen. Bijvoorbeeld de vizier van de farao bouwde een grote mastaba met 32 kamers, elke rijk gegraveerd. Dit wordt beschouwd als een teken dat de rijkdom niet naar het hof toe ging maar naar de officieren, een langzaam proces die het einde naderde van het Oude Rijk.

De daltempel en processieweg werden reeds in de oudheid vernield en er is nog maar weinig onderzoek naar gedaan. Ze stonden zoals gebruikelijk ten oosten van de piramide; van de processieweg is alleen nog maar het einde zichtbaar.

De dodentempel was ook al in de Tweede Tussenperiode afgebroken en had hetzelfde grondplan als de dodentempel van Djedkare, zijn voor-voorganger. Deze was gekenmerkt door een groot binnenhof en rondom waren er magazijnen.

         

De piramide van Teti kreeg de naam 'Eeuwig zijn de verblijven van Teti', maar ondanks zijn naam werd de piramide in het oude Egypte al gebruikt als steengroeve. In de 19e eeuw werd de piramide onderzocht door onder andere Lepsius en Gaston Maspero en sinds de jaren 50 vooral door Franse egyptologen zoals Jean Leclant.

De piramide was oorspronkelijk 52,2 meter hoog en elke zijde mat 78,5 meter. De bekleding van de piramide aan de buitenkant is vrijwel geheel verdwenen, maar de kamers binnenin zijn bewaard. Het plan en de proporties volgen weer die van de piramide van Djedkare: de ingang bevond zich aan de noordkant, in de kapel die tegen de piramide gebouwd was. Een dalende gang met verschillende onderdelen, die op verschillende punten geblokkeerd was met grote blokken kalksteen, leidt naar de ondergrondse vertrekken: aan de oostkant een kapel met drie nissen en aan de westkant de grafkamer

         

Deze bevat een grote sarcofaag van grauwacke en op de muren zijn piramideteksten aangebracht, net als in de piramide van zijn voorganger Oenas.

Nabij de piramide en langs de processieweg zijn verschillende familieleden en vele hoge ambtenaren begraven. Dit deel van het grafveld van Sakkara staat bekend als de ?Teti-necropolis?.

 
 
 
Oeserkare  ca. 2337 - 2335 v.Chr was waarschijnlijk een van de leiders die een kroon stal van de andere toekomstige koningen die afstamden van Teti. Oeserkare kan een koninklijke claimer zijn van de vijfde dynastie, maar hij was zeker een rivaal van Teti voor de troon.

Recentelijk is er een document opgegraven: de zuid-Sakkara steen van Pepi II, waarin bevestigd wordt dat Oeserkare werkelijk heeft bestaan. Daarin regeert hij twee tot vier jaar. De zoon van Teti, Pepi I, nam wraak voor zijn vaders dood en doodde Oeserkare.

Oeserkare startte met de traditie van de Egyptische koningen: bouwen. Hij bouwde aan grote projecten, te vinden op een inscriptie waarin hij het uit de doeken doet. Maar er is geen piramide complex van hem bekend of ge?entificeerd. Daar zijn twee redenen voor: hij heeft kort geregeerd en omdat hij geen opvolger had die een eventuele piramide kon voltooien.

 
 
 
Pepi I  ca. 2335 - 2285 v.Chr.was een farao van de 6e Dynastie. De koning was bekend onder de namen: Pepi, Merira en Phios.

Pepi I was de zoon van Teti en Ipoet I. Als prins had hij hulp nodig van krachtige individuen in Opper-Egypte om Oeserkare van de troon te stoten, omdat deze zijn vader had vermoord. Deze individuelen waren van belang tijdens zijn bestaan als farao, twee van zijn gemalinnen waren zelfs dochters van zijn vizier uit Opper-Egypte. Pepi I's tijd als farao wordt gemarkeerd met een agressieve expansiedrift in Nubi? Egypte begon weer te handelen met lang verloren gebieden zoals Libanon en Somalische kust en de adel werd belangrijker en krachtiger.

 
Twee bronzen beeldhouwwerken van Pepi I en zijn zoon Merenre I zijn gevonden in Hierakonpolis. Zij beelden de koningen uit die symbolisch de negen vreemde volkeren (negen bogen) verpletteren. Pepi I was een voorbeeldig bouwer die vele projecten uitvoerde in Opper-Egypte: Dendera, Abydos, Elephantine en Hierakonpolis. Andere werken zijn gemaakt door een hoge officier: Weni de oudere, die een kanaal heeft gegraven bij de eerste cataract voor de koning. Hij hielp de koning ook bij het veroordelen van een koningin Weret-Yamtes, zij had revolte tegen de koning geplant.

De piramide van Pepi I is het graf van Pepi I, een farao uit de 6e dynastie. Tegenwoordig is de piramide een ru?e, maar men vermoedt dat hij ooit 52 meter hoog, en 78 meter lang (en en breed) was. Het is niet zeker wanneer de piramide is vernietigd, maar volgens teksten die bij de piramide zijn gevonden, was hij in de 19e dynastie nog in goede staat.

De piramide is grotendeels vernietigd, vermoedelijk door steendieven. Maar in de piramide, en in de complexen rondom hem, zijn nog een hoop goede ontdekkingen gedaan. Zo zijn er in de piramide verschillende stukken gereedschap gevonden. In de grafkamer lag een kapotte sarcofaag. Ook hier werd nog iets gevonden, namelijk een stukje mummie! Maar het was niet genoeg om te zien of het de mummie van Pepi was. Ook lagen er stukjes van het linnen waar de mummie ooit in had gelegen, en scherven van de canopen Ook waren er beelden te vinden van vijanden, die met hun handen achter hun rug gebonden, geknield zaten. Deze werden gevonden op de open plaats voor de piramide, en waren waarschijnlijk om grafschenners af te weren. In het complex stond een kleine piramide, waarvan het nut niet bekend was, het is zeker dat er niemand begraven lag. De tempel voor de piramide lijkt te zijn afgekeken van die van Teti, de eerste farao van Pepi's dynastie.

Ten zuiden van de piramide van Pepi zijn zes kleinere piramides gevonden. Hier lagen de vrouwen van Pepi begraven. Ook lag er een prinses.

         

 
 
Merenre   ca. 2285 - 2279 v.Chr was de een farao van de 6e Dynastie. De koning was bekend onder de naam: Nemtiemsaf, Merira en Mentoesuphis. Zijn naam betekent: "Geliefd door Re".

Merenre was een vrij actieve heerser. Hij voerde in een kleine periode van zijn regering aanvallen uit in Nubi? Daar haalde hij steen uit de groeven van Aswan en Ibhat. De gouverneur van Elephantine onder Merenre I voerde drie expedities uit naar het land Jam in Nubi? Koning Merenre bracht een persoonlijk bezoek aan Elephantine. Zijn dood kwam onverwacht en zijn stiefbroer Pepi II volgde hem op.

De piramide van Merenre werd gebouwd door farao Merenre. De piramide en het complex zijn zeer slecht bewaard gebleven en het is moeilijk om ze nog als piramide te herkennen. Het is zeker dat er een dodentempel en een noordelijke kapel bestond, maar door de geringe archeologische aandacht en zeer slechte bewaring is weinig over het terrein gekend.

 
Ook was er volgens Perring een processieweg van ongeveer 250 meter. De piramide zelf is zeer gelijkend op deze van Merenres vader Pepi I. De piramide was oorspronkelijk 52,5 meter hoog en de zijdes waren 78,5 meter lang. De piramide die 'Merenre glanst vol schoonheid heette' had eveneens een noordelijke ingang. Via deze ingang bereikte men de antichambre die uitgaf op de grafkamer en een kapel in het oosten. De grafkamer en antichambre waren voorzien van piramideteksten die door Maspero zijn opgetekend. In de grafkamer stond een zware albasten sarcofaag en ook de kist met canopen.         

          

De piramide werd in het begin van de 19e eeuw al bezocht door John Shae Perring, maar het was Gaston Maspero die de piramides grondig onderzocht en in 1881 de sarcofaag en mummie van Merenre ontdekte. De mummie is de oudst bekende mummie van het oude Egypte. In moderne tijden werd de piramide onderzocht door de Fransen onder leiding van Jean-Phillipe Lauer.

                   

 
 
 
Pepi II   ca. 2279 - 2219 v.Chr Pepi II was een farao van de 6e Dynastie. De koning was bekend onder de naam: Neferkare, Pipi en Phios.

Pepi II was een zoon van Pepi I en koningin Anchensenpepi II, en ook stiefbroer van Merenre I, de troonopvolger zoon van de eerste vrouw van Pepi I, Anchesenpepi I. Zijn moeder Ankhesenpepi II (ook bekend als Ankhes-en-Meryre II) regeerde in naam van Pepi II, toen hij op zesjarige leeftijd de troon erfde. Zij behoorde tot een invloedrijke familie, was de zus van Ankhes-en-Meryre I, beiden dochter van de lokale prins Choewi en diens vrouw Nebet. Zij voedde geholpen door haar broer Jau, die later vizier werd, de jonge pretendent op. Daarbij wist zij de stabiliteit in Egypte te bewaren.

De koning leidde expedities naar de mijnen in Hat-nub en in de Sina? Hij voerde oorlog in Nubi? Libi?en Azi?en ging naar het land Poent toe.

 
De koning is dan ook bekend geraakt als de 'langstregerende monarch' ooit. De buitengewoon lange regeerperiode die Pepi II wordt aangemeten werd gekenmerkt door langzame degradatie van de binnenlandse situatie. Bij zijn overlijden zonder een opvolger te hebben nagelaten eindigde het Oude Rijk en namen de ongeregeldheden toe in de periode die Egyptologen gemakshalve de "Eerste tussenperiode" hebben genoemd. In die erg bewogen tijd volgden verschillende kleine heersers elkaar op en bleven slechts korte tijd op de troon, wat aangeeft dat het niet zo best ging in Egypte toen.

De piramide van Pepi II werd gebouwd door de langst regende vorst Pepi II. De piramide was net zo groot als deze van zijn voorgangers uit de 6e dynastie, namelijk 52,5 meter. De piramide had een noordelijke ingang die uitkwam in een ondergrondse grafkamer met sarcofaag.

Er staat nog een bijpiramide en een dal- en dodentempel. De dodentempel had talrijke magazijnen, maar minder symmetrie dan deze van Gizeh. De daltempel is in zeer slechte staat.

         

 
 
Merenre II  ca. 2219 - 2218 v.Chr was een farao van de 6e Dynastie. De koning was bekend onder de naam: Nemtiemsaf II, Mentesuphis. Zijn naam betekent: "Nemty is zijn verdediger"

Merenre II was een zoon van Pepi II en Neith, zijn vrouw was Nitokris. Er schijnt een heel verhaal te zijn over de koning, hij zou vermoord zijn door zijn vrouw. Daarna regeerde zijn vrouw verder over Egypte maar pleegde zelfmoord. Er dateert een document uit de tijd dat de cultus beschrijft van de koninginnen Anchensenpepi en Neith.

 
 
 
Nitokris  ca. 2218 - 2216 v.Chr was de laatste Vroeg-dynastieke farao/koningin van de 6e Dynastie van het Egypte. Nitokris ook wordt genoemd , onder de naam Netikreti.

Ondanks dat haar naam op de Koningslijst van Turijn voorkomt is er geen enkel archeologisch bewijs voor het bestaan van deze koningin. De Egyptologen zijn verdeeld. Sommigen beschouwen haar als een volwaardig monarch, anderen als een simpele legende.

 
Volgens een theorie zou Nitokris niet bestaan hebben maar haar naam slechts een verbastering zijn van Netjerkare. De vorige Egyptische koningin was mogelijk Oedjebten of Ipoet II. Haar opvolgster is niet bekend gezien in de daarop volgende Eerste tussenperiode geen koninginnennamen vermeld worden.

Volgens de Koningslijst van Turijn was een zekere Ne?-Ikeret de tweede of derde van de troonopvolgers na het lange bewind van Pepi II en zij zou "twee jaar, een maand en een dag" over Egypte hebben geheerst aan het eind van de 6e dynastie.

Men claimt dat Nitokris de vrouw en zus was van farao Merenre II, die zij als farao opvolgde. Er wordt tevens aangenomen dat ze de eerste vrouwelijke farao ooit was.

 

Farao,s van de 7e Dynastie

De 7e Dynastie van het Oude Egypte was een periode zonder centraal gezag, met snel opeenvolgende farao's.

De koningen die tijdens de 7e Dynastie regeerden (van ca. 2216-2134 v.Chr.), volgden elkaar snel op en hadden geen controle over geheel Egypte. Provinciale ambtenaren werden niet langer door de koning benoemd, hun ambt was erfelijk geworden. Hierdoor ontstonden in de provincies machtige families, die onderling met elkaar rivaliseerden, wat leidde tot een versnippering van het land. Er zijn veel namen van farao's die in deze periode geplaatst kunnen worden, maar exacte data voor regeringsperiodes zijn niet bekend.

 

Netjerkare  ca ??  is een koning van Egypte, in de 7e Dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent "De Ka van Re is goddelijk".  Over de koning is erg weinig bekend; er zijn geen artefacten van hem gevonden en men twijfelt zelfs aan zijn bestaan. Van de farao is geen piramide bekend.

 

Menkare  ca ??  was een farao van de 7e Dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent: "Schitterend is de Ka van Re". Van deze koning is zeer weinig bekend. Hij wordt verward met Nitokris of met Wadjkare van de latere dynastie. Zijn naam komt voor in de koningslijst van Seti I in de tempel van Abydos. Verder is er nog een rolzegel gevonden met zijn naam en zijn opvolger.

 

Neferkare II  ca ??  was een farao van de 7e Dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent Schitterend is de Ka van Re!. Van Neferkare is zeer weinig bekend. Aangezien Neferkare een naam is die veel voorkomt in de dynastie kan het echter ook slaan op een andere meer bekende farao.

 

Nerferkare III of Neferkare Neby  ca ?? was een koning van de 7e Dynastie van Egypte. Zijn naam betekent ?Schitterend is de ka van Re?. Neby is zijn geboortenaam. Hoogstwaarschijnlijk was zijn moeder koningin Anchensenpepi II, wat betekent dat hij een zoon van koning Pepi II Neferkare moet zijn en wordt genoemd op een schijndeur in het graf van koningin Anchensenpepi II en op haar sarcofaag. Op de st?e van Anchensenpepi II is vermeld dat Neferkare-Neby begon met de bouw van een piramide, waarschijnlijk in Sakkara. De piramide is waarschijnlijk nooit voltooid en er zijn geen resten van bekend.

 

Djedkare II of Djedkare Shemai  ca ?? was een farao van de 7e Dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent: Permanent is de Ka van Re en Nomade. Van deze koning is zeer weinig bekend. Zijn naam komt voor in de Abydos koningslijst. Geen artefacten of overblijfselen zijn gevonden.

 

 

Neferkare IVof Neferkare Khendu  ca ?? was een farao van de 7e Dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent: De Ka van Re is Schitterend! en "Strijdende". Van deze koning is zeer weinig bekend. Zijn naam komt voor in de Abydos koningslijst. Geen artefacten of overblijfselen zijn gevonden.

 

 

Merenhor  ca ?? was een farao van de 7e Dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent: Geliefd door Horus!. Van deze koning is zeer weinig bekend. Zijn naam komt voor in de koningslijst van Abydos. Geen artefacten of overblijfselen zijn gevonden.

 

 

Neferkamin I  ca ?? was een farao van de 7e Dynastie van de Egyptische oudheid. Van deze koning is zeer weinig bekend. Zijn naam komt voor in de Abydos koningslijst. Er is een gouden tablet gevonden met de naam sneferka, deze ligt in het British Museum. De overeenkomst tussen het teken voor de god Min en het teken voor de S verschillen niet zo veel van elkaar. Het zou wel eens dezelfde farao kunnen zijn.

Nikare  ca ?? was een farao van de 7e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Zijn naam betekent "Degene die behoort aan de Ka van Re".  Van deze koning is zeer weinig bekend. Zijn naam komt voor in de koningslijst van Abydos. Geen artefacten of overblijfselen zijn gevonden.
 

Neferkare V of Neferkare Tereru  ca ?? was een farao van de 7e Dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent "Schitterend is de Ka van Re!" en "Gerespecteerd door". Van deze koning is zeer weinig bekend. Zijn naam komt voor in de koningslijst van Abydos. Er worden geen artefacten of overblijfselen van hem genoemd.

 

Neferkahor  ca ???? - 2173 v Chr was een farao van de 7e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Zijn naam betekent "Schitterend is de Ka van Horus!"  Van deze koning is zeer weinig bekend. Zijn naam komt voor in de koningslijst van Abydos en op een cylinderachtige zegel. De laatste farao van de 7e dynastie brak met traditie met het eren van de god Ra in zijn naam.

  

 

Farao,s van de 8e Dynastie

De 8e Dynastie (ca. 2216-2134 v.Chr.) van het Oude Egypte wordt vaak gecombineerd met de 7e Dynastie, wat in feite een versimpeling is, omdat de koningen in deze periode elkaar snel opvolgden en exacte regeringsdata onbekend zijn. De koningen van die tijd worden in twee bronnen genoemd, namelijk in de Turijnse Papyrus en in de Koningslijst van Abydos.

Omdat er vrij weinig bewaard is gebleven uit deze tijd en heel veel farao's elkaar opvolgden worden onder alleen de farao's genoemd waar over iets bekend is.

 

Neferkare VI of Neferkare Pepiseneb  ca 2169 - 2168 v Chr was de eerste farao van de 8e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Zijn naam betekent "Schitterend is de Ka van Re !" en Pepi is gezond! Van deze koning is zeer weinig bekend. Zijn naam komt voor in de koningslijst van Abydos en op die van de Turijnse koningslijst. Hij wordt daar vermeld als tweede koning na Nitokris en krijgt de bijnaam Sheri "de jongere" mee.

 

 

Neferkamin II of Neferkamin A(a)nu  ca 2168 - 2167 v Chr was een farao van de 8e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Zijn naam betekent Schitterend is de Ka van Min. Van deze koning is zeer weinig bekend. Zijn naam komt voor in de koningslijst van Abydos en op de Turijnse koningslijst.

 

Ibi I of Qakare Ibi  ca 2167 - 2163 v Chr was een farao van de 8e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Zijn naam betekent "Sterk is de ziel van Re". Het bestaan van deze farao was formeel bevestigd door de ontdekking van een kleine piramide in het zuiden van Sakkara. Deze piramide volgde de traditie van het Oude Rijk. Zijn naam wordt genoemd in de Abydos koningslijst en de Turijnse koningslijst. Waarbij de Turijnse koningslijst hem een regeringsperiode toeschrijft van twee jaar, een maand en een dag.

 

Neferkaure  ca ?? was een farao van de 8e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Zijn naam betekent "De Ka's van Re zijn schitterend!". De naam van de koning staat op de koningslijst van Abydos en de Turijnse koningslijst. In de Turijnse koningslijst wordt aan de koning vier jaar en twee maanden toegeschreven. Dit is precies dezelfde regeringsdata als zijn voorganger, dit kan duiden op een verwarring tussen de twee.

Neferkauhor Khuiuhepu  ca ?? was een farao van de 8e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Zijn naam betekent "De Ka's van Horus zijn schitterend!" Zijn tweede naam betekent: Apis beschermt mij! Neferkauhor is een obscure farao van de 8e dynastie. Zijn naam wordt alleen bevestigd door de Abydos koningslijst als een farao van het Oude Rijk. De Turijnse koningslijst vermeldt alleen de vermoedelijke regeringsdatum, de naam is niet meer te zien. De farao is een van de bekendste van de Eerste periode omdat over hem ook een literair werk is verschenen: De koptos aanwijzing. Daarin wordt beschreven dat een dochter van de farao trouwde met de Vizier van Opper-Egypte Shamai.
Neferirkare II  ca ?? was de laatste farao van de 8e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Zijn naam betekent "Schitterend is de vorm van de Ka van Re!". De naam van Neferirkare II wordt vermeld in de koningslijst van Abydos. Het wordt vermoed dat de regeringstijd van de laatste heerser van de Turijnse koningslijst aan deze farao kan worden toegeschreven. Aan deze farao wordt toegeschreven het finale einde van de 8e dynastie en in oudere bronnen ook het einde van het Oude Rijk. Volgens de Turijnse koningslijst heeft hij anderhalf jaar op de troon gezeten, totdat hij overmeesterd werd door een Meribre Cheti I van de 9e dynastie uit Herakleopolis. Het kan ook zijn dat de Nijl laag stond en er chaos uitbrak waardoor deze farao niet meer kon regeren.

 

Farao,s van de 9e Dynastie

De Eerste Tussenperiode begint in ca. 2216 v.Chr. (met de 7e en 8e Dynastie van Egypte) en eindigt in ca. 2040 v.Chr. (met de 9e en 10e Dynastie). De 9e en 10e Dynastie komen uit Heracleopolis. De 11e Dynastie uit Thebe regeerde nog door tot 1991 v.Chr. (en wordt als dynastie in de periode van het Middenrijk geplaatst). Deze dynastie? werden gesticht door nomarchen, lokale machthebbers) die zichzelf tot koning uitriepen en die de andere provincies inlijfden. Het kwam regelmatig tot botsingen tussen de Dynastie? uit Heracleopolis en Thebe. Rond 2040 v.Chr. veroverde de Thebaanse heerser Nebhepetre Mentoehotep de noordelijke provincies waarmee Egypte weer een eenheid werd, en daarmee begon het Middenrijk.

Cheti I (Achtoy I)  ca ?? was de eerste farao van de 9e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Deze farao schijnt een erg wrede heerser te zijn geweest. Hij werd door de krokodillen opgegeten nadat hij uit pure woede in de Nijl was gevallen. Cheti was een dorpshoofd van een Nome die nadat de verval in de 8e Dynastie van Egypte was gekomen de macht greep. Hij regeerde als een regent en na zijn optreden was Egypte verduisterd en gefragmenteerd.
 
Neferkare VII  ca ?? was een farao van de 9e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Deze farao was meer een soort van onderkoning van Herakleopolis. Hij kan worden verward met een andere koning genaamd Neferkare of Anktify, monarch van Hierakonpolis en Prins van Moala (vlakbij Thebe). Van Anktify is bekend dat hij een bende oprichtte samen met de Nome van Edfu tegen de Thebanen om Thebe in te nemen, dat een eigen mini-koninkrijk had.
 
Cheti II (Achtoy II)  ca ?? was een farao van de 9e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Cheti II was een farao uit Herakleopolis; er is weinig bekend van de farao. Een artefact is opgegraven en ligt nu in het Louvre, het is een mand met cartouches aan de buitenkant. Door de grote chaos tussen de dynastie? onderling is er veel verwoest.
 
Cheti III Wankhare (Akhtoy III)  ca ?? was een farao van de 9e Dynastie van de Egyptische Oudheid. Chety was de laatste grote farao van de Herakleopolitaanse dynastie. Hij herstelde de nomen (provincies) terug in Egypte, herstelde de irrigatiekanalen en koloniseerde de westelijke Nijldelta. Door de voortdurende vijandigheid tegenover Thebe, richtte hij een groot leger op om een eventuele confrontatie aan te gaan. Na zijn werden de expansieplannen van Herakleopolis echter tenietgedaan door de opmars van de Thebanen onder Antef II, Antef III en Mentoehotep II.  Cheti was een wrede tiran, die nietsontziend zijn volk onderdrukte. Hij zou aan zijn einde zijn gekomen doordat hij van pure woede in een rivier vol met krokodillen viel. Er zijn echter geen bewijzen voor deze legende.
 

 

Farao,s van de 10e Dynastie

De Eerste Tussenperiode begint in ca. 2216 v.Chr. (met de 7e en 8e Dynastie van Egypte) en eindigt in ca. 2040 v.Chr. (met de 9e en 10e Dynastie). De 9e en 10e Dynastie komen uit Heracleopolis.  Cheti V (Achtoy V)  ca ?? , Meri  ca ?? , Cheti VI (Achtoy VI)  ca ?? , Cheti VII (Achtoy VII)  ca ??  en Merikare  ca ?? regeerde in de 10e Dynastie. Er is helaas niets bekend over deze koningen.

De 11e Dynastie uit Thebe regeerde nog door tot 1991 v.Chr. (en wordt als dynastie in de periode van het Middenrijk geplaatst). Deze dynastie? werden gesticht door nomarchen (lokale machthebbers) die zichzelf tot koning uitriepen en die de andere provincies inlijfden. Het kwam regelmatig tot botsingen tussen de dynastie? uit Herakleopolis en Thebe. Rond 2040 v.Chr. veroverde de Thebaanse heerser Nebhepetre Mentoehotep de noordelijke provincies waarmee Egypte weer een eenheid werd, en daarmee begon het Middenrijk.

 

Farao,s van de 11e Dynastie

De 11e Dynastie was van origine een Thebaanse dynastie die (vanaf ca. 2134 v.Chr.) rivaliseerde met de 9e en 10e Dynastie uit Heracleopolis, totdat de Thebaan Nebhepetre Mentoehotep het land verenigde door zijn overwinning op de noordelijke provincies, waarmee het Middenrijk begon.

Tijdens het Middenrijk werden er in het gehele land bouwwerken opgericht en leek de binnenlandse politiek redelijk stabiel te zijn. Echter, de vizier van koning Mentoehotep Nebhetepre, genaamd Amenemhat, nam in 1991 v.Chr. de macht over en stichtte daarmee de 12e Dynastie van Egypte. Amenemhat I voerde grote bestuurlijke en politieke veranderderingen in en stichtte een nieuwe hoofdstad El-Lisht. Amenemhat I benoemde zijn zoon tot co-regent, zodat Senoeseret I na de dood van zijn vader onmiddellijk het koningschap kon overnemen zonder dat het land opnieuw tot onrust kwam. Tijdens het Middenrijk werden de meeste koningen nog steeds in piramides begraven. Senoeseret III bouwde een piramide in Dasjoer, evenals Amenemhat II en Amenemhat III. Amenemhat I en Senoeseret I lieten een piramide in El-Lisht bouwen, Amenemhat III bouwde in Hawara, en Senoeseret II bouwde een piramide in El-Lahun.

Tijdens het Middenrijk waren er contacten met Syri? Palestina, Mesopotami? Kreta en Poent. De Sina?werd ge?ploiteerd voor turquoise en kostbare gesteenten. De controle over Koesj werd versterkt door militaire expedities. Dit gebied was van groot belang voor het verwerven van kostbare goederen zoals wierook, mirre, oli?, goud, ivoor, etc. Door het bouwen van forten met de grensstreek in het zuiden hoopte men controle uit te kunnen oefenen op dit gebied.

 
 
Mentoehotep I  ca. 2134-2119 v.Chr is de eerste lokale prins van Thebe, tijdens de Eerste Tussenperiode. De naam Mentoehotep I betekent: "Mentoe is tevreden".

Mentoehotep I wordt beschouwd als de stamvader van de 11e Dynastie van Egypte en werd voor het eerst geaccepteerd door andere gebieden. Hij nam de titel aan: "Opperste chef van Opper-Egypte" en later verklaarde hij zichzelf als koning van Egypte. In de koningslijst van Thoetmosis III wordt hij echter als een monarch genoemd, hij was ook de vader van Antef I, zijn opvolger.

Er wordt tegenwoordig getwijfeld of deze koning een farao is geweest. Inscripties zijn zeldzaam en over het algemeen beschouwen de Egyptologen Mentoehotep II als eerste farao van de 11e dynastie.

 
 
 
Antef I   ca. 2119 - 2103 v.Chr was een farao van de 11e dynastie. De koning was bekend onder de naam Antef I of Intef I.Antef I was een farao uit het huis van Thebe. Hij proclameerde zichzelf tot koning nadat hij de koningsnaam (horusnaam en cartouche) had aangenomen. Hij concurreerde met de koningen van de 9e en 10e dynastie en startte dus een burgeroorlog tegen Anktifi. Hij heroverde verscheidene steden: Thebe, Abydos en Thinis en breidde zijn macht uit tot aan Dendera. Na de nederlaag van Anktifi won de farao meer terrein.

         

 
 
Antef II  ca. 2103 - 2054 v.Chr was een farao van de 11e dynastie. De koning was bekend onder de naam Antef II of Intef II. Antef II is de meest bekende farao met de naam Antef (Intef). Men schreef hem de unificatie van de twee landen toe. De koning voerde oorlogen met Assioet, Hermopolis en Herakleopolis. Na de dood van nomarch Ankhtifi, was Antef II in staat om alle zuidelijke provincies tot aan het eerste cataract te verenigen. Hierna botste hij met zijn belangrijkste rivalen, de nomarchs van Herakleopolis. Hij voerde oorlogen met deze families en uiteindelijk werd hij winnaar en breidde zijn heerschappij uit naar het noorden uit. Na deze oorlogen werden vriendschappelijke betrekkingen vastgesteld en de rest van zijn bewind verliep vrij rustig. De ontdekking van een standbeeld van Antef II, die gekleed was in een gewaad t.b.v. het Sed festival in het heiligdom van Heqaib in Elephantine, suggereert dat deze koning zijn heerschappij had uitgebreid tot de regio van de eerste cataract, en misschien zelfs over de noordelijke deel van Nubi?
Hij introduceerde ook de god Amon als cultus en werd een belangrijke god tijdens deze periode.
 
Zijn graf, gelegen in El-Tarif is net zoals zijn voorganger ook een zogenaamde saff (rij) graf.
Zijn graf had een grote trapezium-vormig binnenplaats, met een kapel aan de oostelijke kant. Deze kapel diende als vallei tempel. 

         

 
 
Antef III  ca. 2054 - 2046 v.Chr was een farao van de 11e dynastie. De koning was bekend onder de naam Antef III of Intef III. Zijn Horus naam was Nekhetnebtepnefer, wat ?Horus, de zegevierende, Heer van een goed begin? betekend.
 
Antef III trouwde met zijn mogelijke zus Iah, beschreven als koning moeder, dochter van koning en priesteres van Hathor. Dit geeft aan dat Antef III's de vader was Mentuhotep II. Dit wordt verder bevestigd door de st?e van Henenu, een ambtenaar die onder Antef II, Antef III en zijn "zoon", gediend heeft. Een ander stuk van bewijs is een reli? op Gebel el-Silsileh in Wadi Shatt er-Rigal, bekend als de Silsileh rotstekening. Daar staat een beeltenis van Mentuhotep II omringd door zijn ouders Iah en Antef III

Antef III erfde een groot en relatief rustig domein in Opper-Egypte, en hij verdedigde met succes het grondgebied wat door zijn voorganger Antef II was veroverd, zoals blijkt uit het graf van Nakhty, een ambtenaar tijdens zijn bewind. Hij heeft gebieden veroverd ten noorden van Abydos, in het bijzonder Asyut en breidde zijn territorium misschien wel tot aan de zeventiende nome van Opper-Egypte. Hij herstelde ook een vervallen graf van de vergoddelijkte prins genaamd Hekayeb in Aswan.  Na een korte en rustige periode van 8 regeringsjaren, volgde zijn zoon Mentuhotep II hem op als koning.

Antef III werd net zoals zijn 2 voorgangers begraven in saff graf in El-Tarif, 
vlak naast Antef I en Antef II.

         

 
 
Mentoehotep II  ca. 2046 - 1995 v.Chr was een farao van de 11e dynastie. Mentoehotep betekent: "de god Mentoe is tevreden" en Neb-hetep-re betekent: "tevreden is de heer Re". Van alle heersers die Mentoehotep heten is deze Mentoehotep de bekendste en de beroemdste.
 
Hij was een van de grootste heersers van het Middenrijk, vergelijkbaar met Amenhotep III. Hij voerde veel oorlogen maar speciaal met het Herakleopolitaanse koninkrijk (10e Dynastie); deze versloeg hij eindelijk. Hij verenigde het land. Daar deed hij 30 tot 34 jaar over. Hij leidde oorlogsexpedities naar Nubi? Libi?en de bedoe?nen van de Sina? Opnieuw werden er handelsbetrekking gesloten met het land Poent. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Mentoehotep III.

Zijn 14e regeringsjaar werd aangeduid als ?het jaar van de misdaad van Thinis?, een sterke aanwijzing dat zijn tegenstanders uit Herakleopolis het zuiden aan het bereiken waren tijdens de burgeroorlog dat ongeveer 85 jaar duurde. Na zo?n 30 jaar op de troon te hebben gezeten versloeg hij de legers van de Herakleopolitanen en veroverde hij de hoofdstad.

Mentoehotep II bouwde een gecombineerde dodentempel en grafcomplex in de rots bij Deir El-Bari. De tempel heeft de naam Akh Sut Nebhepetra, "Prachtig zijn de plaatsen van Nehepetre" en werd in 1860 ontdekt en opgegraven na de eeuwwisseling. Het voorste gedeelte van de tempel was gewijd aan Mentu-Ra en het achterste gedeelte diende voor de verering van de farao.
De dodentempel is gemaakt van kalksteen en zandsteen en had een schuine zuilengalerij die leidde naar een ge?fend terras waar oorspronkelijk een klein bouwsel op stond. Dit bouwsel was omringd door een gang met pilaren. Achter het bouwsel was een open hof, daarna een hal en vervolgens een hal, de heilige plek waar de tombe van de farao stond. In de kamer stond een altaar waar eens de houten kist van de koning stond.  Een standbeeld van de koning stond in een nis die was uitgehouwen in de rotsen

         

 
 
Mentoehotep III  ca. 1995 - 1983 v.Chr was een farao van de 11e dynastie. De koning was ook bekend onder de namen: Mentoehotep Sanckare, Mentoehotep Sneferkare. Zijn naam betekent: "Montoe is tevreden".

Toen Mentoehotep III S'ankhtawyef (hij die nieuw leven in beide landen blaast) zijn vader Mentoehotep II opvolgde was hij al aardig op leeftijd. Hij erfde van zijn vader een goed georganiseerd en verenigd land. Hij bouwde voort op het werk van zijn vader door een reeks versterkingen aan te leggen in het noordoosten van de Nijldelta om zo het land tegen invallen van de Aziatische buren te verdedigen. Ook restaureerde de koning vele tempels van zijn voorgangers die of versleten waren of verwoest.

Deze verdedigingswerken zouden het hele Middenrijk in gebruik blijven.

 
Later zouden Chety III en Mentoehotep III in el-Khatana in de Nijldelta voor hun goede werk in een cultus vereerd worden. Mentoehotep zond een expeditie naar Poent en hij liet twaalf nieuwe bronnen graven langs de weg die Koptos aan de Nijl en Wadi Gassus aan de Rode Zee verbond. Zijn regering van 12 jaar (ca. 1995-1983 v.Chr.) werd gekenmerkt door toenemende welvaart. Hij werd opgevolgd door Mentoehotep IV Nebtawyre.

Zijn begraafplaats is in Deir el-Bahari waar hij ook een tempel bouwde voor Mentoe-Re. Zijn graf was gemodelleerd naar zijn vaders tombe maar zijn werk werd nimmer voltooid.

Deir el-Bahri is een complex van dodentempels en tombes gelegen op de westoever van de Nijl tegenover de stad Luxor in Egypte. Het eerste monument dat hier gebouwd werd was de dodentempel van Mentoehotep II.

 
 
 
Mentoehotep IV  ca. 1983 - 1976 v.Chr was de laatste farao van de 11e dynastie. Zijn naam betekent: "Montoe is tevreden". En zijn tweede naam betekent: "Heer van de twee landen".
 
Onder deze opvolger van Mentoehotep III was er groeiende onrust in Egypte. Er is van hem bekend dat hij een betere haven aan de Rode Zee trachtte te vinden. Hij stuurde er een expeditie naar toe onder een generaal, Amenmes. De generaal werd uitgezonden op koninklijk bevel om met 10.000 man stenen mee te brengen geschikt voor de koninklijke sarcofaag. Hij werd waarschijnlijk vermoord door een groep paleiswachten. Amenmes die zou later zijn opvolger worden als Amenemhat I en de 12e dynastie zou stichten. De overgang naar de nieuwe dynastie schijnt vrij soepel verlopen te zijn, hoewel er wel andere pretendenten waren.

De koning is goed gedocumenteerd, niet door de koningslijsten, maar door inscripties in Wadi el-Hudi en Wadi Hammamat

Noch zijn mummie, noch zijn graf zijn gevonden.

 

Farao,s van de 12e Dynastie

De 12e Dynastie van Egypte werd in (ca.) 1976 v.Chr. gesticht door Amenemhat I, de vizier van de laatste koning van de 11e Dynastie van Egypte. Hij verplaatste de koninklijke residentie van Thebe naar Memphis, waar hij een stad stichtte die Itjtawy genoemd werd.

Tijdens militaire campagnes drong men in het zuiden door tot aan de tweede cataract. De leider van deze campagnes was de zoon van Amenemhat I, Senoeseret I, die 10 jaar lang samen regeerde met Amenemhat I. Het co-regentschap werd vanaf de 12e Dynastie een veel gebruikt middel om een probleemloze troonopvolging te garanderen.

Tijdens de 12e Dynastie werden enkele literaire werken geschreven die tijdens de gehele Egyptische geschiedenis bekend zouden blijven, zoals het verhaal van Sinuhe en dat van Wenamun. De beeldhouwkunst van deze periode is opmerkelijk realistisch, de koning wordt regelmatig afgebeeld met enigszins vermoeide trekken. De piramides van de koningen van de 12e Dynastie werden gebouwd in Dasjoer, El-Lisht, Hawara en el-Lahun.

 
 
Amenemhat I  ca. 1976 - 1947 v.Chr was de eerste farao van de 12e dynastie. Zijn naam Amenemhat betekent: "Amon is de belangrijkste", zijn tweede naam betekent: "De ene die het hart van Re tevreden stelt".

Amenemhat was een generaal van Mentoehotep IV. Aanvankelijk moest de koning nog wel een aantal rivalen die ook aan wedergeboorte wilden doen uit de weg ruimen. Er was ene Inyotef en in Neder-Nubi? - sinds de dagen van Mentoehotep II weer deel van het rijk- een zekere Segerseni.  oals zijn naam aangeeft was de koning een aanhanger van de cultus van Amon, in plaats van Mentoe en hij deed veel om deze tot nog toe niet erg prominente godheid tot nationale bekendheid te brengen. Hij deed dat door terug te keren naar de theologie van Iunu = Heliopolis (Egypte) en te verklaren dat Amon en Ra (zonnegod) eigenlijk twee aspecten van dezelfde godheid waren. Daarmee probeerde hij meer grip te krijgen op het noorden. Hij verplaatste ook de hoofdstad van het zuidelijke Thebe naar een gloednieuwe plek bij el-Lisht die hij Amenemhat-Itj-Tawy noemde.

 
Hij hield expedities naar het zuiden, diep Nubi?in, en bouwde een fort bij de tweede cataract (Nijl). Ook de turkoois (mineraal) mijnen van de Sina?werden onder Egyptisch gezag gebracht. Vanaf zijn twintigste regeringsjaar benoemde hij zijn zoon en opvolger Senoeseret I (Sesostris in het Grieks) als co-regent om hem zo op zijn regeringstaak voor te bereiden. Senoeseret was op expeditie voor zijn vader toen hij te horen kreeg dat deze door een samenzwering in de koninklijke harem vermoord was. Deze gebeurtenis zou tot in het Nieuwe Rijk onderwerp van literaire studie blijven als het Verhaal van Sinuhe.

De piramide van Amenemhat I is een piramide die te vinden in El-Lisht. Van de piramide zelf is weinig over, je ziet nog een heuvel waar wat stenen onderuit komen. In de piramide zijn verschillende stenen gebruikt die uit de tempel van Chufu kwamen. Onder meer een oude steen waar heilige koeien op staan, en op dezelfde steen een cartouche met Cheops' naam. In 1882 kwam Gaston Maspero als eerste archeoloog bij de piramide. In 1894 kwam er een team van Franse archeologen die de piramide binnen ging. Uiteindelijk kwam als laatste een team uit Amerika om de piramide te onderzoeken, dat was in 1934. In deze "expedities" vonden ze weliswaar de tombe, maar hij was leeggeroofd.

Op het terrein van de piramide zijn nog een andere piramide gevonden, vermoedelijk van zijn vrouw, en drie Mastaba's, we weten niet van wie die zijn. Een van de drie is ingebouwd achter de tempel, dus het is redelijk aannemelijk dat die van een priester zou zijn. Op de tempel van Amenemhat, die overigens nog deels ingegraven ligt, is een begraafplaats, omdat de mensen eerst nog niet wisten dat daar een tempel lag. Bij zijn piramide ligt ook de piramide van Senoeseret I

            

 
 
Senoeseret I  ca. 1947 - 1911 v.Chr was een farao van de 12e dynastie. Zijn naam betekent (Senoeseret): "Man van godin Oeseret". En zijn tweede naam betekent: "De ka van Re is in beweging gekomen".

Hij was eerst tien jaar co-regent met zijn vader. Onder Senoeseret bereikt het rijk een culturele bloei. Senoeseret bouwde eveneens een piramide bij de nieuwe hoofdstad El-Lisht. Deze piramide is een kopie van de piramide van Pepi II. In de laatste drie jaar was zijn zoon co-regent. Militair probeerde hij zijn macht in het rijk te vestigen en daarbij moest hij de moordenaars van zijn vader bestrijden. De rijkste nomarchen heeft hij zeker niet aangekund en waarschijnlijk heeft hij ze toch wat autonomie moeten gunnen. Daarnaast heeft hij zijn rijk proberen uit te breiden naar het zuiden en daarbij Koesj onderworpen tot bij de 2e cataract. De stad Bouhen zou voor de verdere expedities een belangrijke rol spelen. In het noorden zijn er verschillende expedities naar de Sina?en er is ?n expeditie naar Poent geweest.

 
De piramide van Senoeseret I is een piramide van Senoeseret I in Egypte.

Hij was 61 m hoog en had een zijde van 101 meter. De piramide had een ander principe van bouwen. Er werd gewerkt volgens een kruisplan waarbij er muren uit kalksteen werden gezet. De ruimte tussen de muren werd opgevuld met puin, tichels en zand. Daarna werd de piramide bedekt met Toera-kalksteen. Deze manier van bouwen is zeer ineffici?t en de piramide lijkt vandaag niet meer dan een zandheuvel te zijn.

De ingang van de piramide is in het noorden en werd in 1882 door Maspero ontdekt. Rond de piramide stonden twee muren en verschillende bijpiramiden voor de vrouwelijke leden van de familie. Er zijn resten van de dodentempel gevonden en ook nog delen van de processieweg.

         

 
 
Amenemhat II of Amenemhet II  ca. 1911 - 1879 v.Chr was een farao van de 12e dynastie. Zijn naam Amenemhat betekent: "Amon is de belangrijkste", zijn tweede naam betekent: "De Ka's van Re zijn Goud".

Amenemhat II was eerst drie jaar co-regent. Men vermoedt dat de koning al vrij oud was toen hij op de troon kwam.

Er zijn vondsten gevonden uit de tijd van de koning waarin het land handel dreef met het Verre Oosten, Mesopotami?en zelfs Kreta. Verschillende artefacten (scarabee?, beelden) zijn gevonden op verschillende plekken in het Midden-Oosten. Bijzondere favoriet was Byblos waar veel voorwerpen werden verhandeld. De heersende elite maakte daar zelfs hi?ogliefen over Egyptische goden.

 
Er waren twee oorlogen tegen twee onbekende Aziatische steden. Er ging ook een militaristische expeditie naar Nubi? In het 28e regeringsjaar van de koning zond de koning zijn officier Chentichetaioer naar Poent.

In de Sina?is een aantal inscripties uit de tijd van Amenemhat II teruggevonden die aantonen dat de koning in regeringsjaar 2, 11 en 24 expedities naar dit gebied liet uitvoeren.

In het piramidecomplex van Amenemhat II in Dasjoer zijn de graven van de koningsdochters Chnoemet, Ita en Itaweret ongeschonden aangetroffen. Juwelen uit het graf van Chnoemet zijn van Aege?ch ontwerp.

In tegenstelling tot zijn vader en grootvader besloot Amenemhat II zijn piramidecomplex niet in El-Lisjt te bouwen maar in Dasjoer. Het is onbekend waarom Amenemhat II deze keuze maakte. Behalve de tichelstenen kern van de piramide is er tegenwoordig niet veel meer van het bouwwerk over. De bewoners van nabijgelegen nederzettingen hebben alle oorspronkelijke Toera-kalkstenen bekledingsblokken verwijderd. Hierdoor is het niet mogelijk de hellingshoek en de exacte omvang van de piramide te bepalen.

De koninklijke echtgenote van Amenemhat II was Keminoeb. De precieze afkomst van deze vrouw is niet bekend. Wel weten we dat zij in het piramidecomplex in Dasjoer is begraven. Samen kregen zij een zoon, de latere troonopvolger Senwosret II. Geheel volgens de traditie van de 12de dynastie had Amenemhat II een co-regentschap met zijn zoon. Een rotsinscriptie in Assoean maakt hiervan melding.

         

 
 
Senoeseret II   ca. 1879 - 1872 v.Chr. was een farao van de 12e dynastie. Zijn naam Senoeseret betekent: "Man van godin Oeseret", zijn tweede naam betekent: "De omtrek van Re is tevoorschijn gekomen".

Net zoals zijn vader was hij eerst drie jaar co-regent. Ongeveer 7 jaar is wat de geleerden hem geven. Deze tijd is mogelijk te kort, maar dat is omdat er geen bewijzen zijn gevonden na zijn regeringsperiode. Er is gesuggereerd dat hij zijn koningschap ook deelde met zijn zoon Senoeseret III, maar daar zijn de meningen nog over verdeeld.

Het buitenlandse beleid was hetzelfde als het beleid van zijn voorvaders. De relatie met West-Azi?was stabiel en vredig. Men vermoedt dat er een fort werd gebouwd rond de tijd van Amenemhat II en Senoeseret II in Nubi? wat betekent dat de relatie met Nubi?agressief was. In het binnenland bouwde Senoeseret II een dijk in de Fayoem en groef men onder zijn regering een aantal kanalen. Dit maakte de irrigatie in de Fajoem stabieler, zodat het minder overstroomde.

 
De piramide van Senoeseret II of de piramide van El-Lahoen is de piramide die farao Senoeseret II liet bouwen in El-Lahun, bij de Fayum.

         

De piramide werd gebouwd door Senoeseret II, maar de bedekking van de piramide werd al in de oudheid verwijderd en grotendeels herbruikt door Ramses II.  De piramide was in de oudheid ook al geplunderd en werd pas in 1890 voor het eerst weer betreden door de Britse archeoloog William Flinders Petrie. Voordien was de plaats al bezocht door Karl Richard Lepsius, maar het is vooral Petrie die het gebied onderzocht. Recentelijk zijn door C.M. Miller de arbeidersdorpen ontdekt.

De daltempel is zwaar beschadigd en het is voor archeologen onmogelijk om zelfs een grondplan te herconstrueren. Ze lag 1 kilometer ten zuiden van de piramide. De processieweg is ook grotendeels verdwenen en nog niet aan grote archeologische opgravingen onderworpen. Ze was alleszins vrij breed en lag ten zuiden van de piramide.

De dodentempel is ook niet bewaard gebleven, maar was alleszins opgebouwd uit graniet. Samen met de piramide was ze ommuurd en gebouwd in de geest van het complex van Djoser

De piramide was oorspronkelijk 48 meter hoog en de zijden waren 106 meter lang. De piramide stond boven op een heuvel en was gebouwd volgens een volkomen nieuwe techniek. De piramide was gebouwd uit kalksteensblokken die diagonaal waren geplaatst en de ruimte ertussen was opgevuld met tichels en gruis. De piramide werd dan bedekt met kalksteenplaten. Dit zorgde ervoor dat de piramide veel gemakkelijker te construeren was, maar anderzijds veel minder duurzaam. De ingang lag verborgen onder het graf van een koningin.De ingang van de piramide lag niet zoals gebruikelijk in het noorden, maar in het zuiden. Volgens de traditie lag de ingang in het noorden zodat de farao zijn plaats kon innemen bij de noordpool, maar deze traditie begon in het Middenrijk af te nemen en het leek de bouwers ook veiliger om de toegang tot de piramide beter te verbergen van grafrovers. Via de toegang van het graf leidde een lange weg nar de granieten grafkamer. Daar stond de sarcofaag van de farao in roze graniet
 
 

Mastaba's

 

Uit de prehistorische gewone tumuligraven ontwikkelden zich bij de Oude Egyptenaren de mastabagraven en later de piramiden. Mastaba betekent bank in het Arabisch. De grafmonumenten werden zo genoemd omdat ze vanuit de verte op een modder- of zandbank lijken. De mastaba heeft de vorm van een langwerpige afgeknotte piramide.

 

 

Ten noorden van de piramide stonden acht mastaba's die bedoeld waren voor de koninklijke familie. Deze waren op dezelfde wijze gebouwd als de piramide.

In het noordoosten stond een kleinere piramide die mogelijk diende als rustplaats voor de koningin. Dit is echter niet helemaal zeker en het is ook mogelijk dat de piramide diende voor de cultus van de farao.

         

Ook het graf van prinses Sithathoriunet, een dochter van Senoeseret II, werd ontdekt in een afgescheiden begraafplaats. Ten westen van de ingang van de piramide zijn in de tombe van prinses Sithathorioenet enkele uitzonderlijke grafgiften ontdekt waaronder borstversieringen (pectoralen) en een kroon of diadeem. Ze behoren tot de mooisten die ooit zijn gevonden in het Oude Egypte.

 
 
 
Senoeseret III Khakhaure   ca. 1872 - 1853 v.Chr. was een farao van de 12e dynastie. Senoeseret betekent: "Man van godin Oeseret", zijn tweede naam betekent: "De ka's van Re zijn tevoorschijn gekomen".

Senoeseret was een sterke vorst met absolute macht. Onder hem werd het bestuur verder uitgebouwd en verloren de nomarchen veel van hun macht. Cultureel was het ook een bloeiende tijd: er zijn talrijke beelden van de vorst die naast een strenge houding ook een groot realisme kennen: de koning werd vaak oud en vermoeid weergegeven. Er bestond in de kunst een sterke invloed van hogeraf maar anderzijds zien we in de regering van Senoeseret III een duidelijk pessimistische literatuur.

Er werden verschillende expedities naar het zuiden ondernomen, waarbij de grens verder dan de tweede cataract werd gelegd (waarschijnlijk tot Kerma).

 
De piramide van Senoeseret III te Dasjoer was gebouwd door de machtige vorst Senoeseret III. Ze was oorspronkelijk 78,5 meter hoog en bedekt met Toera-kalksteen, maar was echter niet zo sterk gebouwd en vandaag is ze slechts 30 meter hoog.

De ingang bevond zich niet in het noorden, maar in het westen. De piramide was omgeven door een muur, waarbinnen ook enkele mastaba's stonden. Er is geen dodentempel.

Het piramidecomplex werd gebouwd ten noordoosten van de Rode Piramide van Dashur en overtrof die van de vroege 12de dynastie in grootte en onderliggende religieuze opvattingen. Er is gespeculeerd dat Senoeseret er niet noodzakelijkerwijs begraven ligt maar wel in zijn verfijnde complex in Abydos. De piramide heeft een zijdelengte van 105 meter en is 78 meter hoog. Het totale volume is ongeveer 288.000 kubieke meter. De piramide werd gebouwd uit een kern van modder en bakstenen. De grafkamer werd bekleed met graniet. Boven de gewelfde grafkamer was een tweede kamer die werd overdekt met 5 paar van kalksteen gemaakte balken met een massa van 30 ton. Boven dit was een derde kleistenen kluis. Het piramidecomplex omvatte een kleine dodentempel en zeven kleinere piramides voor zijn koninginnen. Er is ook een ondergrondse galerij met graftombes voor koninklijke vrouwen. Hier werden de schatten van Sithathor en koningin Mereret gevonden. Er was ook een zuidelijke tempel, maar die is inmiddels vernietigd.

         

 
 
 
Amenemhat III of Amenemhet III   ca. 1853 - 1806 v.Chr.was een farao van de 12e dynastie. Zijn naam Amenemhat betekent: "Amon is de belangrijkste", zijn tweede naam betekent: "Re behoort toe aan Ma?".

Koning Amenemhat III was de enige zoon van Senoeseret III, de naam van de moeder is niet bekend (Sobeksjedeti Neferoe?). De koning had twee koninginnen die bij hem zijn begraven. Koningin Neferoesobek was waarschijnlijk een dochter van hem.

De koning had geen mannelijke opvolgers dus nam hij een regent aan, die zich later Amenemhat IV zou noemen.De farao zorgde voor een goed bestuur, zowel in als buiten Egypte, net zoals zijn vader. De uiterste grens met Koesj werd nu verlegd tot aan het plaatsje Semma en verschillende forten versterkt. Er waren ook activiteiten om koper te ontginnen in de Sina? maar ook in Nubi?

 
De interne politiek van het land was rustig. Hij zorgde voor dat de macht bij het centrale overheid kwam of bleef. De resultaat van zijn beleid was dat de rechten van de opperste klassen werden beperkt, ook in speciale offici?e functies. Er werden heel wat schrijnen en tempels gebouwd onder zijn regering, waaronder een grote tempel voor Sobek en de tempel voor Ptah in Memphis.  De bouwactiviteiten waren zo enorm, dat zelfs Aziaten werden aangetrokken om mee te helpen bouwen. Dit aantrekken van buitenlanders werd de dynastie noodlottig, want die stichtten een nieuwe dynastie.

Het einde van zijn dynastie werd ook verhaast door magere oogsten vanwege het uitblijven van de Nijlbevloei?gen. Dit had een onmiddellijke impact op de economie van het land. Dit feit was ook een reden waarom het minder goed ging met de eens zo stabiele periode.

Bij Amenemhat IV wordt hij wel als vader van hem genoemd. Ook bij Neferoesobek wordt Amenemhat IV als haar broer genoemd, dus Amenemhat III moet een mannelijke opvolger hebben gehad!

De piramide van Amenemhat III of de piramide van Hawara is de piramide die farao Amenemhat III liet bouwen in Hawara bij de Fayum.

         

De piramide zelf is 58 meter hoog en de zijden ongeveer 100 meter lang. De piramide is daarmee de laatste grote piramide die in Egypte is gebouwd. Oorspronkelijk was de piramide bedekt met kalksteenplaten. De ingang van de piramide lag in het zuiden en via een tweede gang kwam men dan in de grafkamer. Daar lagen twee sarcofagen. Een grote koninklijke sarcofaag uit kwartsiet en een kleinere onge?entificeerde.

          Topsteen van de piramide

De valleitempel en de processieweg zijn verwoest en nog niet echt onderzocht. Ze lagen ten zuidoosten van de piramide.

Ten zuiden van de piramide lag de dodentempel die nu grotendeels verwoest is. Het was een enorm complex dat ongeveer 28.000 m? besloeg. De tempel is vernoemd door Herodotes (Herod. II, 148), Strabo (Geogr. XVII, 1, 37), en Plinius de oude (Nat. Hist. XXXXVI, 19). Door zijn complexe gangensysteem met talrijke kamers kreeg het door Herodotes de naam 'labyrint'. Volgens hem was het labyrint van koning Minos gebaseerd op dit bouwwerk. Herodotes plaatste het labyrint ook op dezelfde hoogte als de piramiden en volgens hem waren er ongeveer drieduizend kamers in het complex. Oorspronkelijk was het complex , zoals bij het complex van Djoser, samen met de piramide ommuurd.

 
 
Amenemhat IV of Amenemhet IV  ca. 1806 - 1798 v.Chr is de zevende en voorlaatste koning van de 12e dynastie van het Oude Egypte.

Koning Amenemhat IV was de zoon van Amenemhat III. Doordat zijn vader lang heeft kunnen regeren moest hij lang wachten op de troon. Hij heeft naar alle waarschijnlijkheid geen zonen gekregen en zijn halfzuster Neferoesobek volgde hem waarschijnlijk op.

Sommige van zijn monumenten zijn nu nog te vinden en er is maar weinig bekend over zijn regering.  Hij was al een man van middelbare leeftijd toen hij farao werd.

Amenemhet IV voltooide de tempel van Renenutet en Sobek in Narmoethis. De bouw van deze tempels werden gestart door Farao Amenemhet III.
 
De koning is ook verantwoordelijk voor de voltooiing van een heiligdom bij de tempel van Hathor in de Sina?
Zijn graf is nog niet gevonden, maar het is goed mogelijk dat een piramide op Mazghuna zuid van hem is.

Mazghuna is een kleine Arabisch plaats tussen Dashur en El-Lisht.
De piramide wordt ?de zuid piramide? genoemd.
Men suggereert dat het bouwen van de piramide werd gestart door Farao Amenemhet III en afgemaakt door Amenemhet IV. 
Waar de modderstenen kern nog steeds te zien is ontbreekt elk spoor van de kalkstenen bedekking.
De ingang naar het ondergrondse gedeelte was in het midden van het zuidelijke gedeelte. Een afdalende gang leidt een trap naar beneden en was geblokkeerd op 3 plaatsen; uiteindelijk kwam deze uit in de grafkamer, gesitueerd op de verticale as van de piramide.

         

 
 
Sobekneferoe of Sobeknofru ook Neferoesobek of Neferusobek,  ca. 1798 - 1786 v.Chr. was de laatste farao van de 12e dynastie. Haar naam betekent: "de schoonheid van Sobek".Ze was de dochter van de farao Amenemhat III en Neferoeptah. Ze was gehuwd met haar broer Amenemhat IV maar deze stierf al vlug een kinderloze dood.

Haar naam Sobek verwijst naar de god Sobek en vermoedelijk had ze een sterke band met de Fajoem.

Er zijn verschillende bewijzen van haar regering onder andere op een Nilometer in Nubi?uit haar 3e jaar. Ze heeft ook een begin gemaakt met een piramide maar deze is nooit voltooid, ook niet onder haar opvolger. Een latere vrouw die openlijk het faraoschap waarnam, Hatsjepsoet, zou haar als inspirerend voorbeeld hebben genomen.

 
Ze was de dochter van Farao Amenemhet III en werd na de dood van Amenemhet IV Farao. Daarmee was ze de eerste echte koningin van Egypte. Er waren weliswaar tijdens eerdere Dynastie? vrouwen aan de macht maar deze werden niet erkent als Farao, maar als regentes over het koninkrijk. Sobekneferu had een oudere zus genaamd Neferuptah die mogelijk de beoogde erfgenaam was, maar zij stierf op jonge leeftijd. Ze had waarschijnlijk geen nakomelingen, dus toen ze stierf, eindigde de Twaalfde Dynastie. 

Na haar regering vangt de Tweede Tussenperiode aan. Weer een periode zonder centraal gezag waarin de 13e t/m de 17e dynastie 'heersen'.

Een opmerkelijk verhaal is dat zij wel eens de pleegmoeder van Mozes geweest kan zijn. Veel historici en geleerden geloven dat Sobekneferu de prinses was die Mozes gevonden zou hebben in de rivier de Nijl en adopteerde hem.

Ten tijde van de 12e en 13e dynastie? werden de Israelieten door de Egyptenaren zwaar onderdrukt. Josephus vermeldt dat de Israelieten de taak kregen voor het bouwen van piramides. De piramides van de 12e dynastie had een kern van modder bakstenen. De Bijbel vermeldt dat de Israelieten in de tijd van Mozes werden gedwongen om modder bakstenen te maken voor de Farao. 

Er was zelfs een geboortepolitiek ingevoerd die erop neer kwam dat alleen meisjes mochten blijven leven. Senusret III beval dat alle mannelijke Israelische baby's bij de geboorte moesten worden gedood. Daarom werd Mozes door zijn moeder als baby te vondeling gelegd tussen het riet van (een zijarm van) de Nijl, in een mandje, de ark van Mozes. In de bijbel staat dat hij werd gevonden door een dochter van de farao die daar net een bad ging nemen. Omdat Sobekneferu kinderloos was nam zij hem mee en 'adopteerde' zij Mozes. Zij voedde hem op alsof het haar eigen kind was.
Mozes kreeg een koninklijke Egyptische opvoeding en hij lijkt te zijn voorbereid om de volgende farao worden. Vandaar dat sommige geleerden geloven dat Mozes Amenemhet IV was en Sobekneferu de prinses die hem geadopteerd had.

Mozes groeit op aan het Egyptische hof en komt pas op zijn veertigste jaar tot het besef dat hij eigenlijk bij een ander volk hoort, namelijk dat van Israel. Hij gaat dan, misschien voor het eerst, eens een kijkje nemen in de provincie waar zijn volk leeft. Hij ziet de onderdrukking door de Egyptische slavendrijvers en maakt zich zo kwaad dat hij een van die slavendrijvers doodt en ter plaatse eigenhandig begraaft. Door het doden van een Egyptenaar verraadde Mozes zijn ware identiteit en waar zijn loyaliteit lag. Dit maakte hem ongeschikt om de volgende farao te worden. De Farao kwam erachter wat Mozes had gedaan en Mozes is vanaf dat moment zijn leven niet meer zeker. Hij vlucht het land uit en komt in Midian
Dit zou de oorzaak van de plotselinge verdwijning van Amenemhet IV kunnen zijn en de reden waarom zijn graf nooit is gevonden.

 

Farao,s van de 13e Dynastie

De 13e dynastie van Egypte is een tijdvak van het Oude Egypte, dit duurde ongeveer 153 jaar en maakte deel uit van de Tweede Tussenperiode. De 12e dynastie is een stabiele tijd geweest waarin farao's lang leefden en waarvan veel bronnen bekend zijn. De 13e dynastie is een overgang naar chaos in Egypte, waarin farao's elkaar snel opvolgden en er niet veel en warrige bronnen bestaan. Het lijken echter de viziers te zijn, die het land bijeen hielden. De hoofdstad werd verplaatst naar Memphis en later naar Thebe.

Volgens huidige inzichten werd het land geregeerd door verschillende families anders dan in de 12e Dynastie van Egypte. Sommige van deze farao's werden door concurrerende families uitgewist. In sommige gevallen is bekend dat de farao niet begraven mocht worden in zijn eigen piramide. Doordat de farao's zo snel opvolgden, de warrige bronnen en op elkaar lijkende namen van farao's is het moeilijk om een exacte lijst te maken van opvolging.

De bronnen van opvolging is vaak onduidelijk. Sommige koningen hebben wat vreemde koningsnamen zoals Ameny-Antef-Amenemhat, deze namen bevatten de naam van de koning zelf, die van hun vader en vaders-vader. Dit zou dus gelezen moeten worden als Amenemhat VI zoon van Antef, zoon van Ameny (Amenemhat V). Dit helpt het construeren van de opvolging. Men denkt dat Sobekhotep I en Sonbef (of Senebef) broers van elkaar zijn geweest en zoon waren van een ene Amenemhat. Aangenomen dat Amenemhat III Nimaatra geen zonen had, is dit naar alle waarschijnlijkheid Amenemhat IV Nimaatcheperure geweest.

Diverse andere koningen zijn van niet-koninklijke afkomst zoals Amenemhat V, Sobekhotep II en Khendjer.

De laatste vijftig jaar van de 13e dynastie werd de macht van de farao steeds minder. De legers die de Levant en Koesj bezet hadden, vertrokken. Hierdoor ontstond een nieuwe staat in Koesj. In het noordoosten van de Nijldelta ontstond er een nieuwe macht bij Tell el-Daba van Palestijnse koningen. Sommigen egyptologen zien dat als de 14e Dynastie van Egypte. Later werden deze Palestijnse koningen veroverd door de "Hyksos" koningen of de 15e Dynastie van Egypte. Rond 1640 v.Chr. werd de 13e dynastie omvergeworpen door de Hyksos.

Alle bekende begrafenis monumenten van de 13e dynastie staan in Memphis. Een aantal van deze monumenten zijn ge?entificeerd als piramides, alleen maar vijf zijn volledig ge?specteerd en alleen drie laten de namen zien van de koningen.

 
 
Wegaf  ca. 1786 - 1783 v.Chr was een koning in het Egypte tijdens de 13e Dynastie. Zijn tweede naam Khutawyre betekent: "Re is de beschermer van de twee landen!" Gegevens over de identiteit van Wegaf zijn twijfelachtig. Hij leefde in een ingewikkelde tijd toen Egypte in verval was. De koningsnaam komt voor in de Turijnse koningslijst als de eerste heerser van de 13e Dynastie. Maar volgens Kim Ryholt kan de naam Khutawyre ook ge?terpreteerd worden als de koning: Sekhemre-Khutawy.  Er is een aantal bewijzen voor het bestaan van de koning gevonden, zo is er een scarabee gevonden van een generaal die waarschijnlijk dezelfde persoon is als Wegaf, een blok van een Montoe-tempel bij Medamud met zijn naam, een zittend godsbeeld van Dedwen bij de vestiging Semna, een stele en resten van een beeld uit Karnak.
 
Hij zal waarschijnlijk geregeerd hebben uit de hoofdstad Itj-Tawy als eerste in een rij van ongeveer tien koningen. Verder is hij bekend van twee st?es in Karnak en Lagere Nubi?en van een beeldje in het Museum van Khartoum in Soedan.
 
 
 
Amenemhat V of Amenemhet V  ca. 1783 - 1780 v.Chr  was een koning van Egypte in de 13e Dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn eerste naam betekent: "Amon is bij zijn hoofd!", zijn tweede naam: "Machtig is de ka van Re!"

Deze Amenemhat, ook wel op verschillende monumenten als Amenemhat-Senebef aangeduid, zou dezelfde farao zijn die als Sekhemkare in de Turijnse koningslijst staat. Er is een probleem met identiteit, er is zowel bekend dat er een Amenemat is en een Amenemhat-Senebef. Volgens J?gen von Beckerath en Ryholt zijn deze twee ?n persoon. Bewijzen van deze farao zijn de Nijlvloed geschriften en een beeld gevonden te Elephantine. Steenblokken met inscripties uit Tod. Een zegel en een scarabee en inscripties Semna en Aksut. De koning regeerde ongeveer drie jaar.

 
 
 
Sekhemre-Khutawi  ca. 1775 - 1772 v.Chr  was een farao in de 13e Dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn eerste naam betekent: "Krachtig is Re! Beveiliger van de twee landen".Een koning met de naam Khutawyre staat ook in de Turijnse koningslijst als de eerste heerser van de 13e Dynastie. Maar sommige onderzoekers zoals de Egyptoloog Kim Ryholt leggen uit, dat de oorspronkelijke auteur zich vergist heeft met de naam Khutawyre met de naam Sekhemre-Khutawy. Daarom plaatsen sommigen Wegaf naar het midden van de 13e Dynastie en Sekhemre Khutawy Sobekhotep aan het begin van de dynastie, maar daarmee is het probleem niet mee opgelost. Ryholt gelooft dat de Sekhemre Kutawy Sobekhotep I de zoon was van Amenemhat IV.

Zijn bestaan wordt ook bewezen door het papyrus van Illahun en een Nilometer uit Semna te Nubi?als ook op een koninklijke plaat van Karnak en artefacten van Bubastis, Uronarti en Kerma.

 
 
 
Ameni-Kemaw  ca. 1770 - 1762 v.Chr is een koning van de 13e Dynastie van Egypte.

Deze koning is bekend van zijn piramide, maar de koning heeft ook nog andere monumenten op zijn naam staan. Als Sehotepibre staat hij in de Turijnse koningslijst en heeft ?n jaar geregeerd.  Verder is er weinig bekend. Pas in 1957 werd hij bekend doordat een Amerikaanse expeditie die aan het werk was in Zuid Dashur, een nog niet eerder onderzochte lage structuur van modderstenen rotzooi op aan graven was. Al gauw ontdekten zij een fundering van een tot dan toe onbekende piramide. De eigenaar van deze piramide werd ge?entificeerd als koning Ameni Kemau.
Deze koning is verder erg weinig bekend en moeilijk te plaatsen in de lange lijst van koningen uit deze stoffige periode.

 
Vandaag de dag is de piramide nauwelijks zichtbaar en bepaald niet makkelijk te zien dat dit door mensen is gemaakt; het ziet er meer uit als een natuurlijk iets. De details van de bovenbouw zijn bijna helemaal verdwenen, maar het is waarschijnlijk dat er een constructie gemaakt was van kalksteen.
De ingang van de piramide werd gebouwd op dezelfde wijze van de piramides uit de 12e dynastie. Er werd geen dodentempel, vallei tempel of iets van een verhoogde weg gevonden. Het is zelfs twijfelachtig of de piramide ooit voltooid werd. De bodemzijde mat oorspronkelijk 52 meter en 35 meter hoog. De piramide van Ameni was ?n van de laatste monumentale piramides die gebouwd werden voor de laatste rustplaats van de farao. Het is zodanig een waardevol object, ook voor studies van de lange ontwikkeling van de beroemde farao graven.

         

 
 
Amenemhat VI of Amenemhet VI  ca. 1761 - 1758 v.Chr  is een koning van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid en is bekend met zijn troonnaam S'ankh-ib-re uit de Turijnse koningslijst. Van de koning is bekend een rolzegel, in Heliopolis is er blok met inscriptie van de koning en de koningslijst van Karnak vermeldt hem ook.

Zijn naam wordt tevens vermeld op een paar eigentijdse kunstvoorwerpen. Twee cylinderzegels uit el-Mahamid el-Qibli, Een offertafel te Karnak met zijn naam in cartouche en een cartouche met zijn naam gegraveerd in een gedenksteen uit Abydos. 
Het is onduidelijk of Amenemhet VI regeerde over heel Egypte. Hij had waarschijnlijk de controle over de regio van Lager Nubi?

 
 
 
Nebnun Semenkare   ca 1750 - 1748 v Chr is een koning van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid.  Deze heerser kent men van de Turijnse koningslijst en van een stele uit het oosten van Egypte. Uit deze stele kan worden opgemaakt dat het bedoeld was voor Ptah en aan de andere kant voor Horus die de vreemde landen beheerst. De stele is gemaakt uit faience; waarschijnlijk had de farao toegang tot de Sina? De farao heeft niet lang geregeerd, hooguit twee jaar.
 
 
 
Hornedjheriotef  ca 1748 - 1745 v Chr was een koning van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent: "Horus beschermt zijn vader" en zijn tweede naam: Bevredigend hart van Re.

De farao is bekend van de Turijnse koningslijst. Hij is van Aziatische origine. Van de bewijzen is bekend dat hij een paleis heeft gebouwd bij Tell el-Daba, een scarabee te Jericho een beeld heeft achtergelaten.

 
 
 
Nedjemibre ca 1742 - 1742 v Chr is een koning van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent "Het hart van Re is gunstig gestemd"  Deze regent of koning is bekend van de Turijnse koningslijst. Van hem zijn ook twee scarabee? uit Memphis en uit Klein-Azi?bekend.
 
 
 
Sobekhotep I  ca 1741 - 1738 v Chr is een koning van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent: Sobek is tevreden! en zijn tweede naam: Levende incarnatie van Re.

De afstamming van deze heerser is onduidelijk en men twijfelt of hij van koninklijken bloede was. Misschien was hij van burgerlijke afkomst, misschien was hij een generaal die carri?e heeft gemaakt, zoals Neferhotep I.

 
Zijn namen komen voor op verschillende reli?s uit een kapel die in Abydos stond . Ook is een beeld van hem gevonden te Karnak, gewijd aan de god Amon-Ra. Waarschijnlijk heeft de koning niet lang geheerst.
 
 
 

Hor I  ca  1736 - 1731  v Chr is een koning van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid. Hij staat in de Turijnse koningslijst vermeld als Au-ib-R?/i>. Deze tweede naam betekent: 'Re maakt keuzes!.

Van Hor is bekend dat hij in de piramide van Amenemhat III is begraven. Zijn graf werd in 1894 door Jacques de Morgan in de schacht van de piramide ontdekt in Dahshur. De graftombe werd zo goed als intact aangetroffen. De mummie van de heerser lag in een ongedecoreerde sarcofaag, die van binnen met goud was beslagen. Daarnaast stond een kast met de insignes van de koning. Er is ook een beeld met het Ka-teken gevonden dat vroeger met bladgoud was beslagen. De mummie van Hor had een gouden masker. De canopen waar de organen van deze koning in lagen, waren verzegeld met de troonnaam van Amenemhat III.

Naast de begraafplaats van de koning werd de intacte tombe van de 'koningsdochter' Noebhotepti-chered aangetroffen. Zij was waarschijnlijk een dochter van koning Hor.

Als heerser was farao Hor van geringe betekenis. Men meent dat zijn bewind zeven maanden duurde en ongeveer rond 1760 v.Chr. plaatsvond. Dit sluit aan bij de archeologische vondsten, waaruit blijkt dat er geen tijd was voor de bouw van een eigen piramide. Hij is vooral bekend vanwege het houten beeld.

Men denkt tegenwoordig dat Hor een zoon van Amenemhat III was en dat hij mogelijk met hem regeerde totdat hij stierf. Een bewijs van het bestaan van de koning is een blok in Tanis, waarop hij samen met zijn zoon op een plaket staat. Het blok wordt nu in Berlijn bewaard.

 
 
 
Kay Amenemhat of Amenemhet VII  ca 1731 - 1724 v Chr is een koning van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid. Kay Amenemhat is bekend van beeldengroep in Medamud, waaronder ook inscripties van Wegaf bevinden. Er is ook bekend een scarabee, rolzegel voor Sobek uit Gebelein en graffiti in de piramide van Chuit (een gemalin van Teti II) in Sakkara.
 
 
 
Sobekhotep II  ca 1724 - 1718 v Chr is een koning van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent: "Sobek is tevreden", zijn tweede naam betekent: "Re is krachtig in de twee landen!"

Deze koning is bekend van diverse monumenten: een beeld, boekhoudingen over de Nijlstanden in Nubi? blokken steen van Madamud en Luxor. Van de Nijlstanden is bekend dat de koning drie jaar heeft geregeerd. Een papyrus: Boulaq 18 is een boekhouding van een paleis in Thebe onder Sobekhotep II en noemt de vrouw van de koning: Ay en de vizier Ankhu en anderen.

 
Er is onduidelijkheid in de wereld van de egyptologie over de positie in de koningslijst in de 13e dynastie. Zijn troonnaam Sekhemre Khutawyre verschijnt als de 19e koning maar een ander document vermeldt dat hij misschien heeft geregeerd aan het begin van de 13e Dynastie. In beide documenten worden alleen de koningen van de late 12e en 13e dynastie vermeld.
 
 
 
Chendjer  ca 1718 - 1712 v Chr is een koning van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid. 

De laatste regeringsdatum van Chendjer is de vierde maand van het seizoen Akhet, dag 15 van zijn vijfde regeringsjaar. Maar Chendjer is vanwege zijn piramidecomplex het bekendst; dit is door G. Jequier bij Saqqara ontdekt. Chendjer is ook bekend van verschillende inscripties die zijn naam vermelden als zijn Semitische naam.

Zijn begraafplaats is een piramide te Noord-Sakkara.
Het bestaan van de farao Chendjer is vastgelegd op 2 payrussen, van Brooklyn en Bulak-18.
In de Turijnse koningslijst is Chendjer weggelaten.

 

De piramide van Chendjer is ontdekt door Jequier in 1929, gedurende zijn opgravingen te Zuid-Sakkara ten zuiden van Sjepseskaf's mastaba.
De modderstenen kern was bedekt met een laag kalkstenen blokken.
De fundering is te betreden aan de voet van de westmuur, nabij de zuidwesthoek van de piramide. De ingang was een dalende helling, met in het midden een trap. Ondergronds veranderd die 3 keer van verdieping en maakt die 4 rondjes om het midden van de piramide, voordat men in de grafkamer uitkomt.
De grafkamer was gemaakt van een grote stenen monolith en het plafond bestaat uit 2 andere additionele blokken. De dodentempel die later compleet werd vernietigd, stond aan de oostkant van de piramide.

         

 
 
Imiramesha was een farao of een vizier uit de 13e dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn naam betekent: Commandant van het leger.

Deze koning is bekend van de Turijnse koningslijst, maar er zijn ook diverse standbeelden van hem gevonden. Ook is er een hoofd van hem gevonden. De lengte van zijn regering is onbekend maar deze heeft niet langer geduurd dan een paar jaar.

Omdat zijn naam "commandant" of "opzichter van het leger" betekent, neemt men aan dat Imiramesha een generaal was voordat hij farao werd. Hij kwam waarschijnlijk aan de macht door een militaire coup tegen zijn voorganger Chendjer.

 
Aan de koning zijn kolossale zittende standbeelden van Tanis toegewijd, voornamelijk geplaatst te Memphis, die oorspronkelijk moeten zijn opgezet in de tempel van Ptah. De kolossen werden later toege?gend door de latere Hyksos heerser Apepi I ten tijde van de Vijftiende Dynastie. Apepi I had zijn naam gegraveerd op de rechter schouder van elk standbeeld met een toewijding aan "Seth, Heer van Avaris" en had de beelden geplaatst naar zijn hoofdstad, Avaris. Later werden de kolossen verplaatst naar Pi-Ramses door Ramses II, die ook zijn naam had gegraveerd met een verdere toewijding aan Seth. Ten slotte werden de standbeelden naar Tanis gebracht tijdens de 21e dynastie waar de kolossen verbleven tot de opgravingen in 1897 onder leiding van Flinders Petrie. 
De twee beelden zijn nu in het Egyptisch Museum te zien.

         

 
 
Antef IV  ca 1709 - 1709 v Chr was een farao of een vizier uit de 13e dynastie van de Egyptische oudheid.

Hij wordt vermeld op de Turijnse koningslijst en wordt geplaatst tussen Imiramesha en Seth Meribre. Antef IV staat ook vermeld op de konigslijst van Karnak. Verder wordt zijn bestaan bevestigd door zijn naam dat vermeld staat op de onderste helft van een zittende standbeeld in de tempel complex van godin Renenutet in Medinet Madi in de Faiyum. Het standbeeld staat nu in het Egyptisch Museum te Cairo.

 
 
 
Sobekhotep III  ca 1708 - 1705  v Chr is bekend van zeer veel objecten, toch regeerde hij maar voor drie jaar. De Turijnse koningslijst geeft hem een regeringsjaar. Van hem is bekend dat hij inscripties op de tempel van Montoe in Medamud heeft toegevoegd, en een kapel in el-Kab. In Sehel werd een altaar gevonden met zijn naam.

De familie van de koning is erg bekend. Zijn vader was een zekere Montoehotep, zijn moeder werd Jewetibaw genoemd. De koning had twee gemalinnen, Senebhenas en Neni. Van Neni is bekend dat ze twee dochters had, Jewetibaw en Dedtanuq. Opmerkelijk is dat Jewetibaw haar naam in een cartouche liet graveren, dit was de tweede keer in de Egyptische historie dat een koningsdochter deze eer kreeg.

 
Er zijn verschillende scarabees bekend met de naam van een officier tijdens de regering van Sobekhotep, het kan zijn dat het van Sobekhotep III zelf is van voor hij koning werd of de macht greep.

Sobekhotep III was de eerste van een aantal koningen die bekend werd om hun groot aantal artefacten. Ze produceerden diverse zegels en monumenten. Tijdens zijn regeringsperiode was Egypte redelijk stabiel.

 
 
 
Neferhotep I  ca 1705 - 1694 v.Chr.was koning van Egypte gedurende de 13e dynastie.

 In zijn tijd was het koninklijk gezag sterk in verval geraakt en veel koningen van zijn dynastie regeerden vaak niet langer dan een jaar. De macht lag meer in handen van de bureaucratie en de vizier, dan in die van de farao. Neferhotep was de sterkste koning van deze tijd. Hij regeerde over vrijwel geheel Egypte (behalve over Xois, dat in handen van de 14e dynastie was) en probeerde hervormingen door te voeren. Ondanks de binnenlandse moeilijkheden was Egypte nog steeds een macht van belang, wier gezag tot in Byblos erkend werd. De opbloei zou echter maar van korte duur zijn. Er was al geruime tijd een proces van immigratie vanuit Azi?aan de gang en onder de regering van Neferhoteps broer Sobekhotep IV brachten Aziaten de stad Avaris onder hun gezag.

 
 
 
Sahathor  ca 1694 - 1694 v Chr was farao tijdens de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid.

Sahathor regeerde tussen zijn broers in, zijn oudste broer Neferhotep I en Sobekhotep IV. Hij regeerde een kleine periode, en is opgetekend in de inscripties in de Sehel en Wadi Hammamat. Beelden zijn van hem bekend in de tempel van Hekaib op het eiland Elephantine ten zuiden van Egypte.

Volgens de koningslijst van Turijn heeft hij nog geen jaar, een onbekend aantal maanden en drie dagen geregeerd. Op de koningslijst van Karnak ontbreekt Sahathor.

 
 
 
Sobekhotep IV  ca 1693 - 1685 v Chr is een van de bekendste Egyptische koningen van de 13e dynastie. Zijn broers Neferhotep I en Sahathor of Sihathor regeerden voor hem. Zijn vader was hogepriester Ha-Ankh-ef en zijn moeder Kemi. Op zijn st?e bij de grote tempel van Amon in Karnak beweert hij de geboren te zijn in Thebe.

Sommige bronnen vermelden dat er een militaire campagne naar Nubi?is geweest. De Joodse schrijver Artapanus beweert dat onder zijn regering, de legende van Mozes plaatsvond.

De koning heeft tien jaar over Egypte geregeerd. Hij is bekend van verschillende monumenten, st?es, beelden, zegels en andere objecten. Ook zijn er bronnen uit zijn tijd die vermelden dat in opdracht van Sobekhotep IV gebouwd is in Abydos en Karnak.

 
De vrouw van de koning was Tjan en verschillende kinderen zijn bekend. Ook het koninklijk paleis is bekend. Zijn vizier was Neferkare Iymeru, de schatbewaarder was Senebi en hoogste officier was een zekere Nebanch.

         

 
 
Sobekhotep V  ca 1685 - 1680 v Chr was een farao van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid. Zoals veel van de heersers van de 13e dynastie is er weinig bekend van hem. Volgens de Turijnse koningslijst is hij de opvolger van Sobekhotep IV. Hij regeerde volgens het document maar 3 tot 4 jaar. Sobekhotep IV zou zijn vader kunnen zijn, deze had ook een zoon genaamd Sobekhotep. Sobekhotep is bekend van een beeld gevonden te Kerma en van verschillende scarabee-zegels.    
 
 
 
Iaib Wahibra  ca 1680 - 1669 v Chr staat op de Turijnse koningslijst als 28e koning van de Dertiende Dynastie en dicht hem 10 jaar, 8 maanden en 28 dagen heerschappij toe.
Zijn naam betekend: ?Re is sterk van hart? en komt voor op een scarabee.
Zijn vrouw was vermoedelijk koningin Khaesnebu.

Er zijn verschillende scarabee? gevonden die zijn naam bevat. Er is ook een stele van een officier Sahathor. Zijn vrouw was koningin Khaesnebu.

 
 
 
Ay of Ai, Menneffere  ca 1669 - 1656 v Chr was een farao van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid. 

Ay is vooral bekend van de vele scarabee?. Dat de pyramidion van zijn tombe is ontdekt bij Avaris suggereert dat de Hyksos zijn graftombe hebben leeggeroofd. Dit kan worden bevestigd omdat de piramide inscripties bevat van offers aan de god Ptah. Het vereringscentrum van deze god lag in Memphis, niet in Avaris.

Hij is de laatste farao die werkelijk over heel Egypte heeft geregeerd. Men komt aan deze stelling omdat er bewijzen van hem zijn opgegraven in heel het land.

 
          
 
 
 
Sobekhotep VI  ca 1656 - 1654 v Chr was een farao van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid. Hij regeerde 2 jaar, 2 maanden en 9 dagen.

Er is niet zoveel bekend over wat er na de heerschappij van zijn voorganger Ay I gebeurde. Egypte lijkt te zijn verzonken in chaos. Van Sobekhotep VI is weinig bekend. Zijn troonnaam komt alleen voor in de Turijnse koningslijst, de koningslijst van Karnak en op steles uit Abydos en Karnak. In een cachette (verborgen plaats) in Karnak is een stele van hem gevonden.

 
 
 
Ini I  ca 1654 - 1654 v Chr was een farao van de 13e dynastie uit de Egyptische oudheid.

We kennen de koning doordat deze wordt genoemd op een scarabee, het enige bewijs van zijn bestaan. Men vermoedt dat de koning na hem samen hebben geregeerd in verschillende delen van Egypte. Wat ook niet bekend is hoelang deze koning heeft geregeerd.

 
 
 
Sankhenre Sewadjtu  ca 1654 - 1651 v Chr was een koning uit de Dertiende Dynastie, vermeldt op de koningslijsten van Turijn en Karnak.

Hij wordt geplaatst als opvolger van Ini I en waarschijnlijk regeerde hij vanuit Memphis gedurende 3 jaar en 2 maanden. Deze koning is vrijwel onbekend omdat hij regeerde tijdens een periode dat Egypte in verval raakte en hij de controle kwijtraakte.

 
 
 
Ined & Neferhotep II ca 1651 - 1647 v Chr wordt alleen genoemd op de Turijnse koningslijst en staat als 33e en 34e op deze lijst. Hij regeerde vanuit Memphis gedurende een zeer korte tijd.

De identiteit van Ined Mersekhemre met betrekking tot Neferhotep II is nog steeds in twijfel. Twee koninklijke standbeelden van een koning genaamd Mersekhemre Neferhotep werden ontdekt door Georges Legrain in 1903 in Karnak en zijn nu te zien in het Egyptisch Museum.

Egyptologen J?gen von Beckerath, Detlef Franke, Jacques Kinnaer, Rolf Krauss en Donald B. Redford concluderen dat Ined Mersekhemre genoemd op de Turijnse koningslijst en Mersekhemre Neferhotep ?n en dezelfde persoon zijn. 

 
 
 
Hori - Hor II  ca 1646 - 1646 v Chr wordt alleen vermeldt op de Turijnse koningslijst. Volgens deze bron heerste hij niet langer dan 1 jaar. 

Er is verder helemaal niets van hem overgebleven.
 
 
 
Sobekhotep VII  ca 1644 - 1642 v Chr was volgens de Turijnse koningslijst de 37e Farao van de Dertiende Dynastie. Hij regeerde net zoals zijn voorgangers waarschijnlijk vanuit Memphis over een verdeelde Egypte.

Sobekhotep VII wordt genoemd op een scarabee zegel van onbekende oorsprong en door twee standbeelden gewijd aan god Amoen. 
De beelden waren oorspronkelijk uit Karnak en zijn nu in het Egyptisch Museum en in het Louvre Museum te zien. 
De beelden tonen Sobekhotep VII samen  met zijn twee zonen Bebi en Sobekhotep, beide voorzien van de titels van "zoon van de koning" en "gerecht offici?e". 

Helaas is er net als zijn voorgangers niet veel bekend over deze koning.
 
 
 
Dedumose  ca 1641 - 1638 v Chr was een Egyptische Farao van de Dertiende Dynastie.
Het betreft hier 2 heersers met dezelfde naam of ?n die van naam is veranderd gedurende zijn regeerperiode.
Soms wordt deze heerser volgens Manetho ge?entificeerd met de Griekse naam Tutimaios onder wie Egypte waarschijnlijk is aangevallen door de Hyksos. 
Manetho geeft aan dat hij zijn land moest opgeven aan de Hyksos.
Volgens de opinie van D. Franke zou Didumes een tijdgenoot van Salitis zijn geweest, de eerste Hyksos heerser.
Hij wordt vermeld op een st?e gevonden in Edfu die behoorde tot de zoon van een koning en commandant Khonsemwaset. Opmerkelijk is en om onbekende redenen wordt hij niet vermeld op de Turijnse koningslijst.
Restanten van hem zijn erg schaars en afgezien van zijn namen en titels in enkele inscripties is er niets gevonden.
 
 
 
Dedumose II een was zoon van Dedumose I.. Helaas is over de situatie van Egypte tijdens zijn regeerperiode niets bekend.
 
 
 
Ibi II  Deze koning wordt enkel vermeldt op de koningslijst van Turijn. Helaas is over de situatie van Egypte tijdens zijn regeerperiode niets bekend. Er wordt gedacht dat hij hevig moest strijden tegen de Hyksos om zijn eigen land te behouden en verloren land te heroveren.
 
 
 
Hor II Deze koning komt alleen voor op de Turijnse koningslijst. 
Er is helemaal niets over hem bekend en over de politieke situatie in Egypte.
 
 
 
Se ? kare  Zijn naam is vanwege beschadiging bijna niet te lezen op de Turijnse koningslijst. Hoewel men denkt dat hij Sedjefakara moet zijn.  Er is net al zoveel koningen uit deze periode helemaal niets over hem bekend.
 
 
 
Senebmiu  ca 1632 - 1631 v Chr was een Egyptische Farao van de Dertiende Dynastie.
Volgens egyptologist J?gen von Beckerath, was hij de 41e koning van deze Dynastie. Darell Baker stelt voor dat hij de 57e heerser kon zijn. 

Senebmiu is een slecht geattesteerd Farao. Helaas is de Turijnse koningslijst zwaar beschadigd na de naam Sobekhotep VII en de identiteit en de chronologische volgorde van de laatste koningen uit de 13e dynastie is zeer discutabel en onmogelijk om te bepalen met behulp van dit document.
 
Senebmiu's prenomen Sewahenre zouden gedeeltelijk gelezen kunnen worden in kolom 8, regel 16 van de papyrus, die Se [...] enre aangeeft. 

Er zijn maar zeer weinig attesten van Senebmiu. Een fragment van een kalkstenen st?e ontdekt door GW Fraser in 1893 in Gebelein en nu te zien in het British Museum draagt ​​de vermelding "Zoon van Ra, van zijn lichaam, Senebmiu". 
Een andere inscriptie van Senebmiu werd ontdekt in de dodentempel van Mentuhotep II in Deir el-Bahri, waar zijn naam is gegraveerd met titulatuur van de koning. Er is ook nog een staf gevonden van de koning waar zijn prenomen ingeschreven staan; "opzichter van moerassen bewoners Senebni".
 
 
 
Sekhaenre  ca 1631 - 1631 is een heerser die genoemd wordt op de koningslijst van Turijn en op de resten van een dodentempel van Mentuhotep II te Deir El-Bahari.  Er is verder helemaal niets bekend over deze koning.
 
 
 
Merkheperra - Merikheperre  ca 1631 - 1630  v Chr was een Egyptische Farao van de Dertiende Dynastie.

De regent, genaamd ?Geliefd door Ra? wordt genoemd op de koningslijst van Turijn en een scarabee met zijn naam is te zien in het British Museum.
Zijn naam is op de Turijnse koningslijst samen met vier andere namen bijna volledig onleesbaar. De macht van deze farao was beperkt tot Boven-Egypte omdat de Hyksos volledig regeerden over het Noorden (Beneden-Egypte) van Egypte. Er wordt zelfs gedacht dat hij een ondergeschikte positie had.
 
 
 
Merkara was een Egyptische Farao van de Dertiende Dynastie.
Hij wordt alleen vermeld op de Turijnse koningslijst en er zijn verder geen overblijfselen van hem gevonden.
 
 
 
Senusret IV was een Farao van de Dertiende Dynastie.
Een heerser waarvan niet bekend is waar hij in het rijtje thuis hoort, hoewel hij vrij zeker tot deze dynastie behoort.  Zijn bestaan en zijn naam worden bevestigd door sommige artefacten, de koningslijst van Karnak en een st?e uit het eerste jaar van zijn regeerperiode.
 
 
 
Mentuenzaf was zeer waarschijnlijk een Farao van de Dertiende Dynastie.
Deze heerser, wiens troonnaam Dd-anx-ra is en ?Eeuwig is het leven van Ra? betekend, en de geboortenaam mnTw-m-sA.f ?Monu beschermd hem? betekend.
Het bestaan van Mentuemzaf wordt bevestigd door een stele van Gebelein en een paar scarabee?.
 
 
 
Neferhotep III was waarschijnlijk een Farao van de Dertiende Dynastie.
Een koning wiens namen bekend is dankzij een st?e ontdekt in de tempel van Karnak. Hij wordt daar gepresenteerd als koning-krijger die de stad Thebe verdedigd en red. Hij moet een enorme strijd leveren tegen de Hyksos om Thebe te behouden, maar uiteindelijk lukt hem dat.
Voor het eerst in de Egyptische historie wordt de blauwe kroon vermeld in de st?e van Neferhotep.
In de st?e van Thebe noemt Neferhotep III meerdere malen ?Mijn stad?, en prijst zichzelf als ?De gids van de zegevierende Thebe?.
 
 
 
Mentuhotep V was een Farao van de Dertiende Dynastie.
De Egyptologen Kim Ryholt en Darell Baker geloven dat hij de 49e of 50e koning van deze Dynastie was. Hij regeerde waarschijnlijk zeer kort, net voor de komst van Hyksos in de regio van Memphis.
Helaas is de Turijnse koningslijst zwaar beschadigd na de naam Sobekhotep VII en is de identiteit en de chronologische volgorde van de laatste 19 koningen van de 13e dynastie onmogelijk om na te gaan. Volgens Nobert Dautzenberg en Ryholt, Mentoehotep's zijn de prenomen Sewadjare niettemin gedeeltelijk bewaard in kolom 8, regel 20 van de papyrus bewaard gebleven. 
 
 
 
Wesermontu was een lokale heerser of Farao van de Dertiende Dynastie.
Deze heerser genaamd ?Montu is sterk? is bekend van een st?e en een kalkstenen blok uit Deir El-Bahari.
 
 
 
Sobekhotep VIII  Deze heerser is gedocumenteerd door de koningslijst van Karnak. Een st?e gebouwd in de derde pylon van de tempel van Karnak vermeldt een regeerperiode van 4 jaar.
 
 
 
Mentuhotep VI regeerde het Thebaanse Rijk gevestigd in Boven Egypte tijdens de tweede tussen periode.
De naam van de koning wordt vermeld op een enkele Stele afkomstig van Thebe Hij was zoon van Neferhotep III en Khenemetneferhedjet  Zijn konigin was Satmut of Egypt
 
 
 
Senaib  Deze koning vermeldt op een stele te Abydos met de naam snaa-ib ?Van mild hart? en troonnaam mn-xaw-ra ?Van onveranderlijke incarnaties van Ra?. Op de stele is de koning gepresenteerd in blauwe kroon staand voor de Horus-Min.
 
 
 
Sobekhotep IX was een lokale heerser van de Dertiende Dynastie en regeerde tijdens de nadagen van de dynastie, bevestigd op een drietal scarabee?.
 
 
 
Webwawetemsaf  De heersers naam betekent ?Wepwawet is mij bescherming?  en wordt bevestigd op een stele van Abydos en een hieratisch opschrift in een tombe van prins Amenemhat te Beni Hasan.
 
 
 
Sebakai was waarschijnlijk een lokale heerser van de Dertiende Dynastie.
Er is zeer weinig bekend over hem, want zijn naam is alleen gezien in een cartouche op een magische ivoren toverstaf, gevonden in Abydos en nu te zien in het Cairo Museum (zie afbeelding beneden).
 
Sinds de ontdekking van de staf, hebben verschillende egyptologen geprobeerd om deze koning met andere heersers van de Tweede Tussenperiode te identificeren..

In 2014 heeft een team van archeologen een graf ontdekt in Abydos van een onbekende koning uit de Tweede Tussenperiode, genaamd Senebkay.  Er wordt gesuggereerd dat Senebkay en Sebekai dezelfde persoon kan zijn

          

 
 
Khuiqer was een oude Egyptische Farao die alleen bekend is van een ​​kalkstenen latei (bovendorpel). Hier staat een deel van zijn koninklijke titulatuur vermeld. Deze latei is begin 20e eeuw door Flinders Petrie in Abydos gevonden 
(zie afbeelding beneden).

Volgens recentelijke studies wordt deze heerser toch geplaatst in de Tweede Tussenperiode, dit naar aanleiding van de bewering dat het blok met zijn koninklijke titulatuur kwam uit een gebouw van Senusret I. 

            

 
 
Seheqenre Seankhptah was een Farao van de late Dertiende Dynastie.
Hij wordt geplaatst als de 54e of 55e koning van deze dynastie. 
Hij regeerde hoogstwaarschijnlijk voor een zeer korte periode over de regio van Memphis.
Farao Seheqenre Sankhptahi wordt genoemd en vertegenwoordigd op een st?e van de koninklijke schatbewaarder Nebsumenu. De oorsprong van de st?e is niet bekend en werd in 1999 overgenomen door het Nationaal Archeologisch Museum van Spanje.
 
 
 
Sakare  Er is niets van Sakare teruggevonden. Hij wordt vermeld op een aantal scarabee?. Men verondersteld dat hij de laatste koning van de Dertiende Dynastie was, alhoewel dit niet helemaal duidelijk is. Andere geleerden menen dat na zijn bewind nog 10 heersers vanuit Thebe en over Thebe regeerden, maar daar zijn bijna geen bewijzen voor gevonden.

 

Farao,s van de 14e Dynastie

De 14e Dynastie van Egypte bestaat uit een groep koningen waarover zeer weinig bekend is, en loopt hoogstwaarschijnlijk gelijktijdig met de 13e Dynastie (of de 15e Dynastie?). Volgens Manetho werd deze dynastie bestuurd vanuit de stad Xois en had deze dynastie 76 heersers, waarvan er 72 voorkomen op de Turijnse koningslijst

Sommige van de heersers hadden buitenlandse namen en waren waarschijnlijk "Hyksos", een groep van nomadische mensen die zich hadden gevestigd in de noordoost delta al tegen het einde van de 12de dynastie.
Hun namen zijn getalsmatig gezien genoeg om een half dozijn dynastie? te vullen in deze korte tijdsperiode. Vele van hun, indien ze echt zijn, waren waarschijnlijk stam- of regioleiders die zichzelf de hoogste titel gaven die beschikbaar was voor een korte tijd op de troon.
Onder de Egyptologen zijn er verschillende theorie? over hoe deze periode georganiseerd was, alles van vele mini-koninkrijken op hetzelfde moment tot verklaringen dat de koningen verzonnen zijn, vazallen van de Hyksos of voorvaders van hen.
Weinig tot niets is bekend van deze lijn van koningen van wie Manetho (Africanus) zegt dat het er 76 waren en dat ze regeerden gedurende 184 jaar. De Turijnse koningslijst vermeldt er 32 van hun in een ruimte die waarschijnlijk oorspronkelijk ongeveer 60 namen bevatte. De eerst genoemde, Nehesy, kan 5 vermiste namen gehad hebben in een gat voor hem.
De jaren van hun regeerperioden, zichtbaar in de lijst, geven ieder ongeveer 2 jaar op de troon. Dit opmerkelijke feit correspondeerd goed met de cijfers gegeven door Manetho. Het heeft nog steeds geen alleszeggende verklaring en het lijkt achteraf rijp voor om een legende te worden.

Slechts weinig van deze koningen hebben artefacten achtergelaten van hun tijd op de troon. Naast die van Nehesy, zijn er resten bekend van drie andere heersers: een stele van Saft e-Hinna in de oost-delta, naam op een kruik, naam op een scarabee zegel.

 
 
Sjesji, Bnon  ca. 1634 - 1590 v Chr  Koning Beon was een buitenlandse farao van de 15de dynastie. Volgends Manetho regeerde de koning 44 jaar. Recentelijk is het in wetenschappelijke kringen geaccepteerd dat de koning 3 tot 14 jaar had geregeerd. Er is verder geen informatie over hem bekend.
 
 
Nehesy Aasehre  ca 1590 - 1590 v Chr was een heerser van Beneden-Egypte tijdens de Tweede Tussenperiode. Hij wordt geplaatst door de meeste geleerden in het begin van de Veertiende Dynastie, als de tweede Farao.  Er wordt gesuggereerd dat hij een zeer korte tijd geregeerd heeft; minder dan een jaar vanuit Avaris. 

Er zijn in totaal vier scarabee? gevonden, waaronder een uit Semna in Nubi?en drie van onbekende herkomst. Ondanks zijn zeer korte bewind is Nehesy de best geattesteerde heerser van de 14de dynastie. 
Nehesy wordt vermeld op een fragmentarische obelisk van de Tempel van Seth in Raahu. Zijn naam draagt de inscriptie "koning oudste zoon".
 
Deze scarabee? wijzen op een tijdelijke co-regentschap met zijn vader. Een scarabee noemt Nehesy als koning's zoon.

Egyptologist Kim Ryholt stelt voor da Nehesy de zoon en directe opvolger was van Farao Sheshi. Egyptoloog D. Baker, deelt ook deze mening, en suggereert dat Tati zijn moeder was. Tati was van Nubische afkomst. Vandaar de naam Nehesy's wat Nubi? betekent. 

Verder is een zittende standbeeld gevonden, later toege?gend door Merenptah, waarvan men verondersteld dat deze oorspronkelijk toebehoorde aan Nehesy. 
Tot slot zijn er nog twee st?es bekend uit Breng Habuwa (oude Tjaru).: ?n met de geboorte naam Nehesy en de andere vermeld de troon naam van de koning Aahsere.
Dankzij deze st?e was het mogelijk om de naam Nehesy te verbinden met de troon naam Aahsere. V?r deze ontdekking werd Aasehre beschouwd als een Hyksos koning.

Na de dood van Nehesy bleven de koningen van de 14e Dynastie heersen in de Delta regio van Neder-Egypte met een aantal kortstondige heersers, Daarna werd deze regio verovert door de Hyksos koningen van de 15e Dynastie. 

 
 
 
Khatire  ca 1590 - 1589 v Chr was een Oud-Egyptische koning in de Tweede Tussenperiode. Men vermoed dat hij de derde heerser was van de 14e Dynastie en regeerde in de 17e eeuw v.Chr.

In het Turijnse koningslijst wordt melding gemaakt van zijn bestaan, maar het stuk over zijn bewind is niet bewaard gebleven.

Khatire was waarschijnlijk de opvolger van Nehesy en werd zelf opgevolgd door Nebfaure.
 
 
 
Nebfaura  ca 1589 - 1589 v Chr  was een lokale heerser van de Veertiende Dynastie.
Volgens de Turijnse koningslijst, genaamd ?De heer van het magnifieke is Ra?, regeerde hij 1 jaar, 5 maanden en 15 dagen.
 
 
 
Sehebra was een lokale heerser van de Veertiende Dynastie.
Volgens Egyptologen Kim Ryholt, J?gen von Beckerath en Darrell Baker, was hij de 5e koning van deze dynastie.
Sehebra is alleen bekend van de Turijnse koningslijst. 
Volgens de laatste bestudering van de Turijnse koningslijst, wordt de naam Sehebra, in de 9e kolom, rij 4 vermeld. 
 
 
 
Merdjefare was een Egyptische heerser van de Veertiende Dynastie tijdens de Tweede Tussenperiode.  Net zoals andere koningen uit de 14e Dynastie heeft Merdjefare geheerst vanuit Avaris over de oostelijke Nijldelta.

Merdjefare wordt vermeld op de st?e van een koninklijk zegel van schatbewaarder Ranisonb. De st?e, ontdekt in 1988-1989, toont Merdjefare die offers brengt naar god Sopdharsopd en waarschijnlijk afkomstig is uit het graf Ranisonb bij Saft el-Hinna in het zuidoosten van Nijldelta.

De chronologische positie van Merdjefare wordt enigszins bevestigd door de Turijnse koningslijst waar hij kolom 9, lijn 5 vermeld wordt. 
 
 
 
Sewadjkare II was een Egyptische heerser van de Veertiende Dynastie tijdens de Tweede Tussenperiode. Hij regeerde vanuit Avaris over de oostelijke Nijldelta.
Hij is alleen bekend dankzij de Turijnse koningslijst. Zijn prenomen verschijnen in de 9e kolom, lijn 6.
Sewadjkare II regeerde voor ongeveer 1 jaar en werd voorafgegaan door Merdjefare en wordt opgevolgd door Nebdjefare.
 
 
 
\ Nebdjefare was een Egyptische heerser tijdens de Veertiende Dynastie. Hij regeerde zeer kort; minder dan ?n jaar. Zijn naam komt voor op de Turijnse koningslijst en wordt geplaatst als 8e koning van deze dynastie.

Er is verder niets bekend van deze heerser.
 
 
 
Ubenre was een Egyptische heerser tijdens de Veertiende Dynastie. Zijn naam komt voor op de Turijnse koningslijst en wordt geplaatst als 9e koning van deze dynastie.

Er is verder niets bekend van deze heerser.
 
 
 
Awtibra was een Oud-Egyptische heerser van de Veertiende Dynastie tijdens de Tweede Tussenperiode. Hij geldt als dertiende heerser van de 14e Dynastie.

Awtibre was de opvolger van een farao waarvan de naam niet helemaal bekend is, ...wbenre, en werd opgevolgd door Heribra.
 
 
 
Heribra was een Egyptische heerser van de Veertiende Dynastie tijdens de Tweede Tussenperiode. Zijn naam komt alleen maar voor op de Turijnse koningslijst.

De naam van de koning betekent ?Ra van het gelukkige hart?.
 
 
 
Nebsenra  De troonnaam betekent ?Hun heer is Ra? en is gedocumenteerd in de Turijnse koningslijst.
Deze bron vermeldt een korte regeerperiode van 5 maanden en 20 dagen..
 
 
 
Sekheperenra was een Egyptische heerser van de Veertiende Dynastie tijdens de Tweede Tussenperiode die regeerde vanuit Avaris. Volgens de Egyptologen Kim Ryholt en Darell Baker, was Sekheperenra de twee?twintigste koning van de dynastie.
Zijn naam komt voor op de Turijnse koningslijst en hij wordt verder bevestigd als koning door een scarabee met zijn troonnaam. De Scarabee zegel is van onbekende herkomst en is momenteel te zien in het Ashmolean Museum.
 
 
 
Djedkherura   Obscuur heerser in een deel van de delta. De Turijnse koningslijst levert bewijs voor slechts 2 maanden en 5 dagen van heerschappij door deze heerser.
 
 
 
Neferibra  Zijn troonnaam, gevonden in de koningslijst van Turijn wordt ge?terpreteerd als ?Perfect is het hart van Ra?.
 
 
 
Shemsu  De naam van deze heerser wordt ge?terpreteerd als ?Edelman? .
Vermoedelijk een fictieve koninklijke naam alleen beschreven in de Turijnse koningslijst.
 
 
 
Nibef  Vermoedelijke naam van een koning die nooit heeft bestaan.
Deze naam wordt alleen genoemd in de Turijnse koninglijst en betekent ?Hij is niet dorstig?.

 

Farao,s van de 15e Dynastie

De 15e dynastie van Egypte bestond niet uit inheemse Egyptenaren, maar uit vorsten van de Hekaw-khasut, de hoofdlieden van vreemde landen. De Griekse vorm van deze naam is Hyksos.
Deze vreemdelingen waren Semieten die zich via de Sina?geleidelijk in de Delta gevestigd hadden.
Onder Sebekhotep IV namen zij het gezag over in de stad Avaris en vandaar uit breidden zij over een periode van zo'n vijftig jaar hun invloedsfeer uit tot aan Heliopolis.
Hoewel zij nooit het zuiden geheel in handen kregen, wisten zij wel via de woestijn en de oases daar contact te leggen met de Nubi?s van Kerma, die hun bondgenoten werden.
De inheemse vorsten van het zuiden (de zeventiende dynastie in Thebe) zaten daarom ingeklemd.
De Hyksosvorsten regeerden Egypte op deze manier ongeveer een eeuw lang en hoewel zij later als een grote ramp voor het land beschreven werden, ging het eigenlijk best goed met Egypte.
De vijftiende dynastie was een tijd van innovatie en vreedzaam samenleven van Aziaten en inheemsen. De koningen van deze tijd waren verwoede bouwers, zij bevorderden de Egyptische literatuur en door hun toedoen begon de tot dan toe vrij gesloten Egyptische cultuur zich wat meer open te stellen voor invloeden van buitenaf.
Lange tijd heerste er vrede tussen Avaris en Thebe. Aan het eind van de regering van Apophis I begonnen de zuidelijke vorsten echter een campagne om de Hyksos te verdrijven. Uiteindelijk slaagden zij daarin tijdens de regering van Ahmose en daarmee begon het Nieuwe Rijk.

 
 
Salitis  ca 1650 - 1631 v Chr was de eerste koning van de Hyksos die regeerde in Noord-Egypte. 
Hij stichtte de Vijftiende Dynastie van Egypte. 
Zijn heerschappij begon rond 1650 voor Christus. De precieze data van zijn regime zijn onbekend.
 
Hij kreeg deze positie door het veroveren van Memphis en vestigde zich als een machtige heerser, hoger dan de andere Egyptische koninklijke families in de hoofdstad. Manetho schrijft dat Salitis het grootste deel van Egypte veroverde tijdens het bewind van Dedumose I in de 13e dynastie. Op het moment van de verovering waren de Hyksos een nomadisch volk die zich uiteindelijk vestigden in het Deltagebied van Egypte.
Hij wordt aangewezen met het vaststellen van Avaris als hoofdstad, terwijl hij woonde in Memphis. 
Salitis wordt vaak geassocieerd met een koning, met de naam Sark of Salk.
Sark of Salk wordt genoemd in een lijst van koningen vastgelegd door de priesters van Memphis. 
Er is echter weinig overgebleven van Saliti's regime; slechts drie blokken steen uit grotere monumenten die zijn ingeschreven met zijn naam en bijbehorende troonnaam, Se-kha-en-Re.

Sommige geleerden noemen de naam Salitis 'als "Sultan". Dit is een Arabische vertaling van de uitdrukking "machtige koning" omdat de koning werd beschouwd als de grondlegger van de eerste Hyksos dynastie. Salitis veroverde Memphis en plaatste zich in een hogere rang dan de andere koninklijke families in de stad.
 
 
 
Beon Maaibre  ca 1631 - 1617 v Chr was een buitenlandse Farao van de 15de dynastie die heerste vanuit Avaris over Neder-Egypte.

Het gedeelte van de Turijnse koningslijst waar zijn naam zou moeten staan is zwaar beschadigd en zijn oorsprong en positie tijdens de Tweede Tussenperiode is erg onzeker. Zijn troon naam, Maaibre, betekent "Zien is het hart van Re". 
Hij is bekend van meer dan 300 zegels die gemaakt zijn tijdens zijn bewind. 

Er is verder niet veel informatie over deze koning.
 
 
 
Apachnas Yakobher  ca 1617 - 1613 v Chr was een buitenlandse farao van de 15de dynastie en heeft een periode van 2 of 4 jaar geregeerd. Zijn troonnaam is ook bekend van scarabee?.
Zijn Aramese naam is gerelateerd aan de Bijbelse Jacob, waardoor een aantal geleerden de Hyksos zien als Israeli?s. 

Farao Apachnas wordt vaak gezien als koning Yakobher. Velen bronnen geven aan dat dit ?n koning was. Vandaar dat ik de namen Apachnas en Yakobher samen met elkaar verbind.
Apachnas Yakubher is een vrij onbekende koning, slechts bekend van een aantal zegels gevonden in Egypte. Een paar van deze zegels werden gevonden in Kana?, het huidige Palestina.
Zijn naam wordt ook vermeld in de koningslijsten.
 
 
 
Khyan  ca 1613 - 1590 v Chr ook wel Chajan genoemd was een buitenlandse Farao van de 15de dynastie. Er wordt gesuggereerd dat hij de opvolger was van Apachnas Yakobher.
Koning Khyan werd door Manetho ?de grote Hyksos genoemd?.
Zijn naam betekend in Noord-West-Semitische taal: "Geboren in de maand Khijar". Farao Khyan draagt ​​de titel van een Egyptische koning, maar ook de titel van een heerser uit het vreemd land (heqa-khaset). 
Deze titel is de typische aanwijzing van de Hyksos heersers.
 
Khyan is een van de betere geattesteerde koningen uit de Hyksos periode, bekend van vele zegels. Opvallend zijn de objecten met zijn naam, gevonden in Knossos en Hattusha, wat aangeeft dat er diplomatieke contacten met Kreta en de Hittieten moet zijn geweest. Een sfinx met zijn cartouche naam (zie afbeelding boven) werd gekocht op de kunstmarkt in Bagdad en toont de diplomatieke contacten tussen deze heerser en Babel aan.

De overblijfselen van een paleis werden onlangs opgegraven bij Avaris. Er werden zegels gevonden met zijn naam wat kan aanduiden dat dit zijn paleis was.

          

 

 
Khyan wordt in de werken van Josephus ge?entificeerd met koning Iannas. Josephus plaatst hem na Apophis.
Africanus 'versie van Manetho', wordt Khyan (wiens naam wordt getranscribeerd als Staan) vermeld na koning Apachnan Yakobger. Khyan's scarabee's lijken stilistisch erg veel op die van Yakobher. Dit betekent dat Khyan een van de vroegere heersers was van de 15e dynastie.

Een st?e van Khyan gevonden bij Avaris, vermeld 'zoon van de koning'.
Manfred Bietak merkte op dat: "een st?e opgezet in Avaris bevat de nomen en prenomen van Khyan en een nu verloren toewijding (vermoedelijk naar Seth, Heer van Avaris) die zijn ingeschreven in de titel en de naam van de oudste prins Yanassi.
 
 
 

Apepi I  ca 1590 - 1549 v Chr of zoals de Grieken hem noemden Apophis I was de op ?n na laatste koning van de 15e dynastie en heerste lange tijd, mogelijk zelfs meer dan veertig jaar, over het rijk van de Hyksos in Beneden-Egypte (de Nijldelta).
Hij was de langst regerende koning onder de Hyksos. 
 
Neb-khepesh-Re, A-qenen-Re en A-user-Re zijn drie troon namen die worden gebruikt door deze vorst tijdens de verschillende periodes van zijn bewind.
Terwijl sommige egyptologen ooit geloofd hebben dat er twee afzonderlijke koningen die geboren waren met de naam Apepi, namelijk Auserre Apepi en Aqenenre Apepi, wordt nu erkend dat Farao Chamoedi zijn opvolger was en dat er maar ?n koning genaamd Apepi of Apophis bestond. 
Nebkhepeshre betekdn "Re is de Heer van kracht", was zijn eerste troon naam. Ongeveer in de helft van zijn lange bewind nam hij zijn 2e troon naam aan, Aqenenre, wat "De kracht van Re is geweldig" beteknd. In het laatste decennium van zijn bewind, koos hij Auserre als zijn laatste troon naam. 
Zijn Horus naam Sehotep-Tawy is slechts twee keer (?n keer samen met A-qenen-Re) gevonden, op een offer tafel en op blokken gevonden in Bubastis. 
 
In plaats van het bouwen van eigen monumenten, eigende hij de monumenten van vorige Farao's toe door het graveren zijn eigen naam. Dit deed hij in twee sfinxen van Amenemhet II en twee standbeelden van Imyremeshaw. 
Er wordt algemeen gesuggereerd dat Apepi de troon in het noorden van Egypte na de dood van zijn voorganger Khyan heeft toege?gend. De zoon van Khyan, Yanassi was aangewezen om zijn opvolger te worden. Wat er precies is gebeurd is een raadsel. Farao Apepi I werd opgevolgd door Chamoedi, de laatste Hyksos heerser. Ahmose I, verdreef de Hyksos koningen uit Egypte en richtte de 18e dynastie op.
 
 
Er is enige discussie over de vraag of Apepi I ook geregeerd heeft over Boven-Egypte (zuiden). 
Er zijn verschillende objecten met de naam van de koning afkomstig uit Thebe en Boven-Egypte gevonden. Deze omvatten een dolk met de naam van de koning (afbeelding links) wat gekocht is op de kunstmarkt in Luxor. Er is een bijl van onbekende herkomst, waar de koning 'geliefde van Sobek' wordt genoemd, en er is een fragment van een steen vaas gevonden in een graf te Thebe. 

Verder zijn er twee zussen bekend: Tani en Ziwat. 
Tani wordt vermeld op een deur van een heiligdom in Avaris en op een offer tafel.
Ziwat wordt vermeld op een schaal gevonden in Spanje.

Ook de naam van een prins, nl. Apepi werd gevonden op een zegel (nu in Berlijn), en is waarschijnlijk zijn zoon geweest. Farao Apepi I had ook een dochter, genaamd Herit.
 
 
 
Chamoedi  ca 1549 - 1539 v Chr was de laatste heerser van de 15de dynastie.
Volgends de legende was deze koning de vijand van Ahmose. Deze koning was de laatste der grote Hyksos. Volgends de Rhynd papyrus in het jaar 11 van Chamoedi's bewind, kwam de prins Ahmose en veroverde Heliopolis en Sile. In het volgende jaar moest Chamoedi Avaris, zijn hoofdstad verdedigen. Uiteindelijk zou Ahmose de stad Avaris eens en voor altijd veroveren en onderwerpen.
 
Hij moest samen met zijn familie uit de Nijlvallei vluchten nadat er generaties lang Hyksos koningen hadden gewoond.
Men suggereert dat Chamoedi dit al aan had zien komen en al eerder verhuisd was naar het zuiden van Palestina. De Egyptenaren vielen dat gebied jaren later aan om te voorkomen dat de Hyksos via het zuiden weer het land zouden binnen trekken. Veel details van deze dramatische scenario zijn te vinden in de hedendaagse documenten en vele daarvan werden waarschijnlijk geschreven in opdracht van de zegevierende Egyptische koning.
Er zijn maar weinig overblijfselen gevonden over het bewind van Chamoedi, een uitzondering is een obelisk, die hij in de buurt van Avaris had laten bouwen. Het werd ontdekt onder het zand.
Uit recent onderzoek blijkt dat hij 10 tot 11 jaar heeft geregeerd.

 

Farao,s van de 16e Dynastie

De 16e dynastie van Egypte liep gelijktijdig met de 15e dynastie.   Deze dynastie wordt de zogenoemde Klein Hyksos dynastie genoemd, bestaand uit Hyksos hertogen die hoogstwaarschijnlijk vazallen zijn van de Groot Hyksos van de 15de dynastie. Zij regeerden vanuit een stad genaamd Pelusium in de oostelijke delta (de traditionele theorie).  De afleiding van hun namen is of Egyptisch of Aziatisch.
De huidige bewijzen zijn te summier om goed onderscheidt aan te kunnen brengen of ze van Egyptische oorsprong zijn of op een of andere manier gerelateerd zijn aan de Groot Hyksos, heersend te Avaris. Of sterker nog hun namen zijn gewoonweg verzonnen...

Manetho begint de dynastie dus met een aparte dynastie, die hij indeelt als de 16e dynastie. 
De Turijnse koningslijst heeft 15 lijnen met 2 zichtbare namen, 7 gedeeltelijk zichtbare namen en 5 namen van koningen die verloren zijn gegaan en niet meer hersteld kunnen worden. Op de Abydos lijst komen deze 5 namen wel voor.

Later is bewezen dat de koningen uit deze lijsten van een eerdere dynastie waren en regeerden in Thebe ten tijde van begin 15e dynastie (voor de koningen van de 17e dynastie).
Volgens Egyptologen als Helck, Vandersleyen, Bennett, en vele anderen verschijnt een ander lijstje met namen wat volgens traditionele chronologie aangenomen worden als heersers uit de 16e dynastie:

 
 
Aper-Anat (User-Anat) was een heerser van Beneden-Egypte tijdens de Tweede Tussenperiode in het midden van de 17e eeuw voor Christus.
Kim Ryholt had een studie van 1997 over de tweede tussenliggende periode  Hij stelde vast dat de koningen van de 16e dynastie regeerden over een onafhankelijke Thebaanse rijk c. 1650-1580 v.Chr. 
Aper-Anat is alleen bekend van slechts ?n scarabee zegel, nu te zien in de Petrie Museum. Op de scarabee krijgt hij de titel van Heka-Khasut; "heerser van het vreemde land".
 
 
 
Nebmaatre is de troon naam van waarschijnlijk een lokale heerser tijdens de 16e Dynastie. De naam van deze koning, "de heer van Maat is Ra", is gevonden op een koperen blad van een bijl in een tombe van Mostagedd. Vermoedelijk heerste hij over een klein gebied in centraal Egypte.

Dezelfde troon naam is ingeschreven op een zwarte stenen amulet wat een leeuw voorstelt en is van onbekende herkomst, nu in het Petrie Museum te zien onder het catalogusnummer 11587. 

De chronologische positie van Nebmaatre in de tweede tussenliggende periode is hoogst onzeker. De Egyptoloog J?gen von Beckerath stelt voor dat Nebmaatre een heerser was uit de samengestelde 15de en 16de dynastie. 
Aan de andere kant stelt Kim Ryholt voor dat Nebmaatre een koning was van de 17e dynastie. Ryholt's theorie is gebaseerd op de waarneming dat de bijl met de naam van Nebmaatre behoord tot de Pan-graf cultuur. De Pan-graf mensen waren Nubische huurlingen in dienst van heersers van de zeventiende-dynastie in hun strijd tegen de Hyksos vijand. Egyptoloog Darell Baker wijst erop dat de Thebaanse heersers van deze periode inderdaad dergelijke wapens zou hebben verstrekt aan hun huurlingen
 
 
 
Nikare II was een heerser van de Zestiende Dynastie.Heerser van geringe betekenis, zijn naam "Zijn ziel behoort aan Ra" wordt alleen vermeldt op scarabee? en op  de koningslijst van Abydos.

Deze heerser moet niet worden verward met Nikare, een andere farao die enkele eeuwen eerder regeerde.

 
 
 
 Wasa (Wadj[ed])  Het bestaan van deze heerser is bewezen door een scarabee en een korte notitie op de Turijnse koningslijst.
Volgens J. von Beckerath zou zijn naam van Semitische origine kunnen zijn.
 
 
 
Qareh Khawoserre was misschien wel de derde koning van de Kana?itische 14e Dynastie van Egypte, die tijdens de Tweede Tussenperiode over de oostelijke Nijldelta regeerde vanuit Avaris. Zijn bewind duurde ongeveer 10 jaar, vanaf 1770 voor Christus tot 1760 voor Christus of rond 1710 voor Christus. 
Velen bronnen geven aan dat Qareh een vazal van de Hyksos koningen van de 15e dynastie was en zou dan worden aangemerkt als een heerser van de 16e dynastie.

Naam Qareh is West Semitische en betekent "De kale". 
Zijn bestaan ​​wordt alleen bevestigd door dertig koninklijke zegels gegraveerd met zijn naam, waarvan er slechts ?n de herkomst bekend is: Jericho in Kana?.
De naam Qareh werd eerder verkeerd gelezen als Qur, Qar, Koran, en Qal.
 
 
 
Beb-Ankh  Een dolk uit Naqada (zie afbeelding links), gedateerd aan de tijden der Hyksos, levert het bewijs voor het bestaan van deze koning.
Echter sommige geleerden (D. Franke) beweren dat koning Beb-Ankh ge?entificeerd zou moeten worden met de troonnaam swsr.n-ra (Suserenre) welke toebehoort aan een heerser van de 17de dynastie en welke wordt vertoond op een stele gevonden te Gebel Zait bij de Rode Zee.

 

Farao,s van de 17e Dynastie

De 17e dynastie van Egypte is ook bekend als de Thebaanse dynastie. Dit komt omdat de koningen en prinsen van de 17e dynastie gevestigd waren in Thebe. De dynastie liep parallel met de Hyksos dynastie en nog steeds onafhankelijk was.
Het was ontstaan als een plaatselijke zijtak van de dertiende dynastie in de zuidelijke stad Thebe.
De Hyksos hadden in deze tijd een behoorlijk deel van Beneden-Egypte in handen, daarnaast waren er nog de 13de en de 14de dynastie?, de laatste in Xois.
De beide autochtone vorstenhuizen werden uiteindelijk door de Hyksos verdrongen, maar de vorsten van Thebe wisten zich in het Zuiden te handhaven.
Hoeveel koningen er precies geweest zijn in deze dynastie is niet helemaal duidelijk omdat de bronnen elkaar tegen spreken. De graven van acht koningen zijn in Thebe gevonden, maar er zijn mogelijk tien of zelfs vijftien vorsten geweest die gelijktijdig met de 15e en 16e Hyksos dynastie leefden.
De Thebaanse vorsten hadden hun cultuur en hun levenswijze te danken aan het vasthouden van elementen uit de 13e dynastie die ze diep respecteerden en ook in ere hielden toen Egypte nog door inheemsen werd geregeerd.

Aanvankelijk volgden de Thebaanse koningen een vredespolitiek ten opzichte van hun machtige noorderburen. Er was tijdlang een levendige uitwisseling met het rijk van de Hyksos.
Onder Antef VII is het Thebaanse rijk duidelijk in kracht aan het toenemen. Zijn opvolgers braken met de Hyksos en zo begon een strijd om de macht die geruime tijd zou duren en uiteindelijk met gehele verdrijving van de Hyksos beslecht zou worden door Ahmose, de grondlegger van de volgende dynastie, de 18de.
De vijf eerste koningen waren eerder vazallen van de Hyksos heersers en respecteerden min of meer elkaars grondgebied en cultuur. 

Er wordt aangenomen dat Rahotep de stichter was van deze dynastie. 
De farao's hadden nieuw ontworpen zogenaamde saff- of rij-graven in de helling bij Dra Abu el-Naga in West-Thebe, eventueel met kleine (8-15 vierkante meter) scherpe puntige piramides. Vandaag de dag is bijna niets meer over van deze piramides, en alleen maar ruwe overblijfselen van hun graf kamers in de heuvels.
 
 
Rahotep  ca1619  - 1616 v Chr was een Egyptische Farao of lokale heerser van de 17e Dynastie tijdens de Tweede Tussenperiode. De Egyptologen Kim Ryholt en Darell Baker geloven dat Rahotep de eerste koning was van de 17e dynastie.
Rahotep is bekend uit een st?e gevonden in Koptos.  Deze st?e rapporteert de restauratie en herstel van de tempel van Min. 

Al met al is zijn positie niet duidelijk, maar denken de meesten dat hij de stichter was van de 17e Dynastie.

 
Als hij inderdaad een heerser was van begin 17e Dynastie, dan zou Rahotep over Opper-Egypte (zuiden) hebben geregeerd. Volgens de nieuwe studies van Ryholt over de Tweede Tussenperiode zou het bewind van Rahotep hebben plaatsgevonden kort na de ineenstorting van de 16e Dynastie met de verovering van Thebe door de Hyksos en de daaropvolgende terugtrekking uit de regio. 
Tijdens dit conflict zouden de Hyksos koningen de tempels en paleizen geplunderd en verwoest. Rahotep heeft deze tempels in Abydos en Koptps later gerestaureerd. 
In Abydos had hij de binnen muren van de tempel van Osiris hersteld en in Koptos Coptos de tempel van Min (volgens tekst op de st?e): "poorten en deuren gevallen in ru?e" hersteld. 
Dit chronologie van deze gebeurtenissen wordt tot aan de dag van vandaag gedebatteerd en sommige geleerden geloven dat de eerste koningen van Opper-Egypte (17e Dynastie) vazallen waren van de Hyksos.
 
 
 

 

Antef V  ca 1616 - 1613 v Chr was de 1e of 2e heerser van de 17e dynastie en het is niet duidelijk of hij de vader of zoon was van Rahotep.
Ook Antef V was een lokale heerser of koning in Thebe en regeerde vanuit Thebe over Opper-Egypte (zuiden).
De graftombe van Antef, genoemd in de papyrus van Abbot, is ontdekt in 1860 door A. Mariette in het westelijke gedeelte van Thebe bij de Dra Abu El-Naga necropolis. De vermoedelijke sarcofaag van Antef V is te zien in Londen, zijn mummie viel bij de ontdekking in stukken uiteen.
 

              

De deksteen van de piramide van Antef V gevonden te Dra Abu El-Naga in het westen van Thebe
 
Men verondersteld dat zijn moeder Sobekemsaf was, een dochter van de prins van Edfu. Anderen beweren dat Antef VI zijn broer was en een Koning die ook de naam Sobekemsaf droeg, hoogwaarschijnlijk Sekhemre Shedtawy Sobekemsaf II de vader was van Antef V en Antef VI.

Sporen van de bouwactiviteiten van de koning zijn gevonden te Koptos, Abydos en Karnak. Het zogenoemde decreet van Koptos, uitgegeven door Antef tijdens zijn 3de regeringsjaar kondigde het ontslag aan van de burgemeester Teti van wie werd verondersteld dat hij heulde met de vijanden.
 
 
 
Sobekemsaf I  ca 1613 - 1597 v Chr was een Egyptische koning van de 17e Dynastie die regeerde vanuit Thebe ten tijde van de Hyksos dynasties. Zijn troonnaam Sekhemre Wadjkhau betekend ?Krachtig is Re?.
Volgens een gedeeltelijk beschadigde inscriptie op de Turijnse koningslijst, heerste deze koning gedurende 16 jaar. Recente studie wijst uit dat hij 7 jaar regeerde.

Er wordt nu aangenomen dat hij de vader was van zijn opvolger Sobekemsaf II. Dit is gebaseerd vanwege een vondst in 1990 van een gegraveerde inscriptie op een deurstijl ontdekt in de ru?es van een tempel uit de 17e dynastie. De tempel die gebouwd werd in opdracht van Antef VII vermeldt de koning Sobekemsaf I als de vader van Sobekemsaf II.

Aidan Dodson dateert de regeerperiode van Sekhemre Wadjkhaw Sobekemsaf I na die van Sekhemre-Wepmaat Intef (Antef V). 

Ook de Deense Egyptoloog Kim Ryholt gedateerd de regeerperiode van Sobekemsaf I na die van Sekhmre-Wepmaat Intef (Antef V). Hij merkt ook op dat een prins Antefmose (of Intefmose) wordt geprezen door een koning met de naam Sobekemsaf voor zijn rol tijdens een feest van Sokar op een beeldje. De naam Antefmose kan een nomen zijn van de Antef koningen zou koning Sobekemsaf zijn opvolger hebben geprezen. 

 
 
 
Sobekemsaf II Sekhemre Shedtawy  ca 1597 - 1559 v Chr was een Egyptische koning van de 
17e Dynastie, die tijdens de Tweede Tussenperiode regeerde, toen Egypte werd geregeerd door meerdere koningen of heersers.
Zijn troon naam, Sekhemre Shedtawy, betekent "Krachtig is Re;. Redder van de twee landen.
Zijn bouwactiviteiten zijn bekend in de regio?s van Thebe, Abydos en op Elephantine. Aan hem worden de opschriften te Wadi Hammamat toegeschreven.
Volgens de Abbott Papyrus en de Leopold-Amherst Papyrus, die gedateerd zijn in het jaar 16 van Ramses IX werd Sobekemsaf II samen met zijn vrouw en koningin Nubkhaas begraven in Dra Abu El-Naga.

Zijn begraafplaats, een tombe bij Dra Abu El-Naga, is geplunderd door de lokale bevolking.
Beide papyri (Abbott en Leopold-Amherst) stellen dat de koninklijke graf werd geschonden door grafrovers. De bekentenissen en bewijzen van diefstal van de mensen die hiervoor verantwoordelijk waren, worden gedetailleerd beschreven in laatstgenoemde papyrus, een soort van bekentenis tegenover de rechtbank van de staat. Dit document heeft betrekking op ene Amenpnufer, zoon van Anhernakhte, een steenhouwer uit de tempel van Amon Re. Hierop staat geschreven dat zij samen met 6 andere medeplichtigen in jaar 13 van Ramses IX het graf plunderden: 
 
In zijn proces, getuigt Amenpnufer dat hij en zijn metgezellen een tunnel in de piramide van de koning met hun koperen gereedschappen groeven:
 
De tekst met de uitspraak is helaas verloren gegaan, maar waarschijnlijk waren de rovers onthoofd.
Amenpnufer stelt dat de schatten uit de twee koninklijke mummies ?160 Deben van goud? bedroeg (14,5 kg goud).
Het document eindigt met de overtuiging van de dieven met een waarschijnlijk doodvonnis en merkt op dat een kopie van het offici?e onderzoek werd verzonden naar Ramses IX in Neder-Egypte. Amenpnufer zelf zou zijn veroordeeld tot de dood door Impalement (spietsen), een straf die ?was voorbehouden aan (alleen) de meest gruwelijke misdaden" in het Oude Egypte.
 
 
 

Antef VI  ca 1559 - 1549 v Chr was een Egyptische koning van de 17e Dynastie van Egypte tijdens de Tweede Tussenperiode, toen Egypte verdeeld was door rivaliserende dynastie? waaronder de Hyksos in Neder-Egypte. 

Antef VI was waarschijnlijk de zoon van Sobekemsaf II en broer van Antef VII en regeerde voor slechts een paar jaar rond 1560 v.Chr.
Hij regeerde, net zoals zijn voorgangers vanuit Thebe en werd begraven in een graf in de necropool van Dra Abu El-Naga. Het graf was oorspronkelijk bedekt met een kleine piramide van ongeveer 11 meter en een hoogte van ca. 13 meter. Auguste Mariette vond twee gebroken obelisken met zijn volledige vijfvoudige titulatuur, die vervolgens verloren zijn gegaan op weg naar het Museum in Cairo.
De best bewaard gebleven gebouw uit het bewind van Antef VI zijn de resten van een klein kapel in Koptos.
De vier muren die zijn gereconstrueerd tonen de koning bekroond met Horus en een ander god aan de voorkant van Min. Ook bij Koptos werd een st?e gevonden met betrekking tot acties van Antef VI tegen een onbekend vijand. Op Abydos zijn een aantal stenen fragmenten gevonden en in Luxor werd een blok steen gevonden met de naam van de koning erin gegraveerd.

Zijn tombe werd in 2001 herontdekt door Daniel Polz, de adjunct directeur van het Duitse Archeologisch Instituut. 
Volgens archeologen zijn de "resten van de graf uit het onderste gedeelte van een lemen piramide omgeven door een muur en opgebouwd uit kleitichels."
 
 Aan de voorzijde van de piramide ligt een tombe waar de omgevallen hoofd van een levensgrote koninklijke zandstenen standbeeld van de farao werd gevonden. De piramide-complex en de tombe is volgens Egyptologg Dr. Daniel Polz die van Nub-Kheper-Ra Intef VI.
Andere ontdekkingen zijn, o.a. een kleine grafkapel van een particulier naast de piramide, maar deze lag buiten de ommuring. De binnenwanden van de kapel waren versierd met afbeeldingen, naam en titels van de eigenaar. Volgens deze inscripties is de eigenaar van het graf de penningmeester of ?kanselier? van de koning, Teti.
De Duitse archeoloog Polz en zijn team werden geleid naar het graf met behulp van informatie verkregen uit een 3000 jaar oude papyrus en de werken van een Amerikaanse archeoloog die verwezen naar het graf, maar deze zelf nooit vond. De papyrus laat zien dat er een poging werd gedaan door grafrovers om de koninklijke graftombe te plunderen door het graven van een tunnel van een ander graf behorende aan een particulier.
De rovers slaagden echter niet om de koninklijke graf te bereiken. Daarna, in de 19e eeuw, slaagde een andere groep rovers wel hierin en vonden de koninklijke graftombe, ze verwijderden de gouden kist en verkochten het aan het British Museum in Londen.

           

 
 
Antef VII  ca 1548 - 1548 v Chr was een oude Egyptische koning van de 17e Dynastie, die tijdens de Tweede Tussenperiode regeerde. 
Antef VII was waarschijnlijk de broer van zijn voorganger Antef VI en tevens de laatste koning van de 17e dynastie die vasthield aan de politiek van vrede met de Hyksos in de delta (Avaris).

Hoewel Antef VII en al zijn voorgangers uit de 17e dynastie moeten worden gezien als vazallen van de Hyksos koningen, is de regering van Antef VII duidelijk belangrijker aan het worden en beginnen de wrijvingen met de Hyksos koningen langzaam op te lopen. Een aantal literaire stukken die grote bekendheid zouden krijgen stammen uit zijn tijd.
Antef VII regeerde vanuit Thebe, en werd begraven in een graf bij de necropool bij Dra Abu El-Naga.

Er is niet veel meer bekend over het bewind van deze koning, behalve dat hij een kortstondige, waarschijnlijk enkele maanden, opvolger van Antef VI was. Er wordt gesuggereerd dat hij enkele maanden na zijn aanstelling stierf. Hij werd begraven in een provisionele sarcofaag.
Volgens de mening van J. von Beckerath zou hij wel eens vermoord kunnen zijn, maar door wie en om welke reden is niet bekend.
 
 
Zijn mummie kist (zie afbeelding) staat in het Louvre Museum in Parijs, en zijn grafkist is vandaag de dag te zien in het British Museum.
 
 
 
Senakhtenre Ahmose Tao I  ca 1548 - 1545 v Chr was de zevende koning van de 17e Dynastie tijdens de Tweede Tussenperiode. Tao I regeerde voor een korte periode, waarschijnlijk slechts 3 jaar over de regio Thebe in Opper-Egypte.
Tao I was waarschijnlijk de zoon en opvolger van Antef VII. Hij was getrouwd met koningin Tetisheri, en was vader van zijn opvolger Tao II Seqenenre. Hij werd geboren ca. 1605 v.Chr. en overleed ca. 1545 v.Chr.
Bewijzen van zijn bestaan zijn gevonden in inscripties op de koningslijst van Karnak en in de tombe van Khabekhnet te Deir El-Medina.
 
Hij regeerde vanuit Thebe en zijn macht strekte niet verder dan Boven-Egypte. Het noorden was nog steeds in handen van de Hyksos koning Apepi I. 

Tao I brak definitief met de politiek van vreedzaam samenleven met de Hyksos koningen en begon hiermee een langdurig ?bevrijdingsstrijd? die uiteindelijk tot het afwerpen van de Aziatische overheersing zou leiden. De vrouw van Tao I, Tetisheri, wiens mummie mogelijk in graf DB320 is aangetroffen, zou haar echtgenoot nog lang overleven en de bevrijding en hereniging van Beide Landen onder de vroege 18e dynastie nog hebben meegemaakt. Later zou zij vereerd worden als de grootmoeder van de bevrijder Ahmose.

            

 
 
Seqenenre Tao II  ca 1545 - 1540 v Chr ook wel 'De Dappere' genoemd, was een Egyptische Farao van de 17e Dynastie en heerste over de laatste van de lokale koninkrijken van de Thebaanse regio tijdens de Tweede Tussenperiode. 
Hij was waarschijnlijk de zoon en opvolger van Tao I en koningin Tetisheri. 
De data van zijn bewind zijn onzeker, maar er wordt gesuggereerd dat hij omstreeks 1558 v.Chr. regeerde, (op basis van de waarschijnlijke datum van de toetreding van Ahmose I, de eerste heerser van de 18e Dynastie). 
Met zijn vrouw, koningin Ahhotep I verwekte Tao II twee farao's, nl. Kamose, zijn onmiddellijke opvolger en laatste Farao van de 17e Dynastie en Ahmose I, die na een regentschap van zijn moeder de stichter was van de 18e Dynastie. De naam van Seqenenre wordt vermeld in Deir El-Bahari, Karnak, op Thebaanse tombes van Nobelen en talrijke koninklijke en priv?items die overal in de Thebaanse regio gevonden zijn.

Papyrus Sallier I beschrijft een conflict tussen een Thebaanse heerser en de Hyksos koning Apepi. Dit conflict betrof een brief van de Hyksos koning Apepi over de nijlpaarden van Tao II. Apepi zond een boodschapper naar Tao II om te eisen dat de Thebaanse nijlpaarden zouden worden afgemaakt omdat Apepi niet kon slapen van de herrie die deze nijlpaarden maakten. Tao II zag deze brief als een provocatie en startte een oorlog tegen de Hyksos koning. Dit kostte hem uiteindelijk zijn leven.

Hij stierf in de bevrijdingsoorlog tegen de Hyksos koningen rond 1540 v.Chr. zoals kan worden afgeleid uit de slordige staat van zijn mummie gevonden in graf DB320 verborgen te Deir El-Bahari. Zijn mummie vertoond gapende hoofdwonden die waarschijnlijk door speren en dolken zijn aangebracht.

 
Er is op twee st?es in Karnak en op een tablet een beschrijving van de strijd tussen de vorst van de Zuidelijk Stad (Thebe) en zijn tegenstander Apepi I in Avaris, die Seth tot zijn enige god gemaakt had.Zijn zoon en opvolger Kamose ging verder met de oorlog tegen de Hyksos koning Apepi. Er wordt verondersteld dat ook Kamose stierf in deze militaire campagne. Zijn moeder Ahhotep I heeft na de dood van Kamose geregeerd als regent totdat de jongere zoon van Tao II, Ahmose oud genoeg was om zelf de troon te bestijgen en verder ging met de oorlog tegen Apepi. Het lukte hem om de Hyksos uit Egypte te verdrijven en de oorlog te winnen. Daarmee was de eenwording van Egypte weer een feit en stichtte hij de 18e dynastie.

Door de relatief korte regeringsperiode van Tao II en de oorlog met de Hyksos had de koning geen tijd om monumentale gebouwen of tempels te bouwen. Het is wel bekend dat hij een nieuw paleis bouwde van bakstenen in Deir el-Ballas. Op een aangrenzende heuvel met uitzicht op de rivier, werden de fundamenten van een gebouw gevonden dat vrijwel zeker een militair observatie post was.
Interessant is dat een relatief grote hoeveelheid aardewerk, bekend als de ?Kerma? gevonden zijn, wat aangeeft dat er een groot aantal Kerma Nubi?s woonden in Thebe. Er wordt gesuggereerd dat deze Nubi?s bondgenoten waren van Tao II in de bevrijdingsoorlog tegen de Hyksos.

 

Mummie
Wereld beroemd is natuurlijk de mummie van Tao II die ontdekt werd in 1881.
De mummie werd ?uitgepakt? door Gaston Maspero op 9 juni 1886. Op het hoofd zijn vijf wonden te zien, hoogstwaarschijnlijk inslagen van een bijl of een verwondingen van een speer. Op de rechterkant van het hoofd zijn twee horizontale open wonden te zien en ?n ronde, aan de linkerkant ? onder het oog een langgerekte schuin-verticale open wond en tussen beide ogen een wond door een slag met een stomp voorwerp.
Er is ook nog een wond toegebracht in de nek. Een levendige beschrijving van Gaston Maspero geeft een overzicht van de letsel die hem werd toegebracht tijdens de oorlog en wat leidde tot zijn dood:

"... Het is niet bekend of hij viel op het slagveld of het slachtoffer was van een samenzwering, het uiterlijk van zijn mummie bewijst dat hij een gewelddadige dood stierf toen hij ongeveer veertig jaar oud was. Twee of drie mannen, moordenaars of soldaten, hebben hem dit aangedaan voordat er hulp beschikbaar was. Een klap van een bijl moet een deel van zijn linker wang hebben afgesneden, waardoor hij ook een gebroken kaak kreeg, hij viel hierdoor direct op de grond. Een ander slag moet zijn schedel ernstig hebben verwond, en met een dolk of een speer aan de rechterkant van zijn voorhoofd, net iets boven het oog, een verwonding aangebracht wat resulteerde in een groot gapend gat.
De wond op zijn voorhoofd werd waarschijnlijk veroorzaakt door een Hyksos bijl en de wond in zijn nek werd waarschijnlijk veroorzaakt door een dolk. Er zijn geen wonden op zijn armen of handen, wat doet vermoeden dat hij niet in staat was om zich te verdedigen. Hij zou vlug gemummificeerd zijn: de hersens werden niet verwijderd (andere organen wel) en men beperkte zich verder door enkel het overvloedig besprenkelen van het lichaam met gearomatiseerd zaagsel.

Joce Filer in ?Disease? zegt dat onderzoek door E. Metzel aangewezen heeft dat het been rond ?n van de hoofdwonden gedeeltelijk opnieuw aangegroeid was. Dit zou aantonen dat deze wond hem toegebracht werd, enkele maanden vooraleer de andere wonden de dood veroorzaakten.

De mogelijkheid zou bestaan dat de eerste wond (eventueel op een slagveld toegebracht) de oorzaak was van de verlamming die zichtbaar is in de armen en handen van Seqenenre Tao.  Logischerwijze kon hij in die toestand niet meer deelnemen aan de strijd en zou hij de rest van de verwondingen in andere omstandigheden opgelopen hebben. Wat doet veronderstellen dat hij het slachtoffer was van een paleisintrige.
Ik heb altijd gelezen dat hij de dood vond op het slagveld, gezien de conditie van zijn mummie. Maar de mummie ligt niet gewoon vredig uitgestrekt op zijn rug, in traditionele houding, maar het hoofd is naar ?n kant gedraaid, de armen en handen bevinden zich in een rare, spastisch houding en de tanden liggen bloot in een vreselijk grimas. Alsof hij inderdaad heel veel pijn leed tijdens zijn dood.
Het feit dat vier van de vijf wonden horizontaal lopen wijst erop dat hij op zijn zij op de grond lag, of misschien wel slapend ofwel neergeslagen !!!

Het verslag van G. Elliot Smith in "The Royal Mummies" is ook interessant om te lezen. Hij schrijft aan het eind:

"Hoewel er geen duidelijk en overtuigend bewijs is van een reconstructie van de fatale aanval, denk ik dat de gezien de mummie mijn mening is dat hij werd aangevallen tijdens het liggen (eventueel in slaap) hetzij op de grond of op een laag bed . Deze visie zou de meest redelijke verklaring zijn voor het feit dat vier van de vijf wonden precies horizontaal zijn.
...
Het is niet onwaarschijnlijk dat Tao II op zijn rechterkant lag, waarschijnlijk in slaap, toen zijn aanvallers achter hem kwamen vielen ze hem van boven aan, dat wil zeggen van de linker zijde. Toch is er altijd de mogelijkheid dat hij kan zijn geveld door een klap - misschien een pijl of een speer. En kreeg daarna vier klappen toen jij al op de grond lag in een onbewuste toestand "

Smith schrijft ook dat Tao II werd aangevallen door minstens 2, en waarschijnlijk meer personen. Hij werd waarschijnlijk aangevallen met een bijl en een speer.

Als hij op het slagveld is gestorven dan moet hij alleen geweest zijn? Geen eigen mensen in de buurt?
Dit geeft een beeld van de koning die op de grond ligt en dan verder dood geslagen wordt. Raar genoeg waren er altijd lijfwachten bij de koning, was dat nu niet het geval? Geen mensen van zijn eigen leger in de buurt?
Als een van zijn wonden inderdaad al wat ouder was kan dit gewoon betekenen dat hij bij een eerdere militaire actie al gewond was. Misschien is hij in verzwakte toestand het slagveld opgetrokken? Als dit inderdaad een intrige in het paleis is dan is de vraag wie daar achter zat.
Doet je wel afvragen of Ahhotep haar man omgebracht heeft, of dat zij degene was die stabiliteit cre?rde na wat een crisis voor het huis van Tao moet zijn geweest.
Hij is de oudste koninklijke mummie tentoongesteld in de vernieuwde Royal Mummies Hall in het Egyptisch Museum te Cairo.

            

 
 

Kamose  ca 1540 - 1535 v Chr was de laatste heerser van de 17e dynastie. Hij was de zoon en opvolger van Tao II Seqenenre en koningin Ahhotep I, en broer van Ahmose. 
Zijn naam betekend ?De Ka is geboren?, en zijn tweede naam betekend ?Zwierig is de manifestatie van Ra?. Kamose was een uitstekende krijger met strategisch inzicht die ca. 3 tot 5 jaar regeerde.
Zijn bewind wordt tot op de dag van vandaag als erg belangrijk gevonden omdat hij essenti?e en beslissende militaire initiatieven nam tegen de Hyksos.
Zijn vader was de initiatieven begonnen en verloor zijn leven in de strijd met de Hyksos. 
Er wordt gedacht dat zijn moeder, als regent een korte tijdje heerste, en de campagnes na de dood van Kamose (ook in gevecht met de Hyksos) tegen de Hyksos verder voortzette. De broer en opvolger van Kamose, Ahmose I ging verder met de campagnes en won uiteindelijk de oorlog tegen de Hyksos wat resulteerde in de vereniging van het Oude Egypte en herstelde zo de glorie van het Oude Rijk.

In het derde jaar van zijn bewind nam de jonge Thebaanse prins het besluit al zijn krachten te wijden aan de bevrijding van de Nijl delta.

Hij voer over de Nijl en bereikte als eerst de stad Nefrusy die net ten noorden van Cusae lag en bemand werd door een Egyptische garnizoen loyaal aan de Hyksos. Een sectie van zijn Medjay troepen viel het garnizoen aan en veroverde de stad. Kamose ging verder naar het noorden en kon gemakkelijk de kleine dorpjes innemen door de kleine Hyksos garnizoenen weg te vegen. Maar als een stad zich hevig verzette dan sneed hij die af door simpelweg een dorp in noorden te veroveren. Door deze tactiek toe te passen kon hij waarschijnlijk zeer snel door de Nijl reizen. Een tweede st?e, ook gevonden in Thebe, vervolgt met het verhaal met een aanval op Avaris. Hij drong met zijn vloot door tot de hoofdstad Avaris, maar kon de versterkte burcht niet meteen innemen. Hij nam wel het grootste gedeelte van de Nijl Delta in en zijn broer Ahmose zou later de hoofdstad Avaris innemen en het Nieuwe Rijk inluiden.

Zijn hero?che daden zijn opgenomen op twee fameuze st?es: Kamose zou de Nijlrivier doorvaren tot aan Hermopolis en daar de vestigingen van de Hyksos collaborateurs met de grond gelijk maken. Vervolgens slaagde Kamose erin de ?zilvervloot? van de Hyksos buit te maken.
Koning Apepi I raakte in paniek en zond een koerier met een boodschap naar zijn bondgenoten in Nubi? de vorsten van Kush, om hen te kunnen bewegen om Kamose en zijn legers in de rug aan te vallen. Dit bericht bereikte echter nooit zijn bestemming en de koerier werd door de Thebaanse vorst onderschept en meteen gedood. 
Als antwoord op de actie van Apepi I beval Kamose onmiddellijk aan een sectie van zijn troepen om de Bahariya Oase (westelijke woestijn) te bezetten en zo de noord-zuid route van de woestijn te controleren.
Kamose, die in de tekst op de st?e "de Sterke" wordt genoemd, zeilde vervolgens zuidwaarts, over de Nijl terug naar Thebe, om vreugdevolle zijn overwinning te vieren na zijn militaire succes tegen de Hyksos. 

Zijn begraafplaats is vermoedelijk een tombe bij Dra Abu El-Naga, ontdekt in 1857 door A. Mariette en bevatte een zeer bescheiden sarcofaag en een beschadigde mummie. De heerser moet plotseling zijn gestorven op jonge leeftijd. De mummie van Kamose wordt genoemd in de Abbott Papyrus, waarbij aangegeven wordt dat zijn graf door rovers werd overvallen gedurende het bewind van Ramses IX. Terwijl zijn graf als zijnde ?in goede staat? genoemd wordt, is het duidelijk dat zijn mummie verplaatst werd. Het werd ontdekt in 1857 te Dra Abu el-Naga, schijnbaar opzettelijk verborgen tussen een stapel puin.
De geschilderde en gepleisterde kist werd ontdekt door de vroege Egyptologen Auguste Mariette en Heinrich Brugsch, die opmerkten dat de mummie in zeer slechte staat was. Ook begraven waren een gouden en zilveren dolk, amuletten, een scarabee, een bronzen spiegel, en een borst in de vorm van een cartouche met de naam van zijn opvolger en broer, Ahmose. Helaas is de mummie verloren gegaan.

           

 

Farao,s van de 18e Dynastie

De 18e dynastie van Egypte was de eerste dynastie van het Nieuwe Rijk en misschien wel de bekendste van alle dynastie? van het Oude Egypte. 
Deze dynastie werd ingeluid toen Ahmose Avaris innam en de Hyksos uit Egypte verdreef. Deze Dynastie staat ook wel bekend als de Thutmosidische dynastie, omdat elk van de vier farao?s onder de naam ?Thutmosis? regeerden en als goede heersers worden beschouwd. 
Deze dynastie kent veel beroemde Farao's. Zoals Hatsjepsoet, de vrouwelijke Farao, Amenhotep III, Amenhotep IV (Akhenaton) en Tut-Ankh-Amon (Toetanchamon).
 

In de periode van Akhenaton is er tijdelijk een andere hoofdstad geweest, Amarna. Hij stichtte een eigen monothe?tische godsdienst rond Aton, de zonneschijf. Daarom verplaatste hij de hoofdstad van Thebe, centrum van de oude goden, naar zijn eigen creatie, Amarna.
Ook is men in deze periode begonnen met graven te maken in het Dal der Koningen en het Dal der Koninginnen. Waarschijnlijk was het vanaf de regering van Amenhotep III de gewoonte om de vier beschermgodinnen Isis, Nephthys, Selket en Neith op de hoeken van de koninklijke sarcofaag te zetten. Het gebruik bleef echter beperkt tot deze dynastie, want de kist van Horemheb was de laatste met deze beeldjes om de kist.

Er was geen echte breuk in de opvolging van de koninklijke bloedlijn tussen de 17e en 18e dynastie; in feite was dit dezelfde familie en van oorsprong Thebaanse prinsen. Manetho zou de definitieve verdrijving van de Hyksos als belangrijk genoeg beschouwd hebben om het als een nieuw dynastie in te delen.
De verovering van de hoofdstad Avaris zou hierbij als breekpunt worden gezien. Koning Ahmose kwam uit een machtige Thebaanse familie. Samen met zijn broer maakte hij een einde aan de Hyksos heerschappij in Egypte.
 
 
 
Ahmose I (ook wel Amosis I, "Amenes" en "Aahmes"; "uit Iah geboren")  ca 1535 - 1505 v Chr was een farao van het oude Egypte en de stichter van de achttiende dynastie. Hij was een lid van het Thebaanse koningshuis, de zoon van farao Tao II Seqenenre en een nauwe verwant van de laatste farao van de zeventiende dynastie, Kamose.

Tijdens het bewind van zijn vader of grootvader kwam Thebe in opstand tegen de Hyksos, de heersers van Neder-Egypte. Toen hij zeven jaar oud was, sneuvelde zijn vader in deze strijd, en hij was nog geen tien jaar toen Kamose na een regeerperiode van slechts drie jaar aan onbekende oorzaken overleed. Ahmose I besteeg vervolgens de troon en nam als praenomen of kroningsnaam Neb-Pehty-Re ("De heer van kracht is Re").

Tijdens zijn bewind voltooide hij de verovering en verdrijving van de Hyksos uit het deltagebied, herstelde hij de Thebaanse heerschappij over heel Egypte, en herbevestigde hij met succes de Egyptische macht in de voormalige onderworpen gebieden Koesj en Kana?. Hij reorganiseerde de administratie van het land, heropende steengroeven, mijnen en handelsroutes en begon enorme bouwwerken van een type ongezien sinds de tijd van het Middenrijk. Dit bouwprogramma culmineerde in de bouw van de laatste door inheemse Egyptische heersers gebouwde piramide. Ahmoses heerschappij legde de fundamenten voor het Nieuwe Rijk, waaronder de Egyptische macht een hoogtepunt bereikte.

 
Zijn grootvader en grootmoeder, Ta'a I Senachtenre en Tetisheri, hadden minstens twaalf kinderen, waaronder Ta'a II Seqenenre en Ahhotep. Broer en zus trouwden, volgens de traditie van de Egyptische koninginnen, met elkaar. Hun kinderen waren een jong gestorven zoon genaamd Ahmose, Ahmose I, verschillende dochters, en misschien ook Kamose. Ahmose volgde in de traditie van zijn vader en trouwde met een aantal van zijn zusters, waaronder Ahmose-Nefertari, zijn grote koninklijke vrouw, die de eerste koningin was die de priesterfunctie van "godsvrouw van Amon" aannam. Ze hadden meerdere kinderen, waaronder de dochters Ahmose-Meritamon B, Ahmose-Sitamun A en zonen Siamon A, Ahmose-Ankh, Amenhotep I en Ramose A (de "A"- en "B"-aanduidingen achter de namen zijn een door Egyptologen gebruikte conventie om een onderscheid te maken tussen de koninklijke kinderen en echtgenotes, die anders dezelfde naam zouden hebben). Zij waren mogelijk ook de ouders van Moetneferet, die de tweede vrouw van Thoetmosis I zou worden. Ahmose-Ankh was Ahmoses erfgenaam, maar hij ging ergens tussen het 17de en 22ste regeringsjaar van Ahmose zijn vader voor in de dood. Amenhotep I volgde hem op, mogelijk na een korte periode van gedeeld koningschap.

Er was geen duidelijke breuklijn binnen de koninklijke familie tussen de 17e en 18e dynastie. Ramses II liet in zijn dodentempel de grote stichters van het Egyptische Rijk afbeelden: Menes als stichter van het Oude Rijk, Mentoehotep II als stichter van het Middenrijk en Ahmose I als stichter van het Nieuwe Rijk.. Ook historicus Manetho schreef later, tijdens de Ptolemae?che dynastie, dat de uiteindelijke verdrijving van de Hyksos na bijna een eeuw en het herstel van de inheemse Egyptische heerschappij over het hele land reden genoeg waren om van de start van een nieuwe dynastie te kunnen spreken.

Het conflict tussen de lokale koningen van Thebe en de Hyksoskoning Apepi I Awoserre begon onder het bewind van Ta'a II Seqenenre en zou, na bijna 30 jaar van onregelmatige periodes van conflict en oorlog, onder het bewind van Ahmose I worden be?ndigd. Ta'a II sneuvelde wellicht in de strijd tegen de Hyksos, iets waar zijn danig toegetakelde mummie op lijkt te wijzen. Van zijn opvolger Kamose is bekend dat hij de landen rond de Hyksoshoofdstad, Avaris (het huidige Tell el-Dab'a), met aan- en overvallen bestookte. Kamose kende klaarblijkelijk slechts een korte heerschappij, daar zijn hoogste (ons bekende) regeringsjaar zijn derde is en werd opgevolgd door Ahmose I. Apepi is mogelijk rond dezelfde periode gestorven. Er is onenigheid over de vraag of twee namen voor Apepi die in de historische bronnen voorkomen de namen van twee verschillende vorsten of meerdere namen voor ?n en dezelfde koning zijn.

 Indien het inderdaad om verschillende koningen gaat, dan wordt Apepi I Awoserre gedacht rond dezelfde tijd als Kamose te zijn gestorven en werd deze opgevolgd door Apepi II Aqenienre.

Ahmose besteeg de troon toen hij nog een kind was, waardoor zijn moeder, Ahhotep, als regentes optrad tot hij meerderjarig was. Als we mogen afgaan op een aantal beschrijvingen van haar koninklijke rol, toen ze aan de macht was, inclusief de algemene eretitel "die zorgt draagt voor Egypte", heeft ze de Thebaanse machtsbasis in de jaren voorafgaand aan Ahmoses volledige machtsovername effectief geconsolideerd. Indien Apepi Aqenienre inderdaad een opvolger van Apepi Awoserre was, dan wordt ervan uitgegaan dat hij was ingesloten in de Nijldelta gedurende Ahhoteps regentschap, omdat zijn naam op geen enkel van de monumenten of objecten ten zuiden van Bubastis voorkomt.

Ahmose begon de herovering van het door de Hyksos bezette Neder-Egypte. In het 15de jaar van zijn regering, nam hij Memphis in. Hij bleef optrekken en bereikte het grensgebied van de Nijldelta rond het jaar 11 van de Hyksoskoning Chamoedi, maar de volgorde van de daaropvolgende gebeurtenissen is niet algemeen aanvaard.

Het is zeer moeilijk om een beeld te krijgen van de verovering die voorafging aan de belegering van de Hyksoshoofdstad, Avaris. Bijna alles wat we weten is ons bekend uit de door de soldaat Ahmose, zoon van Abana in zijn graf achtergelaten autobiografie en de achterkant van de Rhind-papyrus, die bestaat uit dagboekaantekeningen, waarvan er een zegt:

Regeringsjaar 11, de tweede maand van shomu - Heliopolis werd genomen; eerste maand van akhet, dag 23, deze zuiderse prins brak binnen in Tjaru (huidige Tell el-Habua).

Terwijl men voorheen aannam dat het regeringsjaar moest verwijzen naar dat van Ahmose, is men nu van mening dat het verwijst naar het 11de regeringsjaar van Chamoedi, de toenmalige Hyksoskoning en tegenstander van Ahmose. De Rhind-papyrus verwijst naar Ahmose met de inferieure titel "zuiderse prins" of "prins van het zuiden" in plaats van die van koning of farao, zoals een Thebaanse aanhanger van Ahmose zonder twijfel zou hebben gedaan. Anthony Spalinger wijst er in een bespreking van een werk van Kim Ryholt op dat de indirecte verwijzing naar Ahmose als "hij-van-het-zuiden" (Ryholts vertaling) erop wijst dat de schrijver een aanhanger van de Hyksoskoning was en dat het dus niet meer dan logisch is, dat de regeringsjaren verwijzen naar de regering van Chamoedi en niet die van Ahmose.

De Rhind-papyrus geeft ons ook een beeld van de militaire strategie van Ahmose tijdens zijn herovering van de Nijldelta. Nadat hij in juli Heliopolis was binnengetrokken, zakte hij langs de oostelijke Nijldelta af om Tjaru in te nemen, de voornaamste grensversterking op de Horusweg, via de weg van Egypte naar Kana?, waarbij hij Avaris volledig links liet liggen. In oktober werd Tjaru ingenomen, waarmee alle verkeer tussen Kana? en Avaris werd afgesneden. Dit lijkt erop te wijzen dat hij van plan was om een blokkade te leggen rond Avaris, waarbij de Hyksoshoofdstad niet kon rekenen op de hulp of bevoorrading uit Kana? .

Uit de tekst uit het graf van de soldaat Ahmose kan ook het verloop van het laatste deel van de campagne worden gereconstrueerd. Ahmose voerde drie aanvallen uit op Avaris, de hoofdstad van de Hyksos, maar moest tegelijkertijd ook een kleine opstand iets ten zuiden van Egypte zien te onderdrukken. Hierna nam hij, tijdens de vierde aanval op Avaris, de stad in. Hij bekroonde zijn overwinning op de Hyksos met de verovering van hun vesting Sharuhen (het huidige Tell el-Ajjul), nabij Gaza, na drie jaar belegering. Ahmose zou Avaris in zijn 18e of ten laatste in zijn 19e regeringsjaar hebben ingenomen. Dit wordt gesuggereerd door "a graffito in the quarry at Tura whereby 'oxen from Canaan' were used at the opening of the quarry in Ahmose's regnal year 22." Aangezien het vee waarschijnlijk pas na de belegering van Sharuhen, die volgde op de val van Avaris, werd ingevoerd, betekent dit dat de regering van Chamoedi ten laatste in het 18e of 19e regeringsjaar van Ahmose eindigde.

Na de overwinning over de Hyksos begon Ahmose een campagne in Syri? en Nubi? Hij voerde oorlog in Nubi? voorbij de 2e cataract, waar hij de Iountyou S?you onderwierp. Het land werd onder het gezag van een onderkoning geplaatst, de "Prins van Koesj", Djehuti.

Hij bereikte in de loop van zijn 22ste regeringsjaar Djahy in de Levant en wellicht ook de Eufraat, maar over het algemeen wordt Thoetmosis I, een van zijn opvolgers, beschouwd als de eerste die tot aan de Eufraat campagne voerde. Ahmose bereikte echter in ieder geval Kedem, vermoedelijk in de nabijheid van Byblos, volgens een ostrakon uit het graf van zijn vrouw, Ahmose-Nefertari. Details over deze spectaculaire campagne zijn schaars, omdat onze voornaamste bron van informatie, Ahmose, zoon van Abana, die in de Egyptische marine diende, geen deel uitmaakte van deze landexpeditie. Desalniettemin kan uit archeologisch onderzoek in het zuiden van Kana? worden afgeleid dat Ahmose en zijn directe opvolgers met hun expedities in de late 16e eeuw v.Chr. alleen de bedoeling hadden de macht van de Hyksos te breken door hun steden te vernietigen en niet Kana? wilden veroveren. Veel plaatsen zijn volledig vernield en werden niet herbouwd tijdens deze periode - iets wat een farao die was gebrand op verovering en tribuut zeer waarschijnlijk zou nalaten te doen.

Ahmoses campagnes in Nubi?zijn beter gedocumenteerd. Korte tijd na de eerste campagne kwam een Nubi? genaamd Aata in opstand tegen Ahmose, maar werd door deze verpletterend verslagen. Na deze poging verenigde een anti-Thebaanse Egyptenaar genaamd Tetian een groot aantal rebellen in Nubi? maar ook hij werd verslagen.

Ahmose, zoon van Abana, schrijft in zijn biografie, dat de koning na zijn terugkeer uit Nubi?met een opstand moest afrekenen van een "verachtelijke vijand, Tetian was zijn naam. Hij had de oproerkraaiers om zich heen verzameld. Zijne Majesteit doodde hem en het was alsof zijn bende nooit had bestaan".

Ahmose herstelde de Egyptische heerschappij in Nubi? dat vanaf dan werd gecontroleerd vanuit een nieuw opgericht administratief centrum in Buhen.  Ahmose lijkt ook verschillende lokale vorsten te hebben beloond, die zijn zaak en die van zijn dynastieke voorgangers hadden gesteund.

Nadat hij uiteindelijk "in beslag (had) genomen de erfenis van degene die hem heeft geschapen" deed hij rijkelijke schenkingen aan de tempel van Amon in Karnak. Daarnaast heeft hij de nomarchen vervangen door vertrouwenspersonen, turkooismijnen en kalksteen- en albastgroeven geopend en de handel met Byblos en de Levant hersteld.

Ahmose werd opgevolgd door zijn zoon Amenhotep I. Enkele onderzoekers hebben gesuggereerd dat Ahmose een tijdlang (maximaal zes jaar) Amenhotep als co-regent naast zich had. Indien er sprake was van een co-regentschap, kan Amenhotep niet eerder tot koning zijn gekroond dan in het 18e jaar van Ahmose, het vroegst mogelijke jaar waarin Ahmose-Ankh, de troonopvolger, zou zijn gestorven. Er is indirect bewijs voor het bestaan van zo'n co-regentschap, maar definitief bewijs ontbreekt.

Zo zijn er drie kleine voorwerpen met de praenomina van beiden naast elkaar gevonden: een hieronder vermelde glazen kraal, een klein veldspaten amulet en een gebroken st?e, alle geschreven in de gepaste stijl van het begin van de achttiende dynastie. Deze laatste st?e zegt dat Amenhotep "het eeuwige leven (werd) gegeven", een Egyptische idioom, dat aangeeft dat de koning in leven is, maar de naam van Ahmose wordt niet gevolgd door het gebruikelijke epitheton Maa-cheroe ("oprecht van stem") dat wordt aan dode farao's gegeven. Men ontving pas een praenomen, eens men de troon besteeg, en in de veronderstelling dat beiden daadwerkelijk op diezelfde moment nog in leven waren, wordt aangegeven dat beiden tezelfdertijd regeerden. Het is echter mogelijk, dat Amenhotep zijn band met zijn reeds overleden, geliefde vader - de hereniger van Egypte - wenste aan te halen.

Amenhotep I lijkt tevens bijna de voorbereiding van een Sed-festival te hebben afgerond, of zelfs al zijn begonnen dit te vieren toen hij overleed. Het bewind van Amenhotep I wordt echter algemeen aangenomen slechts 21 jaar te hebben geduurd en een Sed-festival wordt traditioneel pas tijdens het 30e regeringsjaar gevierd. Indien Amenhotep I een significante co-regentschap met zijn vader had, stellen sommigen geleerden dat hij van plan was om zijn Sed-festival te vieren op de dag dat hij voor het eerst werd gekroond, in plaats van de dag dat hij alleen begon te regeren. Dit zou ons toelaten om de mate van voltooiing van de voorbereidingen voor zijn Sed-festival in Karnak te kunnen verklaren. Er zijn twee contemporaine voorbeelden uit het Nieuwe Rijk van een breuk met deze traditie: met name Hatsjepsoet, die haar Sed-festival in haar 15e jaar vierde en Achnaton, die de zijne vierde in het begin van zijn 4e regeringsjaar.

Daarnaast wordt de vrouw van Ahmose, Ahmose-Nefertari, zowel "Grote koninklijke vrouwe" als "Koninklijke moeder" genoemd op twee st?es die werden opgericht in de kalksteengroeven van Al-Masara tijdens het 22ste jaar van de regering van Ahmose. Om letterlijk "Koninklijke moeder" te zijn, zou Amenhotep in dat jaar reeds al koning moeten zijn geweest. Het is echter mogelijk dat haar zoon Amenemhat een co-regent was van Amenhotep I, maar nog voor Amenhotep stierf.

Vanwege deze onzekerheid, is een co-regentschap op dit moment onmogelijk te bewijzen of te weerleggen. Zowel Redfords als Murnanes werken over dit onderwerp zijn besluiteloos over de zaak met als argument, dat er onvoldoende overtuigend bewijs voor of tegen een co-regentschap is. Zelfs indien dit het geval was, zou dit geen enkel verschil voor de chronologie van deze periode betekenen, omdat in dit geval Amenhotep zijn regeringsjaren zou zijn beginnen te dateren vanaf zijn eerste jaar als een enige soeverein. Voorstanders van een co-regentschap wijzen erop, dat er minstens een opstand tegen Ahmose was, zodat het logisch lijkt, dat hij om diplomatieke twisten te vermijden al voor zijn dood een troonsopvolger zou hebben aangesteld.

Met de hereniging van Opper- en Neder-Egypte onder Ahmose, vond tevens een vernieuwing van de koninklijke steun aan de kunsten en monumentale bouw plaats. Ahmose zou een tiende van zijn middelen hebben besteed aan de dienst van de traditionele goden, aan het stimuleren van grote monumentale gebouwen en alle kunsten. Toch heeft zijn latere bouwprogramma na de inname van de Nijldelta, daar het verslaan van de Hyksos relatief laat in de regering van Ahmose plaatsvond, niet meer dan zeven jaar geduurd, en een groot deel van wat hij was begonnen werd waarschijnlijk voltooid door zijn zoon en opvolger Amenhotep I.

De gebouwen uit de regering van Ahmose zijn gemaakt uit veel fijnere steen dan die van de Tweede Tussenperiode. De controle over de Nijldelta en Nubi?bood toegang tot materialen die niet beschikbaar waren in Opper-Egypte: het goud en zilver uit Nubi? lapis lazuli uit afgelegen gebieden van Centraal-Azi? het cederhout uit Byblos. De turquoisemijnen van Serabit el-Khadim in de Sina?werden heropend. Hoewel de exacte aard van de relatie tussen Egypte en Kreta onzeker is, is het in ieder geval zeker, dat Mino?che schilderijen en fresco's zijn teruggevonden op voorwerpen uit die tijd en Egypte beschouwde de Ege?che Zee als deel van haar rijk. Ahmosis heropende de kalksteengroeven van Toera voor de bouw van de monumenten van de regering in Memphis en Thebe en maakte volgens een inscriptie in de steengroevegebruik van het in Fenici? opge?ste Aziatische vee om de stenen te vervoeren.

De kunst tijdens de regeerperiode van Ahmose is in de Thebaanse stijl van het Middenrijk en de stele van deze periode zijn van dezelfde kwaliteit. Dit wijst op een conservatieve tendens om de gebruiken van voor de Hyksosoverheersing te doen herleven. Ondanks al deze kunstnijverheid zijn er slechts drie beelden die als Ahmose zijn ge?entificeerd overgeleverd: een oesjabti in het British Museum, vermoedelijk afkomstig uit zijn graf dat tot op heden niet is teruggevonden en twee levensgrote beelden, waarvan een zich in het Metropolitan Museum of Art in New York en een ander zich in het museum van Khartoem bevindt. Alle vertonen een lichte bolling van de ogen, die we ook terugvinden op stelae die de farao voorstellen. In dezelfde stijl is een kleine kalkstenen sfinx, die zich bevindt in het National Museum of Scotland (het vroegere Royal Museum) in Edinburgh, voorlopig ge?entificeerd als een voorstelling van Ahmose.

 

Men meent dat de glaskunst tijdens de regering van Ahmose op punt werd gesteld. De oudste voorbeelden ervan lijken defecte faiencestukken te zijn geweest, maar het ambacht van glasblazen begon pas bij het begin van de 18e Dynastie. Een van de gevonden oudste kralen draagt de namen van Ahmose en Amenhotep I, geschreven in een rond de tijd van zijn regering gedateerde stijl. Als de glaskunst ten vroegste onder de regering van Ahmose werd uitgewerkt en de eerste objecten ten vroegste tijdens de regering van zijn opvolger kunnen worden gedateerd, is het waarschijnlijk dat het een van zijn onderdanen was die de glastechniek ontdekte.

Ahmose hervatte de grote bouwprojecten van voor de Tweede Tussenperiode. Hij begon in het zuiden van het land voornamelijk uit bakstenen opgetrokken tempels te bouwen, waaronder een in het Nubische dorp Buhen. In Opper-Egypte, breidde hij de tempel van Amon in Karnak en de tempel van Mentoe op Armant. Volgens een inscriptie uit Toera, gebruikte hij witte kalksteen om aan de grote Tempel van Ptah te Memphis en de "zuidelijke harem" Amon te bouwen, maar kon dit tweede project niet afmaken. Hij bouwde ook een cenotaaf voor zijn grootmoeder, koningin Tetisheri, te Abydos.

Opgravingen door Manfred Bietak op de site van Avaris hebben aangetoond, dat Ahmose een paleis had gebouwd op de plaats van de vestingwerken van de oude hoofdstad van de Hyksos. Bietak vond ook fragmenten van fresco's in Mino?che stijl terug die ooit de muren van het paleis sierden. Er is daarop veel gespeculeerd over de rol die de Ege?che beschaving zou kunnen hebben gespeeld op het vlak van handel en kunst.

Onder de regering van Ahmose werd Thebe de hoofdstad van heel Egypte, zoals ze dat was geweest aan het begin van het Middenrijk. Deze stad zag de administratie van het land en talrijke functionarissen zich binnen haar muren vestigen, de vraag naar schrijvers nam toe terwijl de koninklijke archieven zich begonnen te vullen met rekeningen en rapporten. De keuze voor Thebe was waarschijnlijk strategisch, want deze stad was gelegen in het centrum van het land, halverwege tussen de Hyksos in het noorden en de Nubi?s in het zuiden: elk verzetshaard die uitbrak aan de grenzen van de Thebaanse rijk kon zo makkelijk in de kiem worden gesmoord.

De belangrijkste verandering was ongetwijfeld van religieuze aard: Thebe was nu zowel het religieuze als politieke centrum van het land geworden, waardoor aan haar god Amon de goddelijke bescherming die ervoor had gezorgd dat Ahmose de Hyksos had kunnen overwinnen werd toegeschreven. Het belang van het tempelcomplex van Karnak nam steeds meer toe, terwijl dat van Ra in Heliopolis steeds meer in belang afnam.

Er werden meerdere st?es teruggevonden in Karnak die uitvoerig het door Ahmose uitgevoerde werk beschrijven, waarvan twee hem afschilderen als een weldoener voor de tempel. Een van deze st?es, bekend als de "st?e van de storm", stelt dat hij de piramides van zijn voorgangers in Thebe zou hebben herbouwd, die door een hevige storm waren verwoest.

Ahmose bleef nog lang na zijn dood het onderwerp van verering van een fervente cultus. Hoewel de mummie van de farao werd teruggevonden bij Deir el-Bahri, was het in zijn cenotaaf te Abydos (de stad van Osiris) dat zijn aanbidders zijn funeraire cultus onderhielden. De overblijfselen van een in Abydos ontdekte dodentempel en piramide werden in 1902 als de zijne ge?entificeerd, in het bijzonder omwille van de ontdekking op diezelfde plaats van een dolk met daarop de naam van de koning (die zich in het Royal Ontario Museum in Canada bevindt.

De overblijfselen van zijn piramide in Abydos werden in 1899 ontdekt en in 1902 ge?entificeerd. Deze piramide en haar structuren waren in 1993 onderwerp van een opgraving en onderzoek door de Pennsylvania-Yale-New York University Expedition onder leiding van Stephen P. Harvey. Het merendeel van de stenen bekleding van de buitenkant was door de eeuwen heen gestolen en de puinheuvel waarop deze was gebouwd is hierdoor ingestort. Er werden echter twee intacte lagen van ingesloten stenen teruggevonden door Arthur Mace, waaruit, gebaseerd op de analyse van de buitenste kalksteen, bleek, dat de piramide een steile helling van zestig graden had (ter vergelijking: de piramide van Cheops had een helling van 51 graden). Hoewel het interieur van de piramide niet meer is onderzocht sinds 1902, hebben graafwerkzaamheden in 2006 een deel van een enorme, tegen haar fa?de gebouwde, bakstenen helling blootgelegd. Aan de voet van de piramide lag een complex van stenen tempels omringd door een bakstenen muur. Harvey's onderzoek heeft drie structuren blootgelegd naast de door Arthur Mace ontdekte "piramidetempel van Ahmose". Deze structuur, het dichtst bij de basis van de piramide gelegen, werd waarschijnlijk gezien als zijn belangrijkste plaats van aanbidding. Onder de sinds 1993 ontdekte duizenden gebeeldhouwde en geschilderde fragmenten, zijn er verschillende die aspecten van een complex verhaal over een strijd tegen een Aziatische vijand beschrijven. Naar alle waarschijnlijkheid zijn deze reli?s met boogschutters, schepen, Aziatische mensen en de eerste bekende afbeelding van het paard in Egypte, de enige voorstelling van de gevechten van de Ahmose tegen de Hyksos (zie afbeelding).

             

Aan de oostkant van de piramide, heeft Harvey twee tempels ge?entificeerd als gebouwd door de vrouw van Ahmose, koningin Ahmose-Nefertari. Een van deze structuren heeft een stenen stempel met de naam van de chef-penningmeester Neferperet, de verantwoordelijke ambtenaar voor de heropening van de steengroeven van Toera in het 22e regeringsjaar van Ahmose. De derde - en grootste - tempel (tempel C) is vergelijkbaar met de piramidetempel in vorm en grootte, maar de gemarkeerde stenen en de details van de decoratie suggereren dat het een plaats van aanbidding voor de koningin Ahmose-Nefertari was.

De as van het piramidecomplex kan worden geassocieerd met een reeks van gebouwen gelegen over een afstand van een kilometer woestijn. Langs deze as zijn een aantal belangrijke structuren geplaatst:

  • Een grote piramide opgedragen aan Ahmose's grootmoeder Tetisheri die een st?e bevatte van Ahmose die haar offerandes aanbiedt (zie de afbeelding links);
  • Een ondergronds, uit de steen uitgehouwen complex, dat moest dienen als een symbolische voorstelling van het ondergrondse koninkrijk van Osiris, of als een koninklijk graf;
  • Een tegen de rotsen gebouwde, terrasvormige tempel, met massieve stenen en bakstenen terrassen. Deze elementen weerspiegelen een plan dat lijkt op de cenotaaf van Senoeseret III en de constructie bevat elementen die de stijl van een piramidecomplex uit zowel het Oude als het Middenrijk lijkt te combineren.

Er is enige discussie over de vraag of deze piramide als graf van Ahmose was bedoeld of als cenotaaf. Hoewel de eerste onderzoekers van de piramide Mace en Currelly er niet in slaagden de inwendige kamers te vinden, is het onwaarschijnlijk dat een grafkamer zou worden teruggevonden in de puinbasis van de piramide. Daar enige vermelding van een graftombe van koning Ahmose in de lijst van geroofde graven op de Abbott-papyrus, en bij gebrek aan andere mogelijke kandidaten voor het graf van de koning te Thebe, is het mogelijk dat hij werd begraven te Abydos, zoals door Harvey is gesuggereerd. Inderdaad, het grote aantal structuren van aanbidding aan de voet van de piramide die werden ontdekt tijdens de recentste opgravingen, en de aanwezigheid van een begraafplaats die werd gebruikt door de priesters van de cultus van Ahmose aan de basis van de piramide, pleiten in het voordeel van het belang van de koningscultus te Abydos. Sommige Egyptologen geloven echter dat deze piramide (net zoals die van Tetisheri) was gebouwd als cenotaaf en dat Ahmose eerst was begraven in het zuidelijke deel van Dra Abu el-Naga, samen met de overige leden van de 17e en 18e Dynastie.

Deze piramide is de laatste piramide ooit gebouwd als onderdeel van een koninklijk piramidecomplex in Egypte. De piramidevorm zal om zowel praktische als religieuze redenen door de farao's van het Nieuwe Rijk worden verlaten. Want waar de plateaus van Gizeh, Aboesir, Saqqara of Dasjoer veel ruimte boden om de piramiden te bouwen, was dit niet het geval voor Thebe waar men werd beperkt door daar aanwezige kliffen en alle graven die werden opgericht in de omliggende vlakte kwetsbaar zouden zijn voor overstromingen. De piramidevorm werd bovendien geassocieerd met de zonnegod Ra, die intussen door Amon in belang werd overschaduwd. Een van de betekenissen van de naam van Amon is daarenboven "de verborgene", wat betekent dat het nu theologisch toelaatbaar was om het graf van de farao te verbergen en de dodentempel volledig te scheiden van de plaats van de echte graftombe. Dit leverde ook het voordeel op dat men de begraafplaats van de farao kon verbergen voor grafrovers. Al de na Ahmose komende farao's van het Nieuwe Rijk werden dan ook begraven in rotsgraven in de Vallei der Koningen. ( Zie beneden )

De mummie van Ahmose I werd in 1881 teruggevonden in de "koninklijke schuilplaats" van Deir el-Bahri (DB320), gelegen in de heuvels boven de doden tempel van Hatsjepsoet. Hij werd begraven met de mummies van andere farao's van de 17e, 18e en 21e Dynastie, met name Amenhotep I, Thoetmosis I, Thoetmosis II, Thoetmosis III, Ramses I, Seti I, Ramses II, Ramses IX, Pinedjem I en Pinedjem II.

De mummie van Ahmose werd op 9 juni 1886 door Gaston Maspero onderzocht. Deze werd teruggevonden in een lijkkist die zijn naam in hi?ogliefen droeg, diezelfde naam vond men ook terug op zijn wikkels in hi?atisch schrift. Hoewel zijn cederhouten lijkkist dateert uit de periode van de 18e Dynastie, is het noch van koninklijke kwaliteit noch zelfs opmerkelijk en alle ornamenten die het mogelijk bezat zijn reeds verdwenen in de oudheid.

Ahmose liet echter een groot aantal "getuigenissen" van zich na in de graftombes van zijn ouders, zodat we ons wel een beeld kunnen vormen van de pracht en praal waarmee hij was begraven. Men vermeldt in het bijzonder de elementen van een massief gouden armband bestaande uit een cartouche geflankeerd door miniaturen van twee liggende leeuwen die de mummie van zijn broer en voorganger Kamose sierde  Het is een teken des tijds dat er ook wapens en sieraden met zijn naam werden gevonden in het graf van zijn moeder Ahhotep bij Dra Abu el-Naga.

           

Hij was blijkbaar verplaatst vanaf zijn oorspronkelijke begraafplaats, die waarschijnlijk was ontwijd. Hij werd opnieuw omzwachteld door de priesters en in de cache van Deir el-Bahri bijgezet ten tijde van de regering van priester-koning Pinedjem II van de 21e Dynastie, wiens naam is aangebracht op de windels van de mummie van Ahmose. Rond zijn nek was een krans van ridderspoorbloemen aangebracht. Het lichaam vertoonde tekenen van een grafroof uit de oudheid, daar het hoofd was losgemaakt van zijn lichaam en zijn neus was gebroken.

Het lichaam was 1,63 m lang. De mummie heeft een klein gelaat zonder onderscheidende trekken, maar hij heeft lichtjes vooruitstekende voortanden. Dit is een erfelijke eigenschap van de familie, want het wordt ook aantroffen bij sommige vrouwelijke mummies uit dezelfde familie, alsook bij de mummie van een van zijn nakomelingen, Thoetmosis II. Een korte beschrijving van de mummie door Gaston Maspero werpt meer licht op de familiegelijkenissen:

  ...; hij had een gemiddelde lengte, daar zijn lichaam toen het werd gemummificeerd slechts 5 voet en 6 inches [1,68 m] mat in de lengte, maar de ontwikkeling van de nek en borstkas wijst op een buitengewone (lichamelijke) kracht. Het hoofd is klein in verhouding met de borstkas, het voorhoofd laag en smal, geprononceerde jukbeenderen en het haar is dik en golvend. Het gezicht gelijkt precies op dat van Ti?crai (Tao II Seqenenre) en de gelijkenis alleen zou de verwantschap aantonen, zelfs als we onwetend zouden zijn van de nauwe relatie die deze twee farao's verbond.
 
 
Bij de eerste bestudering van de mummie werd gedacht dat het om een man van ongeveer 40 jaar oud ging, maar latere onderzoeken hebben aangetoond dat het meer waarschijnlijk is dat hij ongeveer 35 jaar zou zijn geweest toen hij overleed. De identiteit van deze mummie (Cairo Museum Catalog nr. 61057) werd in 1980 weer ter discussie gesteld door de resultaten gepubliceerd door James Harris, hoogleraar orthodontie, en egyptoloog Edward Wente. Harris had toestemming gekregen om met r?tgenstralen alle mummies in het Egyptisch Museum in Cairo die tot de koninklijke familie gerekend werden, te analyseren. Hoewel onze bronnen erop lijken te wijzen dat Ahmose de zoon of misschien de kleinzoon van Seqenenre Ta'a II was, is de craniofaciale morfologie (dit is het gelaat) van de aan respectievelijk Ahmose en Seqenenre Ta'a II toegeschreven mummies evenwel zeer verschillend. De aan Ahmose toegeschreven mummie verschilt ook met die van de vrouwelijke mummie die werd ge?entificeerd als Ahmose-Nefertari, die mogelijk zijn zus was. Op basis van deze inconsistenties en het feit dat bij deze mummie niet de armen kruislings over zijn borst waren gevouwen, zoals in die tijd gebruikelijk was voor de mummies van mannen uit de koninklijke familie, kwamen Harris en Wente tot de conclusie dat het waarschijnlijk niet om een koninklijke mummie ging, waardoor de identificatie van de mummie van Ahmose voorlopig onzeker blijft.

De mummie wordt nu bewaard en tentoongesteld in het Luxor Museum, naast de mummie die wordt verondersteld die van Ramses I te zijn, als onderdeel van een permanente tentoonstelling genaamd "de gouden eeuw van het Egyptische leger".

 

Vallei der Koningen

De Vallei der Koningen nabij de historische stad Thebe (nu: Luxor) is de collectieve begraafplaats van farao's uit het Nieuwe Rijk.

          Vallei der koningen 1886

Van oudsher was deze vallei erg belangrijk in mythologisch opzicht. Er werd veel gebouwd, er zijn tempels aangetroffen uit de Vroege tijd, het Oude Rijk en het Middenrijk. De echte bouwactiviteiten begonnen echter in het Nieuwe Rijk. Hier werden tombes voor de farao's aangelegd. Het bekendste graf is dat van Toetanchamon, ontdekt door Howard Carter. Sommige graven werden al in de oudheid geplunderd en lagen in de rest van de geschiedenis open voor het publiek, zoals dat van Ramses IV, daar is ook veel graffiti gevonden. Ten zuiden van de Vallei der Koningen bevinden zich het arbeidersdorpje Deir el-Medina waar de arbeiders woonden die de koningsgraven aanlegden en de Vallei der Koninginnen.

In het midden van het nieuwe rijk werden ook diverse priv?graven aangelegd door de adel. In het late nieuwe rijk begon men te plunderen in de vallei die minder goed werd bewaakt. Omdat de farao's zo weelderig werden begraven was de verleiding voor de armere bevolking groot om te gaan plunderen. Daarom werden door de hogepriesters in het begin van de derde tussenperiode de sarcofagen verzameld en meegenomen naar een verborgen plek (cachette). Tijdens de late tijd is er zelfs een rechtszaak geweest omdat men had gemerkt dat iemand had geplunderd, althans dit is gebleken uit een papyrus.

De keuze om de graven van de farao's op deze desolate plek te herbergen is geboren uit de pure noodzaak om de graven te kunnen beschermen tegen grafrovers. De graven op zich zijn gemakkelijk te verbergen in deze vallei, al bleek het idee om deze natuurlijke camouflage te gebruiken in de meeste gevallen niet erg effectief

 
 
 
Amenhotep I, Djeserkare   ca. 1505 - 1484 v.Chr was een zoon van Ahmose I en Ahmose-Nefertari. Zijn broer Ahmose Sipair, de eigenlijke kroonprins, stierf voordat hij kon regeren. De koning was nog jong toen hij aan de macht kwam en zijn moeder fungeerde een tijdje als regent. Zijn vrouw werd Ahmose-Meritamon met wie hij een zoon kreeg, Amenemhat genaamd. Amenemhat had als vrouw Ahhotep II, maar hij stierf al jong en zonder erfgenamen. Na de dood van Amenhotep I kwam de militaire leider Thoetmosis I, die getrouwd was met een dochter van Ahmose, Aahmes, aan de macht, gelegitimeerd door de afkomst van zijn vrouw.

Hij was koning van Egypte van (ca.) 1505 tot 1484 v.Chr. De koning regeerde volgens Manetho 20 jaar en zeven maanden. Amenhotep I erfde een stabiel koninkrijk van zijn vader Ahmose en in zijn tijd groeide Egypte verder in welvaart en macht. Onder de farao was Thebe hoofdstad van het Nieuwe Rijk. De koning werd samen met zijn moeder vereerd tot aan de late tijd, als schutspatroon van de necropolis van Thebe.

 
Hij voerde oorlog in Nubi?tegen het land Koesj in het verre zuiden en benoemde er een onderkoning. Daarnaast voerde hij ook oorlog met Libi?en in Azi? De vallei van de Eufraat moest hij echter voorlopig nog in de handen van de grote rivaal Mitanni laten.

Er zijn weinig tot geen schilderingen uit zijn leven overgebleven; de meeste zijn grafschilderingen. Het is dus onmogelijk te zeggen hoe de schilderkunst in zijn leven is gevormd. Maar tijdens zijn leven is er wel veel literatuur geproduceerd. In zijn tijd is het Amdoeat (Boek van de onderwereld) gevormd en kreeg het zijn uiteindelijke vorm die werd gebruikt in het Nieuwe Rijk. Het Ebers-papyrus, een papyrus die de voornaamste bron vormt voor de Oud-Egyptische medicijnen kwam ook uit deze tijd. Ook de eerste waterklok werd uitgevonden in deze tijd, maar de oudste bestaande stamt uit de tijd van Amenhotep III.

Amenhotep I was de eerste koning die zijn dodentempel scheidde van zijn graftombe. Deze traditie, die hier begonnen werd, werd gevolgd door alle heersers van het nieuwe rijk. Hij bouwde zijn tempel in het noorden van Deir el-Bahari, maar er is weinig van overgebleven.

Hatsjepsoet bouwde haar enorme tempel ook op deze plek en moest noodgedwongen een deel van de tempel en de schrijn voor Hathor weghalen

  Mummie van Amenhotep I

De locatie van de tombe van de koning is niet bekend. Uit overlevering uit de tijd van Ramses IX bleek nog dat het intact was, maar de locatie was niet aangegeven. Er zijn twee mogelijke locaties waar de nog niet herontdekte tombe zich kan bevinden. In het Dal der Koningen kan het Graf DK39 zijn of in de regio Dra' Abu el-Naga', vlakbij Deir el-Bahari, tombe ANB. Tombe ANB wordt beschouwd als meest geschikte plek, omdat in dat object zijn naam en die de leden van zijn familie worden verkondigd. Opgravingen in Graf DK 39 hebben aangetoond dat het een plek vormde voor opslag.

 
 
 
Thoetmosis I  ca. 1484 - 1472 v.Chr was de opvolger van Amenhotep I maar niet zijn zoon. Hij verkreeg de troon door te trouwen met een zuster van de vorige farao, een dochter van Ahmose. Ze kregen een aantal kinderen, waaronder Amenmose, Wadjmose, Hatsjepsoet en Nefroebity. Hij had nog een bijvrouw, Moetnofret, met wie hij de latere Thoetmosis II kreeg. De koning schijnt 12 jaar en 9 maanden te hebben geregeerd, volgens Manetho.

De koning heeft ook militaire activiteiten ontplooid. Koesj rebelleerde tegen het Egyptisch gezag. Thoetmosis I heeft de Koesjitische koning eigenhandig ge?ecuteerd en opgehangen aan zijn schip voordat hij weer naar Thebe terugkeerde. Na deze daad verbouwde hij de verdedigingswerken die onder Senoeseret III begonnen waren. In zijn tweede jaar richtte hij een stele op bij Tombos waar hij forten had laten bouwen bij de derde cataract, die daarvoor tot Boehen, de tweede cataract, reikten. Ook leidde hij nog een kleine expeditie naar Syri?

 
Zijn tweede (grote) expeditie ging naar de uiterste grenzen van zijn rijk. Hij liet een stele maken waar hij de Eufraat overstak. De Syrische vorsten sloten zich toen bij hem aan, maar toen de koning wegtrok, vielen zij hem weer af en bouwden ze forten om hun grondgebied te beschermen. Thoetmosis vierde zijn overwinningen met een olifantenjacht in Apamea, in het gebied Niy in Syri? Hij keerde terug naar Egypte met opmerkelijke verhalen over de Eufraat, dat de rivier omgekeerd stroomde in vergelijking met de Nijl, dat wil zeggen van noord naar zuid. Sindsdien heette die rivier het 'omgekeerde water'.

In zijn vierde regeringsjaar brak er weer een opstand uit in Koesj. Nadat hij daar een einde aan had gemaakt, reikte zijn invloed tot aan de vierde cataract. Hij probeerde het volk bezig te houden met projecten; dit leidde ertoe dat er in 500 jaar geen opstanden meer uit zouden breken.

Thoetmosis I liet tijdens zijn bewind veel bouwen. De koning was ook de eerste die zich officieel liet begraven in de Vallei der Koningen. Vele van zijn projecten waren in het tempelcomplex van Amon te Karnak, onder supervisie van architect Ineni. Voor de regering van Thoetmosis bestond de tempel van Karnack uit een lange processieweg naar het centrale heiligdom. Thoetmosis bouwde de vijfde pyloon en een muur voor het centrale heiligdom. Erbuiten bouwde hij de vierde pyloon en een ommuring van het tempelcomplex. Tussen de vierde en vijfde pyloon maakte Thoetmosis een hypostyle of zuilenwoud, gemaakt van ceder uit Libanon. In de hoeken bouwde hij kolossale beelden van zichzelf die de twee kronen droegen. Buiten de vierde pyloon liet hij twee obelisken bouwen, waarvan ?n geen inscripties had voor Thoetmosis III.

De begraafplaats van de koning is in de koningsvallei DK38, zijn mummie is teruggevonden in de cachette DB320 bij Deir el-Bahari.

           

 
 
Thoetmoses II Aakheperenre  ca. 1472 tot 1458 v.Chr was de 4e Farao van de 18e Dynastie.
Hij was de zoon van Thoetmoses I en zijn bijvrouw Mutnofret. 

Farao Thoetmoses II was dus een ?mindere? zoon van Thoetmoses I en was hierdoor in rang aanzienlijk minder koninklijk dan zijn halfzuster Hatsjepsoet. 
Hij trouwde met haar op jonge leeftijd om zo zijn koningschap te bevestigen en zeker te stellen. Hij werd tot Farao gekroond nadat zijn vader Thoetmoses I overleed. Zijn broers, Amenmose en Wadjmose waren al voordien op jonge leeftijd overleden.. 

Omdat de Farao al zijn militair werk liet uitvoeren door generaals, wordt gedacht dat zijn vrouw en halfzuster Hatsjepsoet de werkelijke macht in handen had, vanwege haar rol in verschillende internationale relaties later die ten tijde van Thoetmoses I begonnen en voortgezet werden door Hatsjepsoet. Maar ook vanwege haar bewering dat ze erfgenaam was en de troon van haar vader zou erven.

 
Zoals gezegd was de koning geen echt militaristisch figuur, behalve tijdens twee opstanden in Nubi?waar hij meerdere expedities op touw zette. De Nubische opstandige staat was weliswaar door zijn vader Farao Thoetmoses I bijna vernietigd, toch waren er rebellen van leider Chenthennefer in de regio aanwezig die opstonden en de Egyptische kolonisten opsloten in een fort. De Farao stuurde een militaire expeditie om de opstand neer te kunnen slaan. Farao Thoetmoses II heeft daarnaast te maken gehad met invallende Bedoe?nen die de Nijldelta onveilig maakten. Ook hier stuurde hij een generaal op af, die met zijn troepen korte metten er mee maakte.
Er zijn praktisch geen standbeelden of afbeeldingen van Thoetmoses II in Egypte gevonden. Hij overleed toen hij ongeveer 35 jaar oud was. Hij had waarschijnlijk een heel slechte gezondheid. Of is het ook best mogelijk dat zijn halfzuster (en ook echtgenote) Hatsjepsoet hem langzaam vergiftigde. In een familie waar zoveel incest onder elkaar gebeurde, tussen broers en zusters onderling, zijn genetische afwijkingen, neuroses en geestesziekten een mogelijke verklaring. Hij had een dochter Neferure verwekt bij zijn vrouw Hatsjepsoet en dit enkele jaren voor zijn voortijdig overlijden. Daar er geen mannelijke nakomelingen meer volgden, verwekte hij ongeveer gelijktijdig bij zijn bijvrouw Isis zijn opvolger en erfgenaam, de beroemde Thoetmoses III. 

Door deze ingewikkelde stoelendans van incestueuze relaties werd Hatsjepsoet gelijktijdig de tante en de stiefmoeder van Thoetmoses III. Ze zou hem nog 20 jaar lang de troon en de macht ontzeggen als regentes daar ze veel ouder was dan hem. 

De mummie van de koning is net zoals zijn voorgangers ook gevonden in de cachetten (DB320) en werd ?uitgepakt? door Gaston Maspero op 1 juli 1886. Er is een sterke familiale gelijkenis met de mummie van Thoetmoses I; de mummies zijn van gezicht en de vorm van het hoofd zeer vergelijkbaar. Zijn linkerarm is afgebroken ter hoogte van de schouder gewricht, de onderarm gescheiden door het ellebooggewricht, en zijn rechterarm afgehakt onder de elleboog. Zijn voorste buikwand en een groot deel van zijn borst vertonen grote snijwonden, vermoedelijk toegebracht door een bijl. Bovendien was zijn rechterbeen gescheiden van zijn lichaam. De huid is bedekt met littekens, terwijl het bovenste deel van de schedel kaal is, het lichaam is dun en enigszins gekrompen. De mummie bevindt zich heden in het Cairo Museum in een aparte zaal. De locatie van zijn graf is onbekend of is het best mogelijk dat er een plaats gereserveerd was in het graf DK20 van Koningin Hatsjepsoet.
 
 
 
Hatsjepsoet , Ma?kare  ca 1458 - 1436 v.Chr.is zowel de eerste vrouw van farao Thoetmosis II als een farao van de 18e Dynastie van het Oude Egypte. Bijzonder aan haar was dat ze een van de zeldzame vrouwelijke farao's was. Haar naam betekent "eerste onder de vrouwen", en haar tweede naam Ma?kare "rechtvaardig is de ka van Re". Hatsjepsoet heeft naar schatting ongeveer 22 jaar geregeerd, dit is langer dan iedere andere vrouwelijke monarch in het Oude Egypte.

De ouders van Hatsjepsoet waren farao Thoetmosis I en koningin Ahmose. Thoetmosis I had tevens een zoon met koningin Moetnofret, Thoetmosis II geheten, die de erfopvolger van zijn vader zou gaan worden. Met deze halfbroer had Hatsjepsoet samen een dochter, Neferoere, met wie de latere Thoetmosis III zou trouwen.

 
Hatsjepsoet werd benoemd in de zeer invloedrijke functie met de titel van Godsvrouw van Amon. Aangenomen wordt dat Hatsjepsoet ook een sterke invloed op Thoetmosis II uitoefende. Na diens dood was ze een tijd regentes voor de kleine Thoetmosis III; ze was door een raad als geschikt gekozen omdat ze een tante van hem was. In het begin van haar regentschap modelleerde ze zich naar de vrouwen van de farao's in de nabije historie.

Maar toen Thoetmosis III de gerechtigde leeftijd bereikte begon Hatsjepsoet zich te gedragen naar haar ideale model: Neferoesobek, een koningin en vervolgens heerser uit de 12e dynastie uit Egypte. Na zeven jaar regentschap ging ze nog verder dan Neferoesobek, ze kroonde zichzelf als offici?e koning van Opper-Egypte en Neder-Egypte. Daarvoor moest ze de functie van Godsvrouw van Amon wel neerleggen, maar die gaf ze toen door aan haar dochter.

In deze periode ging ze een zeer androgyn gedrag vertonen om zich te doen gelden, ze is op diverse plaatsen afgebeeld met mannelijk bovenlichaam en/of mannenkleding en zelfs met de ceremoni?e baard. In sommige teksten wordt ze afwisselend met "hij" en "zij" aangeduid, omdat er geen offici?e benaming voor vrouwelijke farao bestond.

Het idee dat een vrouw koning werd was in die tijd zeer ongebruikelijk. Er wordt beweerd dat haar opvolger (haar stiefzoon) het zo een schande voor zijn familie vond, dat hij al haar inscripties professioneel liet wegbeitelen zodat het leek alsof ze nooit had bestaan.. In diverse Oud-Egyptische koningslijsten wordt ze niet genoemd. Hatsjepsoets positie was vrij stevig, vanwege de voorspoed in het land en talentvolle medewerkers, met name Hapoeseneb, de hogepriester van Amon en Senenmoet. Vanwege de goede relatie met laatstgenoemde is wel gesuggereerd dat ze geliefden waren. Een aanwijzing hiervoor is dat Hatsjepsoet toestond dat Senenmoet zijn afbeelding en naam naast die van haar op een van de deuren van het Djeser-djeseroe mocht zetten. Een andere sterke aanwijzing is dat Senenmoet twee tombes liet uithouwen vlak bij Hatsjepsoets tombe. Desondanks wordt in wetenschappelijke kringen nog niet als feit aangenomen dat Hatsjepsoet en Senenmoet geliefden waren. Het enige wat ze kunnen vaststellen is dat hij een ambtenaar was die directe toegang had tot de koningin.

Hatsjepsoet herstelde de internationale handelsbetrekkingen die verloren waren gegaan in de strijd tegen de Hyksos. Ze bereidde zich voor en gaf opdracht voor een handelsexpeditie naar het land Poent, waarschijnlijk Zuid-Soedan of Eritrea. De expeditie bestond uit vijf boten, elk zeventig meter lang, met zeilen, elk schip behuisde 210 man en in elke boot zaten goederen om te ruilen. Een van die goederen was mirre, het favoriete parfum van de farao. De missie keerde terug met vijf boten met diverse waren waaronder 30 levende bomen en hun wortels, dit was de eerste keer dat beschreven is dat (vreemde) bomen werden vervoerd om te herplanten. Ze liet de bomen planten rondom haar dodentempel in Deir el-Bahri.

Hatsjepsoet overleed op middelbare leeftijd. Een natuurlijke dood is mogelijk, vermits er geen bewijs bestaat van een gewelddadig einde van haar leven. Haar mummie is niet ge?entificeerd in de Deir el-Bahri cache. Er is een onge?entificeerde vrouwelijke mummie die aan haar wordt toegeschreven.

De Egyptische egyptoloog Zahi Hawass kwam met het nieuws dat de mummie van Hatsjepsoet is gevonden. Op 27 juni 2007 werd bevestigd dat de Egyptische mummie KV60a die zich in het in 1903 door Howard Carter in de Vallei der Koningen ontdekte graf DK60 bevond, van koningin Hatsjepsoet is. DNA-onderzoek van een kies heeft dat uitgewezen, zegt het hoofd van de Egyptische oudheidkundige dienst. De mummie bevond zich twee maanden in het Egyptische Museum in Cairo voor onderzoek. Er zijn echter egyptologen die het bewijs dat Hawass presenteerde veel te summier vinden, zij wijzen de conclusie dan ook van de hand.

Hatsjepsoet was een meester in propaganda; de meeste heersers bedreven (en bedrijven) propaganda, Hatsjepsoet stond er in haar tijd het meest om bekend. De meeste van haar propaganda werd gesteund door de hogepriesters van Thebe en dit had ze nodig. Hatsjepsoet liet zich afbeelden met alle regalia van de farao onder andere met de baard. Opvallend is dat ze weinig te zien is als vrouw.

Er wordt vaak gezegd dat ze uit de annalen van de geschiedenis is geschrapt door haar stiefzoon Thoetmosis III. Door sommigen wordt beweerd dat Hatsjepsoet haar stiefzoon 20 jaar lang heeft opgesloten om zo haar regentschap te verlengen. Hij zou haar geschrapt hebben uit wraak voor haar regentschap(en mogelijk zijn gevangenschap), waardoor hij pas laat effectief kon gaan regeren. Thoetmosis III wordt ook beschuldigd van het vernielen van haar afbeelding op vele plaatsen. Tegenwoordig zijn egyptologen er meer van overtuigd dat hij haar schrapte omdat een vrouwelijke farao een anomalie was die in het conservatieve Egypte niet aan het hoofd kon staan.

Ook lijkt het erop dat Hatsjepsoet in de laatste jaren van haar regering Thoetmosis III meer beslissingskracht gaf. Er is wel verondersteld dat er nog een dochter van Hatsjepsoet in leven was aan het einde van de regering van Thoetmosis en dat hij haar (en haar mogelijke nazaten) van de opvolging wilde uitsluiten.

Onder Hatsjepsoets regering werd er in Egypte meer gebouwd dan ooit. Ze overtrof de grote bouwactiviteiten van het Middenrijk. Ze werkte samen met twee architecten, Ineni, die eerder haar vader dienden en Senenmoet. Tijdens haar rijk zijn er zoveel beelden gemaakt dat nu veel musea er wel een paar van hebben.

  • Onvoltooide obelisk in de steengroeve in Aswan, bedoeld voor Karnak.

 

  • De Rode Kapel van Hatsjepsoet (Karnak)
 
 
Thoetmosis III  ca 1436 - 1382 v Chr was de zoon van Thoetmosis II en een bijvrouw, Isis. De jonge, nog minderjarige troonopvolger werd in theorie koning nadat Thoetmosis II overleed. Zijn stiefmoeder Hatsjepsoet trad echter op als regentes en nam al snel de titel van farao aan, waarbij Thoetmosis slechts als co-regent fungeerde. Ook eenmaal volwassen had Thoetmosis III een ondergeschikte rol naast Hatsjepsoet, tot aan haar dood. Gedurende in totaal 22 jaar moest hij haar heerschappij tolereren.

Thoetmosis III was getrouwd met Sat-Yah, de dochter van zijn voedster Ipoe, met wie hij ten minste drie zoons en een dochter kreeg. Later trouwde hij met Meritre-Hatsjepsoet (volgens sommigen een dochter van Hatsjepsoet, maar dat is zeer onwaarschijnlijk) en kreeg met haar nog een zoon, de latere troonopvolger Amenhotep II. Na de dood van Hatsjepsoet regeerde hij 32 jaar lang over Egypte tot zijn offici?e 54e regeringsjaar. Thoetmosis III regeerde officieel van 24 april 1436 tot 11 maart 1382 v.Chr..

 
Tot voor kort was de algemene theorie dat na de dood van haar echtgenoot en halfbroer Thoetmosis II, Hatsjepsoet de troon van Thoetmosis III usurpeerde en dat, ofschoon Thoetmosis III co-regent was tijdens de regering van Hatsjepsoet, hij nooit zijn stiefmoeder vergaf dat zij hem de troon ontzegd had. Feit is dat Hatsjepsoet, nadat zij eerst twee jaar regentes was voor de minderjarige Thoetmosis, alle macht aan zich trok en zich de titel van koning toe?gende. Hoewel ze van hogere geboorte was dan Thoetmosis (die de zoon was van een bijvrouw) was dit ongehoord, aangezien ze daarmee de rechtmatige mannelijke opvolger buiten spel zette. Vrouwelijke farao's waren er eerder in de Egyptische geschiedenis al geweest maar alleen wanneer er geen mannelijke opvolger was. Toch pakte deze zet niet ongunstig uit.

Hatsjepsoet kon ruim 19 jaar aan de macht blijven, waarbij Thoetmosis dus haar co-regent werd en naar men nu vermoedt steeds meer taken toebedeeld kreeg. Hierdoor kon de jonge prins een gedegen opleiding krijgen, o.a. in het leger wat hem later zeer goed van pas kwam, zonder dat hij meteen als kind al met de zware regeringstaken belast werd. Toen zijn stiefmoeder uiteindelijk overleed en Thoetmosis de troon als alleenheerser kon bestijgen was hij reeds ervaren, wat ook blijkt uit het feit, dat hij direct krachtdadig optrad in binnen- en buitenland. Recent is daarom de theorie herzien dat hij zijn stiefmoeder gehaat zou hebben. Want waarom ook zou Hatsjepsoet een boze erfgenaam toegestaan hebben om het bevel over het leger te voeren? En als er haat tussen hen zou geweest zijn, dan had Hatsjepsoet haar stiefzoon eenvoudig uit de weg kunnen laten ruimen. Het lijkt er daarom eerder op dat e.e.a. uit praktische overwegingen doorgevoerd is, waarbij Hatsjepsoet's tomeloze ambitie uiteraard niet te ontkennen valt. De situatie zal haar goed uitgekomen zijn.

Deze mening wordt verder gesteund door het feit dat er geen enkel bewijsmateriaal is gevonden dat aantoont dat Thoetmosis III zijn troon terug wilde hebben. Vaak werd vroeger verwezen naar het feit dat Hatsjepsoet's naam en beeltenis op vele monumenten na haar dood uitgewist zijn (damnatio memoriae) en dat dit het werk van Thoetmosis III zou zijn. We weten nu dat de monumenten van Hatsjepsoet niet vroeger dan 20 jaar na haar dood beschadigd werden en wellicht veel later (dus ook na de dood van Thoetmosis III). Van een 'wraakcampagne' van Thoetmosis is dus geen sprake geweest, dan had hij immers wel direct na haar overlijden actie ondernomen. Een theorie luidt, dat de beschadigingen wellicht deels voor rekening komen van Amenhotep III, de achterkleinzoon van Thoetmosis III, die met een burgermeisje getrouwd was en mogelijk de herinnering aan Hatsjepsoet en haar voorbeeldige koninklijke afstamming wilde uitwissen om zijn eigen niet door iedereen geaccepteerde huwelijk acceptabeler te maken. Zeker is dat ook een deel van de beschadigingen in opdracht van de ketterse koning Achnaton is uitgevoerd (met name waar het de naam en afbeelding van de door hem gehate oppergod Amon betreft). Zo Thoetmosis al opdracht heeft gegeven om de naam van zijn stiefmoeder uit te wissen, dan is dat niet uit haat jegens haar gebeurd maar om zijn eigen regeerperiode langer te doen lijken en zo zijn roem te vergroten.

Thoetmosis III voerde een expansionistische politiek en wordt wel eens de 'Napoleon van Egypte' genoemd, omdat hij driehonderdvijftig steden heeft veroverd en naar verluidt geen enkele veldslag heeft verloren. Zijn gebied reikte van de Eufraat tot aan de zuidgrens van Koesj, niet ver van het huidige Khartoum in Soedan. Dit alles bereikte hij in zeventien militaire campagnes. Hij was de eerste farao die de Eufraat overstak, tijdens zijn gevecht tegen de Mitanni. Onder meer zijn oorlogen zijn gedocumenteerd op de muren van de Amontempel in Karnak bij Luxor.

Thoetmosis III wordt beschouwd als een van de meest oorlogszuchtige farao?s; hij maakte van Egypte een wereldmacht. Een aanzienlijk deel van wat bekend is over de oorlogen van Thoetmosis III, is te danken aan wat zijn legeraanvoerder Thanuny hierover heeft geschreven. Thoetmosis? veroveringen werden mogelijk gemaakt door de verbetering van de wapens en het effici?t inzetten daarvan. Voorbeelden hiervan zijn met een menner en een boogschutter bemande snelle strijdwagens en een apart boogschutterskorps, bewapend met composietbogen met een groot bereik. Zijn leger maakte ook gebruik van boten, zowel voor de aanvoer van voorraden naar het huidige Libanon als voor het oversteken van grote rivieren zoals de Eufraat en ook, bij de campagnes in Nubi? voor het uitvoeren van snelle aanvallen via de Nijl. Men zou de daarvoor gebruikte elitetroepen als het eerste 'Korps Mariniers' in de geschiedenis kunnen zien.

Na Hatsjepsoet?s dood ondernam Thoetmosis III zijn eerste grote militaire campagne. Hij vertrok uit Egypte en ging door de Sina?en via Gaza landinwaarts in de richting van de stad Megiddo. Om in Megiddo te komen had Thoetmosis III wel een probleem. Het Karmelgebergte in het huidige Israel lag nog tussen zijn leger en Megiddo. Er waren drie mogelijke routes: zowel de noordelijke als zuidelijke routen gingen om de bergketen heen en werden door zijn militaire adviseurs als veilig beschouwd, maar Thoetmosis vond zijn adviseurs maar lafaards en koos een route dwars over de bergen heen. Een slimme keuze, want zo kwamen ze op een veel strategischere plaats uit, net buiten de stad Megiddo en verrasten hun vijanden, die zo'n gewaagde zet niet hadden verwacht. De Egyptenaren konden de daarop volgende slag gemakkelijk winnen, maar de vluchtende vijand had de kans gegrepen de stad binnen te vluchten. Na een maandenlang beleg veroverde Thoetmosis? leger die ook. De slag om Megiddo is waarschijnlijk de belangrijkste die Thoetmosis ooit uitvocht. Hiermee brak hij het verzet in Palestina, Libanon en Zuid-Syri?
De tweede, derde en vierde campagne dienden vooral om rijkdom uit de verschillende overwonnen gebieden te vergaren. Tijdens zijn vierde veldtocht zou hij ook een fort hebben laten bouwen in het zuiden van Libanon.

Zijn vijfde, zesde en zevende veldtocht vonden plaats in Syri? Tijdens zijn vijfde veldtocht veroverde hij een aantal steden, vnl. in het zuiden van Syri? Tijdens zijn zesde veldtocht veroverde hij meer Syrische steden, vnl. in het westen. Er kwamen toen geregeld opstanden voor bij de plaatselijke bevolking. Om daar een einde aan te maken, besloot Thoetmosis III om familieleden van hooggeplaatsten als gijzelaars mee te nemen. Niettemin rebelleerde Syri?opnieuw, dus moest Thoetmosis er opnieuw naar toe. Tijdens zijn zevende veroveringstocht nam hij een aantal havensteden in. Om verder oproer te voorkomen, nam hij een groot deel van het graan in beslag dat hij vnl. gebruikte om zijn leger te voeden. Zo kon Syri?dat graan niet meer verkopen en werd het snel heel arm. Hierdoor kon het land ook geen opstand meer financieren.

Nadat Thoetmosis III de Syrische steden onder controle had gekregen, wou hij zijn rijk in noordelijke richting uitbreiden. Daardoor moest hij het koninkrijk Mitanni aanvallen, wat in het huidige Koerdistan lag. Hiervoor moest hij echter de Eufraat oversteken. Daarvoor voerde zijn leger boten op karren mee. Hiermee trok hij door de al overwonnen gebieden. Ondertussen plunderden ze nog wat, waardoor het op een zoveelste Syrische veldtocht leek. Ze staken snel de Eufraat in hun boten over en konden zo een verrassingsaanval uitvoeren. De koning van Mitanni was helemaal niet voorbereid en zijn leger kon dat van Thoetmosis niet tegenhouden. Thoetmosis nam zonder moeite alle steden in en plunderde die.

Thoetmosis? negende veldtocht was slechts een kleine plundertocht in Syri? Tijdens zijn tiende militaire campagne werd er wel veel gevochten. De koning van Mitanni had ondertussen een groot leger op de been gebracht. Thoetmosis won de oorlog wel, maar het was zeker geen grote overwinning.

De beschrijvingen van de elfde en twaalfde militaire campagne zijn verloren gegaan. Zijn dertiende campagne was een kleine veldtocht in wat nu centraal Syri?is.

Het volgende jaar, zijn 39ste jaar, begon hij zijn veertiende campagne. Deze was tegen de Shasu. De locatie van deze campagne is onmogelijk met zekerheid vast te stellen, omdat de Shasu nomaden waren die van Phoenici? het huidige Libanon, via Transjordani?tot in Edom gewoond kunnen hebben. Zijn laatste Aziatische campagne is beter gedocumenteerd. Op een gegeven moment in Thoetmosis' 42ste regeringsjaar zijn de Mitanni kennelijk in opstand gekomen in alle grote steden van Syri? Thoetmosis verplaatste zijn troepen en ging via de kust noordwaarts. Hij sloeg de opstanden in de Arkevlakte neer en trok verder op tot Tunip. Na het veroveren van Tunip richtte hij zich op Kadesj. Hij viel drie omliggende Mitannische garnizoenen aan en versloeg ze. Hij keerde daarna terug naar Egypte. Zijn overwinning in zijn campagne was niet helemaal compleet omdat hij Kadesh niet had veroverd; de blijvende trouw van Tunip als bondgenoot was niet verzekerd, zoals na zijn dood zou blijken.

De laatste campagne van Thoetmosis III was in zijn vijftigste regeringsjaar. Hij viel het uiterste zuiden van Nubi?weer eens aan (de rest had men al onder controle), maar kon niet veel extra grondgebied veroveren. Hoewel geen enkele farao voor hem zo ver zuidwaarts was doorgedrongen, had de Egyptische cultuur zich hier door de jaren heen wel al wijd verspreid. Koesj werd immers al sinds het Middenrijk door Egypte gedomineerd, ook al waren er tussenpozen waarin de streek korte tijd haar onafhankelijkheid herwon. Gedurende het gehele Nieuwe Rijk, al sinds Thoetmosis I, de grootvader van Thoetmosis III, was het grootste deel van Nubi?stevig in Egyptische handen. Eerder al had Thoetmosis in Koesj de nieuwe stad Napata gesticht als hoofdstad van de provincie. Deze stad was daarna de zetel van de onderkoning van Koesj (de Egyptische gouverneur, wiens offici?e titel "Prins van Koesj" luidde.

De graftombe van Farao Thoetmoses III werd gevonden in de Vallei der Koningen DK34 De sarcofaagruimte bezit een ovale vorm, die opzettelijk verwijst naar de ovaalvormige Koninklijke cartouche. De sarcofaagruimte heeft vier corresponderende kamers waar vroeger levensmiddelen en gebruik voorwerpen in bewaard werden die de farao nodig had tijdens zijn reis naar het hiernamaals. De afbeeldingen tonen sc?es uit het boek der Poorten waar elk uur van de nacht gesymboliseerd wordt door een baviaan. Opmerkelijk zijn de veelvuldige beeltenissen van Thoetmoses III. 
Op ?n van de pilaren wordt hij drie maal afgebeeld. In de bovenste tekening bevindt hij zich tezamen met de koningin-moeder Isis in de heilige zonneboot. Zo vereeuwigde hij de naam van zijn moeder Isis die nergens anders werd vermeld, behalve in dit graf. Het deksel van de sarcofaag ligt beschadigd op de grond. Nadat grafrovers de schatten roofden, namen de priesters van de 21ste Dynastie drastische maatregelen. 


               

De mummie werd tezamen met andere farao?s uit de 19de en 20ste Dynastie verborgen in de Koninklijke cache (DB 320) van Deir-El-Bahari. Deze werden ontdekt in 1871 door de gebroeders RASUL die er een winstgevend zaakje van maakten tot Emile Brugsch in 1881 hen tot bekentenissen dwong waar de cache zich bevond. De mummie van Thoetmoses III bevindt zich nu in de speciale afdeling van het Museum van Cairo.

 
 
 
Amenhotep II  ca 1382 - 1356 v Chr was de zoon van Thoetmosis III en zijn tweede vrouw Hatsjepsoet Meritre. De koning was co-regent gedurende twee jaar en vier maanden volgens bronnen uit de oudheid. Amenhotep werd geconfronteerd met een belangrijke opstand in Syri?door de vazalstaat van Naharin in het jaar 3 van zijn regering, bijna onmiddellijk na de dood van zijn vader. Hij zond zijn leger naar de Levant om deze opstand te onderdrukken.

Bij de verovering van Kadesj en het hiermee succesvol be?ndigen van de opstand en van zijn eerste Syrische campagne werden de zeven belangrijkste prinsen door Amenhotep II gevangengenomen en naar Egypte afgevoerd. Daar werden zij ritueel ge?ecuteerd in de rijkstempel van Amon (feitelijk als offer aan de oppergod, die de overwinning mogelijk had gemaakt). Naar verluidt werden zes lichamen daarna opgehangen aan de muren van de stad Thebe.

 
Het zevende lichaam werd aan de boeg van het staatsieschip van de koning gehangen en zo naar Koesj gevoerd alwaar het aan de stadsmuur van de provinciehoofdstad Napata werd gehangen als voorbeeld voor wat potenti?e opstandelingen te wachten zou staan. De farao wilde net als zijn vader Thoetmosis III een zeer succesvol militair zijn, maar slaagde daar maar ten dele in. Er is in ieder geval geen sprake van geslaagde opstanden in Koesj (in tegenstelling tot onder zijn opvolger Thoetmosis IV).

De koning was daarnaast bekend om zijn fysieke kracht en sportiviteit. Bekend is een gedenksteen (nu in het museum te Luxor) waarop de farao afgebeeld is terwijl hij, in zijn eentje een strijdwagen besturend met de teugels van de paarden om zijn middel, op volle snelheid pijlen afschiet op een met dierenhuid overspannen bronzen plaat die hij niet alleen feilloos treft maar ook doorboort. Dit kon alleen een zeer geoefend paardenmenner en voortreffelijk schutter en Amenhotep liet zich erop voorstaan dat hij dat was. Ook zou hij sneller geroeid hebben dan tien mannen tegelijk. Ongetwijfeld is hier sprake van enige propaganda, maar een goed sportman zal Amenhotep II zeker geweest zijn.

Amenhotep had ook te kampen met nieuwe opstanden in Syri? Aan het neerslaan daarvan besteedde hij zijn tweede Syrische veldtocht. Die vond plaats in zijn regeringsjaren 7 tot 9. Beide opstanden werden veroorzaakt door verzet in de Syrische gebieden van het Egyptische Rijk, dat waarschijnlijk opgestookt werd door de koning van de Mitanni. In jaar 9 verloor Amenhotep II zijn gezag over het gebied tussen de Orontes en de Eufraat. Na deze campagne ontwikkelden zich geen verdere conflicten tussen Mitanni en Egypte en werd er een informele vrede gehandhaafd tussen Amenhotep en de koning van Mitanni. Daarna legde Amenhotep de nadruk op binnenlandse kwesties, handhaafde de keizerlijke controle van Egypte over Kana? en wijdde zich aan de handhaving van Egyptes welvaart.

Amenhotep II was niet alleen een vechter maar ook een diplomaat. Hij regelde dat de Babyloni?s en Hettieten vrede met elkaar sloten, in ruil voor de betaling aan Egypte door deze gebieden van een schatting. Toen de vrede verzekerd was richtte de koning veel gebouwen op in Egypte.

Er zijn geleerden die denken dat dit de farao was ten tijde van de exodus, die rond ca. 1401 v.Chr. zou hebben plaatsgevonden.

Amenhotep II werd ter ruste gelegd in de Vallei van de Koningen in DK35. De rust was echter van korte duur want zijn graf werd nog voor het einde van de 20ste dynastie geplunderd.
Toen Victor Loret het in 1898 binnenging, trof hij de gebruikelijke puinhoop aan. Maar de koning lag nog steeds in zijn sarcofaag, gedeeltelijk in nieuwe windsels gewikkeld die priesters na de schending hadden aangebracht.
Uit afdrukken in het hars bleek wat voor juwelen er destijds op het lichaam hadden gelegen.
Amenhotep was niet de enige mummie die Loret aantrof in DK35. In de oudheid hadden de priesters dit graf gebruikt als opslagplaats voor vele andere koninklijke mummies uit het Dal der Koningen.

      

De tombe is ontdekt op 9 maart 1898 door Victor Loret.
De opeenvolging van de gangen, trappen en kamers is in hoofdzaak hetzelfde als DK34, een kamer is toegevoegd aan de basis van de putschacht; een gang scheidt nu de trap van de eerste hal met pilaren en de nieuwe rechthoekige grafkamer met zes pilaren en een lager gedeelte wat men beschouwd als de crypte, aangezien zich daar de koninklijke sarcofaag bevind.
De muren van de grafkamer zijn voorzien van een rand met decoraties en scenes uit het boek Amduat; pilaren met de koning staande voor Osiris, Anubis en Hathor, gouden sterren op een blauw plafond.

 
 
 
Thoetmoses IV  ca 1356 - 1347 v Chr schijnt 9 jaar en 8 maanden te hebben geregeerd, maar Egyptologen denken dat het tien jaar is. Hij deed aan buitenlandse politiek en hij sloeg een rel neer in Koesj en hij is genoemd als overheerser van Syri? Thoetmosis IV had goede banden met de Mitanni en trouwde een Mitanniaanse prinses na veel onderhandelingen. Hij bouwde op grote schaal zoals dat toen in de mode was, hij maakte een obelisk af van Thoetmosis III. De obelisk is 32 meter hoog en is de grootste staande obelisk in Egypte.

Het bekendste feit van Thoetmosis IV is dat hij de Sfinx van Gizeh heeft uitgegraven en de droomstele heeft opgericht. Hierin vertelt hij hoe hij als jonge knaap onder de sfinx lag te slapen en hoe de god Harmachis hem het koningschap beloofde als Thoetmosis de sfinx liet uitgraven.

 
Een aantal Egyptologen menen dat Amenhotep II Thoetmosis IV niet als opvolger aannam, daarom heeft hij de sfinx uitgegraven om zijn koningschap te legitimeren.
Hij lijkt nauwelijks enige militaire aanleg te hebben gehad, maar onze kennis kan vertroebeld zijn door een gebrek aan teksten. In het Jaar 8 is er sprake van een Nubische veldtocht die, natuurlijk, uitermate succesvol was.
Ook schijnen er veldtochten in Syri?te hebben plaatsgevonden, aangezien de koning tweemaal 'veroveraar van Syri? wordt genoemd. Maar dit zullen eerder bescheiden inspectietochten zijn geweest dan grootscheepse aanvallen.
 
Uit de regeringsperiode van Thoetmoses IV stammen enkele van de meest bekende versierde priv?graven in de Thebaanse necropolis.
Thoetmoses' eigen, eertijds geplunderde graf in de Koningsvallei
DK43 werd in 1903 ontdekt door Howard Carter. Men vond er een grote hoeveelheid beschadigde en vernietigde grafgiften, oesjabti's, voedselvoorraden en een strijdwagen.
De plundering lijkt te hebben plaatsgevonden v?r Jaar 8 van Horemheb, wanneer twee graffiti de restauratie melden van het graf door de functionaris Maya en zijn assistent Djehoetymose. De mummie van de koning was echter niet aanwezig in de schitterend versierde granieten sarcofaag: die was vijf jaar eerder gevonden en behoorde tot de verborgen mummies in het graf van Amenhotep II.
De tombe DK43 is ontdekt op 18 Januari 1903 door Howard Carter.
 
           

De voorzichtig uitgegraven entree, trap en eerste 3 gangen leiden in een rechte lijn naar een grote put met een compensatiekamer aan de basis van de put. Hier maakt de gang een hoek van 90? in de eerste van pilaren voorziene hal van waaruit een trap, een hellende gang en nog een trap leiden naar de voorkamer en de grafkamer.
In de tombe vond H.Carter enkele kleine objecten, fragmenten van begrafenis materiaal.
De mummie van Thoetmoses IV was ondergebracht in een zijkamer van de tombe DK35
 
 
 
Amenhotep III  ca 1347 - 1307 v Chr regeerde ongeveer 40 jaar en staat bekend om zijn voorspoed en vrede.
Dit was niet in de laatste plaats te danken aan de opa van Amenhotep III, Thoetmoses III. Deze farao werd niet ontoepasselijk de 'Napoleon van de oudheid' genoemd. Hij legde het fundament voor deze stabiele periode door uitmuntende militaire acties in Syri? Libi?en Nubi?
Zijn kleinzoon Amenhotep III hoefde alleen op kleine schaal op te treden en liet dat bijvoorbeeld uitvoeren door de onderkoning van Kush, Merymose, toen daar wat schermutselingen plaatsvonden.
Amenhotep was zijn geboortenaam wat zoveel betekende als 'Amon is tevreden, heerser van Thebe'. Toen hij de troon besteeg kreeg hij de naam Nub-maat-ra, 'de heer van de waarheid is Ra'.
De geboorte van de vorst is uitstekend weergegeven op de muren van een kamertje in het oostelijke gedeelte van de tempel van Luxor. Gebouwd door Amenhotep III was deze kamer voor de verering van Amon. Het is echter Chnum met zijn hoofd van een ram die het kind maakt en voorzien van zijn 'ka', dit alles onder toezicht van Isis.
Amon wordt vervolgens voorgesteld aan de moeder van Amenhotep III (Tiy) door Thoth, de god van de wijsheid. Daarna wordt Amon afgebeeld samen met Hathor en Moet als zij samen de nieuwe koning verzorgen
 
Amenhotep III werd waarschijnlijk geboren uit een huwelijk van Thoetmoses IV en een van zijn belangrijke hoofdvrouwen, koningin Mutemwiya. Het is waarschijnlijk dat zij een dochter was van koning Artatema en dat zij om politieke redenen aan de farao van Egypte was uitgehuwelijkt.
Zijn vader overleed al vroeg waardoor hij op een leeftijd van tussen de twee en twaalf jaar de troon besteeg. Desondanks dat hij zelf nog niet klaar was voor de troon is het vrijwel uitgesloten dat zijn moeder als een soort regent voor hem optrad. Zij had hooguit wat invloed achter de schermen.

 

Koningin Tiye ( Zie afbeelding )

Amenhotep III belangrijkste vrouw trouwde hij in zijn jaar twee van zijn regering. Ze was echter niet van koninklijken bloede maar van een familie van goede afkomst.
Queen Tiye was geboren uit een relatie van Yuya en Tuya. Zij bezaten grote bedrijven in de Delta en Yuya bekleedde ook nog eens een hoge militaire positie. Dit echtpaar werd begraven in de Vallei van de Koningen in tombe
DK46.
Naast Tiy had Amenhotep III een grote harem waaronder verschillende vrouwen verkregen door politieke verbintenissen.
Het leven van Amenhotep kan opgedeeld worden in twee delen.



In zijn jonge jaren besteedde hij veel aandacht aan zijn atletische kwaliteiten en voerde hij een aantal kleinere militaire operaties uit. Zoals gebruikelijk was voerde hij in zijn vijfde jaar van zijn regering een expeditie uit naar Nubi?wat hem bracht tot de vijfde cataract van de Nijl.
Er zijn ook inscripties gevonden van een opstand in Ibhet, de kop ingedrukt door zijn zoon. De inscripties laten zien dat het resultaat van deze campagne 150 mannen, 250 vrouwen, 175 kinderen, 110 boogschutters en 55 bedienden gevangen genomen weren en nog eens 312 rechter handen van de gesneuvelden betrof.
Het tweede gedeelde van zijn leven, vanaf zijn 25ste regeringsjaar, wordt echter gekenmerkt door rust wat ten goede kwam aan nieuwbouw en verbeteringen van tempels.
Hij wist zijn rijkdommen te bekostigen door intensieve handel met andere landen met wie hij een vriendschappelijke relatie had. Zijn politieke kennis was immens en was ?n van de redenen van het vergroten van de rijkdom. In zijn 30ste regeringsjaar haalde hij een ongelooflijke grote hoeveelheid graan binnen waardoor zelfs 1000 jaar later de farao nog herinnerd werd als een vruchtbaarheidsgod.
Hoewel er van een aantal bouwprojecten van Amenhotep III niets meer over is, is er des te meer te zien in de tempel van Karnak. Hij reorganiseerde en verbouwde de tempel en liet nieuwe gebouwen en muren verrijzen.
Thematisch liet hij verslagen achter van overwinningen en vereringen van zichzelf en de god Amon.
Ook het aangezicht van de tempel veranderde hij compleet. In het zuiden van de tempel begon hij zelfs met de bouw van een compleet nieuwe tempel, de tempel van Moet. Om de symmetrie te waarborgen besloot hij tevens tot de bouw van een tempel voor Ma?, de dochter van de zonnekoning.

In Luxortempel bouwde hij een ook tempel voor dezelfde god, inclusief de tot op heden ten dage te bezoeken enorme binnenplaats, voorzien van enorme kolossen van pilaren als muren. Dit schitterende stukje vakwerk kan toegeschreven worden aan zijn hoofdarchitect.
Op de westoever van het oude Thebe liet hij zijn dodentempel herrijzen wat nu te boek staat als de grootste tempel ooit gebouwd. Helaas werd de tempel op een verkeerde plaats gebouwd en had hij veel last van de overstromingen van de Nijl. De tempel raakte in verval en de materialen werden gebruikt voor de bouwprojecten van latere farao's.
De enige overblijfselen zijn de twee enorme standbeelden; de Kolossen van Memnon. Op het meest zuidelijke standbeeld prijken nog de namen van twee van zijn meeste belangrijke vrouwen; Koningin Tiye en Mutemwiya.

De westoever van Luxor was tevens het decor van Amenhotep's grote paleis: Malkata. Er zijn nog steeds resten te vinden van dit paleis, dit in tegenstelling tot paleizen van andere farao's.
De resten laten sporen zien van hoe het paleis in vroegere tijden eruit heeft moeten zien. Beeltenissen van het dagelijkse leven waren op de muren afgebeeld. Naast het paleis was ook nog eens een enorme haven gebouwd. Twintig kilometer ten zuiden van Thebe, bij Kom el-Samak, liet hij een tempel bouwen voor Sobek.
Daarnaast was hij nog betrokken bij vele andere grote en wat kleinere bouwprojecten.
Artistiek gezien zijn de meeste afbeeldingen van de koning van ongelooflijke kwaliteit. Waar de Kolossen van Memnon de grootste uit zandsteen vervaardigde beelden zijn, zijn de beelden ook nog eens kenmerkend voor de kwaliteit en details. De artiesten wist de beelden als het ware tot leven te laten komen.

In april 2011 vonden Egyptische archeologen in de buurt van Luxor een dertien meter hoog standbeeld uit kwartsiet van Amenhotep III, in zeven stukken gebroken.
Het was een van de twee standbeelden die aan de ingang van de graftempel van de farao stonden in Kom al-Hitan

 In 1989 werd er in Luxortempel een beeld van absolute topkwaliteit gevonden van 1.83 meter hoog. Dit beeld, tegenwoordig een topstuk in de collectie van het Luxormuseum, is vrijwel intact uit de grond gekomen op ?n beschadiging na, waarschijnlijk aangebracht nadat zijn zoon Echnaton de naam van Amon overal liet verdwijnen.
Omdat de kwaliteit van de beelden van Amenhotep van ongekend niveau was, lieten latere farao's het niet na om de beelden te ontdoen van de cartouche van de bouwer en te verruilen voor de cartouche van zichzelf.
In de late jaren van zijn leven vereerde Amenhotep waarschijnlijk al Aton, de zonneschijf.
Hiermee is het niet ondenkbaar dat hij hiermee de basis legde voor het nieuwe geloof dat zijn zoon Echnaton in zou gaan voeren. Bewijzen voor zijn verering zijn gevonden in het feit dat inscripties die gewijd zijn aan het feest ter ere van zijn 30-jarige regeringsschap de god Aton laten zien die op zijn zonneschijf rondreist.
Een ander bewijs zou zijn naam Neb-maat-ra ('de glimmende Aton') kunnen zijn.
Waarschijnlijk overleed Amenhotep in zijn 39ste jaar van regering op een leeftijd van ongeveer 45. Zijn vrouw Tiy leefde nog zeker twaalf jaar langer. Zij is dan ook te zien, samen met een dochter van haar, op een wand in de tombe bij de stad Amarna van zijn zoon en opvolger Echnaton.
Waar ze in eerste instantie begraven werd in Amarna zou het waarschijnlijk kunnen wezen dat ze daarna samen met haar echtgenoot herbegraven werd in
WV22 in de Vallei van de Koningen.
.
Het is goed mogelijk dat de oudere vrouw die gevonden werd in
DK35 (Amenhotep II) het lichaam is van Koningin Tiy. Een ander lichaam dat in dit graf werd gevonden werd in eerste instantie toegewezen aan Amenhotep III maar latere studies impliceren dat het zou gaan om Ay of mogelijk zijn zoon.

De tombe van Amenhotep III, de schitterendste farao van de 18de dtnastie is ontdekt in augustus 1799 door 2 leden van Napoleons expeditie.
Het meest vermeldenswaardig is de positie van de kamer uitgegraven aan de basis van de putschacht, de verbinding tussen de voorkamer en de grafkamer, de richting van de laaatstgenoemde ruimte en de toevoeging van 2 grote kamers aan de crypte, elk met een pilaar en opslagruimte.
De eerste van deze (Je) schijnt te zijn ontworpen voor het begraven van Amenhotep III belangrijkste vrouw, Tiji en een paar begrafenis items maken klaarblijkelijk deel uit van deze begrafenis.
De tweede kamer (Jd) schijnt te zijn uitgebreid van oorspronkelijk opslagruimte, het was bestemd voor het begraven van koningin Sitamon.

 
 
 
Amenhotep IV  ca 1307 - 1289 v Chr als zoon van Amenhotep III. Voor dat hij de troon besteeg was hij al in de echt verbonden met Nefertite.
In het vijfde regeringsjaar van de farao veranderde hij van naam. Echnaton was meer een naam die bij het geloof hoorde wat hij nog maar kort geleden ge?troduceerd had. Het nieuwe geloof betekende dat alle goden ineens overbodig waren geworden.
Er kwam voor alle goden ?n god in de plaats: Aton. Aton was er in allerlei gedaantes en vormen. Op afbeeldingen is de meest gebruikte vorm die van een zonneschijf waaruit stralen in handen overgaan. Het volk was echter niet bepaald blij met deze omslag maar Echnaton drukte zijn zin door met geweld.
Hij liet zelfs verwijzingen in tempels naar andere goden zo veel mogelijk wegbeitelen om de herinnering aan hen te doen verdwijnen. Later tijdens zijn regeringsperiode besloot Echnaton ook nog eens de hoofdstad te verplaatsen naar een nieuw te maken stad.
 
Achet-Aton, tegenwoordig bekend onder de naam Tel el-Amarna, was de nieuwe hoofdstad van het wereldimperium Egypte. Deze stad werd ook veelvuldig gebouwd volgens de nieuwe regels die Echnaton voorschreef.
Waar in de jaren voor hem zoveel mogelijk een idealistische vorm werd gehanteerd door de beeldkunstenaars, wilde Echnaton een zo realistisch beeld hebben. De beelden die in die tijd vervaardigd werden kunnen beschouwd worden als de meest realistische van de gehele Egyptische geschiedenis.
Na de dood van Echnaton kwam zijn zoon Toetanchaton aan de macht.
Deze was, waarschijnlijk mede ingefluisterd door zijn stafmedewerkers, het nieuwe geloof zat en bracht alles terug naar het oorspronkelijke. Daarmee is ook veel van de geschiedenis verloren gegaan.
Toetanchaton nam zelfs een andere naam aan: Toetanchamon. Akhenaten had de bedoeling om zijn eigen begraafplaats te bouwen in de kilffen van Amarna, zoals hij op zijn eigen vroege grens stelae verordende.
Hij begon met het graven van zijn tombe
DK55 op zo;n 13 tot 14 kilometer ten oosten van de stad. Hoewel het onvolledig wss toen hij stierf was het toch zeer waarschijnlijk dat hij hier begraven werd.
Het plan van de tombe was innovatief, er komt in voor een pasage die leidt naar een put met schacht en een grafkamer met pilaren  erachter, allen geplaatst op de centrale as. De twee trappenhuizen in de tombe kenmerken een centrale helling geflankeerd door treden, welke het gemakkelijker maakten om de sarcofaag omlaag te krijgen.
Omdat de inheemse rots van matige kwaliteit was werden de muren gepleisterd en de decoratie werd vervolgens aangebracht in het pleisterwerk. De putkamer toont scenes van de koninklijke familie terwijl ze Aton aanbidden. De achterwand van de grafkame continueerd dit thema.

  


De tombe is ook noemenswaardig om het hebben van twee extra kamers rechtstreeks op de as, vermoedelijk bedoeld voor familieleden. Een serie van zes kamers te bereiken via een gang die is niet afgemaakt en zijn onversierd. Vermoedelijk was deze bestemd voor Nefertiti of Tiji.
De andere kamer uitgerust voor de begravenis van princes Maketaton.kamer was versierd met scenes over het aanbidden van het opkomen en ondergaan van de zon, met wonderschone details zijn een visuele weergave van "De grote hymne aan Aton".

 
 
 
Smenchkare  ca 1289 - 1285 v Chr is de naam van twee (mogelijke) farao's in de Egyptische Oudheid. De naam Smenchkare betekent: "Sterk is de ziel van Re". De eerste is niet meer dan een naam op de lange lijst met koningsnamen van de 13e dynastie. Wat bekender is de koning van deze naam van de 18e dynastie van het Nieuwe Rijk, waarover dit artikel gaat, hoewel ook omtrent deze persoon veel onduidelijk is.

De identiteit van Smenchkare is een beetje mysterieus. Egyptologen zijn er niet over uit of het een man of vrouw is geweest, maar men gaat uit van een man omdat er in de hele Egyptische geschiedenis maar een paar vrouwelijke heersers geweest zijn.

 
De moeilijkheid is echter dat deze farao een paar namen deelt met Nefertiti, echtgenote van Achnaton. Een mogelijkheid bestaat dat Semenchkare in werkelijkheid dezelfde persoon als Nefertiti was, aangezien het niet helemaal onmogelijk was voor vrouwen om de troon te bestijgen.

Bij het dateren moeten we ons realiseren dat een label van een wijnkruik en zes koninklijke zegels de enige vondsten met de naam Ankhkheprure Smenkhkare zijn die ons resten. Sommige (vrouwelijke) voorwerpen zijn opnieuw gebruikt in het graf van Toetanchamon. Dit suggereert dat Ankhkheprure Smenkhkare ?n persoon is die niet Nefertiti is. Sommigen merken echter op dat als Nefertiti uit beeld verdwijnt Smenchkare juist verschijnt, en ook dat deze persoon wordt weergegeven als degene die de riten uitvoert voor haar man die de troon bestijgt op Achnatons begrafenis. Dit betekent dat Smenchkare en Nefertiti misschien toch dezelfde persoon zijn.

Nochtans heeft men ook voorgesteld dat Smenkhkare de namen van Nefertiti, zij het in hun mannelijke schrijfwijze aangenomen heeft. Het is moeilijk in te zien hoe de gedachte dat Smenchkare eigenlijk de vrouw Nefertiti is te verenigen is met het bekende feit dat Smenchkare gehuwd was met Meritaten, de oudste dochter van Achnaton. Immers waarom (en hoe) zou Nefertiti haar eigen dochter als echtgenoot overgenomen hebben? En toch wordt de troonnaam van Ankhkheperure nu en dan geschreven in de vrouwelijke vorm Ankhetkheperure, met vrouwelijk "t". Dit zou te verklaren zijn door aan te nemen dat de naam Ankhkheperure Neferneferuaten Nefertiti uitduidt die echter een ander persoon dan Ankhkheperure Smenkhkare was.

Een fragmentarische st?e van Amarna, die nu als Coregency Stela wordt bekend, voegt meer bewijsmateriaal maar ook meer verwarring toe. De stele beeldde oorspronkelijk drie figuren uit, herkenbaar als Achnaton, Nefertiti en Meritaton. Na de vervaardiging ervan werd de naam van Nefertiti echter uitgebeiteld en vervangen door de naam Ankhkheperure Neferneferuaten. De naam van Meritaton werd vervangen met die van Anchesenpaaten, de derde dochter van Akhenaten en Nefertiti. Waarom en met welk doel deze afbeelding werd vervangen is nog steeds onderwerp van discussie.

Volgens meest recente onderzoek van James Allens, was Ankheperure Neferneferuaten co-regent van Akhenaten in het 2-3e regeringsjaar. Maar deze persoon was iemand anders dan de Ankheperure Smenkhkare die wij bedoelen. Het was een zij in plaats van een hij en ze was nog zeer jong in plaats van oud.

Wie Smenchkare precies ook was, hij heerste maar kort over Egypte. Dit wordt bevestigd met een wijnetiket in zijn Jaar 1 van het "Huis van Smenchkare" en de zes koninklijke zegels met zijn naam erop. Zijn tijd was een periode van grote beroering in Egypte, omdat het religieuze experiment van monothe?me van zijn voorganger Achnaton het land tot chaos had laten afglijden. De druk om de klok terug te draaien naar het oude bestel moet heel groot geweest zijn.

De Tombe gedateerd aan de tijd van Akhenaten en bekend als Amarna is ontdekt in januari 1907 door Edward R. Ayrton en Theodore M. Davies.
Overblijfselen van een verguld houten kapel toebehorend aan koningin Tiji, de vrouw van Amenhotep III, zijn erin gevonden en aldus werd de tombe aan haar toegeschreven.
Een doodskist, oorspronkelijk gemaakt voor Semenchkare's partner, Merytaten,  schitterend vervaardigd en voorzien van goud en kostbare stenen, omvatte een mummie.In de tombe zijn ook 4 canopische kruiken gevonden met gegraveerde vrouwenhoofden op hun buitenkant, diverse kleine artefacten voornamelijk met de namen van Amenhotep III en Tiy erop en tenslotte "last but not least", fragmenten van een vergulde kapel behorend aan Tiy en vergelijkbaar met die gevonden in Toetanchamon?s tombe. Helaas ondergingen al ziijn elementen complete destructie.
De kist en de mummie die er in zat zijn behoorlijk rot geworden wat te danken is aan grondwater dat in de tombe is gekomen. De eerste keer dat de mummie werd onthuld door Joseph L. Smith werd deze zwaar beschadigd en delen werden zelfs verast. Alleen de beenderen en de schedel zijn in "goede" conditie.
Er was aanname dat de mummie gevonden in
DK55 behoorde aan Akhenaten, hoewel nader onderzoek onthulde dat het lichaam van een jonge man was die ? 19 tot 23 jaar oud was en dit geeft definitief gegronde bezwaren tegen de voorgaande hypothese. Vrij nauwkeurige overeenkomsten met de schedel van Toetankhamon en tevens dezelfde bloedgroep, geven aan dat zij naaste verwanten waren. Het wordt nu algemeen aanvaard dat de mummie toebehoort aan de farao Semenchkare.

 
 
 
Toetanchamon of Toetankhamon  ca 1285 - 1275 v Chr was een farao van de 18e Dynastie van het Oude Egypte. Hij heette oorspronkelijk Toetanchaton, later werd om politiek-religieuze redenen zijn naam veranderd in Toetanchamon, wat zoveel betekent als: "Levend evenbeeld van Amon". Zijn troonnaam Nebcheperoere betekent: "Heer van de manifestaties van Ra".

Het graf van Toetanchamon, graf DK62, ligt in het Dal der Koningen. Toen op 4 november 1922 de arbeiders van de Engelse opgraver Howard Carter op de eerste treden naar de ingang van het grafcomplex van Toetanchamon stootten, konden zij niet weten dat zij de grootste sensatie in de geschiedenis van de archeologie teweeg zouden brengen. De ontdekking was echter geen toeval maar het resultaat van lang zoeken.
Al in 1914 had Lord Carnarvon, die de onderneming financierde, de werkzaamheden in het Dal der Koningen overgenomen, maar pas in 1917 begonnen de eigenlijke opgravingen.

 
Na jaren van mislukkingen en vanwege de aanzienlijke kosten wilde Carnarvon zijn betrokkenheid in het dal al in 1921 be?ndigen, maar hij was erg onder de indruk van het aanbod van Carter. Hij zou bij een nieuwe mislukking de volgende campagne uit eigen zak betalen. Dat trok Carnarvon over de streep. Hij gaf toestemming tot een laatste poging.
Want Carter bezat inderdaad voldoende aanwijzingen voor het bestaan van het graf van Toetanchamon, een tot dan toe in het duister gehulde heerser uit de 18de dynastie.
Dat uitgerekend dit complex als enig koningsgraf van het Nieuwe Rijk met een haast volledige inrichting de oude grafrovers was ontgaan, is aan een gelukkige omstandigheid te danken.

Bij de aanleg van het direct boven Toetanchamon liggende graf van Ramses VI (20ste dynastie) was de ingang van Toetanchamons graf definitief onder dikke lagen puin verdwenen en op die manier ook veilig voor plunderingen.
Ook Carter had eerst op deze plaats zijn opgravingen be?ndigd, om het bezoek van toeristen aan de tombe van Ramses VI niet te hinderen.
Bij de onverwacht vroege dood van Toetanchamon was, nadat hij nauwelijks tien jaar had geregeerd, nog geen koninklijk graf voor hem gereed. Daarom vond de begrafenis plaats in een vrij ondiep, klein complex. Via een korte trap bij de ingang komt men in de corridor, die in de voorkamer eindigt en oorspronkelijk volledig met puin was gevuld. Toen Carter en Carnarvon hier voor de nog dichtgemetselde doorgang stonden, konden zij de spanning amper verdragen. Eerst verwijderde Carter voorzichtig enkele stenen en scheen hij met een kaars in de zo ontstane opening. Op de vraag van Lord Carnarvon of hij iets kon zien, antwoordde Carter met de legendarische woorden: "Ja, prachtige dingen". In het verdere verloop van de opgravingen, waarbij hij op ondersteuning van de wetenschappelijke staf van het Metropolitan Museum of Art in New York kon rekenen, bracht hij bijna 5000 objecten van adembenemende, nooit eerder geziene schoonheid aan het licht, waaronder de wereldberoemde schrijnen en sarcofagen, het gouden masker van Toetanchamon, diens troon en prachtige juwelen.

 

Op deze foto ligt Toetanchamon nog intact in zijn sarcofaag met het wereldberoemde 'masker'. Deze foto werd gemaakt op het moment dat de gouden sarcofaag werd geopend. Het 10kg wegende masker is gemaakt van puur goud en is bezaaid met blauw glas en diverse edelstenen

Er was toch een teleurstelling bij Carter: hij vond namelijk geen geschriften op papyrus. Bovendien moest hij vaststellen dat grafrovers toch twee maal het graf bezocht hadden. Ze hadden kostbare oli? voor zalving en sieraden meegenomen uit het graf. Ze zijn waarschijnlijk gestoord, dat verklaart de enorme rotzooi die zij achtergelaten hadden. Vooral de kleinoden werden kriskras door elkaar in kisten geworpen.
De geplande wetenschappelijke bewerking van de vondst werd Carter niet gegund. Hij stierf in 1939 in alle eenzaamheid, maar niet aan de 'vloek van de farao'.

Het onderzoek van de grafschat is nog steeds gaande. Nog vele vragen over details wachten op opheldering.
Als je bedenkt dat Toetanchamon een farao was van mindere betekenis in zijn tijd, kun je je afvragen hoe groot de schat zou zijn indien het hier een tombe betrof van een grote farao. Farao's zoals Ramses II, Thoetmoses III en Amenhotep II hadden veelal meer tijd om rijkdommen te vergaren en zullen dat ongetwijfeld gedaan hebben..
Het is dan ook jammer dat dergelijke graven leeggeroofd zijn gevonden. Ook over de vraag naar de doodsoorzaak van de ongeveer 18-jarige farao kan alleen maar gespeculeerd worden. Een meervoudig onderzoek van zijn mummie heeft noch een ziekte nog het bewijs voor een gewelddadig einde kunnen vaststellen.

De graftombe

De graftombe en de omstandigheden waaronder die is ontdekt zijn zeer vaak beschreven zowel wetenschappelijk als populair alsmede parawetenschappelijk.
In de beschrijving hieronder ligt de nadruk op een paar geselecteerde fragmenten aangaande deze beroemde graftombe. Deze is ontdekt door Howard Carter op 4 november 1922.
De constructie van de tombe verschilt met aIn de gang zijn meer dan 40 objecten en fragmenten daarvan gevonden, zoals vaten, deksels, moza?k,  hangers en andere juwelen.
De voorkamer bevatte 157 groepen bestaande uit 600 tot 700 objectwn karakteristiek voor koninklijke begrafenissen in de tijd van het Nieuwe Rijk die normaal in de van pilaren voorziene sectie van de grafkamer geplaatst zouden zijn en in de voorkamer, de ontmanteling officieel op 17 februari 1923, bevatte 4 gouden doodskisten met de sarcofaag er binnenin.
De deuren van het heiligdom waren geplaatst aan de oostkant van de grafkamer. De buitenste had geen zegel, misschien dat deze al een keer verbroken was door rovers uit de oudheid.


Het openen van de kisten met daarin de sarcofaag nam in totaal 8 maanden in, van november 1924 tot mei 1925.
De 'Schatkamer' bevatte  75 groepen van objecten. Anubis jakhals en de koekop van hout, dozen, cassettes, bogen, modelboten en wagenrommel welke langs de noordmuur lagen en heiligdommen, 2 gemummificeerde foetussen, verdere modelboten en het Osiris bed.
In ' Bijlage ' werden 283 groepen voorwerpen gevonden - de helft van de hoeveelheid groepen van het volledige graf en in totaal meer dan 2000 individuele stukken.ndere koninklijke graftombes uit deze tijd wat de suggestie oproept dat de tombe in eerste instantie toebehoorde aan een nobele, misschien aan de hoge priester Ai en dat deze later is geadopteerd door Toetanchamon.
Na de entree met trap, daalt een enkele gang af naar de voorkamer met zijn "bijlage" en aan de rechterkant de diepliggende grafkamer met de nevenkamer, bekend als de 'Schatkamer'.
Deze twee laatste kamers zouden toegevoegd kunnen zijn rond de tijd van de dood van de koning.
Alleen de grafkamer is voorzien van decoraties en die komt aardig overeen met die uit de tombe van Ai zoals men later heeft aangetroffen.

De mummie van Toetanchamon

R?tgen onderzoek van de mummie sloot uit dat de koning aan tuberculose is overleden, zoals in eerste instantie werd aangenomen.
De hypothese dat de plotselinge door van Toetanchamon te wijten is aan moord, wordt tegenwoordig steeds populairder, alhoewel een klein botfragment in het hoofd van de koning geen definitief bewijs is. Lange tijd was niet helemaal duidelijk waarom hij zo jong gestorven is. Op basis van tweedimensionale r?tgenopnamen suggereerde een Brits team in de jaren zestig een schedelbreuk, wat de hypothese zou staven dat Toetanchamon was vermoord door een klap op het achterhoofd. Latere onderzoeken spreken dit tegen en geven aan dat dit gat tijdens het mummificeren is ontstaan. Een recente schouwing van Toetanchamons skelet heeft uitgewezen dat hij 19 was toen hij stierf en ongeveer 1,68 m lang. Er zat 1 cm verschil tussen de lengte van zijn benen en hij had een ietwat scheve ruggengraat. Daarnaast had hij een klompvoet en miste een teen aan de andere voet. Hij liep met een stok, wat mede ondersteund wordt door de vondst van 170 stokken in zijn graf en het feit dat hij met stok wordt afgebeeld.

Hij leed ook aan een ontsteking in zijn knie, veroorzaakt door een breuk. De breuk zou veroorzaakt kunnen zijn door een val van een strijdwagen, waarschijnlijk gedurende een jachtpartij, een geliefde bezigheid van de jonge farao. In 2009 heeft men de mummie gescand. Uit dit onderzoek is gebleken dat Toetanchamon naar alle waarschijnlijkheid gestorven is aan de gevolgen van de ontsteking in zijn knie, gecombineerd met malaria.
Serologische onderzoeken van de mummie van Toetanchamon en de mummie van Semenchkare (?) ontdekt in
DK55 toonden aan dat deze 2 nauw verwant waren, met beide dezelfde bloedgroep A2 met  serumantigeen MN.

 
 
    Naast de vondst van de mummie van de koning werd er ook nog iets anders gevonden in de 'Schatkamer', namelijk een kist die kleine doodskisten bevatte met gemummificeerde foetessen van Toetanchamons en koningin Anchsenamons dochters.
De kleinere is 25.75 cm lang, geopenbaard door H.Carter, is een ? 5 maanden oude foetus althans geschat door prof. Douglas Derry.
De tweede is 36.1 cm lang. Deze foetus is ook vrouwelijk en volgens Derry gestorven in de 7de maand  van de zwangerschap. Recent onderzoek geleidt door prof. R.G.Harrison van de Universiteit van Liverpool bewijst dat het meisje stierf tijdens de geboorte of kort ervoor.

 

Hieronder een foto impressie van de ontdekking van de Tombe.

Hier probeert het team zorgvuldig een gouden beeld in de graftombe te ontmantelen
 
Ebbenhouten koningsbeelden, vreemd gevormd vergulde bankjes met leeuwenkoppen en met het hoofd van Hathor, betoverende juwelendoosjes, vazen van albast, sierlijk bewerkte stoelen, strijdwagens, er kwam geen eind aan de lijst van opgeslagen spullen. De hoeveelheid was zo overweldigend dat de archeologen bijna 3 maanden nodig hadden om alles te catalogiseren, fotograferen en rubriceren voordat zij eindelijk op 16 februari 1923 toekwamen aan de eigenlijke grafkamer met de gouden sarcofaag.
 

Het graf van Toetanchamon is graf DK 62 in de Vallei der Koningen. Dit is vrijwel het enige koningsgraf dat ongeschonden is gevonden. Dit komt doordat het tijdens de bouw van het graf voor Ramses VI uitgegraven zand, op de ingang van het graf van Toetanchamon werd gegooid.

Een standbeeld van Anubis
 
 

Deze schatkisten, die gemaakt zijn van ivoor, ebbenhout en Egyptische sequoia bevatten juwelen, kleding en sieraden voor de jonge farao.

In totaal lagen er meer dan 35 bootjes verspreidt door de graftombe. De boten stonden symbool voor de oversteek die een farao moest ondergaan over de Hemelse rivier in de onderwereld naar het land Land in het Westen.

Een standbeeld wordt voorbereid op transport.

Het graf maakt ondanks de pracht en praal een tamelijk haastig bijeengeraapte, en voor een farao bijna armoedige indruk. Het was waarschijnlijk voor iemand anders bedoeld; voor een hogere officier, of een vrouwelijk lid van de faraofamilie.

In deze vazen zat parfum. Op de foto hierboven lag verpakt voedsel, waaronder biefstuk!

Het voor een farao kleine graf bevatte meer dan 3500 kunstvoorwerpen die nog zeer goede staat verkeerden. Ze werden bewaakt door de standbeelden in de hoeken. Naar de wens van Howard Carter werd de mummie na grondig onderzoek weer teruggelegd in de sarcofaag van zijn eigen graf.

Toetanchamons vloek

Het bekendste verhaal betreffende de vloek van de farao is dat van de expeditie onder leiding van Howard Carter naar het graf van farao Toetanchamon. Na opening van de tombe, stierven twee?twintig mensen die met het graf van Toetanchamon of het werk daaromheen in aanraking waren gekomen een voortijdige dood. Dertien van hen waren aanwezig geweest bij de opening van het graf. Onder hen was de financier van de uitgravingen Lord Carnarvon. In het graf van de jonggestorven farao zouden plakkaten gevonden zijn met de bezwering "Degene die de slaap van de Farao stoort zal met de vleugels van de dood worden aangetast". Hiervan is geen bewijs, hoewel er graven bestaan met soortgelijke waarschuwingen. De tekst stamt waarschijnlijk af van speculatieve krantenberichten uit die tijd.

Zes weken na opening van het graf werd Lord Carnarvon erg ziek. Aanvankelijk leek het mee te vallen, maar hij kreeg heel hoge koorts en hij ging ijlen. Hierna viel hij in coma. Op de dag van zijn dood gingen in Cairo alle lichten uit. De hond van Carnarvon (die zich in het huis van zijn baas in Engeland bevond) zou hard zijn gaan janken en viel daarna dood neer. Het huis van ?n van Lord Carnavons vrienden, Bruce Ingham, zou door de vloek in vlammen op zijn gegaan.

Het verhaal van de vloek werd snel overgenomen in diverse media, waaronder de New York Times en werd aangehangen door Arthur Conan Doyle, de bedenker van Sherlock Holmes.

Carter zelf geloofde echter niet in de vloek, die hij publiekelijk afdeed als een verzameling ?leugenachtige bedenksels?.

Later kreeg hij gelijk, want de inscripties die in de media vermeld werden bleken helemaal niet aanwezig in de tombe van Toetanchamon. Daarnaast was Carnavaron waarschijnlijk niet overleden aan de muggenbeet maar aan een bloedvergiftiging en waren de lichten in Cairo uit vanwege een stroomstoring, een fenomeen wat toen allesbehalve ongebruikelijk was. Verder blijkt uit onderzoek dat slechts 8 van de 58 personen die de tombe toentertijd betraden binnen twaalf jaar kwamen te overlijden, statistisch gezien geen bijzonder hoog aantal. Daarnaast kunnen de sterfgevallen die wel gerelateerd waren aan een bezoek aan de tombe waarschijnlijk verklaard worden door de slechte hygi?ische staat van het graf, waar zich de voorgaande drieduizend jaar aardig wat bacteri? en schimmels verzameld hadden..

Hoewel de vloek van de farao achterhaald is, blijkt uit onderzoek dat zich in de gesloten tombes en graven gevaarlijk hoge concentraties van bacteri? en schimmels kunnen bevinden, zoals Aspergillus niger en Aspergillus flavus. Inmiddels is bekend dat Aspergillus-schimmels ernstige ziekten bij de mens kunnen veroorzaken, die bekend zijn onder de naam Aspergillose.

 
 
 
Eye, Iyi  ca. 1275-1271 v.Chr was een farao uit de 18de dynastie, die Toetanchamon heeft opgevolgd en voordien ook als priester fungeerde in de Aton-cultus.
Ay was ?n van de belangrijke figuren in de Aton-cultus, hij had de titel superintendant van de koninklijke paarden en Gods vader, een priesterlijke titel. Hij had waarschijnlijk bloedbanden met Echnaton. Mogelijk was hij de broer van Teye en/of de vader van Nefertite, maar dit is echter niet zeker.
In Amarna liet hij een groot graf voor zichzelf bouwen, maar dit is echter onafgewerkt. Na de dood van Echnaton was hij ?n van de vertrouwensmannen van Toetanchamon en had hij hoogstwaarschijnlijk het bestuur van het rijk in handen. Na de dood van Toetanchamon volgde Ay hem op. Dit is duidelijk zichtbaar in het graf van Toetanchamon, waar hij de ceremonie van het openen van de mond doet bij de overleden farao.
Hij huwde met de vrouw van Toetanchamon, Anchesenamon, die eveneens de zus van Toetanchamon was, en hij volgde dezelfde politiek van zijn voorganger. In zijn opvolging was hij waarschijnlijk tegengewerkt door Horemheb die hem na vier jaar zou opvolgen en een memoria damnatio zou toepassen op hem.
 
De tombe DK 23 is ontdekt in de winter van 1816 door Giovanni Battista Belzoni en volledig onderzocht door Otto Schaden in de zomer van 1972. Belzoni's werk lijkt nauwelijks meer aan het licht te hebben gebracht dan een kapotte sarcofaag. Deze was verwijderd uit de tombe aan het eind van de 19de eeuw voor restauratie en tentoonstelling en is onlangs opnieuw ge?stalleerd en voorzien van het deksel, ontdekt in 1972 gedurende Schaden's ontruiming.
Andere items die tevoorschijn zijn gekomen door Schaden zijn o.a. fragmenten van houten goddelijke-figuren, verscheidenen vergulde koperen rozetten en fragmentarische overbijfselen van mensen van onzekere afkomst als ook opdringerig aardewerk van het nieuwe rijk en Romeinse tijd.
De mummie van Ay II is nog niet ge?entificeerd.

         

 
 
Horemheb, Haremhab  ca 1271 - 1259 v Chr was de laatste farao uit de 18de dynastie van het Oude Egypte.
Zijn geboortenaam was Horemheb Meryamon wat betekent "Horus is in viering, geliefd door Amon".
Zijn troonsnaam was Djeserkheperure Setepenre.
Over Horemhebs afkomst is weinig bekend. Waarschijnlijk was hij afkomstig uit de Fayum. Er zijn geen gegevens van hem bekend van onder het bewind van Echnaton, maar hij had er waarschijnlijk al een vrij hoge positie in het leger.
 
Onder Toetanchamon zet hij zijn carri?e verder en staat hij aan het hoofd van het leger.
Bij de dood van Toetanchamon zal hij zijn positie in het leger verder versterken. Hij is vaak samen met Ay beschuldigd als moordenaar van Toetanchamon, maar deze theorie is onlangs door paleontologisch onderzoek weerlegd.
Tussen Ay en Horemheb zal er waarschijnlijk een gespannen situatie geweest zijn. Sommigen veronderstellen dat Horemheb door Toetanchamon was aangesteld als opvolger, maar Ay zijn plaats innam.
Er wordt gesteld dat Ay Nachtmin, die waarschijnlijk zijn zoon was, als opvolger had geplaatst. Deze stierf echter en zo komt Horemheb na een vroege dood van Ay op de troon terecht. Horemheb zal 12 jaar regeren en zijn regering wordt gezien als een terugkeer naar de vroegere waarden:
Horemheb zal de god Aton verketteren en zal een memoria damnatio toepassen op Echnaton, Toetanchamon en Ay. Een ander belangrijk aspect in de regering van Horemheb is een hervorming van het leger, die nedergezet zal worden door de Ramessiden. Horemheb zal worden opgevolgd door zijn vizier Paramesse die als Ramses I de troon zal bestijgen.

De tombe DK 57 is ontdekt op 22 februari 1908 door Edward R. Ayrton in dienst van de Amerikaan, Theodore Davis.
De gangen zijn lang, deze tendens wordt gehandhaafd in de hoogte, breedte en diepte.
De eerste hal met pilaren is veel meer vierkant dan voorheen en de grafkamer is opmerkelijk om 2 paar pilaren en de treden naar de crypte met de roze granieten sarcofaag, welk een schedel en diverse beenderen bevatte, maar in T.Davies's publicicatie over de tombe (The Tombs of Harmhabi,...) wordt er geen beschrijving van hun gegeven en geen andere melding dan de korte opmerking in het voorwoord. Vermoedelijk behoorden zij toe aan de koning, maar er zijn geen data beschikbaar om dit voor eens en voor altijd te bevestigen.
Het deksel, verwijderd in de oudheid en op de grond gegooid, is gebroken langs een oude breuk had welke eerder was hersteld m.b.v. vlinderklemmen. De mummie van Horemheb is nog niet ge?entificeerd.
Medio augustus 2009 is de tombe heropend voor het publiek, nadat deze is voorzien van de modernste apparatuur om de luchtvochtigheid en de temperatuur onder controle te houden teneinde zo min mogelijk schade aan de schilderingen in de tombe te berokkenen. Momenteel wordt het effect van deze apparatuur zorgvuldig bijgehouden door een team wetenschappers en indien dit succesvol blijkt te zijn dan zullen alle andere tombes ook hiervan worden voorzien.
 

         

 

Farao,s van de 19e Dynastie

De 19e dynastie van Egypte begon met de regering van generaal Horemheb, die zichzelf uitriep tot farao. Toen hij zonder erfgenaam stierf, nam generaal Ramses I de macht over. Deze farao wordt officieel gezien als de eerste farao van de 19e Dynastie.

Zijn opvolger, Seti I, ondernam enkele militaire campagnes in Palestina, en deed veel moeite om alle herinnering aan Achnaton uit te wissen, door zijn naam van de monumenten te verwijderen. Zijn opvolger Ramses II bevocht de Hettieten in de Slag bij Kadesh. Dit gevecht eindigde in een wederzijds vredesverdrag, maar werd in de Egyptische tempels voorgesteld als een grote overwinning van de Egyptenaren. Ramses II bouwde meer dan welke andere farao dan ook, en verplaatste de hoofdstad naar Pi-Ramesse in de Nijldelta, de plaats van herkomst van de Ramessiden-familie. Ramses II werd opgevolgd door zijn 13e zoon Merenptah, die meerdere malen de binnenvallende Tehenoe bevocht. Ook de zogenaamde 'Zeevolken' - stammen uit het Mediterrane gebied, die Egypte tijdens zijn regering binnenvielen - werden bevochten. Na de dood van Merenptah volgde Seti II hem op, die korte tijd ge?urpeerd werd door Amenmesses. Vervolgens regeerde Siptah korte tijd, opgevolgd door de weduwe van Seti II, Tawosret. Na Tawosret kwam er een einde aan de 19e Dynastie.

 
 
Ramses I, Ramesses I  ca. 1259 - 1257 v.Chr was de eerste farao van de 19e Dynastie van het Oude Egypte. Zijn geboortenaam was Ramses wat betekent: "Uit Ra geboren". Zijn troonsnaam was MenPehyre wat betekent: "Gemaakt door de sterkte van Re". Oorspronkelijk heette de man Paramessu. Ramses I was een koning van niet-koninklijke komaf, hij trouwde in een familie van adel van uit de Nijldelta vlakbij Avaris. Paramessu had aanvankelijk een militaire carri?e. Hij was hoofd van de boogschutters (een positie die hij te danken had aan zijn vader Seti), daarna werd hij generaal en viel in de smaak bij Horemheb, de laatste farao van de 18e dynastie en zelf ex-legerleider. Onder Horemheb werd hij vizier, de hoogste functie aan het hof. Hij bekleedde ook religieuze functies.
 
Zo was Ramses I hogepriester van Amon, waarmee hij een belangrijke rol speelde in de restauratie van het oude polythe?tische geloof. Horemheb was zelf als edelman van buiten de koninklijke familie tot farao opgeklommen, maar hij was kinderloos. Hij koos Ramses I als zijn opvolger mede omdat hij een zoon (de latere farao Seti I) en een kleinzoon (de latere Ramses II) had en er toekomst zat in het geslacht.

Dit voorkwam al enige moeilijkheden bij de troonopvolging. Bij zijn inauguratie nam Paramessu de naam aan van Ramses, Geboren uit Ra. Ramses was al een oude man toen hij werd gekroond. Zijn zoon Seti I functioneerde als kroonprins en troonopvolger. Seti kreeg een aantal militaire functies op zich zoals operaties. Ramses schijnt de tweede pyloon van Karnak te hebben voltooid, begonnen onder Horemheb. Na een regering van nog geen twee jaar overleed hij.

De graftombe DK 16 is ondekt op 10/11 oktober 1817 door Giovanni Belzoni.
De sarcafaag vertoond beschadigingen veroorzaakt door het oplichten van het deksel in de oudheid om de koninklijke mummie te verwijderen op een onbekende datum aan het einde van het nieuwe rijk.
Restanten van de doodskist en de mummie zijn verplaatst naar Deir El-Bahari verborgen kamer DB320 en zijn ontdekt in 1881. De mummie verdween tijdens onverklaarbare omstandigheden, echter na een paar jaar kwam de mummie weer boven water als onderdeel van een priv?collectie van iemand in Toronto.
Vele jaren is de mummie anoniem aanwezig geweest in het museum van Niagara Falls (Ontario) alvorens het tenslotte in Atlanta (USA) terecht kwam.
Tegenwoordig denkt men erover om de mummie te verplaatsen naar het Cairo Museum.

            

 
 
Seti I   ca 1257 - 1243 v Chr was de zoon van Ramses I en diens vrouw Sitre.
Hij regeerde in het begin van de 13de eeuw v. Chr. Seti was net als zijn vader en Horemheb een militair die de hervormingen van Echnaton wou laten vergeten.
Seti I zorgde ervoor dat al de naam van Amon, die door Echnaton was weggeschrapt, terug werd geplaatst.
 Seti zijn naam betekende ?van Seth?, wat duidde op een sterke verbintenis met de god Seth. Zijn volledige naam Sty mri n Pth betekent letterlijk Van Seti, geliefd door Ptah.
 Seti regeerde tot zijn veertigste jaar en na zijn dood werd hij opgevolgd door zijn zoon Ramses II, die al tijdens het leven van Setiwas aangesteld als mederegent.
 
Seti I was vooral op militair gebied actief en streed vooral in het noorden. Vanuit de hoofdstad Pi-Ramesse kon hij gemakkelijk de Sina? binnendringen. Sina?was immers opstandig geworden en daarnaast rukten de Hettieten verder op naar het zuiden. Hij herstelde met vier veldtochten het Egyptische gezag over het grootste deel van Palestina, hoewel zijn pogingen om Syri?te heroveren door de Hettieten werden verijdeld. Tevens had hij daarnaast ook te maken met de Tehenoe die Egypte vanuit het westen bedreigden. Ook deze kon Seti I bedwingen.

De tempel van Seti I in Egypte is een van de best bewaarde monumenten uit het Oude Egypte. De tempel ligt in Abydos. Het is een Huis van Miljoenen jaren, een tempel die de cultus van de koning in stand hield.

De tempel is opgericht door Seti I en diende om zijn cultus in ere te houden. Alhoewel Seti I al een Huis van Miljoenen jaren had te Thebe, liet hij er nog ?n bouwen in Abydos. Dit was vooral omdat Abydos het centrum was voor de Osirisverering en de farao hoopte deel te nemen aan de wederopstanding van Osiris. De tempel was niet afgeraakt onder Seti en het zullen zijn opvolgers Ramses II en Merenptah zijn die de tempel zullen afwerken.

Het gehele complex was opgebouwd uit kalksteen. Het gebouw zelf was 56 bij 157 m en heeft nog steeds sporen van de kleuren die het vroeger droeg.  De tempel heeft twee terrassen met telkens een pyloon ervoor. Na de derde pyloon volgen er twee zuilenhallen. Achter deze hallen liggen verschillende kapellen die gewijd zijn aan Seti I, Ptah, Amon-Ra, Re-Harachte en dan nog drie voor de triade van Abydos: Osiris, Isis en Horus.  Er is ook nog een zuidelijke aanbouw die een kapel bevat voor Nefertem en Ptah-Sokar. Hier vinden we ook de beroemde Koningslijst van Abydos, die alle cartouches toont van de farao's Menes tot Seti I. De vrouwelijke farao's en de Amarna-periode ontbreken echter.

De tempel van Seti I in Koerna is een Egyptische tempel gelegen in Qurna, een dorpje ten westen van Luxor. De tempel is een huis van miljoen jaren en diende voor de dodencultus van de farao.

De tempel was gebouwd ter ere van de Thebaanse god Amon en voor de vader van Seti I, Ramses I. Deze had onder zijn regering nog geen eigen dodentempel kunnen bouwen. Waarschijnlijk was het complex nog niet voltooid onder Seti I en heeft zijn zoon Ramses II de tempel afgewerkt. Tot in de Ptolemae?che tijd werd de tempel nog gebruikt, maar onder de Romeinen diende ze als atelier. In de Christelijke tijd werd het noordelijke deel van de tempel als kerk gebruikt. De pylonen en het voorhof werden afgebroken en er werden huizen op gezet.

Rondom het tempelcomplex lag een muur van 124 x 162 meter. In het oosten was een opening met een eerste pyloon. Daarbij kwam men op het eerste hof, waar ook een koninklijk paleis, magazijnen en een heilig meer stond. Een tweede pyloon gaf uit op het tweede hof. Op dat hof stonden 10 grote kolommen langs waar men in het hoofdgebouw van de tempel raakte. Er waren drie ingangen: de linker (meest zuidelijke) diende voor de koninklijke cultus van Ramses I, de centrale ingang gaf uit op het complex dat diende voor de cultus van Amon en Seti I. Er waren ook nog andere zijkapellen voor Ptah-Sokar, Mut, Amon, Chonsoe en Osiris. De noordelijke ingang kwam uit op een zonnehof en altaar.

De tombe DK 17  van farao Seti I, die meer dan 100 m lang is, is ontdekt op 18 oktober 1817 door Giovanni Belzoni.
De tombe van Seti I is de langste, diepste en meest gecompleteerde van alle tombes in de vallei.
Het is grondig bedekt met talloze decoraties. In de grafkamer heeft Belzoni een antropoide kalkspaatsarcofaag gevonden en een fragment van de canopische borst, momenteel in het Soane Museum te London.
Tijdens dynastie 21 is de tombe tijdelijk gebruikt als bewaarplaats voor de mummies van Ramses I en Ramses II. In het jaar 10 van Siamon's heerschappij werden deze mummies, tesamen met die van Seti I verplaatst naar
Deir El-Bahari bewaarplats DB320.

           

 
 
Ramses II  ca 1243 - 1213 v Chr wordt wel beschouwd als de grootste farao aller tijden.  Hij bereikte een zeer hoge leeftijd (waarschijnlijk 90) en was mogelijk farao ten tijde van de Exodus.
Hij werd opgevolgd door zijn dertiende zoon Merenptah. Ramses wordt wel beschouwd als de grootste farao aller tijden. Hij was een groot veldheer en bouwer.
Hij liet onder andere Aboe Simbel en het Ramesseum bouwen en breidde ook verschillende andere tempels uit.
Daar is de tempel van Abydos wellicht het beste voorbeeld van. Bovendien liet hij een nieuwe hoofdstad in de Nijldelta bouwen om zo eerder te kunnen reageren op een Hettitische aanval.
Hij had vele vrouwen, waaronder Nefertari, die een van de mooiste graven in de vallei der koninginnen heeft ( Zie Beneden )
 
Op de leeftijd van veertien jaar werd hij tot co-regent benoemd. Hij bereikte een zeer hoge leeftijd (waarschijnlijk negentig jaar) en vierde daardoor vele Sed-festivals. Mogelijk was hij ook farao ten tijde van de Exodus. In het begin van zijn regering vocht hij een grote veldslag uit, met de Hettieten, bij Kadesh. Hij riep zichzelf uit als grote overwinnaar van deze slag terwijl hij dat in feite niet was. Door een valstrik van de Hettieten, leed zijn leger al snel heel erg zware verliezen. Al bij de eerste aanval verloor Ramses twee van de vier divisies van vijfduizend man die hij bij zich had. Ramses kon ontsnappen, geholpen door de laatste divisie en de elite-krijgers van zijn leger die hem te hulp schoten. In de jaren hierna onderhandelde hij met de Hettieten over een verdrag om zich zo gezamenlijk te weren tegen de dreiging uit Assyri? De originele tekst van het verdrag is bewaard gebleven:

Mogen duizenden godheden, waaronder de goden en godinnen van Hatti en Egypte, getuige zijn van dit verdrag tussen de keizer van Hatti en de farao van Egypte.
Ook zijn getuigen de zon, de maan de goden in godinnen van hemel en aarde, de bergen en de rivieren, de zee, de winden en de wolken.

De duizenden godheden zullen het huis, het land en de onderdanen vernietigen van degene die zich niet aan het verdrag houdt.
De duizenden godheden zullen ervoor zorgen dat degene die zich er wel aan houdt een rijk en gelukkig leven zal leiden met zijn huisgenoten, zijn kinderen en zijn onderdanen.

Ramses II werd vereeuwigd in het gedicht "Ozymandias". Ozymandias of Osymandias is de Oud-Griekse transliteratie van een deel van zijn koningsnaam.

Het Ramesseum was de tempel die door Ramses II was opgetrokken op de westoever van de Nijl vlak bij de stad Luxor. De tempel was ?n van de 'kastelen van miljoenen jaren' en diende voor de cultus van de farao en Amon.


Het is in deze tempel dat het sed-feest werd gehouden.
De tempel werd door Champollion Ramesseum genoemd, hoewel het ook onder andere namen bekend stond.
E? van de betitelingen van de tempel was 'het graf van Ozymandias' (afgeleid van Oesermaatre, de Horus-naam van Ramses II) en door Strabo werd het Memnonium genoemd, verwijzend naar de Griekse held Memnon.

De Aboe Simbel tempels werden uit een berg gehakt door Ramses II in de 13e eeuw v.Chr. om zijn Koesjitische buren onder de indruk te brengen en om zichzelf en zijn koningin Nefertari te eren. In de bergtempel bevonden zich in de grote zuilenhal acht zuilen in de gedaante van Ramses II, elk bijna 10 meter hoog. De afstand van de indrukwekkende voorhof tot aan het allerheiligste bedroeg 55 meter. Behalve de beelden in het inwendige van de tempel, liet Ramses voor de fa?de vier kolossale beelden van zichzelf maken. Tussen de benen van deze aan weerszijden van de hoofdingang geplaatste beelden staat een aantal kleinere beelden die de moeder van Ramses, zijn echtgenote koningin Nefertari en verscheidene van de 100 kinderen van de farao voorstellen. De tempel was zo gebouwd dat het zonlicht op twee dagen van het jaar via de ingang precies op drie van de vier in het heiligdom staande beelden viel, alleen op Ptah niet (de god van de duisternis) hij bleef altijd in het donker staan; Twee van de beelden stellen Ramses en de Egyptische oppergod Amon voor. Op deze dagen - respectievelijk in februari en oktober - werden wellicht de militaire overwinningen van Ramses II gevierd.

In maart 1813 werden de tempels ontdekt door de Zwitser Johann Ludwig Burckhardt. In 1815 lukte het de Engelsman William John Bankes en de Italiaan Giovanni Finati de tempel van Hathor en Nefertari binnen te komen maar door de enorme hoeveelheid zand was het onmogelijk de grotere tempel van Ramses II uit te graven. Uiteindelijk was het Giovanni Battista Belzoni die op 1 augustus 1817, na meer dan een maand bezig te zijn geweest het zand te verwijderen, de tempel na eeuwen als eerste kon betreden.

Nefertari is ?n van de vrouwen van Ramses II.
Haar volledige naam is Nefertari Merenmoet. Deze toevoeging betekent geliefd door Moet.
Ze was de favoriet van Ramses II en was een belangrijke raadgeefster tijdens zijn lange regeerperiode. Mede daarom wordt zij in Aboe Simbel even groot als haar man afgebeeld.

Haar graftombe is gevonden in de Vallei der Koninginnen en is ontdekt door Ernesto Schiaperlli in 1904.
In de jaren 80 werd het graf volledig gerestaureerd en het is nu het mooiste graf van de Vallei der Koninginnen.

Zelf is Ramses II  begraven in de vallei der koningen DK7. Zijn mummie bevindt zich momenteel in Cairo. De plaats die Ramses II voor zijn tombe heeft gekozen was geen goede.
De conditie van DK7 is slecht door erosie, veroorzaakt door meerdere overstromingen in de loop der eeuwen en het door vocht opzwellen van de leistenen onderlaag.
Dk7 is misschien de grootste in de vallei, de hele tombe beslaat meer dan 820 m2 en de grafkamer alleen is al zo?n 181 m2.  

             

 
 
Merenptah, Merneptah  ca. 1213 tot 1202 v Chr was de dertiende zoon die zijn vader Ramses II opvolgde na zijn overlijden. Merenptah (Hetep-Her-Maat) was de geboortenaam van de farao wat zoveel betekende als 'Geliefde van Ptah'. Hij besteeg de troon onder de naam Ba-en-re Mery-netjeru. Zijn leeftijd was inmiddels al niet meer echt gering. Met zijn naar schatting zestig jaren had hij zijn twaalf oudere broers waarschijnlijk simpelweg overleefd.
Zijn koningschap staat enigszins bekend als saai alsmede een betrekkelijk korte tijd van ongeveer 10 jaar.
Merenptah was naar alle waarschijnlijkheid het vierde kind van farao Ramses II en zijn tweede hoofdvrouw Istnofret. Hij trouwde Istnofret, die naar alle waarschijnlijk zijn zuster was, en een koningin genaamd Takhat, hoewel over dit huwelijk nogal te twisten valt. Hij kreeg een zoon: Seti-Merenptah. Deze zoon zou later in de geschiedenis de troon bestijgen als opvolger van Amenmesses, zoon van Merenptah en Takhat, onder de naam Seti II.
 
Het is niet onwaarschijnlijk dat Amenmesses de troon besteeg bij het overlijden van zijn vader door gebruik te maken van de afwezigheid van Seti-Merenptah.
Er is vrijwel niets bekend over de jonge jaren van Merenptah. Pas vanaf het veertigste regeringsjaar van Ramses II komt daar verandering in. Hoewel hij ongeveer twaalf jaar kroonprins was voorafgaande aan de dood van Ramses wordt in het veertigste regeringsjaar bekend gemaakt dat Merenptah generaal van het Leger wordt.
Het mag niet verrassend heten dat we waarschijnlijk daarom vrijwel alles wat we weten militaire activiteiten van Merenptah betreffen.
In het 55ste jaar van Ramses II, als Ramses II zijn 80ste verjaardag viert, wordt Merenptah officieel kroonprins op respectabele leeftijd van 48 jaar. In de praktijk denkt men dat Merenptah in de laatste jaren van Ramses II de touwtjes al stevig in handen had.
Merenptah had een aantal militaire problemen te verhelpen. Zo was een opstand in Syri?die door een 'bliksemactie' snel de kop ingedrukt werd. Aan de westelijke grens had hij een probleem met de Libi?s en hij had zijn handen vol aan de Zeevolkeren die de Delta in het Noorden langzaam maar zeker in handen leken te krijgen. Echter door snel het leger te mobiliseren en nog sneller te handelen wist hij de opstand de kop in de te drukken.
Vele van zijn vijanden overleefden deze acties niet. In het zuiden waren de Nubi?s door de Libi?s aangezet om ook in opstand te komen tegen de Egyptenaren maar ook zij werden een kopje kleiner gemaakt door de snelle en effectieve manier van handelen van Merenptah.
Hoewel deze opstanden anders doen vermoeden wilde Merenpath de vreedzame relaties tot andere volkeren aanhouden.
De Hettietenkoning in Syri?kon een inval verwachten uit het noorden en zag dat zijn volk leed onder een enorme hongersnood. Onder de condities van het verdrag van zijn vader Ramses II besloot Merenptah te helpen na een hulpkreet. Hij stuurde schepen afgeladen met graan naar Syri?
Nog een interessant aspect van het koningsschap van Merenptah is het feit dat hij het administratieve hart van Egypte verplaatste van de door zijn vader gestichte stad Piramesse terug naar Memphis, alwaar hij een koninklijk paleis liet bouwen naast de tempel van Ptah.

In het oude Thebe liet hij een dodentempel verschijnen, gemaakt van de stenen van de oude dodentempel van Amenhotep III. De tempel is vrijwel volledig verwoest doordat deze zich bevond in het overstromingsgebied van de Nijl. Een overstroming sloeg zowel de twee toegangspoorten weg als ook de twee hypostyle hallen en de ruimtes eromheen.

Het heiligdom met de drie barkschrijnen en de nabijgelegen kapellen werden ook verwoest. De overgebleven restanten zijn hergebruikt door andere farao?s of zijn langzaam vergaan doordat ze onder water kwamen te staan. Uiteindelijk zijn deze restanten onder een laag slik, zand en puin geraakt. De eerste opgravingen van de tempel werden in de 19de eeuw verricht door Flinders Petrie. In 1896 vond hij de beroemde Israelst?e op het terrein. Ook deze st?e was oorspronkelijk bedoeld voor Amenhotep III, zoals blijkt uit de tekst aan de voorkant. Maar de achterkant is hergebruikt om er een verslag op te schrijven van Merenptah?s overwinningen op diverse buitenlanders, zoals de Libi?s. Hij bevat tevens de eerste niet-bijbelse vermelding van het volk van Israel. De st?e is gedateerd ?de derde dag, van de derde maand, van het derde seizoen, van regeringsjaar vijf?, wat in de zomer van 1207 v.Chr moet zijn geweest. De st?e die zich momenteel op het tempelterrein bevindt, is een kopie. Het origineel staat in het Egyptisch Museum in Cairo.

Daarnaast bouwde hij in Abydos en Dendera en liet hij verscheidene inscripties en beeldhouwwerken achter door het gehele land.


Merenptah kwam na zijn overlijden (ongeveer 1202 v.C.) te liggen in tombe
DK8 in de Vallei van de Koningen op de westoever van Luxor, het vroegere Thebe. Zijn mummies werd echter niet gevonden in deze tombe.
In 1898 werd zijn lichaam gevonden met 18 anderen in het graf van Amenhotep II  
DK35

         

 
 
Amenmesses-Heqawaset  ca 1202 - 1199 v Chr  (Egyptisch: geboren uit Amon, leider van de Thebe) was de vijfde farao uit de 19e Dynastie (13e eeuw v.Chr.) van het Oude Egypte. Waarschijnlijk was het de zoon van Merenptah en koningin Takhat. Amenmesses' vrouw was vermoedelijk Baktwerel.
 
Amenmesses roept in de egyptologie een hoop vragen op, daar er zeer weinig over hem met zekerheid te vertellen is. Sommige wetenschappers beweren dat het de zoon was van Ramses II. Anderen zijn van mening dat de man geen farao was, maar slechts een grootvizier. In het geval dat hij wel farao was, heeft hij slechts drie of vier jaar geregeerd.Amenmesses droeg de troonnaam Men-mi-re Setep-en-re, wat Onsterfelijk als Ra, gekozen door Ra betekent. Officieel had Amenmesses waarschijnlijk geen enkele recht op de troon. Onderzoekers als Kenneth Kitchen gaan ervan uit dat de man gebruik heeft gemaakt van de zwaktes van zijn oudere broer, Seti II (de volgende in de lijn van farao's), en zich als farao heeft opgediend op een moment dat Seti II in Azi?was. Rolf Krauss en Aidan Dodson beweren dat Amenmesses slechts een gedeelte van Egypte in zijn macht had, en Seti II de leider van de rest van het land was. Alleen Thebe en Opper-Egypte zou aan Amenmesses toebehoord hebben. Volgens diezelfde theorie was Amenmesses ooit een Koesjiet met de naam Messuwy. Het bewijs dat hiervoor wordt geleverd is onder andere dat Amenmesse niet in de voor hem gebouwde graftombe, DK10 lag en dat er in Messuwy's graftombe te Nubi?beelden van Merneptah zijn gevonden.Graf DK 10 is de afgelopen decennia door diverse belangrijke egyptologen onderzocht. In de graftombe lag niet de mummie van Amenmesses, maar die van Thakat en Baktwerel. Ook de decoraties van Amenmesses waren verdwenen. Het verhaal gaat dat er een grote ruzie heerste tussen Seti II en Amenmesses, en dat Seti II na de dood van zijn broer heeft geprobeerd zijn hele geschiedenis uit te wissen, onder andere door zijn lichaam te vernietigen. Op diverse steles van Amenmesses die zijn gevonden, is zijn naam veranderd in die van Seti II.

Momenteel voert een expeditie, onder leiding van Otto Schaden, onderzoek uit in Amenmesses' graf.

 

 
 
 
Seti II  ca 1199 - 1195 v Chr was de geboortenaam van de koning en deze betekent  "Hij van de god Seti, Geliefd door Ptah". Hij wordt soms ook genoemd met zijn Griekse naam, Sethos II, zijn troonnaam was User-kheperu-re Setep-en-re en deze betekent "Machtig zijn de manifestaties van Ra, Gekozen door Ra".

Het was niet ongewoon in het oude Egypte dat een lange succesvolle periode van heerschappij door een koning, dat die gevolgd werd door problemen met de opvolging. Zeker er zijn maar weinig koningen die net zolang of langer en succesvol hebben geregeerd als Ramses en als hij overleed dan liet hij een zoon na die zelf al behoorlijk oud was toen hij de macht kon overnemen.
Dit was Merneptah, die vrijwel zeker de vader is van Seti II. We geloven dat een overweldiger genaamd Amenemesses waarschijnlijk regeerde of voor hem of gelijk met Seti II gedurende de beginfase van zijn regeerperiode.

 
Het zou Amenemesses geweest kunnen zijn die de naam Seti II verwijderd heeft uit zijn tombe en elders, maar dat was hetzelfde wat Seti II vermoedelijk deed met de naam en afbeeldingen van Amenemesses nadat hij de volledige macht in Egypte naar zich toe had getrokken.. We denken dat Seti waarschijnlijk slechts ongeveer 4 jaar heeft geregeerd

We weten wel dat Seti II in ieder geval 3 vrouwen had, overeenkomend met Takhat II, Tausret en Tiaa (Sutailja??). Tausret was klaarblijkelijk de moeder van zijn oudste zoon genaamd Seti-Merenptah, echter leefde dat kind niet lang genoeg om de troon te erven. In plaats daarvan nam Siptah, een jongere zoon de troon over, doch vermoedelijk slechts als een kind onder de hoede van Tausret's regenschap ondanks alles wordt zijn moeder beschouwd als zijnde koningin Tiaa. In feite lijkt het zo te zijn dat Tausret deze jonge koning heeft overleefd en de volledige macht naar haar toe heeft getrokken net zoals Hatsjepsoet zo?n 300 jaar eerder had gedaan. 
Seti II's regeerperiode was blijkbaar relatief vredevol. We hebben geen bewijs van buitendse politiek gedurende zijn regering, ofschoon er vermoedelijk aktiviteiten waren bij de mijnen rondom Serabit El-Khadim in de Sinai.
Hij claimt een aantal bouwprojecten, ofschoon er weinig aanwijzingen zijn dat zijn woorden vertaald kunnen worden in fysieke volbrenging. We vinden overlevende sporen van zijn werk te Hermopolis, waar hij blijkbaar enige decoraties afmaakte in zijn grootvaders, Ramses II, tempel.
Hij  heeft ook enig werk verricht in Karnak, waar hij vermoedelijk verantwoordelijk was voor een nieuw gedeelte van het eerste hof  van de tempel van Amon-Ra en vermoedelijk heeft hij ook nog enig werk afgemaakt in de tempel van Moet.

De complete historie van de constructie van de graftombe is nog steeds onzeker.
Slechts fragmenten van het deksel van de sarcofaag van Seti II zijn overgebleven in de tombe, de doodskist is niet weer gevonden, maar is misschien verplaatst t.b.v. hergebruik aan het einde van het nieuwe rijk.
Latere inspectie van
DK15 door zij die verantwoordelijk zijn voor het ontmantelen van de begrafenissen en het strippen van de lichamen, leide blijkbaar tot het verwijderen van de konings mummie, welke gevonden is in DK35 in en vervangende doodskist van latere datum.

      

 
 
Siptah (of Akherne Setepenre, Merneptah Siptah)  ca. 1195 - 1188 v.Chr zoon van Seti II bij zijn Syrische concubine. Hij heeft zijn titel gedurende zijn regeerperiode veranderd.


Het kan worden aangenomen dat hij amper 14 jaar was toen hij de troon erfde, aangezien hij stierf op 20 jarige leeftijd zoals bleek na analyse van zijn mummie.
In zijn belang werd de troon bezet door Taweseret, zijn stiefmoeder.
Een ander interessant figuur uit die tijd was kanselier Bay, die zich het recht op de heerschappij toe?gende.
De graftombe van Bay is gevonden in de vallei der koningen ?
DK13. gebaseerd op het Harris? papyrus wordt Bay normaliter ge?entificeerd met ?De Syri? uit Yarsu? en stierf hij enige tijd voor Siptah.
Begraafplaats van Siptah ? graftombe DK47 in de vallei der koningen. De mummie van de koning is gevonden in de tombe van Amenhotep II
DK35.

 
De graftombe DK47 is ontdekt op 18 december 1905 door Edward R. Ayrton.
Gezien de gevonden voorwerpen in de tombe, lijkt het dat in
DK47 zowel Siptah en zijn moeder, koningin Tia II zijn begraven.
Het gebeente gevonden door H.Burton in de sarcofaag lijken toe te behoren aan een indringer uit de derde tussenperiode.
De mummie ge?entificeerd als die van Siptah door de necropolis priesters uit de 21ste dynastie is ontdekt in de verborgen kamer van Amenhotep II -
DK35. Afgezien van het ietwat verschrompelde en ingekort linker been, wat vermoedelijk is veroorzaakt door poliomyelitis is het lichaam van de koning behoorlijk mishandeld tijdens het zoeken naar kostbare amuletten.
De rechter arm van de mummie is opnieuw aangebracht m.b.v. spalken gedurende de tijd van zijn herbegrafenis.
     
 
 
 
Tawosret  ca 1195 - 1188 v Chr was de achtste en laatste Farao uit de 19e Dynastie van Egypte (Nieuwe Rijk). Haar naam betekent: "Machtige vrouwe, Gekozen door Moet", haar tweede naam luidt: "Dochter van Ra, Geliefd door Amon". Dit duidt op de zeer invloedrijke functie met de titel van Godsvrouw van Amon, de opperpriesteres die aan het hoofd van de tempelactiviteiten stond, en samen met de farao de dagelijkse rituelen vervulde.

Tawosret was een dochter van Farao Merenptah en Takhat (die een dochter van Farao Ramses II en -vermoedelijk- Henutmire was). Na de dood van haar echtgenoot Seti II werd zij de regentes van zijn opvolger Siptah, die een pleegzoon van haar was. Na de dood van Siptah werd zij zijn opvolger.

De erfopvolging was een probleem, zij had een conflict met Sethnacht. Met Sethnacht werd er een nieuwe dynastie gestart. Waarschijnlijk wilde zij haar eigen kinderen op de troon zetten. Het was ook een tijd van anarchie, dus de bronnen zijn wat vaag hierover.

 
Het bouwen van de tombe is gestart in het tweede jaar van de regeerperiode van Seti II.
Het werd de begraafplaats van Taweseret, tevens was de mummie van Seti II daar geplaatst afkomstig uit
DK15. Nadat de tombe was geadopteerd door Sethnacht, werd de mummie van Seti II geretouneerd naar de tombe waar hij voorheen lag. De mummie van koningin Taweseret kwam in DK35 terecht tijdens de tijd van de algemene herplaatsing van de koninklijke mummies.
De tombe heeft open gelegen sinds de oudheid. Bij het completeren van de tombe realiseerde Sethnacht een van de grootste tombes in de vallei (meer dan 112 m). De sarcofaag van Sethnacht is vernietigd in de oudheid. Het deksel is nagenoeg gelijk aan die van Siptah, met het figuur van de koning geflankeerd aan de linker en rechterkant door afbeeldingen van Isis en Nephtys.
De mummie van de koning is gevonden tussen de andere koninklijke mummies in
DK35

         

 

Farao,s van de 20e Dynastie

De 20e dynastie van Egypte was de tweede dynastie van de Ramessidische periode. De eerste koning van deze Dynastie, Sethnacht, maakte een einde aan de onrust in Egypte, die ontstaan was na het einde van de 19e Dynastie. Zijn opvolger, Ramses III, kreeg echter te maken met invallende Mesjwesj en hernieuwde aanvallen van de 'Zeevolken'. In de 90 jaren die volgden, regeerden vervolgens 8 koningen met de naam Ramses. Een belangrijke ontwikkeling tijdens de 20e Dynastie was dat het merendeel van het land in handen kwam van de tempels, met name van de Tempel van Amon te Karnak, waardoor deze tempel uiteindelijk controle kreeg over het zuiden van Egypte. De hogepriesters van deze tempel vormden uiteindelijk een rivaliserende dynastie met die van de farao's in het noorden van het land. Ook de Mesjwesj die zich gevestigd hadden in het noordwesten van Egypte werden een belangrijke politieke macht. Tijdens de regering van Ramses IX kwam in Thebe de macht in handen van de hogepriester en legerofficier Herihor, die zichzelf tot koning uitriep, evenals zijn opvolgers. Ramses XI werd opgevolgd door Smendes, de eerste koning van de 21e Dynastie van Egypte, terwijl Pianki in het zuiden werd opgevolgd door Pinedjem I.

 
 
Sethnakht  ca. 1188-1186 v.Chr is de eerste farao uit de 20e Dynastie van Egypte (Nieuwe Rijk) en regeerde (ca.) 1198 - 1194 v.Chr. Hij volgde Tawosret van de 19e dynastie op en werd opgevolgd door zijn zoon Ramses III. De afkomst van Sethnacht is onzeker. Zijn naar de god Seth verwijzende naam doet een familieband met de voorgaande 19e dynastie vermoeden (die familie staat bekend om haar devotie voor Seth en twee farao's van uit de 19e dynastie, Seti I en Seti II, zijn naar hem vernoemd wat verder zeer ongebruikelijk was). Er zijn echter geen directe aanwijzingen voor.
 
Waarschijnlijk was Sethnacht een zoon of kleinzoon van een van de vele zoons van Ramses II. Met deze koninklijke afkomst zou hij dan ook zijn aanspraken op de troon hebben kunnen onderbouwen. Een andere aanwijzing voor een familieband met de 19e dynastie is de in de 20e dynastie veelvuldig voorkomende naam Ramses, hetzij bij de geboorte gekregen, hetzij bij de troonsbestijging aangenomen. Vanaf Ramses III heten alle farao's uit deze familie Ramses (tot en met Ramses XI, met wie de 20e dynastie tot een einde komt). Hij is begraven in de tombe DK14, die eigenlijk bedoeld was voor Koningin Taweseret (Zie aldaar voor de beschrijving van de tombe) in de Vallei der Koningen.
 
  Zijn mummie werd ook gevonden in de koninklijke bewaarplaats DK35 tombe van Amenhotep II.

         

 
 
Ramses III  ca. 1186 - 1154 v.Chr wordt tegenwoordig gezien als de laatste van de ?Grote Farao?s? en onder zijn bewind maakte Egypte haar laatste periode van bloei door. Ramses was niet alleen een grote krijgsheer, hij versloeg de Libi?s en de binnenvallende Zeevolkeren, maar liet ook een groot aantal tempels bouwen. Zijn einde kwam echter onverwacht: recent onderzoek wijst uit dat hij waarschijnlijk vermoord is door zijn zoon en leden van zijn harem.
 
Het is niet helemaal duidelijk wanneer Ramses III precies is geboren. Waarschijnlijk kwam hij aan het einde van de 13e of het begin van de 12e eeuw voor Christus ter wereld als zoon van farao Sethnacht en diens vrouw, koningin Tiy-Merenese. Ramses volgde in 1186 voor Christus zijn vader op als koning van Egypte, waardoor hij de tweede farao van de Twintigste Dynastie werd. Gedurende zijn lange machtsperiode, Ramses regeerde 32 jaar, werd Egypte verschillende keren bedreigd door vijandelijke volkeren. In 1180 voor Christus kreeg Ramses te maken met een aanval van de Libi?s op het westen van Egypte, die hij zonder al te veel problemen afsloeg.

De binnenvallende Zeevolkeren vormden in 1178 voor Christus echter een grotere uitdaging. Deze volken, waaronder de Filistijnen, de Danuna en de Shardana, hadden al grote stukken van de Levant veroverd voordat zij zich op Egypte richtten. Ramses versloeg het leger van de Zeevolkeren echter in het zuiden van Palestina, waarna enkel nog hun marine overbleef. Deze werd in 1175 voor Christus in de Slag om de Delta door de Egyptische schepen verslagen op de Nijl. Hoewel de Egyptenaren niet bekend stonden als grote zeevaarders wist Ramses zijn troepen zo te motiveren dat zij weinig moeite hadden met de vijandelijke schepen.

De rest van Ramses? regeerperiode kenmerkte zich door relatieve rust. Hij stelde een uitgebreid bouwprogramma op, dat grote tempels opleverde bij Medinet Habu en Karnak. De grote oorlogen van Ramses zorgden er echter ook voor dat Egypte economisch gezien in moeilijkheden kwam. Enkele jaren van slechte oogsten zorgden voor een graantekort, waardoor koninklijke tombebouwers en ambachtslui in 1157 voor Christus in opstand kwamen en de eerste staking uit de geschiedenis begonnen.

Hoewel deze economische problemen hun tol eisten was de regeerperiode van Ramses III het laatste tijdperk van grote bloei in Egypte. Zijn bewind kwam echter abrupt ten einde door een conflict binnen zijn eigen harem. Zijn vrouw Tiye wilde namelijk de positie van haar zoon Pentawer als opvolger van Ramses III veilig stellen. Ramses III gaf echter de voorkeur aan een andere zoon, de latere Ramses IV, die hij had gekregen met zijn andere vrouw Iset Ta-Hemdjert. Tiye zette daarop een grote samenzwering op, waarbij, naast Pentawar, onder andere Ramses? kamerheer, een aantal koninklijke bedienden, twee schatbewaarders en een heraut waren betrokken.

Met de bouw van deze tombe was Sethnacht begonnen, vervolgens heeft hij de bouw gestaakt om met DK14 verder te gaan, waar hij is begraven. Sethnachts zoon, Ramses III, hervatte het werk aan DK11 en is hier begraven.
Hoewel de eerste 3 gangen geconstrueerd zijn door Sethnacht, zijn de nisachtige zijkamers in de eerste 2 gangen waarschijnlijk toegevoegd door Ramses III.
Op dat moment, is de derde gang die het dak van
DK10, de tombe van Amenemesses, gepenetreed had, veranderd in een kleine kamer van welke de rest van de tombe is uitgegraven op een verschoven as.
Aldus gaat de 4de gang omhoog over de onderliggende kamer van
DK10 heen, waarna vervolgens de tombe zijn geplande afdaling verder vervolgt richting de putkamer een een hal met pilaren en nevenkamer.
Een andere passage leidt dan in de voorkamer en de grafkamer.
De 4 nevenkamers zijn symmetrisch verdeeld in elke hoek.
Ramses III's sarcofaag was oorspronkelijk bedoeld als buitenste kist voor Seti II. Het houtenomhulsel van Ramses II's op ?n na binnenste doodskist is ontdekt in
DK35 de koninklijke bewaarplaats, bevattend de mummie van Amenhotep III.De mummie van Ramses III werd onderzocht en hij werd zoals recent onderzoek heeft uitgewezen, in 1155 voor Christus vermoord. Het doel van de samenzweerders werd echter niet bereikt, want Ramses werd opgevolgd door zijn zoon Ramses IV en alle samenzweerders werden ter dood veroordeeld. Ramses? mummie werd in 1886 al gevonden in de Vallei der Koningen, maar de slechte staat van de mummie zorgde ervoor dat er tot nu toe geen onderzoek gedaan kon worden naar de mysterieuze verbanden om zijn nek.

Een CT-scan van een groep Italiaanse onderzoekers wijst nu uit dat Ramses? keel is doorgesneden en dat de wond waarschijnlijk ernstig genoeg was om dodelijk te zijn. In de wond werd ook een amulet van de god Horus gevonden, die vermoedelijk door de balsemers is aangebracht om het genezen van de wond in het hiernamaals te bespoedigen.

           

De tempel van Ramses III te Medinet Haboe, was een 'kasteel van miljoenen jaren'.
Dit is een tempel die diende voor de cultus van de farao en de god Amon. De tempel is dus vergelijkbaar met het Ramesseum van Ramses II.
Deze van Medinet Haboe wordt echter beschouwd als ?n van de bestbewaarde Egyptische tempels.

 
 
 
Ramses IV  ca. 1154-1147 v.Chr was de derde farao van de 20e Dynastie. Zijn vader was Ramses III. Hij had al vier oudere broers, maar die stierven voor hun vader stierf en zo werd Ramses IV zijn opvolger. Omdat zijn vader 31 jaar regeerde, denkt men dat Ramses IV al in de veertig was toen hij farao werd. Zijn troonsbestijging werd met een hymne bezongen, deze hymne leek op die van Merenptah, de zoon van Ramses II. Dit gebeurde er volgens de tekst: "Vlak nadat hij farao is geworden, de vluchtelingen naar huis komen, de hongerigen eten en de dorstigen drinken, de naakten zijn gekleed, de strijdenden zijn vredesgezind, het onrecht overwonnen en de Maāt (de rechtvaardige wet) teruggekeerd. Zo werd er een nieuw tijdperk vol heil aangekondigd." Dit is niet de offici?e tekst, maar dit wordt er ongeveer in beschreven. Hij was getrouwd met koningin Tentopet. Ramses IV werd opgevolgd door Ramses V.
 
De tombe DK2 schijnt veel aandacht te hebben getrokken in de oudheid gezien de grote hoeveelheid graffity die er in is aangebracht..9 funderingen zijn gestort voor de indrukwekkende behandelde rotsingang en deze samen met de eerste gang hebben dezelfde configuratie gekregen zoals die werd gevonden vanaf de tijd van Ramses II.Het geplande ontwerp was ingekort, vermoedelijk gedwongen door omstandigheden.
Twee schetsplannen van de tombe van Ramses IV zijn bekend, de meest beroemde en complete op papyrus bevindt zich in Turijn en een detail van de buitenste doorgang gepreserveerd op een kalkstenen scherf ontdekt door Ayrton in het puin bij de ingang van de tombe.
De decoratie van
DK2 is virtueel intact en onthuld het orginele gebruik van verscheidene elementen.
De eerste 2 passages bevatten ?de litanie van Re?, de 3de een deel van het "Boek der Holen".
.

De voorkamer toont secties uit ?Het boek der doden?  en de grafkamer toont een mengeling van oude en nieuwe werken. De muren hebben selecties uit het boek Amduat en het "Boek der Poorten" en ?Het boek der Hemelen".
De sarcofaag was opengebroken op een bepaald moment in de oudheid en het deksel was verplaatst.
De verplaatste mummie van de koning dook op in
DK35

 
 
Ramses V  ca. 1147-1142 v.Chr is de vierde Farao uit de 20e Dynastie van Egypte (Nieuwe Rijk). Onder Ramses V begon de macht van de farao te verzwakken in het voordeel van de priesterlijke macht.
De administratieve macht kon zich niet verzoenen met de financi?e moeilijkheden van de farao, maar eigenlijk gingen de taksen grotendeels naar de tempel te Karnak en de hogepriester van Amon-Ra.
De Mummie van Ramses V, gevonden in de tombe van Amenophis II, toont dat hij gestorven is aan pokken.
Hij bleef slechts 4 jaar op de troon.

De tombe DK9 was bij de Romeinen bekend als de tombe van Memnon en bij de expeditie van Napoleonals 'La Tombe de la Metampsychose'. De grafkamer is niet geheel afgemaakt, duidelijk door het ontbreken van nevenruimten behalve de afgekorte uitbreiding voorbij de saarcofaagzaal. Er zijn geen sarcofagen bekend van Ramses V; die welke eventueel zijn voorbereid, zijn vermoedelijk toege?gend door zijn opvolger.  Voor een aanschouwing in de Tombe ( Klik Hier )

 
Andere vondsten, aan het daglicht gebracht door Edwin Brock in 1985 bevatte o.a potten, fragmenten van hout en een munt van de Romeinse keizer Maximian. De mummie van Ramses V is ontdekt in de DK35 bewaarplaats in 1898. De mummie van Ramses V lag in de basis van de wit geschilderde houten doodskist.

           

 
 
Ramses VI  ca. 1142-1134 v.Chr  was een Egyptische Farao die behoorde tot de zogenaamde Ramessiden van de 20e Dynastie. Hij heeft waarschijnlijk negen jaar geregeerd. Zijn heerschappij viel in een periode van verval die er na Ramses III gekomen was. Hij had een stevige greep op het noorden, dat dicht bij zijn hoofdstad lag, maar in het zuiden werden de priesters van Amon steeds machtiger.

De tombe DK9 was bij de Romeinen bekend als de tombe van Memnon en bij de expeditie van Napoleonals 'La Tombe de la Metampsychose'. De grafkamer is niet geheel afgemaakt, duidelijk door het ontbreken van nevenruimten behalve de afgekorte uitbreiding voorbij de saarcofaagzaal.  Voor een aanschouwing in de Tombe ( Klik Hier )

 
De mummie van Ramses VI is ontdekt in de DK35 bewaarplaats in 1898. De mummie van Ramses VI lag in een vervangende doodskist, oorspronkelijk behorend aan een hogepriester uit de tijd van Menkheperre.

         

 
 
Ramses VII  ca. 1134-1126 v.Chr is een farao die regeerde in de 20e Dynastie.
Hij is vooral gekend voor zijn verschillende belangrijke economische papyrusrollen.
Hij regeerde slechts 8 jaar.
Zijn tombe bevindt zich te Biban el-Muluk. De tombe van Ramses VII behoort tot die, die al sinds de oudheid toegankelijk zijn.
De tombe
DK1 bestaat eigenlijk maar uit de entree , een eerste gang  en de grafkamer  met een kleine achterkamer  met nis.
Er is geopperd dat het afgemaakte metselwerk en de geode kwaliteit van de reli?s een indicatie geven van een geplande en uitgevoerde bouw van een kleinschalige tombe, vermoedlijk gecre?rd in de veronderstelling dat de koning slechts weinig tijd zou hebben om het bouwen af te kunnen maken.
De sarcofaag bestaat uit een rotsgehakt gat bedekt met een massieve ruw cartouchevormig stenen blok versierd met figuren van of Isis, Nephtys, Selket en de 4 zonen van Horus.
De mummie van Ramses VII is momenteel nog niet ge?entificeerd.

         

 
 
Ramses VIII  ca. 1126-1124 v.Chr is een farao. Over deze farao is heel weinig bekend, mede door zijn korte regeringsperiode.
Zijn graf bevindt zich waarschijnlijk in de Vallei der Koningen. Eigenlijk zijn alle graven van de Farao's van het Nieuwe Rijk wel gevonden. Alleen Ramses VIII ontbreekt nog aan het lijstje....
 
 
 
Ramses IX  ca. 1124 -1105 v.Chr was een Farao uit de 20ste dynastie.
Zijn regering duurde achttien jaar, wat vrij lang was in vergelijking met zijn voorgangers van dezelfde dynastie.
Zijn regering werd gekenmerkt door een verder verval van het koninklijke gezag.
Zo was er tijdens zijn regering een grote plundering van de koninklijke necropolis en verkregen de priesters van Amon steeds grotere macht.
Hij werd opgevolgd door Ramses X van wie de relatie met Ramses IX nog steeds niet duidelijk is.
 

 

De tombe DK6 van Ramses IX heeft opengestaan sinds de oudheid en heeft informele commentaren uitgelokt, die op de muren zijn gekrabbeld, van zo?n 46 klassieke toeristen. Iets meer dan de helft van deze tombe lijkt te zijn afgemaakt ten tijde van de dood van de koning.
Na de helling met trap entree, zijn 3 goed beklede gangen gegraven, waarvan de eerste een serie van 4 nisachtige zijkamers heeft. De putkamer en de hal met pilaren zijn eveneens afgemaakt, de gang erachter is vergroot t.b.v de konings begrafenis.


De mummie van Ramses IX is ontdekt onder de andere mummies in de bewaarplaats DB320 te Deir El-Bahari.

 

 
 
Ramses X  ca. 1105-1101 v.Chr is de negende Farao uit de 20e Dynastie van Egypte (Nieuwe Rijk) 

Van Ramses X weet men niet of het de zoon was van zijn voorganger en de vader van zijn opvolger Ramses XI.
De inheemse opstanden, die reeds begonnen waren bij zijn voorganger, bleven duren.
Uit deze dynastie is hij de minst bekende samen met Ramses VIII.
Zijn tombe in Biban El-Muluk is nog niet helemaal blootgelegd

 
De tombe DK18 van Ramses X, is nog steeds niet verder opgeruimd dan de eerste gang en geen authentiek begrafenis materiaal heeft ooit het daglicht aanschouwd. Elementen van een gestortte fundering- 'blauw glanzende modellen van hulpmiddelen' ? zijn ontdekt bij de ingang door Howard Carter in 1901, maar deze hebben geen inscripties.
Ramses X's mummie is niet gevonden in ?n van de 2 bewaarplaatsen, DB320 en KV35

 
 
 

Ramses XI  ca. 1101-1069 is de tiende Farao uit de 20e Dynastie van Egypte (Nieuwe Rijk).

De farao noemen we tegenwoordig Ramses XI, maar zo werd de farao op dat moment niet genoemd. Zijn geboortenaam of Sa-Re-naam luidt: Ramesisoe Chaemoeaset Merenamon Netjer-Heka-Ioenoe wat betekend: "Geboren uit Re, Verschijning in Thebe, De god: heer van Heliopolis".. Zijn troonnaam of Nesoet-bit-naam luidt: Menma?re Setepenptah wat betekend "De rechtvaardigheid van Re, Gekozene van Ptah".

Ramses XI was een zoon van Ramses X en koningin Tyti. Hij trouwde vermoedelijk met Tentamon I, die een dochter was van Nebseny. Vermoedelijk kregen ze samen twee dochters: Tentamon II en Henettaoei.

Omdat Ramses XI geen mannelijke erfgenamen had trouwden de opvolger van de 21e Dynastie van Egypte: Nesoebanebdjedet of Smendes en de hogepriester van Amon: Pinedjem I met de dochters van Ramses

Hij volgde Ramses X op als farao. Hem werd rond het jaar 1069 v.chr. de heerschappij over opper-Egypte ontnomen door de hogepriester van Amon, Herihor. Herihor was ook de vizier. Inmiddels was Ramses XI de laatste farao van de 20e dynastie. Na deze gebeurtenis ontstond de Derde Tussentijd.

De tombe DK4 van Ramses XI, openstaand sinds de oudheid en gebruikt als woning en als stal door de Copts.
In 1979 is het uitgegraven door John Romer.
Ramses XI heeft de tombe verlaten terwijl deze nog niet af was, opterend om elders begraven te worden, misschien in het noorden. Dientengevolge is de tombe overgenomen door Pinedjem I met het oog op zijn eigen begrafenis daar. De tombe vertoond diverse unieke eigenschappen, waaronder de verkleinde helling van de 2de gang en  - zelfs nog meer uitgesproken - van de afdaling uit de eerste hal met pilaren. De gangen zijn merkbaar afgekort, zoals in Ramses IX, er is slechts een korte gang die leidt van de hal met pilaren naar de hal met de sarcofaag, welke is ongewoon met zijn 4 rechthoekige pilaren en met de diepe (meer dan 10 m) centrale begrafenis schacht, vermoedelijk bedoeld als addiotionele veiligheids maatregel

 

         

 

Farao,s van de 21e Dynastie

De 21e dynastie van Egypte regeerde van 1069 v. Chr. tot 945 v. Chr..
Deze tijd wordt vaak de Derde Tussentijd genoemd omdat het land in verval geraakt was onder de voorafgaande latere Ramessiden.
Een belangrijke oorzaak hiervoor was dat de priesterlijke bureaucratie - vooral de hogepriesters van Amon - een staat in de staat geworden was die alle belastinggeld opeiste.
Daarmee was de macht van de koning tot een schaduw verworden.
Onder de koningen van dynastie 21 schreven de hogepriesters van Amon zelfs hun naam in een koninklijke cartouche en daarmee eisten zij in feite de koninklijke waardigheid voor zichzelf op.
Het zuiden was daarmee een soort theocratie geworden met een pontificaat met wereldlijke macht.
Internationaal was de situatie ook niet erg bemoedigend, in het hele Midden-Oosten was het onrustig.
In Mesopotami?was de Aramese volksverhuizing aan de gang en Egypte was te zwak om zich veel met de buitenlandse politiek te bemoeien.
Ook Egypte kreeg met vreemdelingen te maken. Er waren veel Lybi?s die zich in het westen van de Delta vestigden. Het waren dan ook Lybische vorsten die de macht over zouden nemen en de XXIIe dynastie zouden vestigen.

 
 
Smendes I  ca. 1069 - 1044 v. Chr was de eerste farao van de 21e dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn bekendste naam betekent: "Hij, de Ram van Mendes; Geliefd door Amon" en zijn tweede naam betekent: "Helder is de manifestatie van Re, gekozen door Re".

De ouders van Smendes zijn een mysterie. Men vermoedt dat de ouders waren Herhor en Tentamen, Tentamen was de zuster van Ramses XI en dus was de koning verwant aan de vorige koning. Ook zeker is dat hij een belangrijke gouverneur was van Tanis met belangrijke allure. Hij stond in de tijd van de regering van Ramses XI onder zijn dienst en reisde naar Libanon om hout te halen voor de tempel van Amon.

 
De regering en autoriteit van de farao in Opper-Egypte is vastgesteld door een stele gevonden in een werkmijn in Ed-Dibabiya (tegenover Gebelein, aan de rechteroever van de Nijl). Smendes regeerde over een verdeeld Egypte, over Neder-Egypte; Midden-Egypte en Opper-Egypte werden bestuurd door de commissie van hogepriesters van Amon zoals: Pinodjem, Mesaharta en Mencheppera.

Historie

De Aramee?s zijn nog op de rechteroever van de Eufraat, maar het Assyri?van Ashurbelkala wordt bedreigd door het steeds verder oprukken van deze nomadische stammen.
1069 v Chr: Na de dood van Ramses XI wordt Smendes koning en sticht daarmee dynastie XXI.
Zijn macht is echter erg beperkt. In het zuiden wordt hij wel erkend.
De macht van de priesters van Amon is bijzonder groot. Zelfs de koning wordt gezien als de uitvoerder van de wil van de eigenlijke koning van Egypte: de god Amon-Ra (en zijn priesterschap)

 
1067 v Chr: Adad-apal-iddina volgt Marduk-shapik-zeri op als koning van Babylon.
Smendes verplaatst zijn zetel van Piramesse naar Tanis, hoewel ook Memphis als hoofdstad blijft fungeren
1064 v Chr: In de jaren 6 tot 15 van Smendes draagt hogepriester Pinudjem I zorg voor de herbegrafenis van een aantal koninklijke mummies. De graven zijn nu vrijwel allemaal geplunderd
 
In jaar 16 van Smendes besluit Pinudjem I de hogepriester en zuidelijke legeraanvoerder nu ook koninklijke titels te voeren. Hij schrijft zijn naam in een cartouche.
 
 

Tanis (Egypte)

De oude Egyptenaren noemden de stad Djanet. De Grieken noemden het Tanis (Grieks: Τάνις). De Hebreeuwse naam (zoals voorkomend in de Bijbel) is Soan of Zoan. Tegenwoordig staat de plek bekend als San el-Hagar. De stad werd al vroeg ingedeeld in de 19e nome van Neder-Egypte. De stad was ?n van de belangrijkste steden in de Delta.

Rond de 21e en 22e dynastie van Egypte werden er koningen begraven bij de tempel van Amon. Rond de Late tijd was Tanis de hoofdstad van 19e nomos en ook een handelsstad voordat de rol werd overgenomen door Naukratis en later door Alexandri? Tot in de Grieks-Romeinse tijd werd er gebouwd, door Ptolemaeus II werd een tempel voltooid in gang gezet onder de regering van Nectanebo II. De tempel van Astarte werd hersteld onder Ptolemaeus IV.

Bij de tempel van Amon zijn zeven koningsgraven gevonden:Amenemnesoe, Psusennes I en Amenemope uit de 21e Dynastie van Egypte en Sjosjenq II, Takelot II, Osorkon II en Sjosjenq III uit de 22e Dynastie van Egypte. In de stad werden opgravingen verricht door Auguste Mariette in 1860 tot 1880, door Flinders Petrie in 1883 tot 1886, Pierre Montet in 1921 tot 1951. Tegenwoordig is een Frans team bezig met opgraven.

Blokken van het Oude Rijk, Middenrijk en Nieuwe Rijk kunnen onderscheiden worden en zijn hergebruikt in tempels onder Psusennes I en andere heersers. Binnen een grote en dikke kleistenen omheiningsmuur lagen verschillende bouwwerken (nu ru?es): Tempel van Amon, tempel van Horus, tempel van Nectanebo I en een heilig meer. Buiten dit complex lag nog de tempel van Moet, die hier met Khonsu en Astarte werd vereerd.

 
 
 
Amenemnesoe  ca. 1044 - 1040 v. Chr was de tweede farao van de 21e dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn bekendste naam betekent: "Amon is de koning" en zijn tweede naam betekent: "Schitterend is de ka van Re! Heer van Waset (Thebe)"
 
V?r 1940 was Amenemnisoe niet bekend onder de geleerden, er waren geen artefacten van deze farao bekend. In 1940 werd het graf ontdekt in Tanis door Pierre Montet. .
 
 
 
Psusennes I  ca. 1040 - 994 v. Chr was de derde koning van de 21e Dynastie van het Oude Egypte. Zijn eerst naam betekent: "De ster verschijnt in de stad, Geliefd door Amon" zijn tweede naam betekent: "Groot is de manifestatie van Re, gekozen door Re"

Hij is mogelijk de zoon van Pinudjem I en van Henuttaui. Zijn zuster-echtgenote was Mudnetjmet. Verder was de Godsvrouw van Amon Maatkare zijn zuster en de hogepriesters van dezelfde god Masaharta en Mencheperre zijn broers. Van een van zijn bijvrouwen, Wiai genaamd, stamt de echtgenote van Mencheperre, Isetemachbit af.

Een verwantschap met de 20e Dynastie wordt mogelijk aangegeven door een variant op zijn naam Ramses-Psusennes, en de naam van een zoon Ramses-Anchefenmut. De laatste was opperbevelhebber. Een andere zoon van Psusennes I bij Mudnedjmet is de kroonprins en opvolger Amenemope.

 
Zijn politiek beperkte zich waarschijnlijk geheel tot het zeker stellen van de grenzen. Egypte was een zwak land in zijn veelbewogen dagen. In de laatste drie jaar van zijn regering was Amenemope waarschijnlijk mederegent

Het graf van Psusennes werd in 1939 door Pierre Montet gevonden en voor het eerst betreden in februari 1940. Het is graf Nr. 3 in Tanis. Net als dat van Toetanchamon was het ongeschonden. In mei 1940 keerde Montet na de berichten over de Duitse inval in Frankrijk ijlings terug naar zijn familie, het open graf van Psusennes achterlatend. Toen de Fransen na de oorlog terugkeerden, bleek alles nog aanwezig.

In het graf bevond zich Psusennes zelf, zijn echtgenote Mutnedjmet, prins Anchefenmut in een zijkamer en in de voorkamer de generaal en hoofd over de priesters van alle goden Wendjebaendjed. Later waren in de voor Mutnedjmet gebouwde kamer ook Amenemope en in de voorkamer Sjosjenq II bijgezet.

De buitenste sarcofaag van graniet was overgenomen van Merenptah. Deze omsloot een tweede kist uit zwart graniet en deze weer een derde uit massief zilver. Aan deze kist ontleent Psusennes de bijnaam "de zilveren farao" (de andere teruggevonden farao's lagen in een gouden kist).

 

Het belangrijkste stuk van het grafgerei was het gouden dodenmasker. De mummie viel bij het openen van het graf volledig uiteen. Wel zijn de schedel en verscheidene botten bewaard gebleven en opgeslagen in Cairo. Volgens Professor D.E Derry, die de overgebleven botten als eerste heeft onderzocht in 1940, is Psusennes een zeer oude man geworden.

 
 

Amenemope Usimare  ca. 994 - 984 v. Chr was de vierde oud-Egyptische farao uit de 21e Dynastie. Zijn naam betekent: "Amon is het Opet-festival", zijn tweede naam betekent: "Machtig is de waarheid van Re! Gekozen door Amon!"

Aanvankelijk was hij co-regent met zijn vader Psusennes I, totdat die overleed. Volgens Manetho heeft hij acht jaar zelfstandig geregeerd.

Zowel de tombe van Amenemope als van zijn vader zijn ontdekt door de Franse Egyptoloog Pierre Montet tijdens zijn ontdekkingen in Tanis in 1940. Hij was verwant aan de latere Osochor en Siamun, die uit Libi? kwamen.

 
 

Van Amenemope zijn een aantal monumenten gevonden. Hij heeft meegewerkt aan:

         de kapel van Isis             de tempel van Memphis

 De farao diende onder een aantal hogepriesters van Amon: Smendes II en Pinedjem II. In Thebe had hij geen autoriteit; wel had hij aanhangers onder de geestelijken die verschillende voorwerpen hadden met zijn naam erin en had hij Pinedjem als Pontificaat.

 
 
 
Osorkon de Oudere of Osochor  ca. 984 - 978 v.Chr was de vijfde farao van de 21e Dynastie. Zijn troonnaam was AaCheperre Setepenre. Dit betekent: Groot is de Ziel van Re" of "de Keuze van Re". Hij regeerde zes jaar.

Osorkon de Oudere was van Mesjwesj, dus Berberse komaf en had zich een plaats weten te verwerven in de dynastie. Hij was de oom van de latere Sjosjenq I, de stichter van de 22e dynastie. Aan zijn bestaan werd dikwijls getwijfeld totdat Eric Young in 1963 een deel van een tekst van een tempelpriester ontdekte: Nespaneferhor in het tweede jaar van 1 Sjemu dag 20 onder een zekere koning Aacheperre Setepenre. Deze werd gevonden in de Priesterannalen van Karnak. Young betoogde dat de onbekende Osochor en koning Aacheperre Setepenre een en dezelfde waren.

 
Zijn hypothese werd indertijd niet volledig geaccepteerd door alle egyptologen. Jean Yoyotte ontdekte in 1976/1977 dat een Libische koning genaamd Osorkon I de zoon was van Sjosjenk A bij een vrouw genaamd Mehetenesjchet, die in genealogische documenten als de koningsmoeder wordt aangeduid. Aangezien niemand van de Osorkons een moeder genaamd Mehtenwesjchet had, kon het niemand anders zijn dan de moeder van Osorkon de Oudere. Zij was ook de moeder van Nimlot A, de grote leider van de Mesjwesj ("Libi?s") en dus Sjosjenq I's grootmoeder.

Osorkons regering is bijzonder te noemen omdat die een voorbode was van een Libische dynastie. Hij heeft zes jaar geregeerd volgens Manetho's Aegyptiaca. Hij werd opgevolgd door Siamoen die een zoon van Osochor was.

 
 
Siamoen  ca. 978 - 959 v. Chr was een krachtig bestuurder; na Psoesennes I was hij de krachtigste farao van de 21e dynastie. Door Manetho wordt de duur van zijn bewind geschat op negen jaar, maar onder hedendaagse geleerden wordt hem 19 jaar regering gegeven, volgens een inscriptie: "instructies van Hori, zoon van Nespeneferhor in het hogepriesterschap van Karnak".
 
Volgens de Franse Egyptoloog Nicolas Grimal heeft Siamoen de tempel van Amon in Tanis verdubbeld in oppervlakte en is hij begonnen met verschillende monumenten bij de tempel van Horus te Mesen. Hij bouwde ook bij Heliopolis en bij Pi-Ramesse. Siamoen liet een nieuwe tempel ontwerpen voor Amon in Memphis met zes stenen pilaren met zijn koninklijke naam erop. Zijn laatste daad was het inwilligen van verschillende verzoeken van de priesters van Ptah te Memphis. In Opper-Egypte is zijn naam geregistreerd op een aantal monumenten in Karnak. Op een reli? in de tempel van Amon in Tanis staat Siamoen de vijanden van zijn Egypte religieus te vermoorden. Volgens onderzoek aan de bijl moeten dit Kana?ieten zijn geweest.

Het buitenlands beleid van Egypte onder Siamoen was actief; hij was waarschijnlijk ook de farao die een alliantie vormde met de nieuwe koning van Israel, koning Salomo tegen de Filistijnen. Siamoen viel de Filistijnse stad Gezer aan teneinde de Egyptische handel met de Fenici?s te beschermen. Salomo maakte ook hier gebruik van door Gezer in te nemen waardoor zijn zuidelijke grenzen beveiligd werd. De alliantie werd bekrachtigd door een huwelijk tussen Salomo en een dochter van de Egyptische koning.

 

Filistijnen

De Filistijnen waren een (zeevarend) volk dat zich aan het eind van het 2e millennium v.Chr. op de kuststrook in het zuiden van Kana? vestigde en intensieve contacten lijkt te hebben onderhouden met Alashia (Cyprus), Myceens Griekenland en Mino?ch Kreta. De Filistijnen stichtten vijf onafhankelijke stadstaten, die een soort stedenbond vormden (pentapolis). Gedurende de twaalfde en elfde eeuw v.Chr. hadden de Filistijnen de hegemonie in het gebied, maar in de eeuwen daarna werd hun macht steeds meer ingeperkt. Tijdens de neo-Assyrische periode (ca. 800-626 v.Chr.) beleefden de Filistijnse steden opnieuw een periode van bloei. Na de verovering door de Babyloni?s in 604 v.Chr. zijn de Filistijnen geleidelijk opgegaan in omliggende volken. Dankzij opgravingen in Filistijnse plaatsen wordt er steeds meer bekend over de Filistijnse cultuur. Van belang is met name het Filistijns aardewerk, dat zich door kunstige patronen onderscheidt van Kana?itisch aardewerk uit deze periode en dat vaak wordt gebruikt om Filistijnse archeologische vondsten te kunnen dateren. Uit de archeologische gegevens blijkt dat de cultuur van de Filistijnen zich in de twaalfde en elfde eeuw sterk onderscheidt van die van de andere volken in de levant, maar dat er vanaf de tiende eeuw steeds meer sprake is van culturele assimilatie aan omliggende culturen.
 
Dit blijkt op gebieden als voeding of taal en schrift, maar ook op het gebied van de godsdienst. Aanvankelijk vereerden de Filistijnen een godin, vermoedelijk de moedergodin uit de Myceense en/of Mino?che beschaving. Later namen zij ook Kana?itische en Egyptische goden op in hun pantheon. In de Hebreeuwse Bijbel worden de Filistijnen vaak genoemd als tegenstanders van de Israelieten. Daarnaast worden de Filistijnen vermeld in Egyptische, Assyrische en Babylonische bronnen. Ook uit enkele meer recent gevonden Filistijnse inscripties kunnen gegevens worden afgeleid met betrekking tot de Filistijnen.

Aan het begin van de tiende eeuw kwam er een einde aan de Filistijnse hegemonie in het gebied. Rond 980 werden Ashdod, Ekron en Tel Qasile verwoest en Timna werd verlaten. De verwoestingen worden vaak toegeschreven aan koning David, maar er is ook wel geopperd dat farao Siamoen hiervoor verantwoordelijk was. Ashdod en Ekron bleven in Filistijnse handen, al bleef Ekron tot aan de Neo-Assyrische periode een relatief kleine plaats. Ashdod werd zwaar versterkt, wat impliceert dat men zich bewust was van militaire dreiging. Tel Qasile en Timna werden na enige tijd herbouwd als Israelitische plaatsen. Daarmee lijkt het erop dat de Filistijnen met name het noordelijk deel van hun gebied moesten afstaan aan de Israelieten, die juist in die tijd op het toppunt van hun macht waren onder David en Salomo. Ook de Hebreeuwse Bijbel geeft aan dat de Israelieten in deze tijd steeds vaker de overhand hadden over de Filistijnen. Er is wel geopperd dat de Filistijnen in deze periode vazallen van Israel waren, maar anderen trekken deze bewering in twijfel. Hoe het ook zij, opgravingen maken duidelijk dat in ieder geval Gat in deze periode juist bleef groeien in omvang en welvaart.

Het lijkt erop dat de Filistijnen in deze periode goede relaties onderhielden met Egypte, want bij de veldtocht van farao Sjosjenq I in Kana? aan het begin van de tiende eeuw, werd het gebied van de Filistijnen ontzien. Hieruit wordt wel opgemaakt dat de Filistijnen in deze periode een verdrag hadden met Egypte, om zo sterker te staan tegenover het Israelitische rijk.

Vanaf het einde van de tiende eeuw hadden de Filistijnen van de Israelieten niet veel meer te vrezen. Het koninkrijk van David en Salomo viel in die tijd uiteen in een noordelijk koninkrijk Israel en een zuidelijk koninkrijk Juda. De Hebreeuwse Bijbel vermeldt nog wel enkele schermutselingen, maar deze lijken beperkt van omvang en zonder veel gevolgen. De omvang en betekenis van Ekron nam in de negende eeuw weliswaar nog iets verder af, maar Ashdod groeide snel en de plaats Gath bereikte zelfs het hoogtepunt van haar bloei.

Aan het einde van de 9e eeuw werd Aram-Damascus een factor van betekenis en de Aramese koning Haza? ondernam een veldtocht in het gebied. Daarbij werd Gat zwaar verwoest. Uit opgravingen blijkt dat aan de verwoesting een zware belegering voorafging, waarvan de resten nog steeds duidelijk zichtbaar zijn. Hoewel een klein deel van de stad herbouwd werd, zou deze in de verdere Filistijnse geschiedenis geen rol van betekenis meer spelen. De overige Filistijnse steden lijken overigens niet te lijden gehad onder Aram-Damascus.

De autonome Filistijnse stadstaten zouden na de Babylonische inval van Nebukadnezar II verdwijnen en het Filistijnse volk assimileerde geleidelijk in de omringende volkeren. Toen enkele eeuwen later de Romeinen binnenvielen en de provincia Iudaea inrichtten, waren de Filistijnen als etnische groep reeds opgegaan in andere volkeren. Na de opstand van de Joden onder aanvoering van Sjimon bar Kochba (132-135) en de daaropvolgende repressie en verbanningen, hernoemden de Romeinen het gehele gebied van Judea tot "Palaestina" als een belediging voor de verslagen vijand (de Filistijnen waren immers de aartsvijanden van de Joden). Na de splitsing van het Romeinse Rijk in een westelijk en een oostelijk (Byzantijns) deel en na de ondergang van het westelijke deel eind vierde eeuw, werd het gebied overheerst door de Byzantijnen. Toen de moslims in 636 het gebied veroverden, noemden ze het naar analogie met het Latijnse Palaestina فلسطين, dat wordt uitgesproken als "Falasṭīn", en deze term is vaak inwisselbaar met die voor de Levant (al-Shām). De nakomelingen van ge?lamiseerde Byzantijnse provincialen en Arabieren van Palestina zouden in de 19e en begin 20e eeuw door Britse schrijvers Philistines of "inwoners van Palestina" worden genoemd. Hierdoor ontstond verwarring tussen de namen "Philistines" en "Palestinians". Hieruit kwam de veronderstelling voort dat de Palestijnen feitelijk directe nakomelingen zouden zijn van de Filistijnen, wat door beide zijden in het Palestijns-Israelisch conflict wordt uitgebuit om het conflict een historische grond te geven. Hoewel het mogelijk is dat onder de voorouders van de Palestijnen Filistijnen waren, is het onwaarschijnlijk dat alle Palestijnen directe afstammelingen zijn van Filistijnen.

 
 
 
 
Psusennes II  ca. 959 - 945 v. Chr was laatste farao van de 21e Dynastie. Zijn naam betekent: "De ster die verschijnt in de stad, Geliefd door Amon". Zijn tweede naam betekent: "Afbeelding van de transformatie van Re, gekozen door Re".

Er is er minder bekend historische bronnen over deze farao dan over zijn directe voorgangers. Dit zou kunnen omdat misschien Psusennes II en Psusennes III een en dezelfde farao of hogepriester waren. Hij wordt genoemd door Manetho met 14 of 35 jaren van regering. Rolf Krauss heeft een theorie dat de regeringsperiode voor Psusennes II 24 jaar langer is dan wordt gegeven door Manetho. Dit is gebaseerd op persoonlijke informatie van een bron uit de tijd van Sjosjenq I, de Dakhla-stele, die een referentie bevat naar een landregister uit de tijd van farao Psusennes. Het bestaan van deze farao werd bevestigd door de ontdekking van zijn mummie in het grafcomplex in Tanis, waar ook de graven van andere farao's werden ontdekt en dat van de mysterieuze generaal Wendjebauendjed. Het betrof hier de eerste ongeschonden vondst van een koningsgraf uit de geschiedenis van de Egyptologie.

 

De mummie was verpakt in een sarcofaag van het toen kostbare zilver en er werd ook een gouden dodenmasker aangetroffen. Er zijn een aantal teksten die bevestigen, dat Psusennes II echt heeft geregeerd. In de annalen van de priesters van Amon te Karnak komen Psusennes II en III veelvuldig voor, er zijn inmiddels een groot aantal objecten die Psusennes en zijn opvolger Sjosjenq I noemen.

 

Farao,s van de 22e Dynastie

De 22e dynastie van Egypte regeerde van (ca.) 945 tot 715 v.Chr. en wordt in het algemeen aangeduid als de Libische dynastie.

Sjosjenq I, de eerste koning van deze Dynastie, stamde van de Meswesj, een Berberstam uit het huidige Libi? Toen de hogepriesterlijke opvolging in Thebe uitstierf en tot een einde kwam, maakte hij van de situatie gebruik door zijn zoon aldaar te installeren en op die manier weer een eenheid te maken van Egypte. Ook ondernam hij een militaire campagne in Palestina en werd de handel met Byblos en de Fenici?s hervat. Door deze handelsactiviteiten nam de welvaart in het land toe, hetgeen in hernieuwde bouwactiviteiten tot uitdrukking kwam.

Tijdens de regering van Takelot I ontstond er onrust in het land. Zijn zoon, Osorkon II, was benoemd tot hogepriester van Thebe, hetgeen niet geaccepteerd werd door de Thebanen. Een lange periode van burgeroorlog volgde. Vanaf de regering van Osorkon II, hadden diverse rivalen het voorzien op de macht, waarvan de eerste Pedubastis I van de 23e Dynastie van Egypte was. Deze dynastie werd naast de 22e Dynastie geaccepteerd. Tegen het einde van de 8e eeuw v.Chr. regeerden diverse koningen gelijktijdig het land, en verliepen de 22e, 23e en 24e Dynastie zij aan zij. 770 v.Chr. werd de Koesjitische koning Kashta in het zuiden van Egypte geaccepteerd als farao. Deze Nubische invloed in het zuiden van Egypte zou uiteindelijk doordringen tot in het hele land, en de 25e Dynastie van Egypte gaan vormen.

 
 
Shoshenq I  ca. 945 - 924 v.Chr was Koning van Egypte en stichter van de 22e Dynastie. Hij was een zoon van Libyco-Berberse immigranten (de Ma of Mesjwesj), die zich in Herakleopolis Magna gevestigd hadden en was hun hoofdman.

Sjosjenq (I) had een glansrijke carri?e. Voor zijn koningschap was hij zowel opperbevelhebber van het leger als de belangrijkste adviseur van zijn voorganger, Psusennes II, en was zijn zoon Osorkon I getrouwd met Maatkare, de dochter van Psusennes II. Hierdoor werd Sjosjenq I troonopvolger en werd in 945 v.Chr. koning.

Sjosjenq I versterkte een aantal plaatsen in midden Egypte. mogelijk om wat meer greep op het zuiden te krijgen. In een van die plaatsen, El Hiba, bouwde hij een tempel die later door Osorkon I vergroot zou worden. De regering van Sjosjenq luidde een periode van versterking van het centrale gezag in, die tot en met de regering van Osorkon II zou duren.
 
Toen hij eenmaal farao was, zorgde hij ervoor dat hij steviger in het zadel kwam te zitten, door diverse verbonden te sluiten en zijn zoon Iuput zowel hogepriester van Amon als opperbevelhebber van het leger te maken. Hoewel de priesters van Amon, die het zuiden goeddeels beheersten, hem trachtten af te doen als een vreemde eend in de bijt, moesten zij toch aanvaarden dat hij zijn familieleden op belangrijke posten in de priesterschap benoemde. Ook zijn bemoeienissen met de Kharga-oase in het zuiden -hij verbeterde de wegen die er naartoe leidden- moeten gezien worden als een vergroting van de koninklijke invloed op het zuiden. Met een expeditie naar Juda en Israel herstelde hij in zekere mate de internationale positie van Egypte die sinds de dagen van Ramses III danig verzwakt was. Hij liet een stele achter in Israel, bij Tel Megiddo. Hij herstelde de betrekkingen met Byblos. Deze stad had lange tijd een belangrijke functie als handelscentrum voor Egypte vervuld. Koning Abibaal richtte er van Sjosjenq I een standbeeld op de tempel van de godin Baalat-Gebal.

Sjosjenq is waarschijnlijk dezelfde farao als de farao Shishak of Sisak, die volgens de Bijbel asiel verleende aan Jerobeam en een veldtocht organiseerde naar het koninkrijk Juda. Hij veroverde een aantal steden, waaronder Jeruzalem, waar de eerste Joodse Tempel (Tempel van Salomo) en het Koninklijk Paleis van Salomo werden geplunderd.

 
 
 
 

Osorkon I  ca 924 - 889 v.Chr volgde zijn vader op. Zijn regeringsdata is bekende van verschillende tempels die hij gebouwd zou hebben of die in zijn tijd zijn gebouwd. Zijn tijd was een lange en stabiele periode in de Egyptische geschiedenis. Zijn laatste inscriptie was in jaar 33 van zijn tweede Hebsed, gevonden in de linnen van een mummie van Nakhtefmut. Hij heeft ongeveer 35 jaar geregeerd. Volgens Manetho, die leefde ca. 250 v. Chr, was zijn regeerperiode 15 jaar maar waarschijnlijk maakte hij een fout.

In de historische bronnen wordt meestal verondersteld dat de farao werd opgevolgd door zijn zoon Takelot I; een andere heerser of usurpator, Sjosjenq II zou een tijdlang tussen Osorkon en Takelot hebben geheerst.

 
Zijn moeder was de eerste vrouw van Osorkon I; Takelots moeder was de tweede vrouw van Osorkon I. Shosjenq II kan echter ook een farao zijn geweest die regeerde in de tijd van Osorkon I. De farao's werden in die periode genoemd naar hun grootvaders, niet naar hun vaders.Hoewel de tijd van Osorkon I stabiel was, kregen zijn zonen en kleinzoon te maken met Thebe en Opper-Egypte. De tombe van Osorkon I is nooit gevonden. Maar er zijn aanwijzingen dat Egypte welvarend was onder deze farao, omdat Osorkon veel schenkingen deed aan de tempels van Amon, Re-horachte, Hathor, Moet, Thot en Bastet. Hij liet tempels oprichten in Boebastis, Memphis, Atfih, el-Hibe en Abydos. Hij was de ook de vader van de eerste in de reeks van goddelijke vrouwen van Amon: Sjepenoepet I, die regeerden in Thebe
 
 
 
Shoshenq II   ca 890 - 889 v.Chr was een Egyptisch farao van de 22e Dynastie. Hij is de enige heerser van deze dynastie van wie het graf niet geroofd werd door plunderaars. Zijn laatste rustplaats werd ontdekt in een kamer in de graftombe van Psusennes I in Tanis, door Pierre Montet in 1939. Montet opende de sarcofaag op 20 maart 1939 in aanwezigheid van de toenmalige koning, Faroek van Egypte. De zilveren sarcofaag bevatte vele met edelstenen gezette armbanden en pectoralen; de overledene droeg een gouden dodenmasker. Sjosjenq II's eerste naam betekent "Sjosjenq, geliefd door Amon", zijn tweede naam "De manifestatie van Re regeert, gekozen door Re".
 
Het is ook wel mogelijk dat Sjosjenq II de zoon was van Sjosjenq I. De naam 'Sjosjenq I' wordt genoemd op twee armbanden die gevonden zijn in de graftombe van Sjosjenq II.
 
                  

Tevens bevat ?n van de pectoralen een inscriptie met als titel 'Grote Leider van de Ma Sjosjen', een titel die Sjosjenq I verkreeg onder Psusennes II, voordat hij koning werd. Deze voorwerpen kunnen of als bewijs aangevoerd worden dat er een familiale band bestaat tussen de twee mannen, of louter als archeologisch erfgoed.

Sjosjenq II was de stiefbroer van Takelot I. In 924 werd hij door zijn vader tot Hogepriester van Amon te Thebe benoemd. Kort voor zijn dood werd hij benoemd tot co-regent in de regering van zijn vader. In zijn koningsnaam kreeg hij alle titels mee: de koning van Opper-Egypte en Neder-Egypte. Sjosjenq II overleed eerder dan verwacht en hij werd opgevolgd door zijn stiefbroer Takelot I.

Uit pathologisch onderzoek van Sjosjenq II's mummie, dat uitgevoerd werd door Douglas Derry, is gebleken dat hij is overleden aan de gevolgen van een grote infectie aan een hoofdwond. Het is met zekerheid vast te stellen dat de uiteindelijke rustplaats van Sjosjenq II een herbegraafplaats was: zijn sarcofaag bevond zich immers in de tombe van een andere koning, Psusennes I van de 21ste Dynastie. Onderzoekers hebben bewijs voor plantengroei op de bodem van Sjosjenq II's kist gevonden, waaruit kan worden afgeleid dat de originele kist waterschade heeft opgelopen, en men snel een nieuwe begraafplaats heeft moeten zoeken: in de tombe van Psusennes I.

 
 
 
Takelot I  ca 889 - 874 v.Chr was de zoon van Osorkon I en koningin Tashedkhons. Takelot trouwde met koningin Kapes die hem Osorkon II baarde. Hij regeerde Egypte dertien jaar volgens Manetho, daarover bestaat nog enige discussie over. Waar ook discussie over bestaat is wie Takelot eigenlijk is. Uit de tijd van Takelot zijn geen monumenten uit Tanis bekend of een andere stad in Neder-Egypte. Daardoor kunnen er geen "harde" bewijzen zijn voor regeringsdata aangezien monumenten met inscripties gekoppeld worden aan data. Maar sinds de jaren 80, Egyptologen hebben een aantal documenten onder ogen gehad die de koning Takelot van Neder-Egypte benoemen, in plaats van Takelot II. Tot slot bestaat er ook nog verwarring tussen Takelot I en Takelot II. De enige verschil is in de koninklijke titulatuur waarin Takelot II zich zoon van Isis noemt.
 

In Tanis is een graf ontdekt, van voorheen een onbekend iemand. Inscripties op grafgoederen hebben aangetoond dat het hier gaat om het graf van Takelot I.

Zoals bekend is, was de macht in Egypte tijdens de 22e dynastie verdeeld. Takelots macht werd niet geaccepteerd in Opper-Egypte, en Harsiese A of een andere lokale Thebaanse koning ondermijnden zijn gezag. Een paar teksten uit Thebe benoemd twee zonen van Osorkon I, de Hogepriesters Iuwelot en Smendes III in de jaren 5,8, en 14 van een onbekende koning. Deze onbekende koning kan Takelot zijn.

 

 

 

Osorkon II  ca 874 - 837 v.Chr was een farao van de 22e Dynastie. Zijn tweede naam Oesermaatra-Setepenamen betekent: "Machtig is de rechtvaardigheid van Re."

In de tempel van de godin Bastet in Bubastis bouwde hij een zaal waar hij zijn eerste Sed-festival vierde. Het jaar wordt meestal aangegeven als Jaar 22, maar dit zou ook Jaar 30 kunnen zijn. Hij werd begraven in graf NRT-I in Tanis.

Bij opgravingen in het paleis van Samaria, de hoofdstad van het koninkrijk Israel is een albasten vaas gevonden met daarop de naam van Osorkon II. Vermoedelijk gaat het om een geschenk aan de toenmalige koning Achab en kan eruit opgemaakt worden dat Osorkon vriendschappelijke contacten met het koninkrijk Israel onderhield.

 

 

 
 
Shoshenq III   ca 837 - 797 v.Chr ook wel bekend als Sheshonq III, Sheshonk III, Shishak of Sjosjenq Usermaatre Setepenra/setepenamun, was een Egyptische farao uit de 22e dynastie

Hij was de opvolger van Takelot II, hoewel deze normaal zou opgevolgd worden door prins Osorkon. Onder Sjosjenqs regering kwam er ook een Lybische regering in Leontopolis onder leiding van Pedubastis I. Deze vormde de 23e dynastie. Beide dynastie? zouden gedurende de Derde Tussenperiode naast elkaar leven. Sjosjenq III zijn machtsbasis bevond zich centraal en in het oosten van de Nijldelta, terwijl Pedubastis' invloed tot Thebe reikte. Al deze informatie is zeer onduidelijk en er zijn egyptologen die Takelot II niet als de vader van Sjosjenq beschouwen, maar een usurpator.

 
 
Shoshenq IV  ca 797 - 785 v Chr was een farao van de 22e Dynastie.
 
 
 

Pimay   ca 785 - 779 v Chr was een zoon van Sheshonq III en Tentamenopet, broer van Bakennefi, de prins en regent van Athribis en Heliopolis.
Alleen in de Delta zijn een paar relicten overgebleven. Een groepstandbeeld uit Sais presenteerd hem voordat hij aan de macht kwam en noemt hem ?Gouverneur van Libiers - Meshwesh?.
Het is mogelijk dat hij is begraven in tombe II in de koninklijke necropolis te Tanis.
 
 
 
Shoshenq V  ca 779-743 v Chr was een zoon en opvolger van Pamai zoals beschreven op de stele van Serapeum, dateert aan het jaar 11 van zijn regeerperiode. Er zijn geen consensus die deze heerser definitief toeschrijven aan dynastie 22 of 23.
Volgens D. Aston zou hij de 4de of 5de heerser van dynastie 23 zijn en voorganger van Padibastet II.
Terwijl Sheshonq heerste in het zuiden, werd er in Thebe geregeerd door de konings hogepriesters van dynastie 23, Osorkon III en Takelot III, als ook Ioeput II te Leontopolis.
Het is mogelijk dat Sheshonq, voor hij aan de macht kwam na zijn vaders dood, een hogepriester van Amon te Tanis kan zijn geweest.

 
 
Pedubastis II  ca 743 - 733 v Chr was een Egyptische farao uit de 22e dynastie, volgde Shoshenq V op en was mogelijk zijn zoon.

 

 
 
 
Osorkon IV  ca 733 - 715 v Chr was een Egyptische farao uit de 23e Dynastie.

Zelf was hij de laatste koning van de 22e dynastie. Daarnaast was er Iuput II van de 23e en Bakenranef van de 24e en er kunnen nog wel meer plaatselijke pretendenten geweest zijn. Tot overmaat van ramp rukten de Assyri?s onder Sargon II steeds verder op in de richting van de delta. Osorkon besloot een aantal prachtige paarden aan Sargon te sturen om hem te vriend te houden. (715 v.Chr.)

De Assyrische archieven beschrijven hem als het 'bevende koninkje (U)shilkani'. Sargon liet hem met rust, maar het volgende jaar rukten de Nubi?s uit het zuiden op en Shabaka van de 25e dynastie veegde alle andere koningen en koninkjes uit de weg.

 

Farao,s van de 22e Dynastie (Thebe)

De 22e Dynastie van Egypte

Verschillende hogepriesters in Thebe, Memfis en Herakleopolis, zoals Ioepoet en Ioelot. Allen waren zij zonen van op dat moment regerende vorsten. De eerste Thebaanse hogepriester die zelf de titel van farao opeiste was Harsiese.

 

Farao,s van de 23e Dynastie (Thebe)

De 23e Dynastie van Egypte was in feite een rivaliserende dynastie van de Libische 22e Dynastie die over de Delta regeerde. Tijdens de regering van Sjosjenq III van de 22e Dynastie riep rivaal Pedubastis I zich eveneens uit tot koning van Egypte. De koningen van de 23e Dynastie werden geaccepteerd in Thebe, Hermopolis, Leontopolis, Heracleopolis en Tanis.
De rivaliserende vorsten van het noorden trachtten ieder grip te krijgen op het theocratische zuiden, waar de Godsvrouw van Amon de scepter zwaaide. De eerste van deze Godsvrouwen was Shepenwepet, een dochter van Osorkon IV van de 23e Dynastie. De Godsvrouwen, die er via hun hooggeplaatste positie voor zorgden dat het zuiden onder controle bleef van de 23e Dynastie, konden niet huwen, zij waren immers de Godsvrouw van Amon, en opvolging werd dan ook via adoptie geregeld.

 
 
Harsiese  ca 867 - 857 v Chr zoon van Sheshonq II. Osorkon II benoemde hem tot hogepriester van Amon te Thebe. Beschouwd als oneigenlijk omdat hij zichzelf uitriep tot farao van egypte tijdens de regering van de Libische dynastie 22 en hij werd gesteund door de invloedrijkste clans uit Thebe. Zijnde de facto heerser van Egypte, plaatste Harsiese zijn zoon op de troon van Thebe als hogepriester van Amon. Horsiese?s tombe is geplaatst in het tempelcomplex te Medinet Haboe. Op zijn begraafplaats zijn alleen canopisch, ushebti en schedel van Harsiese met een gat erin gevonden.

    

 
 

Takelot II  ca 841 - 815 v Chr was een farao van de 22e Dynastie (of van de 23e Dynastie. Hierover bestaat geen

zekerheid.)

Takelot was getrouwd met Karomama Merimut II. In het Louvre bevindt zich een mooi standbeeld van haar. Het was de dochter van zijn halfbroer Nimlot, die hogepriester van Amon in Thebe was. Deze Nimlot kwam in Jaar 11 van zijn regering te overlijden wat tot een opstand leidde. Takelot stuurde zijn zoon Osorkon, de kroonprins, naar Thebe om de opstand de kop in te drukken. Dat lukte, waarna deze zichzelf benoemde tot hogepriester van Amon. Echter, na vier jaar brak er opnieuw een opstand uit, wat leidde tot een burgeroorlog die 27 jaar zou duren. In het tiende jaar van deze oorlog overleed Takelot. Hij werd begraven in Tanis.

 
 
Petubastis I  ca 830 - 793 v Chr was een farao van het Oude Egypte. Petubastis was volgens de overlevering van Libische afkomst en regeerde over Egypte voor 25 jaar volgens Manetho. Hij werd eerst koning in Thebe vooraleer hij een poging ondernam farao te worden. Hij was de voornaamste concurrent van Takelot II en later Osorkon III, van de 23e dynastie van Libische koningen van Opper-Egypte te Thebe. Zijn troonsbestijging stortte Thebe in een slepende burgeroorlog dat drie decennia lang duurde tussen deze twee concurrerende partijen. Elke partij had een rivaliserende lijn van hogepriesters van Amun met die van Petubastis, Harsiese, die zijn functie betrad zo vroeg als jaar 6 van Sjosjenq III en dan Takelot E die zijn functie betrad vanaf jaar 23 van Petubastis I. Osorkon III was Petubastis I en Harsieses grootste rivaal. Dit conflict is overhoeks vermeld in de beroemde Kronieken van Prins Osorkon te Karnak.
 
Recente opgravingen door de universiteit van Columbia in 2005 onthullen dat de macht van Petubastis erkend werd in zowel Thebe als de westelijke woestijnoasen van Egypte bij de grote tempel van de Dakhla oase, waar zijn cartouche gevonden is. Hij werd opgevolgd door Sjosjenq VI.

       

De Tombe van Petubastis te El-Muzzawaka

 
 
 
Sjosjenq VI (Shoshenq VI, Sjesjonq VI, Shishak VI)  ca 793 - 799 v Chr was een Egyptische farao uit de 23e dynastie. Hij regeerde slechts een korte tijd; zeker niet meer dan zes jaar. Zijn naam is slechts geattesteerd in opper-Egypte en hij behoorde zeker niet tot de 22e dynastie zoals nog enkele jaren geleden werd gedacht. Daardoor werd hij pas recentlijke hernoemd tot Sjosjenq VI en zal hij in iets oudere boeken teruggevonden worden als Sjosjenq IV.
 
 
Ioepoet I  ca 815 - 813 v Chr.  In het 15de jaar van de regering van Padibastet I werd hij aangesteld als co-regent door zijn vader.
Een nilometer te Karnak bevestigt 2 jaar van zijn heerschappij (co-regentaat).
F.Goma?en K.Kitchen geloven dat hij onder Padibastet I een heerser uit Thebe was van geringe betekenis.
 
 
Osorkon III  ca 797 - 767 v Chr Zoon van Karoma III Merimut en een onbekende farao.
Het is mogelijk dat zijn vader misschien Sheshonq IV (K. Kitchen) was of volgens D. Aston, Takelot II.
Bovendien identificeert D. Aston koning Osorkon III met de hogepriester Osorkon, de zoon van Takelot II.
Volgens de opinie van K. Kitchen?s waren zij zelfs niet eens broers.
Osorkon, die regeerde te Leontopolis, benoemde loyale mensen aan bureaus van de belangrijkste priesters te Herakleopolis en aan de gouveneur van het zuiden.
Tevens wees hij in Thebe zijn zoon Takelot III aan als co-regent, als hogepriester van Amon en dochter Shapenewpet als goddelijke aanbidster van Amon.

 
 
Takelot III  ca 774 - 759 v Chr is een zoon van Osorkon III bij Tentsai. Hogepriester van Amon te Thebe tot ? 775 v.Chr., daarna co-regent van Osorkon III. Hij was tevens een onafhankelijk heerser te Leontopolis.
Hij gaf opdracht tot het bouwen van de tempel van Osiris, Heer der eeuwigheid te Karnak.
De zonen van Takelot III waren hogepriesters Djedptahiefankh en Osorkon, zijn erfgenaam voor de troon was echter Amonrud, zijn jongere broer.
 
 
 

Roedjamon  ca 759 - 739 v Chr De meningen van de historici lopen wijd uiteen betreffende de lengte van de regeerperiode van Roedjamoen wegens de interpretatie van het beroemde opschrift van Wadi Gasus welke 19 jaar heerschappij van hem beschrijft.
E? van Roedjamoens dochters, Irbastnubnefu, was getrouwd met prins Paieftchaumebast van Herakleopolis.
 
 
 
Ioepoet II (in Leontopolis)   ca 754 - 720 v Chr. Heerser van Leontopolis in de Delta.
Bondgenoot van Osorkon IV en Tefnacht tegen Kushite Piankhi.
Als het controversiele opschrift van Wadi Gasus, die 19 jaar van heerschappij vermeld, refereert aan Ioepoet (en niet aan Amonroed) dan is de duur van zijn regeerperiode zoals gesteld wordt door J. von Beckerath, F. Goma? als ook door K. Kitchen dichter bij de waarheid.
 
 
 
Sheshonq VI  ca 720 - 715 v Chr. Het bestaan van deze heerser, waarschijnlijk uit Leontopolis, is historisch twijfelachtig.
Het enige bewijs is een bronzen hanger met de naam SS (Shesh), nochtans kan deze naam een verkeerd gespelde naam zijn van Sheshonq III.

 

Farao,s van de 24e Dynastie

De 24e Dynastie van Egypte komt uit de stad Sa?. Dit vorstendom in de Nijldelta heeft in de late tijd van de Egyptische geschiedenis een belangrijke rol gespeeld.

Tijdens de Libische 22e Dynastie van Egypte bestonden in Egypte rivaliserende vorstendommen, waarvan de 24e Dynastie in Sa? er ?n was. In Sa? regeerde in de tijd van Osorkon V van de 22e Dynastie een koning genaamd Tefnacht (Stephinates), die zich 'Groot hoofd van de Liboe en prins van het westen' noemde. Hij had de westelijke Nijldelta in zijn macht en werd geaccepteerd door de vorsten van Hermopolis en Heracleopolis. Hij riep zich uit tot koning van Egypte en stichtte daarmee de 24e Dynastie, die echter nooit het gehele land in handen kreeg. Een deel van het noorden erkende nog de vorsten van de 23e Dynastie van Egypte die in het zuiden nog steeds de Godsvrouw van Amon noemden.

Later steunde het zuiden de vorsten van Napata in Koesj die de 25e Dynastie van Egypte zouden leveren. Tefnacht werd opgevolgd door Bakenrenef (Bocchoris). In zijn tijd veroverden de Koesjieten vrijwel het gehele land en kwam geheel Egypte onder het gezag van de 25e Dynastie van Egypte.

 
 
Payeftjawembastet  ca 754 - 720 v Chr. Heerste te Herakleopolis in oppositie tegen andere heersers van deze dynastie even als de Saite dynastie 24.
Hij was de maan van Amonroed?s dochter, Irbastnubnefu. Hij beschermde Herakleopolis tegen aaanvallen door Tefnakht van Sais, maar uiteindelijk erkende hij toch de overmacht van de Kushite Piankhi.
 
 
 
Nimlot III   ca 754 - 725 v Chr. Vermoedelijk een zoon van Osorkon III, die hem de troon toewees in Hermopolis.
Hij was de bondegenoot van Tefnacht tegen Herakleopolis prinsdom en Kushite heerser Piankhi.
Nadat Hermopolis was veroverd door Piankhi, gaf Nimlot zich over en werd een vazal van de Kushite.
Op de stele van Piankhiis is zijn naam geschreven met de titel ?koning? en gepresenteerd in de kroon kheperesh en uraeus, onderscheidingstekenen van koninklijke aard.

 

 
 
 
Djehutiemhat   ca.728 v Chr. Vermoedelijk volgde hij Nimlot op te Hermopolis, hij was in oppositie met andere heersers van deze dynastie en de Saite dynastie 24.
 
 
 
Tefnacht  ca 727 - 720 v Chr Prins van Sais in de jaren 740 - 727 v. Chr.
Gedurende een paar jaren lukte het hem om alle heersers in de Delta te verenigen, aldus een machtiger heerser wordend dan wie dan ook uit de dynastie? 22 en 23.
Hij voerde de coalitie van de Deltaprinsen (Osorkon IV, Ioepoet II en Sheshonq V) aan en viel Hermopolis aan resterend onder de heerschappij van Nimlot III, met wie hij uiteindelijk een bondgenootschp aanging.
Nadat hij gefaald had bij de verovering van Thebaida en Herakleopolis vluchte hij voor Piankhi en vond een schuilplaats in de moerassen van de Nijldelta.
Hij adopteerde de koninklijke titel in 727 v. Chr. nadat hij Kushites gedwongen had tot de terugtocht bovendien consolideerde hij zijn heerschaappij na Piankchi?s terugtocht naar Napata.
 
 
 
Bokchoris  ca 720 - 715 v Chr. Zoon van Tefnacht. Grieks (Diodorus) noemd hem een begaafde wettenmaker, hoewel er niet veel bekend is t.a.v. zijn economische en administratieve aktiviteiten.
Hij onderhandelde met de Assyriers tegen Kushites.
Volgens Manetho werd hij gevangen genomen door Shabaka en ter dood gebracht op de brandstapel.

 

Farao,s van de 25e Dynastie

De 25e Dynastie van Egypte wordt ook wel de Koesjitische Dynastie genoemd.

De eerste koning van deze dynastie, Kashta, werd rond 770 v.Chr. tot aan de invloedssfeer van Thebe als koning geaccepteerd. Zijn opvolger Piye (Pianchy) veroverde alle kleine vorsten tot aan de invloedssfeer van Memphis, waarbij hij eveneens Tefnachte van de 24e Dynastie uit Sa? onderwierp. Met koning Shabaka van de 25e Dynastie werd uiteindelijke geheel Egypte onderworpen aan de Koesjitische vorsten en begon de Late periode. Vanaf zijn regering werd Memphis opnieuw hoofdstad van Egypte. Hoewel Egypte officieel als een eenheid werd gezien, hadden de lokale 'vorsten' nog steeds enige autonomie, en zouden later samenwerken met de Assyri?s om de Koesjieten te verdrijven.

Tijdens de 25e Dynastie leefde de kunst weer op en werden vele monumenten gebouwd. In Thebe werd Shebitku's zus geadopteerd door de Godsvrouw van Amon Amenirdis I, die op haar beurt Amenirdis II adopteerde. De vierde priester van Amon in Thebe had veel invloed en regeerde in feite over het zuiden van Egypte.

Het verenigde Egypte van de Koesjitische farao's had een bijzonder machtige positie in het Nabije Oosten, de enige rivaliserende macht was Assyri? De Assyrische vorst Esarhaddon probeerde Egypte te veroveren in 674 v.Chr., maar slaagde daar niet in. In 671 v.Chr. viel hij opnieuw aan, deze keer werd Memphis ingenomen. Taharqa vluchtte naar het zuiden en Esarhaddon stierf intussen. Zijn zoon Assurbanipal ondernam een nieuwe campagne naar Egypte in 664, waar hij de vorst van Sa?, Necho I, overhaalde om zijn bondgenoot te worden. Na de vlucht van Taharqa riep Necho I zich uit tot koning van Egypte, waarmee hij de 26e Dynastie stichtte.

 
 
Alara  ca 770 ? 750 v Chr. Heerser van Napata, broer van Kasjta.
Stichter van de Kushite dynastie, vermeld op de stele van Taharka van Kawa als ?de Prins, zoon van Ra?.
Uit het huwelijk tussen Alara en Kasaki is Tabira geboren, de latere vrouw van Piye (Pianchi).
 
 
Kashta  ca 760 - 747 v.Chr was de stamvader van de koningen van Koesj die Egypte in de 8e eeuw voor Christus veroverden. Zijn naam betekent letterlijk "de Koesjiet".

Als Koesjitische koning probeerde hij zijn invloed in Opper-Egypte te versterken door zijn dochter, Amenirdis I, als "de vrouw van Amon" aan te stellen in Thebe. Door vondsten van zijn regering in Elephantine, kunnen we ervanuitgaan dat hij deze gebieden politiek beheerste.

 
De regeringsduur van Kashta is onbekend. Sommige bronnen geven Kashta aan als de stichter van de 25e (Koesjitische) dynastie, omdat hij de eerste heerser van Koesj was die zijn invloed in een deel van Egypte verspreidde.

Kashta werd opgevolgd door zijn zoon Piye

 

Pyramides en Tombes van El-Kurru

 

 

 

De Piramides van El-Kurru bevatten de tombes van Kashta, zijn zoon Piye en diens opvolgers Shabaka, Shebitku en Tantamani.

El-Kurru ligt op de rechter oever van de Nijl, ongeveer 13 km ten zuiden van de Gebel Barkal.
Tijdens opgravingen, geregisseerd door G.Reisner in 1918-19 ontdekte men op de begraaafplaats piramiden, welke zich boven de graven van koningen van dynastie 25 bevonden: Piye, Shabaka, Shabataka en Tanutamon.
De pyramide van Piye had een basislengte van ? 8 m en een hoek van waarschijnlijk 68?. Een trap met 19 tredenleide naar de grafkamer gehakt in de basis als een open geul en bedekt met een soort metselwerkdak.
Piye's lichaam was geplaatst op een bed welke in het midden van de kamer rustte op een stenen ondergrond met 4 uitgehakte hoeken t.b.v. de poten van het bed zodat het bed recht boven de stenen ondergrond lag.
De piramiden van Piye's opvolgers waren overeenkomstig.
Er waren ook 14 koninginne piramiden te El-Kurru, van 6 tot 7 m in het vierkant, vergeleken met de 8 tot 11 m van de konings piramiden.
In het noordoosten van de koninklijke begraafplaats vond G.Reisner de graven van 24 paarden en 2 honden.

 
 
Piye  ca 747 - 716 v.Chr was een Koesjitische koning die vanuit zijn hoofdstad Napata regeerde over Koesj in het huidige Soedan. Hij volgde Kashta op, die erin geslaagd was zijn invloed in Thebe te versterken.

In de periode van Piye's regering was Egypte onderverdeeld in drie rivaliserende vorstendommen: de 22e Dynastie van Egypte met farao Sjosjenq V en later Osorkon V, de 23e Dynastie van Egypte met farao Peftjaoe'awybast en de 24e Dynastie van Egypte met farao Tefnachte.

 
Van deze zwakte maakte Piye gebruik om Egypte met zijn legers binnen te vallen en Opper-Egypte grotendeels te veroveren.

Als reactie hierop ging Tefnachte van Sa? een coalitie aan met de vorsten van de Nijldelta, trok met zijn leger zuidwaarts en belegerde Heracleopolis Magna. De heerser van deze stad, Peftjaoe'awybast, smeekte Piye nu voor hulp. Als antwoord hierop marcheerde Piye noordwaarts en overwon Tefnachte bij Heracleopolis (730 v.Chr.) waarbij hij ook de steden Hermopolis en Memphis veroverde. Door deze overwinning sloten de koningen van de Nijldelta, waaronder Sjosjenq V en Peftjaoe'awybast zich bij Piye aan. Tefnachte verklaarde dat hij overwonnen was hoewel hij weigerde materi?e bijdragen te geven aan de nieuwe vorst, en hij vluchtte naar een eiland in de Delta waar hij werd opgevolgd door Bocchoris.

Tevreden van zijn overwinningen ging Piye terug naar Koesj om nooit meer naar Egypte terug te keren. Hierdoor konden zijn vazallen Peftjaoe'awybast, Osorkon V en vooral Tefnachte vrij doen wat ze wilden zonder controle van de Koeshitische heerser. Aan deze onstabiele situatie werd door zijn opvolger Shabaka een eind gemaakt door de verovering van Sa?.

Piye vergeleek zichzelf graag met de farao Thoetmosis III van het Nieuwe Rijk vanwege zijn militaire successen en nam diens troonnaam Menchperre aan samen met Usimare en Sneferre.

Er is een tablet teruggevonden dat verwijst naar het 27e regeringsjaar van Piye, waardoor zijn regeringstijd waarschijnlijk tussen de 27 en 35 jaar duurde, waarvan hij de eerste 20 jaar waarschijnlijk enkel over Koesj regeerde.

Na Piye's dood werd Shabaka farao over Egypte.

 
 
 
Shabaka, ook: Sjabaka  ca 715 - 702 v Chr was de derde farao van de 25e of Koesjitische dynastie.

Koning Shabaka was een zoon van koning Kashta en koningin Pebatjma. Zijn echtgenote was Qalhata, volgens Assyrische bronnen een zus van Taharqa. Shabaka en Pebatjma waren de ouders van de latere koning Tantamani en wellicht van Shebitku. Isetemkheb is volgens haar sarcofaagdeksel de dochter van Sjabaka. Een andere zoon Horemachet werd Hogepriester van Amon. Zijn zuster werd de goddelijke gemalin Amenirdis I.

Shabaka herenigde geheel Egypte en begon een uitgebreid beleid van herstel en nieuwbouw. Bij zijn dood liet hij gebouwen na in Athribis, Abydos, Dendera, Edfu, Esna, Memphis en vooral Thebe.

Hij stelde opnieuw een hogepriester van Amon aan (zijn zoon Horemachet), maar de functie had nu alleen maar geestelijke macht. De wereldlijke macht in het zuiden werd nu door de echtgenote op aarde van Amon, zijn zuster de Goddelijke Vereerster Aminirdis I, waargenomen.

 
Hiermee werd een nieuw evenwicht tussen geestelijke en wereldlijke macht gevestigd.

Shabaka werd opgevolgd door Shebitku en ligt begraven te El-kurru in huidig Soedan.

Volgens Manetho was er onder zijn regering een revolte onder Bakraenef (of Bokchoris) die een pact had gesloten met de Assyri?s. Koning Shabaka liet de prins of tegenfarao levend verbranden.

 
 
Shabataka  ca 702 - 690 v Chr,  Zoon van Shabaka en vaader van Tenutamen.
Zijn politiek aangaande Assyrie was veel aggressiever dat die van zijn voorganger. Hij leidde het leger welke uitrukte ter ondersteuning van Jerusalem.
In 701 v. Chr werd de antisyrische coalitie verslagen door Sanheryb te Eltekeh in Palestina. Hezekiah van Judah gaf zich over aan Assyrie en betaalde een stevige prijs ter voorkoming van het beschadigen van Jerusalem.
Het Oude Testament stelt dat een plaag in het Assyrische leger de redding zou zijn geweest voor de complete nederlaag van de Egyptenaren en Hebreewen.
Herodotus op zijn beurt vertelt dat de terugtocht van de Assyriers te wijten was aan een zwerm muizen die hun wapens opaten.
 
Bouwaktiviteiten van Shabataka zijn het meest duidelijk in Thebe (kapel aan Heilig Meer te Karnak en reli?s te Luxor) maar ook in Memphis en Kawa.
Begraafplaats, pyramide te El-Kurru. Sommige onderdelen van het begrafenis materiaal, een schedel en beenderen van Shabataka zijn hier gevonden.
 
 
 
Taharqa  ca 690 - 664 v Chr wordt beschouwd als een heerser die het land herenigde. Op dat moment was de prins en eigenlijke heerser van Thebe Montuemhat, de vierde profeet van Amon. Taharqa rebelleerde te Sydon in 677 v. Chr. wat de campagne van Ashaddon veroorzaakt met als resultaat dat Beneden Egypte in de handen valt van Assyrie terwijl Taharqa ontsnapt naarThebe. In 669 v. Chr. heroverde Taharqa de heerschappij over de Delta op de lokale prinsen.
De bouwaktiviteiten van Taharqa refereren aan een prachtige periode uit de Egyptische historie en zijn sporen kunnen worden gevonden in het gehele land.
Het meest bekend zijn de tempels te Sanam, Kawa, Atribis, Pnubs, Semna, Kasr Ibrim en talloze structuren te Karnak en het Thebaanse district.
 
Begraafplaats, vermoedelijk een piramide te Nuri, hoewel het niet kan worden uitgesloten dat hij op een andere plaats is begraven, in Sedeinga, in een piramide tombe zijn blokken met de naam Taharqa en een lijk van een 50 jarige man ontdekt.

       

 
 
Tanotamoen   ca 664 - 656 v Chr Vermoedelijk een zoon van Shabataka en Kalhat. Voor een korte periode deelde hij de macht met Taharqa en greep deze helemaal na zijn dood.
Zoals vermeldt wordt op de stele van de droom, leidde hij een zegevierende campagne in de Delta tegen Egyptische prinsen die zich hadden overgegeven aan Assyrische heerschappij.
Als gevolg van Assyrisch ingrijpen moest hij zijn toevlucht nemen in Thebe en later in Nubi? In 663 v. Chr. werd Thebes verovererd en compleet geplunderd door Assurbanipal wiens leger terugtrok uit Boven Egypte met achterlating van garnizoenen in de Delta.
Hoewel de heerschappij in Thebe eigenlijk werd gehouden door Montunemhat en Shapenewpet II, werd de formele heerschappij nog steeds toegeschreven aan Tanotamoen.
Begraafplaats, piramide te El-Kurru. (Zie Kasjta) 

Beeld met de naam van koning Tanotamoen er op

Beeld, misschien Amon voorstellend met de naam van de Nubische koning Tanotamoen er op de laatste koning van de Kushite dynastie. Gevonden in de tempel te Sanam. Nu in het Oxford Ashmoleam museum.

 

Farao,s van de 26e Dynastie

De 26e Dynastie van Egypte wordt ook wel de Proto-Saite Dynastie genoemd.

Na de dood van de Nubische gouverneur Ammeris rond 695 v. Chr. regeerde er in Sa? weer een vorst van plaatselijke afkomst die bekend staat onder de Griekse naam Stephinates of de Egyptische naam Tefnacht II.
In zijn tijd trachtten de Assyri?s in toenemende mate grip te krijgen op Egypte, om te beginnen in de Nijldelta.
Dit gaf de vorsten van Sa?, eerst Tefnacht II, later zijn opvolger Nekawab de gelegenheid zich tegen de Nubische overheersing te verzetten.
Rond 672 volgde Necho I in Sa? Nekawab op en in 669 vielen de Assyri?s onder Ashurbanipal Egypte binnen.
Zij drongen tot in het diepe zuiden door en dreven de Nubi?s terug naar hun land van oorsprong.
De meeste vorsten in de delta werden gedood maar niet Necho. Integendeel, de Assyri?s zetten zijn zoon Psammetichus op de troon van Athribis.
De Nubi?s trachtten echter onder Tanwetamani opnieuw het land onder de duim te krijgen.
Zij rukten op en namen Memphis in. Necho I sneuvelde in de strijd en de vorsten van de delta kondigden bij monde van Pekrur van Pi-Soped (een Libisch vorstendom) hun overgave aan.
Opnieuw vielen echter de Assyri?s het land binnen en verdreven de Nubi?s.
Nu dat Psammetichus ook zijn vader op de troon van Sa? opgevolgd was kon hij zich tot koning van geheel Egypte opwerpen. Psammetichus I regeerde 54 jaar en in die tijd wist hij de macht van alle plaatselijke vorstendommen te breken. Hij zette zijn dochter Nitocris op de troon van Thebe en de macht van de zuidelijk theocratie werd danig beperkt.
Zo kwam voorgoed een einde aan de invloed van zowel de Libi?s als de Nubi?s.
Egypte was voor het eerst sinds Ramses XI, vier eeuwen voor zijn tijd, weer verenigd onder een koning die men als een inheems vorst kan beschouwen, hoewel het koninklijk huis eigenlijk wel van Libische afkomst was.
Dit was het begin van de Sa?ische Renaissance, een tijd van bloei voor Egypte, waarin het land sterk teruggreep op het eigen roemruchte verleden.
De voornaamste bron over de geschiedenis van deze periode is de Griekse historicus Herodotus.
Er kwam na ruim een eeuw een eind aan de dynastie door de inval en verovering door Cambyzes II van Perzi?in 525 v. Chr. die de laatste koning Psammetichus III versloeg bij Pelusium. De farao vluchtte naar Memphis, werd opnieuw verslagen en uiteindelijk in de ketens naar Susa weggevoerd. Zijn zoon Inaros slaagde er nog enige tijd in opstand te komen (454 v. Chr.). Amyrtaeus van de achtentwintigste dynastie stamde van hetzelfde vorstenhuis af

 
 
  Ammeris   ca 715 - 695 v Chr was een nubische gouverneur. Manetho schrijft deze heerser 12 jaar van regeren toe en vermeldt dat zijn opvolger Stephinates is.
Er wordt aangenomen dat Ammeris, Manetho?s Ammeris de Nubi?, een Kushite regent was gevormd door Shabaka na Bokchoris zijn ontslag.
 
 
  Stephinates   ca 695 - 688 v Chr Volgens Manetho volgde hij Ammeris de Nubi? op.
De oorsprong van de Griekse naam Stephinates zou de Egyptische naam Tefnacht kunnen zijn.
Vermoedelijk was hij een lokale vazal tijdens dynastie 25 en volgens W. Helck zou hij de zoon van Bokchoris zijn geweest.
 
 
 
Necho I (Nekau I)  ca 672 - 664 v Chr zoon van een prins uit Sais, Bokchoris. Hij trouwde met Istemabet.
Hij was een van de prinsen uit de Delta die loyaal was aan Assirie. Hij gaf zelfs zijn eigen zoon een Assirische naam, Psammetichus.

Na de Assyrische inval en de verdrijving van Taharqa hadden de Assyri?s Necho I als enige wettige farao van Egypte aangeduid waardoor de Koesjitische farao's uitgesloten werden van de troon. Als reactie hierop trok Tantamani ten strijde tegen Necho en veroverde hij heel Egypte, waarbij Necho de dood vond.

De Assyrische koning Assurbanipal leidde zijn leger toen naar Egypte om een einde te maken aan de machtsuitbreiding van Tantamani en veroverde Egypte tot Thebe, waar hij Psammetichus I aanstelde als farao.

 

 
 
 

Psammetichus I  ca 664 - 610 v Chr zoon van Nekau I de prins van Sais.
Hij heerste in Athribis onder de Assysische naam Nebushezibanni.
Na de terugtrekking van de Asyriers nam hij de heerschappij over en met de steun van Ionian en Karyan ook over de prinsen van de Delta.
Hij reikte met hun zover als palestina en belegerde Ashdod. Het lukte hem om centraal Egypte te annexeren dat beheerd werd door de regenten van Heracleopolis,  Padiiset en Sematauiefankh. In 656 nam hij ook de heerschappij in Thebe over en dankzij diplomatieke inspanningen verkreeg hij voor zijn dochter de titel "Goddelijke aanbidster van Amon" wat hem de heerschappij gaf over Boven Egypte.
Bouwaktiviteiten van deze heerser zijn bekend van uitbreiding van het Serapeum in het jaar 52 van zijn regeerperiode en talrijke monumenten voornamelijk in de Delta.
Hij stierf na een lange regeerperiode en was begraven in Sais.

                       

 
 
Necho II (Nekau II)  ca 610 - 594 v Chr was Farao over het antieke Egypte, in de 26e Dynastie van de Egyptische oudheid. Zijn bekende naam is vergriekst (Necho II) en is oorspronkelijk bekend onder Nekau.

Zoon van Psammetichus I en koningin Mehitenusekhet.
Kort na zijn kroning zette hij de politiek van zijn vader Psammetichus I voort en hij voerde in de lente van 609 persoonlijk een leger aan om de Assyri?s te steunen tegen de Babyloni?s
Als gevolg van een Syrische expeditie in 609 v. Chr. geleid door Necho II persoonlijk werd de koning van Judea, Josiash verslagen onder Meggido.
Necho zette zijn zoon Joakhaz op zijn troon, later gevolgd door Joiakim, aldus de Egyptische suprematie herstellend over Palestina.
Na een nederlaag tegen het leger van Babelonie te Karkemish in 605 v. Chr. trok het leger van Necho II zich terug naar Egypte en slechts door de plotselinge dood van Nabopolassar, de vader van Nabukhodonosor, was het dat Egypte een aanval bespaard bleef.
In 601 v. Chr. weerde Necho een aanval der Babyloniers af en volgens Herodotus, werd Gaza gevangen genomen tijdens de achtervolging van de vijand.
Hij cre?rde een Egyptische vloot, gebouwd in zijn opdracht door Corinthische vaklieden.

 
In de daaropvolgende periode begon hij met het graven van een kanaal van de Nijl (ten noorden van Bubastis)  naar de Golf van Suez, de voorloper van het Suezkanaal. Dit moest de handel tussen de gebieden aan de Middellandse Zee en rond de Indische Oceaan verbeteren en de Egyptische marine toelaten vlot op beide zee? te opereren. Volgens Herodotus liet Necho de werken stopzetten nadat 120.000 werkers waren omgekomen. De Perzische koning Darius I zou een eeuw later het kanaal laten voltooien.

Necho II stierf in mei 594 v. Chr. de troon overlatend aan zijn zoon, Psammetichus II.

 
 
Psammetichus II ca 595 - 589 v Chr was een koning van de 26ste dynastie van Egypte.

Psammetichus II was hoogstwaarschijnlijk de zoon van Necho II en Chedebnitjerbone. Hij kwam aan de macht in 595 v.Chr. en regeerde voor een periode van ongeveer zes jaar. Psammetichus' regering wordt als vrij positief beschouwd. Hij huwde met Takhout van Athribis en hij werd opgevolgd door zijn zoon Apri? in 589 v.Chr.
 

Psammetichus heeft verschillende expedities ondernomen. Een daarvan was tegen Koesj. Deze invasie reikte tot aan de derde katarakt en mogelijk zelfs tot de vierde katarakt van de Nijl en zorgde ervoor dat het rijk van Koesj een ernstige klap kreeg. De Koesjieten zouden Egypte nooit meer binnenvallen en moesten hun hoofdstad meer naar het zuiden leggen. Toch kon hij niet het hele gebied blijven controlen en verlegde de nieuwe Egyptische grens naar de eerste katarakt. In de nasleep zou Psammetichus er in Egypte voor zorgen dat de herinnering aan de Nubische overheersing ongedaan werd gemaakt en hij voerde een damnatio memoriae uit op de 25e Dynastie en zijn vader Necho II.

 
Bij zijn expedities rekende hij vooral op de buitenlandse huurlingen zoals de Cari?s, Grieken en Fenici?s, getuige daarvan verschillende graffiti in Aboe Simbel.

Ook voerde hij een campagne naar Palestina, Juda en Fenici?om de bevolking daar aan te zetten om zich te verzetten tegen de Babyloni?s. Hij slaagde erin koning Sedekia te overtuigen te rebelleren tegen koning Nebukadnezar II wat uiteindelijk zou leiden tot de val van Jeruzalem in 587 v.Chr. en de Babylonische ballingschap.

 
 
Apries  ca 589 - 570 v Chr zoon van Psamtik II. Energiek en moedig heerser.
Hij vocht met Phoenites, nam Sydon gevangen en belegerde 13 jaar lang Thyr.
Hij steunde de Joodse opstand tegen Babylon welke eindigde met een conflict met Nabuchodonozor.
In 586 v. Chr. werd Jerusalem veroverd door de Babyloniers. Door een rebellie in zijn leger in 569 v. Chr. verloor hij zijn functie en werd gevangen genomen door Amasis en vervolgens overhandigd aan het gewone volk waardoor hij werd gewurgd.
Een andere versie vertelt ons dat Apries op 22 maart 569 v. Chr. omkwam op het slagveld gedurende de strijd met Nabuchodonozor, waar hij vermoedelijk de Babyloniers steunde.
Volgens Herodotus is Apries begraven door Amasis in de tempeltombe te Sais.

Sphinx van Apries

Paleis van Apries

 
 
Amasis of Ahmose II  ca 570 - 526 v Chr Vermoedelijk verwant aan Apries, vader van Psammetichus III, man van Tanetkheta. Als minister van Apries eigende hij zich de heerschappij toe.
Hij weerstond een Babelonische aanval en bezette een deel van Cyprus.
Hij allieerde zichzelf met Kresus, de koning van Lydia en met Policrates van Samos.
Een document levert bewijs dat in het jaar 41 van zijn regering er een expeditie naar Nubi?plaats vond.
Hij breidde de tempel van Neith te Sais uit, bouwde een heiligdom voor Isis (Herodotus) in Memphis, bouwde tempels te Abydos en Mendes, een nilometer in de tempel van Sep en vele andere structuren in de oase van Bahariya en te Heliopolis.
 
Amasis had goede banden met de Griekse wereld en bracht Egypte dichter bij Griekenland dan ooit. Herodotus vermeldt dat Amasis Egypte zijn hoogste piek in welvaart bracht. Hij eerde de tempels van beneden-Egypte met schrijnen en andere monumenten. Aan de Grieken wees Amasis grond toe waar Naukratis gebouwd kon worden. Het ging zelfs zover dat toen de tempel van Delphi afgebrand was, Amasis 1000 talenten bijdroeg aan de financiering van de heropbouw. Hij trouwde ook een Griekse prinses, Ladice, dochter van koning Battos III van Cyrene en maakte allianties met Polycrates van Samos en Croesus van Lydi?

Zijn koninkrijk reikte over heel Egypte, tot de eerste katarakt, maar ook over Cyprus en zijn invloed was groot in Cyrene. Bij het begin van zijn lange regering had hij een conflict met Nebukadnezar II dat hij overleefde. Ook Cyprus probeerde zonder succes Egypte aan te vallen. Maar de laatste jaren van Amasis werden verstoord door een invasie van Cambyses II en de opheffing van de alliantie met Polycrates van Samos. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Psammetichus III, die de invasie geen halt kon toe roepen. Amasis overleed in 526 v.Chr. Hij werd begraven in de koninklijke necropolis in Sais

Amasis wordt beschouwd als ?n van de zes grootste Egyptische wetgevers en ge?rd door de Grieken met de titel, "E? van de zeven Sagen".

                

Sphinx van Amasis

 
 
Psammetichus III  ca 526 tot 525 v.Chr.was de laatste farao van de 26e Dynastie van de Egyptische oudheid. 

Psammetichus III was de zoon van farao Amasis en een van zijn vrouwen, koningin Takheta. Zijn naam is een link naar zijn stiefmoeder en de elementen van de dynastie die zijn vader had onttroond. Hij volgde zijn vader op als farao in het jaar 526 v.Chr., toen Amasis overleed op 44-jarige leeftijd. Volgens Herodotus had Psammetichus III een zoon, Amasis, en een vrouw en een dochter die beide ongenoemd bleven in zijn documenten. Hij was de zoon van farao Amasis en een van zijn vrouwen, koningin Takheta. Zijn naam is een link naar zijn stiefmoeder en de elementen van de dynastie die zijn vader had onttroond. Hij volgde zijn vader op als farao in het jaar 526 v.Chr., toen Amasis overleed op 44-jarige leeftijd. Volgens Herodotus had Psammetichus III een zoon, Amasis, en een vrouw en een dochter die beide ongenoemd bleven in zijn documenten.

 
Psammetichus III regeerde niet meer dan zes maanden. Hij volgde Ahmozes II op en werd vrijwel onmiddellijk geconfronteerd met een Perzische invasie. De Egyptische marine weigerde ten strijde te trekken. De jonge en ongeoefende koning deed alles wat hij kon om zijn land vrij te houden van Perzen, maar dat lukte niet. Nadat de Perzen de Sina?en de woestijn hadden overgestoken met behulp van de Arabieren volgde een bloederige strijd in 525 v.Chr. Psammetichus III werd uiteindelijk verslagen bij de slag bij Pelusium door de Perzische koning Cambyses II nadat hij was verraden door een van zijn bondgenoten: Phanes van Halicarnassus. Psammetichus vluchtte vervolgens naar Memphis. De Perzen omsingelden de stad en namen Psammetichus gevangen na de val van Memphis. Cambyses executeerde tweeduizend bewoners van de stad ? de zoon van Psammetichus III. Zijn dochter werd slavin. Psammetichus III zelf werd gespaard. Hij werd in gevangenschap aan kettingen meegenomen naar Susa. Na een tijdje begon Psammetichus te rebelleren tegen Cambyses. Toen Cambyses hierachter kwam moest Psammetichus als straf het bloed van een stier drinken. Aan het gevolg hiervan overleed Psammetichus III in het jaar 525 v.Chr.

             

 

Farao,s van de 27e Dynastie

De 27e Dynastie van Egypte is de eerste Perzische dynastie van Egypte.  In 526-525 v.Chr. veroverde de Perzische Achaemenidische vorst Cambyses II Egypte en ook deels Nubi? Dit deed hij met Fenicische en Cypriotische vloten. Met behulp van verraad en een paar Griekse huurlingen kreeg hij het Egyptische leger plat bij Pelusium. Hiermee werd Egypte onderdeel van een groot kosmopolitisch rijk dat enige tijd zou strekken tot aan de Indus. Hij werd eerst als een tiran gezien, maar later gingen hij en zijn opvolgers streven voor gelijkheid van alle volkeren.

Cambyses was samen met Darius I ook de grondlegger van het eerste Suez-kanaal. Keizer Darius I, opvolger van Cambyses, renoveerde Necho II?s kanaal, waaruit het belang blijkt van Egypte als schakel in de handelsverbindingen binnen het Achaemenidische rijk. Ook bouwde Darius enkele tempels in Egypte, waaronder de tempel van Hibis in de Kharga-oase.

Na 404 v.Chr. wisten de Egyptenaren met Griekse hulp, hun onafhankelijkheid te heroveren op de Perzen. De Achaemenidische Artaxerxes III wist echter in 343 v.Chr., met Griekse huurlingen, Egypte weer te heroveren.

Stamboom van de Achaemeniden

 Achaemenes .. ? 675
  |
  |
  +----- Teispes 675 ? 640
           |
           |
Ariyamnes -+ 
 |         |
 |         |
 |         +-- Cyrus I 640 ? 600
 |             |
 |             + Arukku
 |             |
 |             + Cambyses I 600 ? 559
 |                |
 |                + Cyrus II de Grote koning van 559 ? 530
 |                  |
 |                  +-- Cambyses II 530 ? 522               27ste Dynastie (eerste Perzische Periode)  
 |                  | 
 |                  +-- Smerdis (Bardiya) 522
 +-- Arsanes
      |
      |
      +-- Hystaspes
          |
          |
          +-- Darius I 522 ? 486
              |
              |
              +-- Xerxes I 486 ? 465
                  |
                  |
                  +-- Artaxerxes I 465 ? 424
                      |
                      |
                      +-- Xerxes II 424 ? 423
                      |
                      +-- Darius II 423 ? 404
                          |
                          |
                          +-- Cyrus de Jongere 
                          |
                          |
                          +-- Artaxerxes II 404 ? 358
                          |   |
                          |   |
                          |   +-- Artaxerxes III 358 ? 338               31ste Dynastie (tweede Perzische Periode)                
                          |       |
                          |       |
                          |       +--Arses 338 ? 336
                          |
                          +-- Ostanes
                              |
                              |
                              +-- Arsanes
                                  |
                                  |
                                  +-- Darius III 336 -331

 

 
 
Cambyses II  ca 529 - 522 v Chr uit het huis der Achaemeniden, was koning van het Perzische Rijk. Hij was ?n van de twee zonen van Cyrus II, de grondlegger van het Oud-Perzische Rijk. De andere zoon was Bardiya, die in de Griekse bronnen ook Smerdis genoemd wordt.

Het is bij Griekse geschiedschrijvers een traditie om de regering van alle Perzische koningen na Cyrus de Grote in termen van decadentie te omschrijven, hetgeen in hun ogen onvermijdelijk moest leiden tot de verovering door Alexander de Grote. Zo is ook Cambyses II de geschiedenis ingegaan als in ieder opzicht de antipode van zijn vader. In werkelijkheid is zijn regering enkel bekend door het relaas van Herodotus, die vooral zijn Egyptische veldtocht beschrijft. Slechts archeologische bronnen kunnen dit beeld enigszins nuanceren.

 
Reeds gedurende de regering van zijn vader werd Cambyses belast met het beheer over sommige gebiedsdelen, en gedurende diens veldtochten in het oosten trad hij waarschijnlijk op als regent van het koninkrijk. Het lag dan ook in de lijn van de verwachtingen dat hij Cyrus na diens dood opvolgde. Toch werd het gezag van de jonge koning niet algemeen aanvaard en in de eerste jaren van zijn regering had hij te kampen met talrijke opstanden. Blijkbaar was zijn jongere broer Bardiya erg geliefd bij het volk, terwijl Cambyses zelf zich geen illusies hoefde te maken over zijn populariteit.

Pas in 525 voelde hij zich stevig genoeg in het zadel zitten om aan een veldtocht in Egypte te beginnen. Deze campagne lag in het verlengde van Cyrus' politieke ambities: Egypte was de enige georganiseerde natie in het Nabije Oosten die nog niet door Perzi? onderworpen was. Zijn broer Bardiya vormde echter een ernstige bedreiging tijdens een langdurige afwezigheid. Hij werd dus discreet uit de weg geruimd, waarna de koning de handen vrij had voor de veldtocht.

De toenmalige farao Amasis had intussen een verbond gesloten met de Griekse eilanden en vooral met de eilandstaat Samos, waar de tiran Polycrates heerste. De Grieken moesten hem met hun schepen een tegengewicht bezorgen tegen de Fenici?s, die onder Perzische heerschappij stonden. Cambyses koos echter een moeilijke landweg door de Sina?oestijn: daartoe nam hij Bedoe?nen in dienst, die zijn leger dagelijks van water moesten voorzien. In Egypte was Amasis intussen opgevolgd door zijn zoon Psammetichus III, die zich reeds bij het eerste treffen gewonnen gaf. De opperbevelhebber van de Egyptische vloot, Udjahorresnet, zou zelfs overgelopen zijn naar het Perzische kamp. Trouw aan de methoden van zijn vader liet Cambyses zich uitroepen tot koning van het veroverde gebied. Volgens Herodotus zou hij zich toen schuldig gemaakt hebben aan heiligschennend gedrag tegenover de Egyptische godsdienst: hij zou tempels hebben ontheiligd en geplunderd; en hij zou de priesterklasse vervolgd hebben. Zeker is dat hij het inkomen van de heiligdommen aan banden heeft gelegd en op die manier voltooide hij een oude machtsstrijd tussen de farao's en de priesterklasse.

De hoofdstad Memphis leek hem een geschikte uitvalsbasis voor de verovering van Carthago en het westelijke Middellandse Zeegebied. De Fenicische vloot weigerde echter alle medewerking aan een aanval tegen hun volksgenoten in hun oude kolonie en daarom moest Cambyses opnieuw voor een landweg kiezen.

       

Hij zond een leger (50.000 man?) uit, dat voor eeuwig zou verdwijnen in de zandvlakten van de Lybische woestijn. Ook een poging om Koesj, een gemakkelijke prooi, te veroveren zou grotendeels mislukken wegens onvoldoende voorbereiding. Reeds tijdens zijn jeugdjaren had Cambyses vaak last van epileptische aanvallen, maar de mislukking van zijn twee laatste veldtochten schijnt zijn geest zo volledig ontredderd te hebben, dat bijgelovige zielen dit weten aan een vervloeking door de Egyptische priesters. Nadat hij met de resten van zijn leger naar Memphis teruggekeerd was, begon hij daar een parano?e schrikbewind te voeren. Hij liet politieke tegenstanders, familieleden, vrienden en medewerkers (waaronder Croesus en de voormalige koning Psammetichus III) ombrengen. Als toppunt van heiligschennis vermeldt Herodotus dat hij in een vlaag van waanzin de heilige Apis-stier eigenhandig zou gedood hebben. Aannemelijker is dat de stier toevallig stierf tijdens de periode van verovering en dat Cambyses het dode dier op de aangewezen manier liet mummificeren en begraven lijkt door de recente archeologie bevestigd te worden. Hij zou zelfs de schade, die zijn troepen eerder aan tempels hadden aangericht, vergoed hebben

. De Tombe

Zijn lange afwezigheid uit Perzi?zou de koning fataal worden. Een paleisrevolutie dwong hem in 522 naar het oosten terug te keren, nadat een Medische magi?, genaamd Gaumata, zich had uitgegeven voor Bardiya / Smerdis, de populaire broer die Cambyses in het geheim had laten vermoorden. Deze bedrieger had de Perzische bevolking gouden bergen beloofd en werd dan ook prompt tot koning uitgeroepen. Op weg om met de bedrieger af te rekenen bracht Cambyses zichzelf per ongeluk een onschuldige verwonding toe, volgens Herodotus precies op dezelfde plaats waar hij eerder de Apis-stier had gedood. Maar de wonde raakte ge?fecteerd met koudvuur, waaraan de koning overleed. Daarop werd de "pseudo-Bardiya" voor korte tijd koning van Perzi? Deze versie wordt bevestigd door de Behistuninscriptie die vermeldt "dat Cambyses stierf door zichzelf te verwonden."

 
 
 
Darius I  - Darius de Grote  ca 521 - 486 v.Chr was de zoon van Hystaspes en beweert familie te zijn geweest van Cyrus II, de stichter van het Perzische Rijk. Er bestaat twijfel over Darius' relatie tot laatstgenoemde; zelf behoort hij echter zeker tot het huis der Achaemeniden.

Wanneer Cambyses II in maart van het jaar 522 v.Chr. onder voor ons onduidelijke omstandigheden om het leven komt, kan Gaumata, onder de naam Smerdis, de troon opeisen, bewerend de zoon van Cyrus II te zijn, die ook Smerdis heette. Darius beweert ?met de hulp van Ahuramazda? Smerdis als usurpator te hebben verslagen. Het is onduidelijk hoe legitiem Gaumata's heerschappij was; hoe dat ook zij, Darius regeert vanaf september 521 v.Chr.

 
Darius werd bij zijn (contra)coup geholpen door zes Perzische edelen. Volgens een inscriptie van Darius uit Susa (DSz) waren zijn vader, Hystaspes en zelfs zijn grootvader Arsames op het moment van zijn staatsgreep nog in leven. Hoewel zij ouder waren en volgens sommige oosterse rechtssystemen m?r aanspraak hadden op de troon, kregen zij die niet. Wel moet opgemerkt worden dat Darius, na de dood van Smerdis, met diens weduwe Atossa huwde, wellicht om zijn greep op de troon te versterken. (Atossa werd de moeder van Xerxes I, de opvolger van Darius.)

De dubbele staatsgreep deed een ware schokgolf door het rijk gaan: een aantal oostelijke rijksdelen begon een opstand tegen de Perzische overheersing. Deze revolte trof onder meer Susiana, Babyloni? Medi? Sagarti?en Margiana. Zelfs in Perzi?zelf, de thuisbasis van Darius, was er een opstandeling - Vahyazdata - die het voorbeeld van Smerdis overnam en zich voor het volk voordeed als de echte troonopvolger. Darius voerde weliswaar het bevel over het koninklijke leger van Cambyses, dat bestond uit Perzen en Meden, maar alleen door de kwaliteiten van ook andere veldheren kon hij alle opstanden neerslaan. Pas in april van 520 v.Chr. kon het centrale gezag hersteld worden.

Paleis van Darius I in Persepolis

Tijdens zijn regering zou blijken dat Darius een goede bestuurder en organisator was. De tijd dat het Achaemenidische rijk veroverde en uitbreidde was voorbij: de oorlogen die Darius ondernam waren enkel bedoeld om zijn rijk natuurlijke grenzen te geven, net zoals we dat zien bij de Romeinse keizer Augustus. Deze grenzen konden dan gemakkelijk verdedigd worden tegen de invallen van rondtrekkende volkeren. Zo voerde hij oorlog tegen de naties van het Zwarte Zee-gebied en Armeni?om de grens van het rijk op de Kaukasus te laten lopen.

Op bestuursvlak bleek hij een waardige opvolger te zijn van Cyrus II: de organisatie van zijn rijk en het vastleggen van de tributen die verwonnen volkeren elk jaar tot bij hem moesten brengen worden beschreven door Herodotus, (Histori?, 3.90). Darius verdeelde het Perzische Rijk in ruwweg twintig provincies of satrapie?, met elk een gouverneur of Satraap aan het hoofd. Deze functie was erfelijk en was grotendeels autonoom, zodat elke regio zijn eigen wetten, tradities en uitvoerende macht kon hebben, zonder dat de Perzen zich daarbij te veel moeiden. Toch moest elke satrapie elk jaar een tribuut in de vorm van goud, zilver of luxeproducten brengen.

Er is wel aangenomen dat Darius, die in zijn inscripties vaak de hulp van de oppergod Ahuramazda aanroept, monothe?t zou zijn geweest, of althans de vele goden van de oude wereld zou hebben kunnen beschouwen als manifestaties van ?n opperwezen. Hij zou zelfs een aanhanger van de profeet Zarathustra zijn geweest, maar hierover is toch wel enige twijfel mogelijk.

Hij trachtte tegelijkertijd de gunst van zijn onderdanen te winnen en gaf ze de religieuze vrijheid: hij stond de Joden toe om de Tempel van Jeruzalem te bouwen (hij gaf daar zelfs geld voor). In Egypte verscheen zijn naam op de tempels die hij bouwde in Memphis, Edfu en de Grote Oase (Fajoem). Hij verplaatste de hogepriester van Sais, Tzahor, naar Susa en gaf hem de absolute macht om het ?huis van het leven? (de grote medische school in Sais) te reorganiseren.

In de Egyptische tradities wordt hij als een van de grootste weldoeners en wetgevers beschouwd, die het land ooit gehad heeft. Hij gedroeg zich op diezelfde manier ten opzichte van de Griek en de Griekse heiligdommen. Hij verleende bijvoorbeeld de vrijheid aan belastingen aan het Heiligdom van Apollon; hierdoor kozen alle Griekse orakels in Anatoli?(Klein-Azi? en Europa de kant van Darius tijdens de Perzische Oorlogen. Zij probeerden de Grieken ervan te overtuigen om geen verzet te bieden, tevergeefs (zie verder).
 
Darius staat ook bekend om de introductie van een muntstelsel gebaseerd op de Dareik ("goudstuk"). In theorie zou dit overal in het rijk geldig moeten zijn, maar archeologische munten bevestigen dat het vooral in de westelijke satrapie? circuleerde.

Darius wilde vermoedelijk de handel in zijn rijk stimuleren.

Daarvoor stuurde hij bijvoorbeeld ook de Carische bevelhebber Scylax op een expeditie naar Kabul en langs de Indus.

Deze expeditie verkende de Indische Oceaan van de monding van de Indus tot Suez, in Egypte. Daar liet Darius een kanaal graven van de Nijl tot de Rode Zee, zodat Perzische handelaars van de Persis tot in de Middellandse Zee konden varen. Dit kanaal liet dan ook toe dat hij relaties met Carthago kon onderhouden en dat hij de kusten van Sicili?en Itali?kon verkennen.

Rond 514 v.Chr. ondernam Darius een veldtocht tegen de Scythen, een nomadenvolk dat ten noorden van het Perzische Rijk woonde. Een groot leger stak de Bosporus over, onderwierp het oosten van Thraci?en stak de Donau over. De reden van deze veldtocht was waarschijnlijk het aanvallen van de nomadenvolkeren, om zo een vrede te forceren op de noordelijke grens van het rijk. Dit was gebaseerd op een fout geografische denkbeeld. De Perzen dachten dat hun rijk als het ware rond de Zwarte Zee en de Kaspische Zee was gekruld en dat ze zo, door de Zwarte Zee te blijven volgen, vrij snel terug op Perzisch grondgebied zouden zijn. Een veldtocht die was ondernomen op deze grond, kon slechts falen: na enkele weken door vlaktes van het huidige Oekra?e te hebben rondgetrokken, keerde de expeditie terug (volgens Herodotus bereikte Darius de Volga!).

Hoewel het Europese deel van Griekenland zich zeer betrokken voelde met de kusten van Anatoli?en bevolkingsgroepen van nog vrije staten van Griekenland voortdurend Darius? hulp in riepen, bemoeide Darius zich weinig met de Grieken. De Griekse steden in Ioni?en vooral Milete, zagen hun handel echter ineenkrimpen en ontketenden een opstand. Hoewel deze opstand aanvankelijk succes had, werd zij later door Darius de kop ingedrukt. Omdat Athene en Eretria de opstand hadden gesteund, voelde Darius zich gedwongen een strafexpeditie te zenden. Deze zou de Europese geschiedenis ingaan als de Eerste Perzische Oorlog. Een eerste poging in 492 v.Chr. faalde toen de vloot in een storm bij het voorgebergte Athos verging, terwijl het leger dat door Datis en Artaphernes in 490 v.Chr. werd uitgestuurd om in Athene de pro-Perzische tiran Hippias aan de macht te brengen, bij Marathon werd verslagen.

De Tombe

Nog voor Darius een derde expeditie kon sturen, brak er (in 486 v.Chr.) een opstand in Egypte uit. De grote koning stierf het volgende jaar, in oktober 485 v.Chr., na zesendertig jaar lang koning geweest te zijn. Hij liet de strafexpeditie na aan Xerxes, zijn zoon en opvolger.

 
 
 
Xerxes I  ca 485 - 465 v.Chr was de zoon van Darius I en Atossa uit het huis van de Achaemeniden. Voordat Xerxes in de tweede helft van november 485 v. Chr. op de troon kwam, was hij jarenlang onderkoning geweest in Babylon en zijn ervaring daar maakte hem tot een kundig bestuurder. In de, merendeels op Griekse bronnen gebaseerde, geschiedschrijving wordt hij vaak als zwakkeling voorgesteld, die door de eunuchen van het hof werd gedomineerd, hoewel een auteur als Herodotus van Halicarnassus Xerxes ook een zekere koninklijke grandeur niet ontzegt.

Zoals in het oude Nabije Oosten gebruikelijk ging de troonsbestijging vergezeld met opstanden. In de eerste plaats was daar Bactri? vanwaaruit zijn broer Ariamenes een revolte lijkt te hebben georganiseerd. Deze werd op een onbekend moment aan het begin van Xerxes' regering onderdrukt. Zijn broer mocht het leven behouden nadat hij Xerxes in het openbaar erkend had.

 
Een opstand in Egypte leidde mogelijk tot moeilijkheden in Jeruzalem. Xerxes maakte echter persoonlijk een eind aan de Egyptische opstand in 481 v. Chr.

Meer zekerheid is er over de opstand in Babyloni? die gedateerd kan worden in 482 v.Chr.. In de zomer eiste Bel-shimani de troon van Babylon op, en een maand later voegde Shamash-eriba zich bij hem. Volgens Herodotus werd de satraap Zopyrus bij deze opstand gedood; deze man wordt echter niet genoemd in het rijke spijkerschriftmateriaal. Uiteindelijk werd de opstand in bloed gesmoord. Dat het merendeel der archieven abrupt ten einde komt, bewijst de hardhandigheid van het optreden.

Paleis van Xerxes in Persepolis

Hoewel Xerxes Ioni? de door Griekse kolonisten bewoonde kust van Klein-Azi? al onder zijn gezag had, was zijn vader er in de Eerste Perzische Oorlog niet in geslaagd om Griekenland zelf te onderwerpen. Xerxes trok in 480 v.Chr. met een leger door Klein-Azi?naar de streek rond Troje, waar hij de Hellespont overbrugde en overstak. Dit markeerde het begin van de Tweede Perzische Oorlog.

De Grieken besloten dat het Perzische leger alleen op de landengte van Korinthe tegen te houden zou zijn en trokken daar inderhaast hun legers samen. Zo trok Xerxes door Thessali?naar het zuiden en kreeg overal aarde en water aangeboden (een teken van onderwerping), behalve van het kleine Plataeae en Thespiae. De oorlog leek zo goed als gewonnen.

Bij de bergpas van Thermopylae, nog ten noorden van Athene, kwam echter de eerste onaangename verrassing. Ongeveer 4.000 Grieken onder Leonidas hielden langer stand dan voorzien, al werden ze uiteindelijk na verraad onder de voet gelopen. Hetzelfde gold voor Artemisium, waar de Griekse vloot onverwacht lang stand hield. (Hoewel Herodotus duidelijk laat merken dat de Grieken het zwaar te verduren kregen, werd de driedaagse zeeslag later beschouwd als Griekse overwinning.)

Eind september werd Athene ingenomen en geplunderd, maar op de 29e werd de Perzische vloot verslagen ten westen van Athene in de zeeslag bij Salamis. Omdat het enorme Perzische leger nu niet meer voldoende kon worden bevoorraad - daarvoor was een transportvloot noodzakelijk - trok Xerxes zijn troepen terug. Met de buit uit Athene kon Xerxes zijn gezicht redden en als triomfator terugkeren.

Xerxes keerde dus terug naar Sardis in Klein-Azi? Een onbeantwoorde vraag is waarom hij zijn vloot, die nog altijd zeer talrijk was en kon worden opgekalefaterd, ontbond en veel troepen terugtrok. De slagen bij Thermopylae, Artemisium en Salamis, hoezeer die ook tot de verbeelding van het nageslacht hebben gesproken, waren namelijk niet strategisch doorslaggevend. De recentelijk herhaalde hypothese dat hij de troepen nodig had om een opstand te onderdrukken is inmiddels op chronologische gronden weerlegd.

Toch vormden deze confrontaties ter zee en te land een keerpunt in de oorlog. De Griekse stadstaten spraken namelijk af het niet langer alleen op te nemen tegen de Perzen, maar een gezamenlijk leger op te bouwen. Xerxes I had een van zijn bevelhebbers, Mardonius, de leiding gegeven over het veroverde gebied, en deze probeerde nu met diplomatieke middelen uit de impasse te komen. Mardonius verzocht via Alexander I van Macedoni?de Atheners om een wapenstilstand. Dezen verwierpen dit aanbod en kregen hulp van de Spartanen. Wat volgde was de slag bij Plataeae (479 v. Chr) die, onder het bevel van Pausanias I (opvolger van de bij Thermopylae gesneuvelde koning Leonidas), werd gewonnen door de Grieken. Mardonius werd hierbij gedood. Korte tijd later vielen de Grieken de resten van de Perzische vloot aan op het Ionische schiereiland Mycale, doodden alle Perzen en vernietigden wat restte van de Perzische vloot.

De Perzische archieven geven weinig informatie over de tijd na 484 v.Chr.. Wat duidelijk is, is dat er grootschalige bouwprojecten plaatsvonden, onder meer in Persepolis.

Volgens Griekse bronnen ging het na de nederlaag tegen de Grieken bergafwaarts met Xerxes. Hij zou zijn interesse voor de politiek hebben verloren, zou in allerlei liefdesperikelen verstrikt zijn geraakt en liet het bestuur over aan de eunuch Aspamitres. Het is moeilijk uit te maken wat waar is van deze beweringen.

Het Bijbelboek Esther stelt dat Xerxes ("Ahasveros") (alternatief: Ahasveros = Artaxerxes III) de controle over zijn hof verloor: de voorname hoveling Haman zou in 473 v.Chr. hebben voorgenomen alle Joden uit te roeien. Door een interventie van koningin Esther liep het uiteindelijk goed af voor de Joden, en heel slecht voor Haman. De Joden herdenken dit nog altijd als het Poeriemfeest.

De Grieken gingen in deze jaren in de aanval. Athene nam de leiding en Cimon zeilde in 466 v.Chr. naar Cari?om de kust van Klein-Azi?onder Atheense invloed te brengen. Bij de monding van de Eurymedon werden de Perzen opnieuw verslagen en dat kostte Xerxes vrijwel al zijn voormalige Griekse onderdanen.

Het jaar daarop werd Xerxes in zijn slaapkamer vermoord door de bevelhebber van zijn lijfwacht Artabanus en Aspamitres. Ook de kroonprins Darius werd door Artebanus uit de weg geruimd. Hij probeerde tevens Darius' jongere broer Artaxerxes te doden maar deze wist zich te verdedigen en Artabanus te doden. Zo werd Artaxerxes koning van Perzi?

De Tombe

De Tombe

 

Inscriptie van Xerxes, gevonden op de zuidzijde van de "Van Castle heuvel"
4 km. ten westen van het hedendaagse Van in Oost-Turkije.

Ruwweg staat er beschreven:


Ahuramazda is de grote god, de grootste god die de hemel schiep en het land en de mens cre?rde. Die welvaart schonk aan de mensen. Die de koning Xerxes de Koning der vele koningen maakte, de enige heerser van alle landen

"Ik ben Xerxes, de grote koning, de koning der koningen, de koning van de landen, koning van alle talen, koning van het grote en uitgestrekte land, de zoon van koning Darius de Achaemenidische"

De koning Xerxes zegt: 'de koning Darius, mijn vader, geprezen is Ahuramazda, maakte een hoop goed en deze berg, zo beval hij haar rots dient bewerkt te worden en hij schreef er niets op, dus gaf ik opdracht om hier te schrijven.

Moge Ahuramazda mij beschermen, met alle goden en zo mijn koninkrijk en wat ik heb gedaan. 

 
 
Artakhshatra  ca 465 - 424 v.Chr was koning van het Perzische Rijk tot aan zijn dood.. Hij komt voor in het Oude Testament van de Bijbel. De Nederlandse naam is Artachsasta, de Griekse vorm hiervan is Artaxerxes, in het Perzisch heette hij Artakhshathra. Later werd hij ook Ardeshir genoemd.

Koning Xerxes I werd in 465 v.Chr. door een paar hovelingen vermoord, samen met zijn oudste zoon Darius. De jongste zoon wist evenwel te ontsnappen: hij besteeg de troon als Artaxerxes I en liet de schuldigen terechtstellen.

 
Deze paleisrevolutie sloot voor het Perzische Rijk een periode van expansie af. Het 41 jaar lang durende bewind van Artaxerxes I was betrekkelijk rustig en luidde een periode in waarbij de wapens zouden plaatsmaken voor de diplomatie. De betrekkingen met aartsvijand Griekenland werden in 449 v.Chr. genormaliseerd door de zogenaamde Vrede van Callias, en wanneer kort daarop in Griekenland de Peloponnesische Oorlog uitbrak was Perzi?van alle buitenlandse zorgen bevrijd. Tegelijkertijd begon bijna onmerkbaar het verval.
 
Hoewel er geen grondgebied verloren ging tijdens Artaxerxes' regering, werd de algemene politiek toch ondermijnd door allerlei hofintriges, en de invloed van aristocratie en hovelingen groeide met de dag, in het nadeel van de koning. Dit had ernstige gevolgen, want het centrale bestuur had onder Darius I en Xerxes I de onderworpen bevolking een gevoel van culturele eenheid opgedrongen, wat leidde tot een culturele bloei en vermenging. Nu kwam echter door het verval van de macht van de koning dit proces steeds meer tot stilstand, wat leidde tot een culturele neergang en ontbinding van het rijk. Tevens was er sprake van financi?e en militaire achteruitgang., want de groei van de macht van de aristocratie (die de landerijen beheerde uit naam van de koning, verplicht was wanneer de koning dat wilde mannen te leveren en ook schatplichtig was) leidde ertoe dat ze zich ontdeden van hun militaire verplichtingen en minder mannen begonnen te leveren, waardoor de militaire kracht van het rijk afnam. De financi?e kracht begon ook af te nemen ten gevolge van de corruptie en het wanbeleid van het hof en de aristocratie. Ze begonnen staatsgeld te verkwisten, gigantische belasting te heffen en startten een wanbeleid in de steden wat leidde tot ontvolking van grote gebieden. Tevens had de corruptie, waaronder vermoedelijk vriendjespolitiek en het verkopen van ambten, een verzwakking van het politieke apparaat tot gevolg.

Aan het begin van het bewind van Artaxerxes echter begon dit alleen maar vrijwel onmerkbaar en nam de kracht van het rijk maar een beetje af, maar tijdens de 40 jaar dat hij regeerde werd het rijk en de macht van de koning steeds zwakker en op het eind van zijn rustige regering was het rijk veel minder sterk dan aan het begin van zijn regering. En later, ver na Artaxerxes, leidde dit zelfs tot de ineenstorting van het rijk.

Artaxerxes overleed op dezelfde dag als zijn echtgenote, in 424 v.Chr. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Xerxes II.

Paleis van Artaxerxes in Persepolis

 
 
Xerxes II  ca 424 - 423 v Chr was slechts 45 dagen koning van het Perzische Rijk
Zijn beide ouders Artaxerxes I en koningin Demaspia stierven op dezelfde dag en (althans in Susa) werd hij als koning erkend.
Na een feest waarop hij dronken geworden was vermoordde een halfbroer, Sogdianus, hem. Deze trachtte een andere halfbroer, Ochus, de zoon van een Babylonische concubine naar de hoofdstad te laten komen, maar deze slaagde erin een leger te formeren en eiste de troon op.
Op 13 februari 423 v. Chr. werd Ochus als Darius II erkend als de nieuwe koning.
 
 
 
Sogdianus  ca 424 - 423 v Chr  was koning van het Perzische Rijk  Hij was een zoon van koning Artaxerxes I en een halfbroer van Xerxes II en Darius II.

Toen in 424 v.Chr. koning Artaxerxes I overleed werd zijn enige wettige zoon Xerxes II koning, maar Sogdianus liet hem begin 423 v.Chr vermoorden en besteeg daarna de troon. Zijn halfbroer Ochus kwam tegen hem in opstand en slaagde erin zijn broer te verslaan en liet hem doden, waarna hij zelf de troon besteeg als Darius II.

 
 
 
Darius II, (oorspronkelijk Ochus genaamd), was koning van Perzi?van 423 v.Chr. tot 404 v.Chr..

Toen koning Artaxerxes I op 24 december 424 v.Chr. overleed, werd hij opgevolgd door zijn enige wettelijke zoon Xerxes II. Na anderhalve maand werd deze echter vermoord door zijn halfbroer Sogdianus, de zoon van een ma?resse van Artaxerxes. Sogdianus' broer Ochus kwam op zijn beurt tegen hem in opstand en doodde hem na een korte strijd, waarna hij zelf de troon besteeg en de koningsnaam Darius aannam. De Griekse bronnen vermelden hem als nothos ofwel 'bastaard'.

 
Als heersers komen Xerxes II en Sogdianus niet voor op de talrijke Babylonische tabletten, waardoor Darius II als direct opvolger wordt gezien van Artaxerxes I. De voornaamste bindingsfactor in het Perzische rijk was het prestige van de grootkoning. De gevolgen van de troonstrijd en het snelle opeenvolgen van koningen na de dood van Artaxerxes waren dan ook desastreus. Het centrale gezag en de macht van de koning brokkelde nog sneller af, een proces dat al onder Artaxerxes I vrijwel onmerkbaar was begonnen. Er braken verscheidene opstanden uit, waaronder in Phoenici?en Egypte dat op het eind van Darius' regering in 405 of 404 v.Chr. onafhankelijk zou worden. Tevens bracht hij de decadentie van het hof tot het uiterste en was er sprake van een steeds sterker toenemende corruptie en wanbestuur, hetgeen het grote rijkssysteem van Darius I gigantisch verzwakte. Darius maakte een groot aantal slachtoffers bij zijn troonsbestijging door mensen uit te weg te ruimen met beestachtige middelen, als steniging, langzaam braden in een oven en ze dronken laten balanceren boven gloeiende kolen. De militaire kracht van het rijk nam ook veel verder af onder zijn regering.

Door de binnenlandse onlusten vertoonde Perzi?nog weinig interesse voor het lot van de Griekse steden aan de kust van Klein-Azi? terwijl Sparta intussen, door dubieuze onderhandelingen, een welwillende Perzische neutraliteit nastreefde in zijn strijd tegen Athene. Darius II wenste echter de vernietiging van Athene niet, en voerde liever een politiek die het evenwicht tussen de Griekse supermachten in stand hield. Dit zou in zijn ogen de belangen van het Perzische Rijk meer dienen dan een kortzichtige wraakneming voor feiten die intussen reeds tot de geschiedenis behoorden.

Darius was getrouwd met zijn halfzuster (volgens sommige bronnen zijn tante) Parysatis, met wie hij twee zonen had, Artaxerxes en Cyrus. Parysatis was in allerlei paleisintriges betrokken: zo trachtte zij, na de dood van Darius, hun jongste zoon Cyrus op de troon te krijgen, in het nadeel van de oudere Artaxerxes. Tevens had Darius II bij een bijvrouw een zoon, genaamd Artostes, de grootvader van de toekomstige koning Darius III.

 
Parysatis was een koningin van het Perzische rijk tijdens de regering van Darius II. Ze was een dochter van Artaxerxes I en een halfzus van Xerxes II, Sogdianus en Darius II.

Na de dood van haar vader en de troonstrijd tussen haar broers werd Darius II koning. Parysatis verleidde haar halfbroer, trouwde met hem en werd de nieuwe koningin van Perzi? Ze had een listige en corrupte persoonlijkheid, raakte betrokken bij allerlei paleisintriges en startte een corrupte zwendel die leidde tot grootse verkwistingen en vriendjespolitiek. Achter de rug van haar man om startte ze een hoop complotten en verkwanselde ze het rijk. Parysatis wordt daarom door sommigen gezien als een van de voornaamste personen die verantwoordelijk is voor de val van het Perzische rijk. Ze kreeg bij Darius II twee kinderen: de oudste was Artaxerxes II en de jongste was Cyrus de Jongere. Toen haar man in 404 v.Chr. stierf, volgde Artaxerxes II als oudste zoon zijn vader op. Parysatis mocht haar jongste zoon Cyrus echter meer en zette hem er daarom toe aan in opstand te komen tegen Artaxerxes II en steunde hem hier heel sterk in.

Na drie jaar legers te hebben verzameld, trok Cyrus de Jongere op tegen zijn oudere broer. Cyrus werd echter verslagen en gedood in de slag bij Cunaxa, waarna Parysatis de satraap Tissaphernes de schuld gaf. Nu besloot ze maar haar oudere zoon Artaxerxes II tot een pion te maken. Al gauw kreeg ze hem volledig in haar macht en beheerste ze zijn complete regering, wat het zesenveertigjarige bewind van Artaxerxes II zeer sterk verzwakt heeft. Tijdens het bewind van haar zoon zette ze haar corrupte zwendel extra sterk voort en ging door met het ru?eren van het bestuurlijk systeem. Ze vermoordde uiteindelijk zelfs haar schoondochter, die ze totaal niet mocht, de koningin van Artaxerxes II.
 
 
 
Artaxerxes II   ca 404 - 358 v Chr was koning van het Perzische Rijk tot aan zijn dood in 358 v.Chr.

Hij was een zoon van Darius II en Parysatis. In 401 v.Chr. versloeg hij in de Slag bij Cunaxa zijn jongere broer Cyrus, die tegen hem in opstand was gekomen en in de strijd om het leven kwam, zoals verhaald wordt in de Anabasis van Xenophon.

Dit avontuur was voor Artaxerxes echter het bewijs van zijn militaire zwakheid. In het vervolg zou hij dan ook zijn buitenlandse politiek nog meer dan vroeger baseren op omkoperij, om het evenwicht van de krachten te behouden. Door de Koningsvrede kreeg hij in 386 de Griekse steden van Klein-Azi?definitief in Perzische handen. Dat vonden die trouwens al met al niet zo erg, want omdat zij ver van het rijkscentrum verwijderd lagen behielden zij een grote mate van autonomie.

 
De binnenlandse moeilijkheden vormden een ernstiger bedreiging voor de positie van Artaxerxes. Een hele reeks satrapen kwam tegen hem in opstand, maar hij wist sommigen onder hen tegen elkaar uit te spelen en zo de situatie meester te blijven. De opstanden, die geleid werden door aristocraten, vonden maar weinig bijval bij het gewone volk. Toch was het, veertig jaar v?r de inval van Alexander de Grote, een veeg teken voor de zwakheid van het Perzische Rijk.

Aan zijn hof zelf, onder zijn 360 haremvrouwen, woedde voortdurend een verbeten strijd om de troonopvolging. Artaxerxes' koningin werd vermoord door haar schoonmoeder Parysatis, die een hekel aan haar had, en zijn oudste zoon Artaxerxes kwam tegen hem in opstand, maar faalde en werd ge?ecuteerd. Nadat ook zijn geliefde zoon (van een bijvrouw) vermoord werd, overleed Artaxerxes II op de leeftijd van 86 jaar.

Artaxerxes III, zijn enige overlevende zoon bij de koningin, beklom toen de troon en liet onmiddellijk alle prinsen van de koninklijke familie vermoorden, om verdere verwikkelingen te voorkomen

 

De Tombe

De Tombe

 

Farao,s van de 28e Dynastie

De 28e Dynastie van Egypte wordt gevormd door Amyrtaios uit Sa? die het in 404 v.Chr. lukte om de Nijldelta te bevrijden van de Perzische overheersing. Rond 400 v.Chr. had hij het gehele land veroverd, waarmee zijn regering de 28e Dynastie vormt.

 
 
Amyrtaios  ca 404 - 399 v Chr is de enige farao uit de 28e dynastie.

Amyrtaios van Sa? was waarschijnlijk de kleinzoon van Amyrtaios die vijftig jaar eerder in opstand was gekomen tegen de Perzen en was dus van Lybische afkomst. In Egypte waren gedurende de Perzische overheersing verschillende opstanden tegen de Perzen. Deze werden vaak gesteund door de Grieken, maar vaak weinig succesvol. Amyrtaios voerde al vanaf 411 v.Chr. een opstand tegen Darius II, maar riep zich na de dood van Darius II uit tot koning van Egypte. Door interne problemen konden de Perzen niet ingrijpen en vanaf 402 v.Chr. was Amyrtaios koning over Opper- en Nederegype. Dit weten we door een contract op de Elephantine papyrus, waar hij als koning van heel Egypte voorkomt. Zijn heerschappij was van korte duur, want in 399 v.Chr. werd hij van zijn troon verdreven door Nepherites I, die Amyrtaios in 399 v.Chr. executeerde in Memphis. Er zijn geen bouwwerken door hem nagelaten en zijn regering wordt als een negatieve periode beschouwd door de Demotische kroniek.

 

Farao,s van de 29e Dynastie

De 29e Dynastie van Egypte.  In 399 v.Chr. usurpeerde Nepherites I uit Mendes de troon, die tot dan toe was bezet door Amyrtaios (28e Dynastie) uit Sa?. Hiermee werd de 29e Dynastie gesticht. Nepherites I en zijn opvolgers Psammuthis en Hakoris ondernamen diverse bouwprojecten in Egypte en het lukte hen eveneens de Perziche aanval in 385-383 v.Chr. af te weren, waarbij zij grotendeels afhankelijk waren van de Griekse huursoldaten. Echter, in 379 v.Chr. lukte het Nectanebo I, een generaal uit Sebennytos in de Nijldelta, om de troon te usurperen en stichtte hiermee de 30e Dynastie van Egypte.

 
 
Nepherites I  ca 399 - 393 v Chr was een Farao in het Oude Egypte. Hij was de grondlegger van de 29e Dynastie.

Nepheritus I werd in Mendes geboren. In de herfst van 399 v.Chr. greep Nepheritus I de macht door zijn voorganger Amyrtaeus gevangen te laten zetten en vervolgens te laten doden. Na zijn dood werd Nepherites I in Mendes begraven.

Hij werd bondgenoot van Sparta tegen Perzi? met een schenking van 500 000 zakken graan en materiaal voor 100 schepen.
In 1869 te Mendes is er een ushabti gevonden van deze koning met minder belangrijke resten van zijn begrafenis in een sarcofaag van zwart graniet.
Talrijke sporen van bouwaktiviteiten van Nepherites? zijn te vinden in Buto, Sais, Memphis en Karnak.

 
 
Psammuthis 392 - 391 v Chr was een regent die heerste over het territorium van Boven Egypte en vocht tegen Akhoris om de heerschappij. Vermoedelijk slaagde hij er in om Akhoris te beroven van de heerschappij voor ?n jaar voordat hij werd onttroond door laatstgenoemde.
Psammoethis is de Griekse transcriptie van de naam pA-Sri(-n)-mwt Pasherienmut (Het kind van de godin Mut). Bouwaktiviteiten van Psammoethis overleefden als decoraties in de tempel van Karnak; alsmede in Akhmim en Sakkara.
 
 
 
Achoris   ca 391 - 379 v.Chr was een farao van de 29e dynastie.

Achoris was een farao in een roerige tijd, hij volgde zijn voorganger op Nepherites I in 392 / 391 voor Christus. Een andere verwant van Nepherites, Psammuthis, vocht zijn recht op het koningschap aan en verdreef Achoris, maar na een jaar was Achoris weer in staat om zijn troon op te eisen, hij verdreef Psammuthis en werd alleenheerser.

 
Achoris werd in zijn tijd als een wijze farao gezien nadat het bondgenootschap met de Griekse stad Sparta (met als koning Agesilaus), waarmee ze tegen de Perzen hadden gevochten, ten einde liep, zo verstandig was om niet een maar twee nieuwe bondgenootschappen te sluiten. Het eerste bondgenootschap was met Euragoras, de verbannen koning van Salamis. Achoris bracht deze koning terug naar Cyprus (387 v.C.) waar hij regeerde als 'onderkoning' van Egypte. Het tweede bondgenootschap werd gesloten in 389 v.C. met de stadstaat Athene. De bedoeling van deze bondgenootschappen was het verwerven van de controle over de Oostelijke Middellandse Zee en het veilig stellen van Egypte tegen een Perzische aanval, een voortdurende dreiging in die tijd.

In 385 en 383 v.C. vielen Perzische legers o.l.v. de generaals Pharnabazus en Tithraustes Egypte binnen, maar ze werden tot staan gebracht door de verenigde Atheense en Egyptische legers o.l.v. de Atheense generaal Chabrias. Deze overwinning luidde voor Egypte een gouden 40 jaar aan.

Koning Achoris was ook verantwoordelijk voor het laten slaan van de eerste Egyptische munten en diverse grote bouwprojecten, o.a. in Saqqara en Memphis.

 
 
 
Nepherites II of Nefaarud II   ca 379 v Chr was de farao van Egypte, waar hij slechts vier maanden regeerde alvorens afgezet te worden.. Hij volgde zijn overleden vader Achoris op. Hij was de vierde en laatste farao van de 29e dynastie en werd afgezet en vermoedelijk vermoord door Nectanebo I. Deze laatste was wellicht een afstammeling van de grondlegger van de 29e dynastie, Nepherites I, en maakte dus aanspraak op de troon. Bij het afzetten van Nepherites II luidde hij het einde van de 29e dynastie en het begin van de 30e dynastie in.

Nepherites II is enkel bekend uit literaire bronnen, onder andere bij de Egyptische historicus Manetho. Tot dusver is nog geen enkel monument gevonden dat zijn naam draagt.

 

Farao,s van de 30e Dynastie

De 30e Dynastie van Egypte. In 380 v.Chr. usurpeerde Nectanebo I uit Sebennytos de troon en stichtte hiermee de 30e Dynastie. Tijdens zijn regering floreerde de kunst en werden diverse bouwwerken opgericht. In 373 v.Chr. lukte het hem een Perzische invasie af te weren. Zijn opvolger Teos begon een offensief in Palestina, maar werd tijdens zijn verblijf in het buitenland door een rebellie in Egypte van de troon gestoten, die overgenomen werd door zijn neef, Nectanebo II. In 350 v.Chr. slaagde Nectanebo II erin een aanval van de Perzische vorst Artaxerxes III af te weren, maar in 343 v.Chr. lukte het de Perzen toch om de macht in Egypte in handen te krijgen, waarmee de periode van de tweede Perzische overheersing in Egypte begon, die ook wel de 31e Dynastie van Egypte genoemd wordt.

 
 
Nectanebo I ook bekend als Nachtnebef  ca 379 - 363 v Chr was farao en stichter van de 30ste dynastie. Zijn naam betekent: "Krachtig is zijn heer" en zijn tweede naam betekent: "De Ka van Re is gekomen!"

Nectanebo van Sebennytos (stad in de Nijldelta) kwam aan de macht door zijn voorganger Nepherites II te vermoorden, hoewel hij wellicht een verre verwant is van Nepherites I. Zijn vader was generaal Djedhor. Hij was getrouwd met Udjashu en in de laatste paar jaar van zijn regering was zijn zoon Teos co-regent.

 
In 373 v.Chr. viel een verenigd Perzisch en Grieks leger, gestuurd door Artaxerxes II, Egypte binnen om het weer onder Perzisch bewind te brengen. Nadat Nectanebo de eerste slag verloor kon hij door onenigheid bij de tegenstanders een succesvolle tegenaanval uitvoeren en ze uit Egypte verdrijven.

Enkele bouwwerken die tijdens zijn regering werden gebouwd zijn het paviljoen op het eiland Philae, een mammisi in Dendera en een tempel in Tanis. Verder voegde hij in Karnak onderdelen toe aan de tempel van Amon, de tempel van Mut en de tempel van Montu en versierde de dromos naar de tempel van Luxor met sfinxen. Hij legde ook een dromos aan naar het Serapeum te Saqqara.

De Ises Tempel op het eiland Philae

De dromos naar de Luxor Tempel met sfinxen

 
 
Teos   ca 360 - 358 v.Chr was een farao uit de 30e dynastie van de Egyptische oudheid.

Vanaf 365 v.Chr. begeleidde Teos zijn vader Nectanebo I als co-regent. Na diens dood in 361/360 ging de farao alleen regeren. Om de dreiging van een Perzische inval onder Artaxerxes II af te wenden, richtte hij zich tot Griekse huurlingen. Dit was een gunstig moment door de opstand van de satrapen in Anatoli?tegen Artaxerxes.

In 361 v.Chr. arriveerden de oude Spartaanse generaal Agesilaus in Egypte en de Atheense admiraal Chabrias met hun huurlingen. Hun onderlinge rivaliteit noodzaakte Teos om zelf het commando te voeren. Om de huurlingen te kunnen betalen, voerde Teos op advies van Chabrias belastinghervormingen door.

Terwijl hij vertrok voor een veldtocht naar Fenici?kwamen de Egyptenaren echter in opstand. Nectanebo II, een neef en generaal van Teos, keerde zich daarop in 360 v.Chr. tegen zijn oom. Teos vroeg Agesilaus en Chabrias om hun hulp, maar de laatste vertrok naar huis. Agesilaus stelde dat hij was gekomen om Egypte te ondersteunen en niet om ertegen te vechten. Met toestemming vanuit Sparta keerde Agesilaus zich dan ook tegen Teos, die daarop naar de Perzische koning in Susa vluchtte.

  

 
 
Nectanebo II  Nachthorheb   ca 360 - 343 v Chr was farao van de 30e dynastie, en was de laatste der Egyptische farao's.

In 350 v.Chr. faalt een Perzische aanval op Egypte door het uitbreken van de pest in het Perzische leger. Nochtans, in 343 v Chr trok een machtig leger van 300000 Perzen , geleid door Artaxerxes III Okhos, ten strijde tegen de veel zwakkere Egyptenaren en versloegen deze dan ook vrij eenvoudig. Nectanebo moest naar het zuiden vluchten (via de Nijl naar Ethiopi?  waar hij enige tijd heeft weten te overleven om uiteindelijk spoorloos te verdwijnen. Wat tevens het einde betekende voor de oude dynastie?.
Bijna alles wat door de oude dynastie? was gebouwd voor de goden oftewel heiligdommen, tempels etc. werd door de Perzische overheersers in ru?es veranderd.

 

Farao,s van de 31e Dynastie

De 31e Dynastie van Egypte. In 343 v.Chr. veroverden de Perzen voor de tweede keer in de geschiedenis Egypte, waarmee de tweede Perzische overheersing, ook wel de 31e Dynastie een feit werd. Deze tien jaar durende periode werd gedurende ongeveer twee jaar onderbroken door de regering van de inheemse vorst Chababash, die controle lijkt te hebben gehad over geheel Neder-Egypte. De Perzische overheersing werd door de Egyptenaren als onderdrukkend ervaren, wat ertoe leidde dat de inval van de Macedoni? Alexander de Grote in 332 v.Chr. als een bevrijding van Egypte werd gezien.

 
 
Artaxerxes III  ca 358 - 338 v Chr was een koning van het Perzische rijk uit de dynastie der Achaemeniden. Hij was een wettelijke zoon van Artaxerxes II en vader van de latere koning Arses.

Hij was een vaardig bestuurder en militair en had onder het bewind van zijn vader al legers geleid en ambten bekleed. Zijn oudere broer, die ook Artaxerxes heette, kwam tegen het gezag van zijn vader in opstand, maar faalde en werd ge?ecuteerd, zodat Artaxerxes III de nieuwe kroonprins werd. De enige andere bedreiging voor zijn positie was een zoon van Artaxerxes II bij een bijvrouw. Deze werd echter vermoord. En ook de moeder van Artaxerxes werd uit de weg geruimd, zodat er geen andere mogelijke bedreiging meer was. Toen zijn vader in 358 v.Chr. stierf, volgde hij als enige nog levende wettelijke zoon zijn vader op.

 
Atraxerxes III deed tijdens zijn regering zijn uiterste best om voor een ommekeer in de neergaande lijn van de Achaemeniden te zorgen, het gezag van zijn dynastie te herstellen, en ook om de aloude kracht van het rijk te doen herleven. Zo was een van zijn eerste daden dat hij alle mannelijke prinsen van de familie uit de weg liet ruimen om verdere concurrentie te voorkomen. Ook deed hij alles wat hij kon om een eind te maken aan alle hofintriges, corruptie en samenzweringen aan het hof en probeerde hij het gezag van de koning te herstellen. Hij zorgde tevens voor een betere en stabielere administratie. In de eerste jaren van zijn regering pakte hij zo veel mogelijk de binnenlandse problemen aan en zorgde hij voor stabiliteit in Perzi? hij maakte een einde aan het wanbestuur in de provincies, zorgde ervoor dat steden weer tot bloei kwamen, herstelde de handel, maakte een eind aan de economische achteruitgang en zorgde zelfs voor grote economische bloei. Hij brak de macht van de aristocratie en verzette veel werk om een eind te maken aan de binnenlandse onlusten om het gezag van de grote koning te herstellen. Verder zorgde hij voor een zeer grote politieke, economische, culturele en militaire bloei. Perzi?had militair gezien wel nog redelijk wat tijd nodig om zich te herstellen, zodat Artaxerxes maar een beetje kon rekenen op zijn beroepssoldaten. Maar verder verhielp hij alle problemen van de economie die hij weer sterk liet bloeien, zorgde hij voor een sterk bestuur, voor eenheid en culturele bloei en zorgde hij ervoor dat het rijk op alle punten gigantisch tot bloei kwam en weer zeer machtig werd.

Na de binnenlandse problemen te hebben aangepakt, richtte hij zich op de buitenlandse politiek, waarin hij trachtte het oude grondgebied te herstellen. Hij liet grootschalig Griekse huurlingen werven en richtte nieuwe legers op om de opstanden in Phoenici? Syri? en een hoop oosterse provincies neer te slaan. Daarna herstelde hij het afgebrokkelde gezag in de Indusvallei. Tevens rekende hij af met al zijn opstandige satrapen. Zijn vader was erin geslaagd ze tegen elkaar uit te spelen en zo de situatie meester te blijven, maar was er niet geslaagd al het verzet de kop in te drukken. Artaxerxes III brak dit verzet, versloeg alle satrapen en herstelde overal, vooral in het westen waar de meeste opstandige satrapen waren, het koninklijk gezag. Tevens maakte hij een einde aan het bewind van de afvallige stadhouder van Sidon, Artabazus, waarna hij de stad verwoestte en hem doodde. Ook ondernam hij twee veldtochten tegen Egypte tijdens zijn bewind. De eerste was in 351 v.Chr., waarin hij de Egyptische legers een aantal zware nederlagen toebracht en Palestina heroverde. Na de herovering van Palestina trok hij Egypte binnen en bleef de Egyptenaren grote nederlagen toebrengen. Uiteindelijk echter kregen de Egyptenaren hulp van de Atheners en een hoop Griekse huurlingen en sloegen de aanval met veel moeite af. In 343 v.Chr. ondernam Artaxerxes een tweede aanval op Egypte, dat nog moeite had zich te herstellen van de eerste, hoewel de innerlijke kracht van het Perzische rijk intussen weer was toegenomen. Deze keer werd de invasie nog beter georganiseerd en werd met nog sterkere legers gevochten. De invasie kwam onder leiding te staan van generaal Bagoas en generaal Mentor van Rhodos die tevens het Perzische gezag in Klein-Azi? hersteld had. Alle Egyptische legers werden deze keer verslagen, inclusief de Griekse hulptroepen en huurlingen. De laatste oud-Egyptische farao, Nectanebo II, werd verjaagd. Memphis werd belegerd en ingenomen, waarna de muren werden afgebroken, en in heel het land vonden gigantische plunderingen en verwoestingen plaats. Het land kwam weer onder het gezag van een satraap. Bagoas en generaal Mentor van Rhodos keerden vol met buit beladen terug naar Perzi? Ondertussen had Artaxerxes III de financi?e en militaire krachtbronnen van het rijk weer hersteld en door de grote buit werden deze nog verder aangevuld. En nu Artaxerxes III naast koning der koningen ook de eerste farao van de 31e dynastie was en alle kuststreken weer in handen had, begon hij aan het bouwen van een oorlogsvloot. Toen deze af was besloot hij ook de Ege?che zee weer in handen te krijgen. Eerst heroverde hij Cyprus, bezette het land en dwong de daar regerende koning zijn opperheerschappij te erkennen. Ondertussen had Artaxerxes III de centrale administratie nog verder verbeterd en startte een sterk bloeiend bewind in het hele rijk, wat weer tot bloei kwam en weer zeer machtig werd. Artaxerxes III zorgde tevens voor veel minder misdaad,een goed gerechtssysteem, vrede en rust en een bloeiende handel in het hele rijk. Artaxerxes III probeerde er tevens voor te zorgen dat de gewone man het beter kreeg, hij slaagde hierin en de rijkdom van de burgerij nam enorm toe. Kleitabletten uit Babyloni?bewijzen dat dankzij Artaxerxes III de graanprijzen op dat moment veel lager werden hetzij ook duidde op succes in de landbouw. Het Perzische rijk kreeg zelfs meer aanzien, macht en rijkdom dan dat het ten tijde van Cambyses II, Darius I en Xerxes I had gekend. Er was echt sprake van een heropleving van het centrale bestuur en het rijk werd zelfs zo machtig, dat het overwicht kreeg tegen het verzwakte Griekenland. Hij veroverde eerst Rhodos op de Atheners en dwong ze daarna afstand te doen van Chios en Kos, waarna de satraap van Cari? {Mausolus}, vrede met ze sloot in zijn voordeel.

In 338 v.Chr. stierf Artaxerxes III een vredige dood, nadat hij het Perzische rijk in zijn oude luister had hersteld en werd opgevolgd door zijn zoon Arses die het sterke bewind van zijn vader voortzette. En zelfs tempels in Babylon liet restaureren. In 337 v.Chr. kwam er echter een abrupt einde aan een echte heropleving van het centrale bestuur, doordat de paleis eunuch Bagoas de nieuwe koning die hij vroeger had onderwezen in zijn macht probeerde te krijgen. En zelfs al diens broers doodde om dit te versterken. Zodat het centrale bestuur opnieuw in verval raakte, er weer intriges uitbraken en er zelf drie grote opstanden uitbraken. De Macedoni?s maakten hier gebruik van en verbraken het vredesverdrag en vielen Klein-Azi? binnen. Arses echter stelde zich uiteindelijk alsnog onafhankelijk op, maar was niet in staat de problemen de baas te blijven. In 336 v.Chr. werd Arses samen met al zijn zonen en vrouwen vermoord door Bagoas die alle nakomelingen van Artaxerxes III uit de weg ruimde en uiteindelijk een achterneef van Artaxerxes III en Arses, Darius III, op de troon plaatste.

Over deze gebeurtenissen bestaan reeds lange tijd grote discussies. Zo wordt, op gezag van de Griekse auteur Diodorus Siculus, wel beweerd dat Artaxerxes III in 338 werd vergiftigd door zijn voornaamste adviseur en hof eunuch, de reeds genoemde invloedrijke Bagoas. Dit is echter niet juist: een pas gevonden kleitablet in het British Museum, BM 71537, bewijst dat de oude vorst een natuurlijke dood stierf. Dat zijn opvolger Arses werd vermoord door Bagoas, zoals door Diodorus Siculus wordt beweerd, wordt bevestigd door de spijkersschrifttekst die bekendstaat als Dynastie?profetie. Omtrent de moord op de familie van Artaxerxes III en Arses bestaan ook discussies: zo beweerde Arrianus bijvoorbeeld dat een broer van Arses, Bisthanes, aan de moordpartijen van Bagoas ontsnapte en het land ontvluchtte. In ieder geval is duidelijk dat in 336 v.Chr. heel de opvolgingslijn van Artaxerxes III was uitgeroeid, waarna Darius III, uit een zijtak van de Achaemeniden, op de troon werd geplaatst, die Bagoas een voor hem bedoelde gifbeker zelf liet opdrinken.

 
 
 
Oarses, Arses  ca 338 - 336 v Chr was koning van het Perzische Rijk tot aan zijn dood in de zomer van 336 v.Chr.

Arses was de jongste zoon en opvolger van Artaxerxes III. Hij werd opgeleid voor de troonopvolging door de invloedrijke paleis eunuch Bagoas, die -volgens in het Grieks geschreven bronnen- eerst zijn vader Artaxerxes had vermoord. Een kleitablet in het British Museum, BM 71537, bewijst echter dat de oude vorst een natuurlijke dood stierf.

Om de nieuwe koning volledig in zijn macht te hebben, aarzelde Bagoas niet ook Artaxerxes' andere zonen uit de weg te ruimen. Een van hen, een zekere Bisthanes, zou echter zijn lot ontsnapt zijn, als we Arrianus mogen geloven.

 
Arses, die volgens een inscriptie uit Lyci?en enkele ostraca uit Samaria de troonnaam Artaxerxes IV aannam, lijkt zijn best te hebben gedaan als normale koning te regeren. Het staat vast dat hij in Babylon restauratie van een van de tempels heeft gelast. Maar hij werd in het nauw gebracht door ten minste vier opstanden. In Egypte greep een zekere Chababash de macht, in Babyloni?lijkt een Nidin-Bel te hebben geregeerd, in het noordwesten deden de Macedoni?s van koning Philippus II een inval, en in Armeni?kwam satraap Arta?ata in opstand.

Zodra Bagoas begreep dat de koning de situatie niet aankon, liet hij hem uit de weg ruimen en droeg de macht over aan Arta?ata, die onder de naam Darius III zou regeren. De eunuch kon niet verhinderen dat hij zelf door Darius zou worden gedood.

 
 
 
Chababash  (Khababash)  ca 337 - 335 v Chr was een Egyptische tegenkoning welke in opstand was gekomen tegen Arses.

E? van de magnaten uit Boven Egypte wie, ondersteund door de onderdrukte bevolking, de titel van farao aannam. Het lukte hem niet om de macht over te nemen.
Volgens de verslagen verborg hij zich voor de Perzen in moerasachtige en afgelegen delen van de Nijl.
Zijn bestaan wordt onthuld op de stele van Ptolemy I, een demotisch papyrus gedateerd aan jaar 1 van zijn heerschappij, een Apis sarcofaag van zijn 2de jaar en een amulet met zijn naam welke is gevonden in de tombe van Horemheb te Memphis. De naam xbS , xbbS  is vermoedelijk van Libische oorsprong.

 
 
 
Darius III  ca 336 - 330 v.Chr., was de laatste koning van het Perzische Rijk uit de dynastie der Achaemeniden. Zijn regering stond vrijwel geheel in het teken van de strijd tegen Alexander de Grote.

Nadat in september 338 koning Artaxerxes III was overleden, bracht de machtige eunuch Bagoas diens jongste zoon Oarses op de troon; deze regeerde onder de naam Artaxerxes IV, en werd twee jaar later het slachtoffer van de intriges van Bagoas, die daarop de zoon van een broer van Artaxerxes III voor de opvolging voordroeg.

 
Sjahansjah van Perzi? Sjahansjah was de enige legitieme troonopvolger van de Perzische troon die nog in leven was.  Hij besteeg in 336 v.Chr. (ongeveer 44 jaar oud) de Perzische troon als Darius III. De nieuwe koning was echter niet de gewillige marionet die Bagoas zich had voorgesteld. Hij begon onmiddellijk een persoonlijke koers te varen en kwam daardoor onvermijdelijk in aanvaring met de eunuch. Bagoas probeerde hem te vergiftigen, maar Darius was vooraf gewaarschuwd en dwong Bagoas om zelf de gifbeker te drinken. De nieuwe koning had zo plotseling de leiding over een instabiel leger, waarvan grote delen werden bestuurd door jaloerse en onbetrouwbare satrapen. Darius III miste de vaardigheden en de ervaring om deze problemen op te lossen.
Intussen was het voor de buitenwereld steeds duidelijker geworden dat het centrale gezag in Perzi?niet sterk genoeg meer was om de binnenlandse problemen de baas te blijven en bij de heterogene bevolking een gevoel van nationale eenheid op te dringen. De jonge Alexander de Grote meende van de situatie gebruik te kunnen maken (zie Alexander de Grote). Nadat hij afgerekend had met eventuele haarden van opstand in zijn eigen rijk, trok hij in 334 met een leger van 35.000 man over de Hellespont, met de bedoeling de Grieken definitief te bevrijden van de politieke hegemonie van Perzi?

Slag aan de Granicus


Een eerste Perzisch leger werd op de vlucht gedreven bij de Slag aan de Granicus  Darius rekende echter nog altijd op de onuitputtelijke mensenreserves die hij meende te kunnen inzetten tegen "die Macedonische roversbende", zoals hij het leger van Alexander smalend noemde. Alexander van zijn kant vreesde dat de Perzische vloot voortdurend kon oversteken naar Griekenland en hem zo verplichten zich naar zijn thuisland terug te trekken. Om dat te verhinderen veroverde hij, alvorens het binnenland in te trekken, de Perzische kuststeden van de Middellandse Zee. Intussen had Darius III een geweldig leger op de been gebracht en rukte op tegen de indringer.

Slag bij Issus

In de slag bij Issus liet hij echter zijn leger in de steek en wist te ontkomen. Zijn vrouw Stateira en de andere leden van de koninklijke familie vielen Alexander in handen. Toen de koning vervolgens om onderhandelingen verzocht, verklaarde Alexander zich enkel tot onderhandelen bereid indien Darius hem als zijn meerdere wilde erkennen.
 

Slag bij Gaugemela aan de Tigris

Terwijl Alexander afrekende met de laatste Perzische vlootbasis Tyrus, bracht Darius III opnieuw een massaal leger op de been en wachtte Alexander op bij Gaugemela aan de Tigris. Zodra de Macedoni?s zich op de Perzische massa stortten, verloor Darius zijn zelfbeheersing en vluchtte het bergland in, terwijl zijn troepen zonder leider totaal werden uiteengeslagen. De koninklijke residentiesteden Susa, Babylon en Persepolis openden hun poorten voor de overwinnaar. In de algemene verwarring die daarop volgde werd het prachtige paleis van Persepolis, dat grotendeels uit cederhout bestond, de prooi van de vlammen.

Nadat ook de vierde residentiestad Ecbatana ingenomen werd, was de situatie van Darius III hopeloos geworden. Toen hij hoorde dat Alexanders leger eraan kwam, besloot hij zich terug te trekken tot Batrica. Hij leidde zijn leger door de Poorten van Caspian. Dit was een grote weg door de bergen, waardoor zijn leger zich langzamer zou voortbewegen. De Perzische troepen werden moedeloos, omdat er een constante dreiging was van een verrassingsaanval van Alexander.
 
 

            

Dit leidde tot achterlating van veel soldaten en een coup geleid door Bessus, ?n van zijn satrapen, en Nabarzanes, die de leiding had over alle ontmoetingen met de koning en de baas was over de paleiswacht. De twee mannen stelde aan Darius voor om het leger tijdelijk onder leiding van Bessus te stellen, en, wanneer Alexander verslagen was, het leger weer terug te geven. Darius ging niet akkoord met dit plan, maar zijn samenzweerders wilde toekomstige fouten voorkomen. Op gegeven moment bonden Bessus en Nabarzanes Darius vast en gooiden ze hem in een ossenkar, terwijl ze aan het Perzische leger de opdracht gaven door te lopen. Volgens History of Alexander (Curtius) arriveerde op dat moment Alexander met een klein leger, waardoor de Perzen in paniek raakte. Hierdoor verwondde Bessus en 2 andere samenzweerders de koning met hun speren, waardoor hij stierf. Een Macedonische soldaat vond Darius' lijk kort daarna. Dit was een teleurstelling, want Alexander wilde Darius graag levend hebben. Alexander stuurde het lijk terug naar Persepolis en organiseerde een grote begrafenis ter ere van hem. Ook gaf hij de opdracht hem te begraven bij zijn koninklijke voorvaderen. Nu de oude koning verslagen was, werd Alexanders' heerschappij over Perzi?officieel. De ambitieuze verrader (Bessus) die zijn koning vermoord had, probeerde hem onder de naam Artaxerxes V op te volgen en begon een guerillaoorlog tegen Alexander. Dat was niet naar de zin van de Perzische soldaten: na drie jaar moest Bessus zich gewonnen geven en leverden zijn eigen strijdkrachten hem uit aan Alexander, in ruil voor vrede. Alexander, die respect had opgevat voor zijn vermoorde tegenstander, liet de koningsmoordenaar door een Perzische rechtbank ter dood veroordelen wegens hoogverraad.


 
Bessus werd op gruwelijke wijze terechtgesteld.
Met Darius III kwam er een einde aan de dynastie der Achaemeniden, die sinds ruim tweehonderd jaar over het Perzische Rijk hadden geregeerd.

 

Farao,s van de Griekse Dynastie

De Griekse Dynastie van Egypte. Nadat het Nieuwe Rijk met de laatste farao?s verdwenen was en daarmee eigenlijk een hele wereld was weggevaagd, werd 700 jaar lang om de macht in Egypte gevochten.
De Perzen namen uiteindelijk de macht over, maar hun macht bleek niet voor eeuwig te zijn.
In 330 voor Christus versloeg de legendarische Alexander de Grote het Perzische leger en het land was van hem. Zoals de lange historie van Egypte al had aangetoond was de hoofdstad van het land onder de verschillede machthebbers meerdere malen verplaatst.
Alexander de Grote stichtte op zijn beurt een nieuwe hoofdstad: Alexandri? Deze stad werd de schakel tussen het oude Egypte en het land van de Grieken. Hier groeide de wetenschap, literatuur en kunst tot een hoog niveau. De stad werd een machtig handelscentrum.
Na de dood van Alexander de Grote werd zijn generaal, Ptolemaeus, de koning van Egypte.
Hij ging verder met het veroveren van gebieden waaronder Palestina. Hij probeerde de oude Egyptische cultuur terug te brengen door, onder andere, traditionele tempels langs de Nijl te bouwen.
Op lange termijn had dit weinig effect, want Ptolemaeus richtte zich vooral op de hoofdstad Alexandri?die hij samen met Alexander de Grote had gebouwd. De hoofdstad groeide verder uit tot het middelpunt van een totaal nieuwe wereld. De romantiek van het oude Egypte was definitief voorbij.

 
 
Alexander de Grote   ca 330 - 323 v Chr was koning van Macedoni?en op de leeftijd van 30 jaar was hij de schepper van een van de grootste rijken in de oudheid, een rijk dat zich uitstrekte van de Ionische Zee tot de Himalaya. Hij was ongeslagen in de strijd en wordt beschouwd als een van de meest succesvolle bevelhebbers aller tijden. Hij werd geboren in Pella in 356 v.Chr. Alexander werd tot aan zijn zestiende opgeleid door de beroemde filosoof Aristoteles. In 336 v.Chr. volgde hij zijn vader Philippus II van Macedoni?op nadat deze Philippus door Pausanias werd vermoord. Philippus had de meeste stadstaten van het vasteland van Griekenland onder Macedonische hegemonie gebracht, door het gebruik van zowel militaire als diplomatieke middelen.
 
Na de dood van Philippus erfde Alexander een sterk koninkrijk en een ervaren leger. Het bevelhebberschap van Griekenland werd aan hem toegewezen en, met zijn gezag stevig gevestigd, lanceerde hij de militaire plannen voor expansie uitgetekend door zijn vader. In 334 v.Chr. viel hij het door Perzen beheerste Anatoli?binnen en begon een reeks van campagnes die tien jaar lang duurden. Alexander brak de macht van Perzi?in een reeks van beslissende veldslagen, met name de veldslagen van Issos en Gaugamela. Vervolgens wierp hij de Perzische koning Darius III omver en veroverde het gehele Perzische Rijk. Het Macedonische Rijk strekte zich nu uit van de Adriatische Zee tot de Indus.

In een poging om "het einde van de wereld en de Grote Buitenste Zee" te bereiken, viel hij India binnen in 326 v.Chr., maar werd uiteindelijk gedwongen om terug te keren door de bijna-muiterij van zijn troepen. Alexander stierf in Babylon in 323 v.Chr., zonder een reeks van geplande campagnes (o.a. een invasie van Arabi?en Carthago) te kunnen realiseren. In de jaren na de dood van Alexander verscheurde een reeks van burgeroorlogen zijn rijk wat resulteerde in de vorming van een aantal staten die werden geregeerd door de Diadochen, Alexanders overlevende generaals. Hoewel hij vooral bekend is door zijn grote veroveringen, was de blijvende erfenis van Alexander niet zijn bewind, maar de culturele diffusie die zijn veroveringen veroorzaakten.

Hij stichtte een twintigtal steden die zijn naam droegen met het Egyptische Alexandri?als de voornaamste. Alexanders nederzettingen van Griekse kolonisten en de daaruit volgende verspreiding van de Griekse cultuur in het oosten resulteerden in een nieuwe Hellenistische beschaving, waarvan bepaalde aspecten nog duidelijk aanwezig waren in de tradities van het Byzantijnse Rijk tot het midden van de 15e eeuw. Alexander werd legendarisch als een klassieke held naar het voorbeeld van Achilles en speelt een grote rol in de geschiedenis en mythes van zowel Griekse en niet-Griekse culturen. Hij werd de maatstaf waarmee generaals, tot op vandaag, zichzelf vergelijken en militaire academies over de hele wereld onderwijzen nog steeds zijn tactieken die zoveel successen opleverden.

In 334 v.Chr. begon Alexander aan zijn beroemde veldtocht tegen Perzi? De eerste twee jaar richtte hij zich op Perzi? dat toen een groot gebied beheerste in het Midden-Oosten. Zijn vader had al dit plan opgevat, terwijl ook de Grieken er warm voor liepen om eindelijk met de Perzische erfvijand af te rekenen.

Alexander veroverde eerst Klein-Azi? waar in Griekse steden als Milete en Ephese pro-Perzische en pro-Macedonische fracties tegenover elkaar stonden. Hij versloeg eerst een Perzisch legertje bij de rivier de Granicus (zomer 334 v.Chr.), stootte door naar de Perzische residentie Sardes, nam Milete, en verloor vervolgens veel tijd met de belegering van Halicarnassus, waardoor het strategisch initiatief weer bij de Perzen kwam te liggen. In sommige steden zou Alexander later als bevrijder worden gezien (in Pri?e zou hij bijvoorbeeld nog eeuwenlang goddelijke eerbewijzen ontvangen).

Na anderhalf jaar versloeg hij de Perzen bij Issus (november 333 v.Chr.). De Perzische koning liet zich in een val lokken, tussen het gebergte en de zee, waar hij weinig had aan zijn numerieke overmacht; kwalitatief waren de Macedoni?s hem de baas.

Na Issus rukte Alexander op naar het zuiden, richting Libanon en Egypte om eerst deze gebieden, waarvan de garnizoenen bij Issus waren omgekomen, te bezetten. De strategische noodzaak hiertoe was dat de Perzen vanuit de kuststeden vloten naar het Ege?che Zeegebied konden sturen.

Van de voor de Libanese kust gelegen eilandstad Tyrus eiste Alexander het recht te mogen offeren aan de stadsgod Melqart, die vanouds werd ge?entificeerd met de voorvader van de Macedonische dynastie, Herakles. Voor de Fenici?s, waar alleen bepaalde families het priesterschap mochten bekleden, was dit blasfemie, en het kwam tot een belegering. De handelslieden van Tyrus waanden zich veilig op hun eiland, maar Alexander liet een dam aanleggen om daarvandaan de stad te beschieten, en verwierf voldoende schepen om de stad van over het water aan te vallen en de muren te bestormen. Woedend over het verzet dat hem veel tijd had gekost en opnieuw het strategisch initiatief had doen verliezen, liet hij zijn manschappen de stad plunderen en verwoesten. De mannen werden gekruisigd en de vrouwen als slavinnen verkocht.

Hierna trok Alexander naar Jeruzalem dat hem na het inmiddels bekend geworden lot van Tyrus wijselijk vrije doortocht verleende. In Egypte werd Alexander als bevrijder ontvangen en kostte het hem niet veel moeite om zijn gezag te vestigen. Hij liet zich als nieuwe Farao eer bewijzen en liet de eerste plannen opstellen voor de bouw van de nieuwe stad Alexandri?aan de monding van de Nijl.

Vergeleken met hoe de farao gezien werd door de Egyptenaren, is het niet verwonderlijk dat Alexander in hun ogen vanaf dat moment de op aarde gere?carneerde oppergod was, echter, de Grieken die Alexander vergezelden zagen dit anders.

In Egypte bevond zich diep in de woestijn een oase met een wereldberoemd orakel. Dit orakel van Amon werd al eeuwen ook door Grieken bezocht om het hun vragen voor te leggen. De priesters daar spraken Grieks met die bezoekers. En het orakel was bekend komen te staan als het Orakel van Zeus-Amon. Zeus was immers de oppergod, maar dan van de Grieken.

Alexander besloot ook het Orakel van Zeus-Amon te bezoeken. Hij trok met een select groepje van makkers door de woestijn naar het Berberse Siwa om zijn vraag aan het orakel voor te leggen. Bij aankomst van Alexander in Siwa werd hij begroet door de hogepriester met de Griekse woorden 'oh zoon van Zeus'. Dit was eigenlijk een verspreking van de priester. De priester wilde zeggen: 'Mijn zoon (ὁ παιδιον)'. Maar de priester zei: 'ὁ παιδιος'. Alexander dacht dat hij zei: 'ὁ παι Διος'. Dit betekent zoon van Zeus. En aangezien Alexander de farao van deze hogepriester was en als farao de manifestatie van de oppergod Amon op Aarde, was die begroeting niet meer dan beleefd. Dit was het tweede moment waarop het lijkt dat Alexander als god begroet werd. Wederom een kwestie van plaatselijke gebruiken - niets anders dan een cultureel bepaald verschil, dat door de Grieken echter anders werd uitgelegd.

Alexander maakte plannen voor veldtochten naar het Arabische schiereiland en tegen Carthago, maar op 11 juni 323 v.Chr. stierf hij op 32-jarige leeftijd in het paleis van Nebukadnezar II in Babylon aan een plotselinge koorts. Mogelijk is dat Alexander, die voor hij deze laatste keer Babylon binnentrok, verbleef in een kamp in de moerassen rond Babylon, een aandoening aan zijn longen heeft opgelopen. Dit zou hebben geresulteerd in een longontsteking, die hem fataal is geworden. Voor de theorie van de longontsteking pleit ook het feit dat Alexander enige tijd daarvoor een pijl in zijn borstkas had gekregen bij de verovering van een stad. Alexander was zelf met maar drie anderen als eerste over de muur geklommen om de stad te veroveren en had daarbij de verwonding opgelopen. Daarvan leek hij te zijn genezen, maar het is mogelijk dat zijn longen toch een zwakke plek waren gebleven.

Rond Alexanders dood zijn veel raadsels, waarvan sommigen aan de legendevorming van Alexander als god hebben bijgedragen. Zo is er het verhaal dat de balsemers van zijn lichaam pas dagen na zijn dood, terwijl de generaals vochten over de erfenis van Alexander, bij zijn lichaam kwamen. Maar dat dit vreemd genoeg, in het zeer warme Babylon, niet aan het ontbinden was. Indien Alexander een tijd schijndood is geweest, of in coma lag, zou dat verklaren waarom het ontbindingsproces nog niet in gang was gezet. De veer die voor Alexanders mond was gehouden om te kijken of hij nog ademhaalde, had niet bewogen. Maar als hij bijvoorbeeld een longontsteking heeft gehad, kan zijn ademhaling zeer oppervlakkig en moeilijk waarneembaar zijn geweest. Het goddelijke is dus in twijfel te trekken, naar alle waarschijnlijkheid was het een gebrek aan medische kennis van die tijd.

Hij werd gebalsemd en zijn lijk zou naar Macedoni?vervoerd worden voor de begrafenis. Onderweg maakte Ptolemaeus I Soter zich meester van het lijk en voerde het naar Egypte. Hij begroef het lijk voorlopig in Memphis. Nadien zette hij het lijk bij in een gouden graftombe te Alexandri? Ptolemaeus III liet het goud omsmelten om er munt uit te slaan en verving de gouden tombe door een tombe uit albast. Pompeius, Julius Caesar en Augustus zouden de tombe bezocht hebben en de laatste zou toen hij het lijk kuste per ongeluk de neus ervan afgebroken hebben. Caligula zou zelfs het kuras uit het graf hebben geroofd. Later werd de tombe gesloten en zijn laatste rustplaats is nog altijd niet gevonden.

Bij zijn overlijden strekte Alexanders rijk zich in oost-westelijke richting zo'n 4000 km uit. De grote afstanden droegen, samen met het feit dat het in relatief korte tijd tot stand was gekomen, bij aan het snelle uiteenvallen ervan. In eerste instantie werd er een soort staatsraad gevormd, bestaande uit de voornaamste generaals van Alexander, zijn moeder, zijn halfbroer Philippus Arrhidaeus en enkele raadgevers, om de zaken waar te nemen voor de beoogde opvolger Alexanders jonge zoon Alexander IV. Al snel trokken de sterkste generaals de werkelijke macht naar zich toe. Deze generaals bekend als de "Diadochen", bevochten elkaar hevig, wat uiteindelijk ook velen in Alexanders omgeving het leven kostte: zijn moeder Olympias, zijn vrouw Roxane (Perzisch: Rhoxane), zijn zoons Alexander IV en Heracles, zijn zus Cleopatra, zijn halfzus Eurydice, zijn halfbroer Philippus Arrhidaeus en de meeste van zijn hoogste officieren werden uiteindelijk of vermoord als gevolg van samenzweringen en complotten of sneuvelden in een van de vele onderlinge veldslagen. In eerste instantie viel zijn rijk uiteen in vier delen, na verdere ontwikkelingen drie en uiteindelijk twee.

Nadat Alexander stierf en geen opvolger had aangewezen verdeelden deze het rijk zelfstandig onder elkaar. Kassander werd de opvolger van zijn vader Antipater, en kreeg Hellas. Ptolemaeus I Soter werd heer en meester over Egypte en een paar kleine ministaten in en rond de vruchtbare sikkel. Lysimachus, die door te groot protest niet veel macht over had moest zich tevredenstellen met Thraci?en delen van Klein-Azi? Seleucus bezat de resten van het Perzische rijk.

 
 
 
Philippus III   ca. 358 - 317 v. Chr. was koning van Macedoni?van 10 juni 323 v. Chr. tot aan zijn dood.

Zijn geboortenaam was Arrhidaeus, maar hij nam de naam Philippus aan toen hij de troon besteeg. Hij was een bastaardzoon van Philippus II van Macedoni?bij Philinna van Larissa, een Thessalische danseres.
Volgens het relaas van Plutarchus werd hij zwakzinnig en epileptisch na een poging tot vergiftiging door zijn vaders echtgenote Olympias, die elke mogelijke rivaal voor haar zoon Alexander uit de weg wou hebben.
Omdat hij als gevolg van deze aanslag epileptisch was, kreeg zijn halfbroer voorrang op de troon bij het overlijden van hun vader, maar na de dood van Alexander (323 v. Chr.) werd hij tot diens opvolger gekozen, samen met zijn neefje Alexander Aegus (het toen nog ongeboren zoontje van Alexander de Grote). Philippus? echtgenote Eurydice, een intelligente dame, was een doorn in het oog van Olympias.

 
Omdat het duidelijk werd dat hij kinderloos zou sterven en Alexander IV nog maar een kind was, kwam het tot een conflict tussen de generaals van Alexander de Grote: Antigonus Monophthalmus, Cassander, Seleucus Nicator, Ptolemaeus Soter en Polyperchon (een beschermeling van Olympias, de moeder van Alexander de Grote).
Om haar kleinzoon Alexander IV all?n op de troon te krijgen, liet Olympias in 317 v. Chr. Philippus III vermoorden.
 
 
 
Alexander IV  ca 317 - 306 v Chr was de zoon van Alexander de Grote en de Bactrische prinses Roxane.
Hij werd in 323 v. Chr. na de dood van zijn vader geboren. Hij was samen met zijn oom, de zwakzinnige Philippus Arrhidaeus (?316 v. Chr
.), de halfbroer van zijn vader, koning van Macedoni?
Aanvankelijk groeide hij op onder toezicht van de rijksbestuurders Perdiccas en Polyperchon. Vanaf 317 v. Chr. was de 6-jarige Alexander in de macht van Cassander, de generaal die gezag uitoefende over het Macedonische vaderland. Toen er stemmen opgingen om de jongen werkelijk de macht te geven, liet deze hem vermoedelijk in 311 v. Chr. vermoorden. Mogelijk is hij degene die begraven is in tombe III in Vergina. Tot 304 v. Chr.werden offici?e documenten volgens zijn regeringsjaren gedateerd, alsof hij nog in leven was.

 

Farao,s van de Ptolemae? Dynastie

De Ptolemae? van Egypte. De Ptolemae? (meervoud van Ptolemaeus), ook wel Ptolemae?s (soms ook "Ptoleme?s"), is de naam van de uit Macedoni?stammende Koninklijke dynastie die van 305 v.Chr. tot 30 v.Chr., na de dood van Alexander de Grote, over Egypte regeerde. Alexander had Egypte veroverd en bij zijn wereldrijk gevoegd. Na zijn dood bleek echter dat er geen opvolger klaarstond. Zijn generaals probeerden dan ook elk een deel van het rijk onder hun macht te krijgen. Ptolemaeus I Soter slaagde erin Egypte in de opvolger van Alexander te worden. Zijn dynastie wordt de Ptolemaeische dynastie genoemd en is tevens de laatste faraonische dynastie. Zij worden ook weleens de Lagiden genoemd, naar de naam van Ptolemaeus' vader Lagos. Deze dynastie ging ten onder toen Cleopatra VII en Marcus Antonius werden verslagen door een Romeinse legermacht onder leiding van de jonge Octavianus.

Het beleid van de dynastie was meestal toegelegd op het vermijden van oorlogen met de buurlanden (hoewel ze toch vaak in de clinch lagen met de Seleuciden van buurland Syri? en het bevorderen van handel en economie. Vooral de graanproductie en export had hun grote aandacht. Zij voerden veelal een strak geleide uitbuitingspolitiek over de massa van Egyptische boeren, lijkend op het latere plantagesysteem van de Europese kolonisatoren uit de 17e t/m de 19e eeuw. Door de vruchtbare Nijloevers met hun regelmatige overstromingen die steeds opnieuw de akkers bemestten met vers slib kon men meerdere oogsten per jaar van het land halen. Hierdoor werden de Ptolemae? de welvarendste koninklijke familie in de hellenistische wereld en konden ze allerlei grote bouwwerken en ondernemingen op touw zetten om hun prestige te verhogen. De hoofdstad Alexandri?aan de monding van de Nijl was het intellectuele en commerci?e centrum van Ptolemae?ch Egypte en zelfs van de toenmalige hellenistische wereld. Naast de oude Egyptische piramiden was een van de zeven wereldwonderen ook de nieuwe vuurtoren van Pharos die aan de haven van Alexandri?stond. De Ptolemae? stichtten en onderhielden ook de beroemde Bibliotheek van Alexandri?/font> waar geleerden en studenten uit de hele bekende wereld op af kwamen. Ook werd Alexandri?steeds verder verfraaid door de vele kunstenaars en architecten die op uitnodiging van de machthebbers binnenstroomden. Hierdoor werd de stad de schitterendste van de mediterrane wereld. Een van de beroemdste gebouwen was het schitterende mausoleum van Alexander de Grote. De Ptolemae? waren er in geslaagd (op dubieuze wijze) om Alexanders lichaam over te brengen vanuit Babylon naar hun eigen hoofdstad. Gedurende 300 jaar konden ze hun rijk tamelijk vredig besturen, op regelmatige schermutselingen met collega-diadochen na, totdat ze geleidelijk in de invloedssfeer van Rome kwamen. In 30 v. Chr. verloren ze hun zelfstandigheid en werd Egypte een van de (nog steeds rijkste) provincies van het Romeinse Rijk en een belangrijke graanexporteur voor Rome.

De stamboom en de elkaar vaak overlappende regeringsperioden van de verschillende Ptolemae? is erg lastig in beeld te krijgen omdat ze allemaal de naam Ptolemeus of Cleopatra hadden. Ook waren incestueuze huwelijken tussen broer en zus, met nakomelingen, naar oud faraonisch gebruik maar door de Grieken verafschuwd, heel gewoon bij hen. Vaak regeerden ze ook samen met een broer of zus. De bekendste Ptolemee was tevens de laatste: Cleopatra (VII).

Hieronder een vereenvoudigd schema van de stamboom.

 
 
Ptolemaeus I Soter, eigenlijk Ptolemaios  ca 304 - 283 v.Chr.was een veldheer onder Alexander de Grote en na diens dood koning van Egypte. Hij was de stichter van de Egyptische dynastie der Ptolemae?.

Over zijn exacte afkomst bestond reeds in de Oudheid veel onduidelijkheid. Officieel was hij de zoon van een zekere Lagos, een verder onbekende Macedonische edelman, maar er waren ook geruchten dat hij een zoon van Philippos II (en zijn bijvrouw Arsino? was, de vader van Alexander de Grote (356-323 v.Chr.) en koning van Macedoni? in dat geval zou hij een halfbroer van Alexander zijn.

Ptolemaeus zou deelgenomen hebben aan Alexanders veldtocht in het noorden tegen onder meer de Triballi?s en zou ook aanwezig geweest zijn bij de verwoesting van Thebe. Ook aan Alexanders grote veldtocht tegen Perzi?nam hij deel. Aanvankelijk was hij hier een achtergrondfiguur, maar hij kreeg steeds belangrijkere commando's toegewezen, zoals de arrestatie van de Pers Bessos, die de Perzische koning Darius III vermoord had.

 
In 323 v. Chr. overleed Alexander III "de Grote" in Babylon. Al snel ontstond er een opvolgingsconflict, waarbij besloten werd dat Alexanders pasgeboren zoon (Alexander IV) en zijn zwakzinnige halfbroer Philippus Arrhidaeus hem zouden opvolgen. Ze werden gesteund door een soort driemanschap (met de Macedonische generaals Antipater, Perdiccas en Craterus), dat de centrale macht zou beheren. In werkelijkheid hadden ze echter weinig macht, omdat de provincies toegewezen werden aan andere generaals. Ptolemaios pikte Egypte in (de daar door Alexander aangestelde gouverneur Cleomenes van Naukratis werd kort daarop in onduidelijke omstandigheden vermoord door Ptolemaeus) en richtte het in als zijn basis. Hij veroverde Cyprus en Cyrene (ten westen van Egypte) en liet daardoor blijken dat hij weinig gaf om het centrale gezag. Daarop ondernam Perdiccas een veldtocht naar Egypte (321), maar deze had geen succes en Perdiccas werd vermoord; Egypte bleef van Ptolemaeus

Ptolemaeus I Soter & Berenice I.

In de jaren daarna hield Ptolemaeus zich rustig in Egypte. Door diplomatie probeerde hij zijn gebied te behouden, zonder zich te fel in de voorraden verspillende oorlogen van de andere generaals te mengen. Bijzondere aandacht had hij voor Syri? dat de enige toegangspoort tot Egypte vormde en dat hij als een soort van buffer trachtte te veroveren, ook al liep dat niet van een leien dakje. Nog ?nmaal werd zijn heerschappij serieus bedreigd, namelijk in 306 v. Chr.. Toen werd hij namelijk verslagen in de slag bij Salamis bij Cyprus, dat door Antigonos veroverd werd. Deze waagde een aanval op Egypte zelf, maar Ptolemaeus wist deze te weerstaan.

Kort daarop liet hij zich tot koning kronen en nam ook de offici?e titel van Farao aan om de autochtone aristocratie en priesters gunstig te stemmen. Ook nam hij de naam Soter (d.w.z. redder) aan. Ptolemaeus Soter begon met de bouw van de vuurtoren van Faros en had ook plannen voor de bouw van een grote bibliotheek. Beiden werden voltooid door zijn zoon en opvolger Ptolemaeus II Philadelphos.Het is nauwelijks bekend, maar Ptolemaeus I Soter heeft een geschiedeniswerk geschreven over de veldtocht van Alexander de Grote (FGrHist 138). Dat ging verloren, maar het werd wel als bron gebruikt door een latere schrijver, Arrianus van Nicomedi? Diens Anabasis Alexandri wordt als een van de belangrijkste bronnen (vroeger zelfs als d?belangrijkste) beschouwd die men nog heeft over Alexander de Grote. Vroeger werd dit werk als een meesterstuk van objectiviteit beschouwd, maar dit beeld is zeker verkeerd. Ptolemaios overdrijft zijn eigen rol in het werk, terwijl hij zijn concurrenten (vooral Perdiccas) zo slecht mogelijk voorstelt of doodzwijgt. Ook Alexander wordt zeer positief voorgesteld: de talrijke moordpartijen, stadsplunderingen, massale executies en beestachtige daden die hij uithaalde in o.m. India worden zo veel mogelijk doodgezwegen.

Een interpretatie van Alexanders politiek komt in het werk niet voor: Ptolemaios interesseerde zich blijkbaar vooral voor militaire aangelegenheden. Al bij al moet het vrij saaie lectuur geweest zijn (een zakelijk, droog, schijnbaar objectief verslag; geen anekdotes; nauwelijks interesse voor iets anders dan het militaire; voortdurende troepenbewegingen en gevechten), wat zou kunnen verklaren waarom het werk nooit veel gelezen werd, ook in de Oudheid niet. Ptolemaeus' doel met het werk (waarvan onbekend is wanneer het geschreven werd) was waarschijnlijk zijn eigen positie als koning te verstevigen: hij wou via het werk tonen dat hij zich in Alexanders veldtocht een goede generaal betoond had, een zaak die in die tijd van een niet te onderschatten belang was.
Ptolemaeus stierf in 285 v. Chr
. op irca 82-jarige leeftijd, na ruim 30 jaar over Egypte geheerst te hebben. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Ptolemaeus II Philadelphos.

 
 
 

Ptolemaeus II Philadelphos  ca 285 - 246 v Chr was koning van Egypte.

Zijn broer Ptolemaeus Ceraunus werd koning van Macedoni?in 281 v. Chr. en werd gedood tijdens de Gallische invasie van 280-279 v. Chr. Ptolemaeus II had zijn zetel in Alexandri? In 274 v. Chr. begon zijn halfbroer Magas van Cyrene een oorlog en spoedig daarna werd hij aangevallen door de Seleucidische koning Antiochus I Soter. Beide aanvallers wist Ptolemaeus te weerstaan en als reactie hierop begon hij aan de bouw van een oorlogsvloot om Alexandri?beter te kunnen verdedigen en toekomstige agressors te ontmoedigen. Na enkele jaren had Egypte de machtigste vloot van het oostelijk Middellandse Zeegebied. De macht van de Ptolemae? strekte zich uit tot de Cycladen en de havens van Cilici? Pamphyli? Lyci?en Cari?

 
Na 260 v. Chr. verloren de Ptolemae? de tweede oorlog met de Seleuciden onder koning Antiochus II Theos en rond 250 v. Chr. werd de vrede bezegeld door een huwelijk tussen de Antiochus en Berenice, dochter van Ptolemaeus II.
 
De eerste vrouw van Ptolemaeus, Arsino?I, dochter van Lysimachus, was de moeder van zijn legitieme kinderen. Waarschijnlijk om politieke redenen verstootte hij haar later en trouwde, volgens Egyptische maar door de Grieken verafschuwde traditie, met zijn zuster Arsino? II, de weduwe van Lysimachus.

Arsinoe II  280 - 272 v Chr was een dochter van Ptolemaeus I en Berenice I, zuster van Philotera en Ptolemaeus II, dan zijn vrouw. Als een vrouw van een Macedonische koning, Lisymachus, intrigeerde zij tegen haar eigen broer Ptolemaeus en stuurde aan op de moord van Agathokles, de erfgenaam van de Macedonische troon.

Ptolemy II and wife Arsinoe II

Na Lisymachus dood trouwde ze met Keraunos die zichzelf tot koning kroonde van Thraci?na de slag met de Diadochen (De slag bij Ipsus). In 279 vermoorde hij de kinderen van Arsinoe, zij wist te ontsnappen naaar Egypte waarbij ze er in slaagde om Arsinoe I uit het land te krijgen. Vervolgens trouwde ze met haar broer en coregent tussen 280 en 272 v. Chr. Na haar dood werd ze heilig verklaard in de gehele Oosten van het Middellandse Zee gebied.

Ptolemaeus vergoddelijkte zijn ouders en na haar dood in 270 v. Chr. ook zijn zustervrouw als Philadelphos. Deze bijnaam, die dus oorspronkelijk alleen aan Arsino?II toekwam, werd later gebruikt om Ptolemaeus II van zijn vader en andere gelijknamige Ptolemae? te onderscheiden.

Ptolemaeus II voltooide de door zijn vader begonnen bouw van de vuurtoren op het eilandje Pharos bij de haveningang van Alexandri? Hij begon ook met de bouw van de Bibliotheek van Alexandri? Zijn vader was dat ook al van plan maar kwam er bij zijn leven niet aan toe.

 
 
 
Ptolemaeus III Euergetes I   ca 246 - 221 v. Chr was de derde heerser uit de Ptolemaeische dynastie.
Hij was de oudste zoon van Ptolemaeus II Philadelphos en Arsino?II.
Hij is vooral bekend om zijn invasies in het koninkrijk van Syri?welke hij begon na dat hij zijn oudste zuster Berenice Syra vermoord had.

Berenice II  ca 267 - 221 v. Chr, was de dochter van Magas van Cyrene en koningin Apama, en de vrouw van Ptolemaeus III Eueregetes I, de derde heerser van de Ptolemae?che dynastie.
Rond 249 v. Chr. was ze getrouwd met Demetrius de Eerlijke, een Macedonische prins.
Maar toen ze aankwam in Cyrene, had haar man een affaire met haar moeder, koningin Apama.

 
Berenice II vermoorde hem, in Apama's slaapkamer, maar ze liet haar moeder leven. Dit gebeurde rond 255 of 250 v. Chr. Ze hadden geen kinderen.  Ze hertrouwde met Ptolemaeus III.  Ze kregen 4 kinderen: Ptolemaeus IV, Magas, Arsino?III en een Berenice.
Ze werd vermoord door Ptolemaeus IV, in 221 v. Chr. nadat hij Farao was geworden.

Er bestaat een mythe rond deze Berenice.
Toen haar man weg was tijdens een expeditie in Syri? knipte ze een lok van haar haar af, en offerde ze dit aan Venus, voor een veilige terugkeer.  De haarlok verdween echter, op mysterieuze wijze. Conon van Samos beweerde dat de haarlok was omhoog gedragen naar de hemel, en tussen de sterren werd geplaatst. Het wordt wel genoemd Coma Berenices.

Zijn vrouw Berenice II had de macht in Egypte tijdens zijn lange periodes van afwezigheid op veldtocht in Syri?
Ptolemaeus III Eueregetes I was de vader van Arsino?III en Ptolemaeus IV Philopator van Egypte.

De toegangsweg van Ptolemaeus III Euergetes I en de Tempel van Khonsu

 
 
Ptolemaeus IV Philopator  ca 221 - 205 v.Chr. was een zoon van Ptolemaeus III Euergetes I en Berenice II, was koning van Egypte. Tijdens zijn koningschap begon het verval van het Ptoleme?che koninkrijk. In 220 v.Chr. trouwde hij met zijn zuster Arsino?III.

Hij leidde persoonlijk zijn uitgebreide leger in de strijd tegen Antiochus III, toen Antiochus Coele-Syri?probeerde te veroveren. Hij versloeg de Seleuciden in de Slag bij Raphia.

De Slag bij Raphia werd in 217 v.Chr. uitgevochten tussen de Seleucidische heerser Antiochus III en de Egyptische koning Ptolemaeus IV om de controle te verkrijgen over een gebied dat het huidige Israel, Libanon, Syri?en Jordani?beslaat

 
In het begin van de slag slaagden de Indische olifanten van de Seleuciden erin de Afrikaanse olifanten van de Egyptenaren op de vlucht te jagen. De Indische olifanten waren groter dan hun Afrikaanse soortgenoten. Dit leidde tot grote verwarring binnen de Egyptische rangen. Op ditzelfde ogenblik leidde een grote cavalerieaanval, geleid door Antiochus zelf, tot paniek op de Egyptische linkerflank. Dit succes verblindde Antiochus zodanig dat deze weinig oog had voor wat elders op het slagveld aan het gebeuren was. Want aan de andere kant van de linie gebeurde hetzelfde in de andere richting: de Egyptische cavalerie dreef de Seleucidische linkerflank achteruit.

De beslissing viel echter toen de Egyptische infanterie de Seleucidische trof. Ptolemaeus had zich naar het centrum van zijn infanterie begeven en liet zich daar zien aan vriend en vijand. Deze actie versterkte de vechtlust en moedigheid van zijn troepen. De Egyptische falanx was ook van betere kwaliteit (de Seleuciden ontbonden hun falanx redelijk snel) en kon zo een beslissing forceren.

De Egyptische overwinning maakte een einde aan twee jaar succes van de veldheer Antiochus die zich moest terugtrekken tot het huidige Libanon. Hierbij moest hij de droom van de overheersing van Fenici?en Palestina laten varen. Deze overwinning voorkwam ook een invasie van Egypte door de Seleuciden. Het was het einde van de vierde Syrische oorlog die eigenlijk slechts een bevestiging van de territoria van beide naties was en waarvan de overeengekomen vrede slechts een labiel gegeven was.

 
 
 

Tegenkoning  Harwenneref  (Harmakhis)  ca 205 - 199 v Chr was een zeer belangrijk persoon uit Thebe, de grote priester van Ptah in Memphis. In 205 v. Chr., tijdens het bewind van Ptolemaeus IV benoemde hij zichzelf tot farao en heerste gedurende een aantal jaren over Boven Egypte.
Stierf vermoedelijk in 199 v. Chr. de heerschappij overgevend aan Anchwenneref (Ankhmakhis).
Er bestaat een mening dat Harwenneref en Anchwenneref ?n en dezelfde persoon zijn die in 199 v. Chr. van naam veranderde om onbekende redenen

Tegenkoning Anchwenneref  (Ankhmakhis)  ca 199 - 186 v Chr was Harwennerefs (Harmakhis) opvolger te Thebe. Hij verloor de macht in Thebe in 199/198 v. Chr. en de rest van Thebaida in 191/190.
Ondanks steun van het leger van Meroe werd hij verslagen door Comanos, een commandant in naam van Ptolemaeus.

 
In deze oorlog sneuvelde zijn zoon en werd hij zelf gevangen genomen op 27augustus 186 v. Chr.
In september van datzelfde jaar werd hij weer vrijgelaten.
Lykopolis zorgt in de Delta voor een rel tegen Alexandria. De opstand duurde tot 185 v. Chr. toen die werd neergeslagen door Polykrates uit Argos. De leider van de opstand werd doodgemarteld in Sais.
Synodes te Alexandria noemen Anchwenneref de vijand der Goden, echter later werd hij onschuldig verklaard.
Er bestaat een mening dat Harwenneref en Anchwenneref ?n en dezelfde persoon zijn die in 199 v. Chr. van naam veranderde om onbekende redenen
 
 
 

 

Ptolemaeus V Epiphanes  ca 205 - 180 v Chr was koning van Egypte van .
Hij kwam al als klein kind op de troon na de dood van zijn vader Ptolemaeus IV Philopator, als vijfde in de Ptolemae?che dynastie, gesticht door Ptolemaeus I Soter.
Zijn moeder was Arsino?III, tijdens een serie regentschappen kreeg het aanzien van Egypte in het Midden-Oosten veel te lijden, hoewel de priesters het nieuwe bewind een opluchting vonden vergeleken bij het vorige.
De regenten Agathocles, Sosibius, Tlepolemus, Aristomenes, Scopas e.a. hadden in het binnenland weer orde op zake gesteld.
 
Dat werd duidelijk gemaakt door een aantal proclamaties in steen te laten beitelen in zowel hi?ogliefen, demotisch als Grieks. De latere Egyptologen zijn hun daar eeuwig dankbaar voor omdat de Steen van Rosetta (van 4 Xandikos = 18 Mechir = 27 maart 196 v. Chr.) hen de mogelijkheid gaf het Egyptische schrift te ontcijferen. Dit is dan ook de voornaamste reden waarom Epiphanes wat bekender is dan de andere leden van zijn dynastie.
Antiochus III van Seleucia en Philip V van Macedoni?spanden samen om de overzeese bezittingen van Egypte onder zich te verdelen. Philip bezette verschillende eilanden en plaatsen in Cari?en Thraci?
 
Slag van Panium

Grote overwinning voor de legers van Antiochus III de Grote. In de jaar 200 v.Chr kwam het leger van Antiochus III de Grote in de buurt van Panium. Daar ontmoette hij de leger van Egypte onder leiding van Scopas. Het was een bloedige veldslag waarin de Katafrakten van Antiochus III de Grote de Egypte cavalerie heeft verslaan. Met de cavalerie weg kon hij de infanterie van Scopas omcirkelen en verslaan. De slag bij Panium was de grootste slag van de vijfde Syrische oorlog en zou Antiochus III en Filips V van Macedoni? een voordeel geven. Na de veldslag zou Antiochus III de Grote en Filips V van Mecedoni?makkelijk gebieden van Egypte veroveren.

Na de slag van Panium in 198 v. Chr. verloor Egypte Palestina dat in de handen van de Seleuciden kwam. Antiochus sluit daarna vrede met Egypte en gaf Epiphanes zijn dochter Cleopatra I Syra tot vrouw (193 v. Chr.), maar in het volgende conflict met Rome koos Egypte voor de Romeinse kant.
Als volwassen heerser had Epiphanes tirannieke en tamelijk wrede neigingen. Hij was een goede atleet, maar sloeg een rebellie van de Egyptenaren tegen zijn (Grieks) bewind met harde hand neer.
Zijn oudste zoon Ptolemaeus VI Philometor volgde hem als kind onder voogdij van zijn moeder Cleopatra I op.

 
 
 
Cleopatra I Syra  ca 180 - 178 v Chr was koningin en later voor een korte periode farao van Ptolemae?ch Egypte.
Ze was de dochter van Antiochus III, koning van Syri? vermoedelijk bij diens echtgenote Laodice III en geboren tussen circa 219 en 210 v. Chr. (vermoedelijk v?r 212 v. Chr.).
Ze werd verloofd met Ptolemaeus V van Egypte in 196 v. Chr. en huwde hem te Raphia in 194/193 v. Chr., waarbij ze werd opgenomen in Ptolemaeus V van Egypte zijn dynastische cultus als Θεοι Επυφανεις (manifeste goden).
Ze was de moeder van Ptolemaeus VI van Egypte, Ptolemaeus VIII van Egypte en vermoedelijk ook van Cleopatra II. Ze was de oudere coregent van haar zoon Ptolemaeus V van Egypte vanaf september 180 v. Chr. Ze stierf tussen 9 Mesore jaar 3 (10 september 178 v. Chr.) en 9 Thoth jaar 5 (14 oktober 177 v. Chr.).
 
 
 
Ptolemaeus VI Philometor  ca 180 - 145 v Chr was een jaar of elf toen hij zijn vader Ptolemaeus V Epiphanes opvolgde en regeerde gezamenlijk met zijn moeder Cleopatra I tot zij stierf in 176 v.Chr.. Het jaar daarna trouwde hij met zijn zuster Cleopatra II.

In 170 v.Chr. begon Antiochus IV de zesde Syrische oorlog en viel tweemaal Egypte binnen. Daarna werd van 169-164 v.Chr. het land gezamenlijk geregeerd door Ptolemaeus VI, zijn zuster-eega Cleopatra en een jongere broer Ptolemaeus VIII. Ptolemaeus VI werd in 164 v.Chr. door zijn jongere broer van de troon gestoten en ging naar Rome waar hij de steun van Cato verwierf.

 
In de zesde Syrische Oorlog (170-168) poogde Egypte zich weer in het bezit van de verloren syrische gebieden te stellen. De regenten - Lenaeus en Eulaeus - van de minderjarige Ptolemaeus VI verklaarden de oorlog aan de Seleucide Antiochus IV (175-164). Deze versloeg echter de Egyptenaren bij Pelusium en bezette geheel Egypte met uitzondering van de hoofdstad Alexandri? hij sloot een verdrag met Ptolemaeus en kroonde zichzelf in de oude egyptische hoofdstad Memphis tot vorst van Boven- en Beneden-Egypte, nadat hij aanvankelijk voorgegeven had dat hij slechts als voogd van Ptolemaeus optrad. De belegering van Alexandri? waartoe hij na het oplossen van problemen in zijn eigen land overging, werd be?ndigd door een ultimatum van de romeinse senaat, die bij monde van een gezantschap onder leiding van Popillius Laenas te kennen gaf dat het de verstoring van het machtsevenwicht die in het Oosten zou ontstaan door de vereniging van het rijk der Seleuciden en dat der Ptolemae? onder ?n scepter, niet zou dulden. Toen Antiochus met zijn antwoord aarzelde, trok de zelfbewuste Romein met zijn stok een cirkel rond de koning in het zand en verzocht hem te beslissen voordat hij de cirkel verliet; Antiochus gaf toe uit ontzag voor de groeiende macht van Rome.

Ptolemaeus VI Philometor werd daardoor weer op de troon hersteld maar de Alexandrijnen kwamen in opstand tegen hem. Hij sloeg de rebellie wreed neer en wist daardoor de troon te behouden.

In een poging de grenzen met Syri?veilig te stellen, arrangeerde Ptolemaeus een huwelijk tussen zijn dochter Cleopatra Thea en Alexander Balas, toen deze koning van Syri?werd (150 v.Chr.). Toen het draagvlak voor Alexander in Syri?echter snel afbrokkelde, trok Ptolemaeus zijn steun aan Alexander in en gaf hij zijn dochter tot vrouw aan Demetrius II Nicator. Ptolemaeus sneuvelde in Syri?in een gewapend treffen met de troepen van Alexander Balas.

 
 
 
Cleopatra II  ca 170 - 116 v Chr was koningin (en korte tijd alleenheerser) over Egypte. Ze was de dochter van Ptolemaeus V en Cleopatra I.
Na de dood van haar moeder, in 175 v. Chr., trouwde ze met haar broer Ptolemaeus VI, in 173 v. Chr. Samen met hun broer Ptolemaeus VIII regeerden ze over Egypte van 171 v. Chr. tot 164 v. Chr.
In 168 v. Chr., viel de Seleucidische koning Antiochus IV Epiphanes Egypte binnen. Deze oorlog werd door Egypte gewonnen, met hulp van de Romeinen.
Na de dood van haar echtgenoot in 145 v. Chr. werd Cleopatra regentes over haar zoontje, Ptolemaeus VII.
Ze trad opnieuw in het huwelijk, ditmaal met haar broer Ptolemaeus VIII Euergetes II, ook wel 'Physcon' genaamd. Physcon vermoorde zijn neefje/stiefzoon, en maakte zichzelf koning. In 142 v. Chr. scheidde hij van Cleopatra II en trouwde met Cleopatra II's dochter, Cleopatra III.
Cleopatra II bracht een leger op de been en dreef in 131 v. Chr. Cleopatra III en Physcon succesvol Egypte uit.
 
Ptolemaeus VII Neos Philopator was koning van Egypte in 145 v.Chr.. Het is niet zeker dat hij ook echt koning is geweest, het zou ook kunnen dat hij alleen koninklijke waardigheid kreeg. Hij was de zoon van Ptolemaeus VI Philometor en Cleopatra II. Hij heeft maar een kleine tijd geregeerd over Egypte, in 145 v.Chr., waarschijnlijk samen met zijn vader. Niet lang na zijn aanstelling als koning werd hij vermoord door zijn oom Ptolemaeus VIII Euergetes II, die hem opvolgde.

Hierna benoemde ze Physcon's 12 jaar oude zoon, Ptolemaeus Memphitis tot koning over Egypte werd, en regeerde uit zijn naam (maar eigenlijk regeerde ze alleen tijdens die tijd). Physcon keerde terug naar Egypte en slaagde erin om Memphitis te vermoorden. Hij stuurde de stukken van zijn lichaam op naar Cleopatra II. Niettemin blijf zij heerseres over Egypte  Ze bood de troon aan Demetrius II van Syri? maar ook hij werd vermoord door Physcon. Ditmaal vluchtte Cleopatra II Egypte uit en kwam Physcon opnieuw aan de macht als koning.
In 124 v. Chr. was er een openbare verzoening tussen Physcon en Cleopatra II. Ze besloten hierna om samen te regeren. Cleopatra III werd hier ook bij betrokken. Physcon en Cleopatra II stierven beiden in 116 v. Chr. Ze lieten het koninkrijk na aan Cleopatra III.

 
 
 

Tegenkoning Harsiese  ca 132 - 130 v Chr vermoedelijk een zoon van Paious. Hij heerste 2 jaar over Tebaida, in het 39-40ste jaar van de regeeerperiode van Ptolemaeus VIII.  Hij is onthuld door Griekse en demotische historische bronnen. Na te zijn verdreven uit Thebe greep hij de macht in El-Hibe in Centraal Egypte. Hij werd vermoord op 16 september 130 v. Chr.

 
 
 
Ptolemaeus VIII Euergetes II  ca 145 - 116 v Chr (ook Physcon genoemd).

Physcon heeft een aantal keer tevergeefs geprobeerd om Ptolemaeus VI Philometor van de troon te stoten om zo zelf koning van Egypte te worden.
Toen Philometor stierf in 145 v. Chr., riep zijn vrouw Cleopatra II hun zoon Ptolemaeus VII Neos Philometor uit tot koning.
Physcon kwam terug en bood aan om gezamenlijk te regeren en te trouwen met Cleopatra II, zijn zus.
Op het bruiloftsfeest vermoorde hij Neos Philometor en kroonde zichzelf tot koning. Als koning nam hij wraak op de Joodse gemeenschap en intellectuelen in Alexandri? die hem dwars zaten toen hij Philometor van de troon probeerde te stoten. Door deze massavervolging verlieten veel intellectuelen zoals Apollodorus Alexandri? waardoor de stad ingrijpend veranderde.

 
Physcon trouwde met Cleopatra III, de dochter van zijn vrouw Cleopatra II. Toen zij dat hoorde, werd ze woest en in 132/131 v. Chr. kwamen de inwoners van Alexandri?in opstand en zette het koninklijke paleis in brand. Physcon, Cleopatra III en hun kinderen vluchtten naar Cyprus, terwijl Cleopatra II haar twaalf jaar oude zoon (en die van Physcon) Ptolemaeus Memphites op de troon probeerde te krijgen. Physcon kon dit verhinderen door zijn zoon te vermoorden en in het in stukken gehakte lichaam naar Cleopatra II te sturen.
Ondanks de burgeroorlog in Egypte wist Physcon toch de troon te behouden. Na zijn dood in 116 v. Chr. gaf hij zijn troon aan zijn vrouw Cleopatra III, die ?n van hun zonen uit mocht kiezen om koning te laten worden. Ze wilde haar jongste zoon Ptolemaeus Alexander op de troon, maar de inwoners van Alexandri?wilden dit niet en onder druk van de Egyptenaren kwam haar oudere zoon Ptolemaeus Soter aan de macht.
 
 
 
Cleopatra III  ca 142 - 101 v Chr was koningin van Egypte. Ze werd geboren in 161 v. Chr. als dochter van Ptolemaeus VI en Cleopatra II. Ptolemaeus VII Neos Philopator was haar broer.

Na de dood van haar vader, werd haar broer koning van Egypte, met haar moeder die in zijn naam regeerde. Om controle te krijgen over Cleopatra II huwde ze Ptolemaeus VIII Euergetes II (Physcon) in 142 v. Chr. Later vermoorde Physcon Philopator en maakte zich meester van de troon.
Hij zette Cleopatra II af en gaf deze titel aan Cleopatra III. Ze schonk Physcon deze kinderen: Ptolemaeus IX Soter II, Ptolemaeus X Alexander I, Cleopatra IV, Cleopatra V Trypheana, en Cleopatra Selene.

 
Toen Physcon stierf, liet deze de troon na aan Cleopatra en haar zoon Ptolemaeus IX. Als het aan haar had gelegen, was de troon naar haar jongste zoon Alexander gegaan. De Alexandrijnen drongen haar Lathyros van Cyprus op als regent over Ptolemaeus IX.
Uiteindelijk, toen ze beweerde dat Lathyros haar probeerde te vermoorden, werd deze succesvol afgezet van zijn positie. Haar zoon Alexander keerde terug uit Cyprus en werd Ptolemaeus X. Uiteindelijk werd ze moe van het Alexander, en bracht Lathyros uit Cyprus, maar toen werd ze weer moe van hem, en bracht ze Alexander terug. Alexander werd moe van zijn moeder, en liet haar vermoorden in 101 v. Chr.
 
 
 
Ptolemaeus IX Soter II  ca 116 - 107 v Chr, bijgenaamd Lathyros en mogelijk ook Physcon en was de oudste zoon van Ptolemaeus VIII en Berenice III, waarschijnlijk geboren in 143/142 v. Chr.
Hij zou driemaal koning van Egypte zijn: van 116 tot 110 v. Chr., 109 tot 107 v. Chr. en 88 tot 81 v. Chr.
Hij was waarschijnlijk reeds eponiem priester in 134/133 v. Chr.
Hij werd gouverneur (strategos) van Cyprus rond 118 v. Chr.

Eerste regeringsperiode (116 - 107 v. Chr.)

Op 28 juni 116 v. Chr. werd Ptolemaios tot de jongere mederegent van Cleopatra II en Cleopatra III uitgeroepen, onder druk van de legervergadering in Alexandri?op Ptolemaios' moeder die van haar man toestemming zou hebben gekregen de zoon van haar keuze uit te kiezen als mederegent. Hij was gehuwd met zijn zuster Cleopatra IV}, van wie hij blijkbaar hield, maar moest scheiden om met zijn jongere zus Cleopatra Selena I te kunnen huwen.

 
Bij zijn eerste vrouw zou hij minstens ?n zoon hebben (waarschijnlijk Ptolemaeus XII en Ptolemaeus van Cyprus) en bij zijn tweede Berenice III. In september of oktober 117 v. Chr. werd Ptolemaios van de troon verjaagd, nadat zijn moeder hem ervan had beschuldigd haar te willen vermoorden. In de plaats van Ptolemaios IX plaatste ze nu haar lievelingszoon Ptolemaios X Alexander I op de troon.

Tussenperiode (107 - 88 v. Chr.)

Ptolemaios gaat in ballingschap. Hij slaagde er in de zomer van 105 v. Chr. de macht over te nemen op Cyprus. Cleopatra zag op aanraden van haar joodse generaal Ananias af van een verovering van Palestina. Deze werd uitgestuurd om Ptolemaios IX gevangen te nemen op Cyprus. Maar Ptolemaios IX wist aan zijn moeders leger te ontsnappen en te vluchtten naar Syri? Hij had immers kort voordien Antiochus IX Cyzicenus gesteund in zijn strijd tegen de joden, en zou hem ook steunen in zijn strijd tegen Antiochus VIII Grypos. Daarop zette Cleopatra III in op Antiochus VIII en stuurde hem naast versterkingen ook Ptolemaios IX voormalige echtgenote Cleopatra Selena I]]. Ptolemaios IX slaagde er dan ook niet in om Egypte van daaruit militair terug te winnen. Haar generaal, die faalde haar zoon gevangen te nemen, werd door haar ter dood gesteld. Ptolemaios X Alexander I, die hierdoor schrik kreeg, besloot het zeker voor het onzekere te nemen en liet zijn moeder in september 101 v. Chr. vermoorden. Daarop nam hij zijn echtgenote Berenice III tot mederegent in oktober 101 v. Chr. Maar door zijn jodenvriendelijke politiek en het feit dat de Syrische interne twisten waren be?ndigd, werd hij verdreven uit Alexandri?in mei 88 v. Chr. en werd Ptolemaios IX teruggeroepen uit ballingschap.

Tweede regeringsperiode (88 - 81 v. Chr.)

Ptolemaios IX werd waarschijnlijk in oktober of november 88 v. Chr. gekroond in Memphis. Hoewel hij nu alleenheerser was, kreeg hij de volgende jaren te maken met autochtone opstanden in Opper-Egypte. Van augustus 81 v. Chr. tot zijn dood die waarschijnlijk ergens in december 81 v. Chr valt te dateren, was zijn dochter Berenice III zijn mederegent. Zij zou hem opvolgen als koning van Egypte

 
 
 
Ptolemaeus X Alexander I was een koning van Egypte.en werd rond 130 v. Chr. geboren als zoon van Ptolemaeus VIII en Cleopatra III.
Zijn broer Ptolemaeus IX werd in 116 v. Chr. koning. Maar hij kreeg ruzie met zijn vrouw en Cleopatra Selene liet hem in 107 v. Chr. afzetten ten gunste van Ptolemaeus X.
Hij en Cleopatra Selene heersten 19 jaar.
Toen hij in 88 v. Chr. stierf, vluchtte Cleopatra met haar zoontje Ptolemaeus XI.


Ptolemaeus IX Soter II werd opnieuw koning van Egypte. (Zie boven)

 
 
 
Cleopatra Berenice III  ca 81 - 80 v Chr was koningin van Egypte in de periode van 81 tot 80 v.Chr. en van 101 v.Chr. tot 88 v.Chr. als co-regentes van haar oom/echtgenoot Ptolemaeus X Alexander I. Van 81 tot 80 heerste zij alleen over Egypte. Daarmee was zij de eerste vrouw die Egypte alleen bestuurde sinds 1100 jaar. De laatste was koningin Tawosret (19e Dynastie).

Ze werd rond 115 v.Chr. geboren als de dochter van Ptolemaeus IX Soter II (Lathyros) en Cleopatra Selena I. Ze trouwde met Alexander in 101 v.Chr. toen hij de troon had ontnomen van Lathyros en zijn moeder en grootmoeder die Cleopatra III had vermoord. Toen Lathyros de troon terug wilde claimen verloor Berenice haar macht. Maar toen Lathyros stierf nam Berenice de troon 6 maanden over en in die periode won ze de liefde van haar volk.

Ze werd gedwongen om Ptolemaeus XI Alexander II in 80 v.Chr. als koning te erkennen. Hij zou haar 19 dagen later vermoorden, wat een domme zet was, omdat de bevolking van hem gingen walgen en uiteindelijk vermoordden ze hem een paar dagen later.

 
 
 
Ptolemaeus XI Alexander II  ca 80 v Chr was koning van Egypte gedurende 18 of 19 dagen, kort voor 22 april 80 v.Chr.

Hij was een zoon van Ptolemaeus X Alexander I en Cleopatra Selena I. Vanwege de politiek instabiele situatie in Egypte vluchtte zijn grootmoeder Cleopatra III in 103 v.Chr. met hem naar Kos. Daar groeide Ptolemaeus op in het heiligdom van Asklepios.

In 88 v.Chr., aan het begin van de Mithridatische oorlog, werd Ptolemaeus op Kos gevangengenomen door Mithridates VI van Pontus. Vier jaar later wist hij echter te ontsnappen. Hij vluchtte naar de Romeinen, Mithridates' vijanden, en zocht zijn toevlucht bij Sulla.

 
Begin april 80 v.Chr. keerde Ptolemaeus terug naar Egypte, met steun van Sulla, die graag een pro-Romeins heerser op de Egyptische troon zag. Berenice III, die sinds de dood van Ptolemaeus IX Soter II (Lathyros) in december 81 alleen over Egypte regeerde, kon niet anders dan een co-regentschap met hem aangaan door met hem te huwen. 18 of 19 dagen na zijn troonsbestijging vermoordde Ptolemaeus Berenice echter, vermoedelijk om zo de alleenheerschappij over Egypte voor zich op te eisen. De Alexandrijnse bevolking veroordeelde de moord op de populaire Berenice echter en lynchte Ptolemaeus. De heerschappij over Egypte werd overgenomen door Ptolemaeus XII Neos Dionysos, de broer van Berenice.
 
 
 
Ptolemaeus XII Neos Dionysos Philopater Philadelphos (ook Auletes 'fluitspeler' of Nothos 'bastaard' genoemd) was van 80 tot 58 v.Chr. en van 55 tot 51 v.Chr. farao van Egypte.

Hij was een zoon van Ptolemaeus IX Soter II en Cleopatra IV, al werd zijn afkomst volgens Cicero vaak in twijfel getrokken. Ook zijn bijnaam nothos 'bastaard' wijst in deze richting. Hem werd een dochter, Cleopatra VII, geboren in 69 v.Chr. in Alexandri? van wie de moeder waarschijnlijk zijn zus (? nicht?, ? tante?) Cleopatra V Tryphaena, was. Zijn oudste zoon was de in 63 v.Chr. geboren Ptolemaeus XIII. Een jongere zoon was Ptolemaeus XIV.

Ptolemaeus stond bekend als een aanhanger van de cultus van Dionysus, zoals uit zijn bijnamen duidelijk wordt (ook Auletes verwijst vermoedelijk naar de Dionysuscultus, waarin muziek en dans een belangrijke rol speelden). Hij had het aan invloedrijke aanhangers van deze cultus te danken dat hij na de moord op Ptolemaeus XI Alexander II in 80 v.Chr. als zijn opvolger werd benoemd.

 
Tijdens Ptolemaeus' regering breidde de Romeinse heerschappij zich steeds verder uit in het Midden-Oosten. Rome stond echter toe dat Egypte onafhankelijk bleef, mits Ptolemaeus troepen zou sturen om Pompeius in Syria te hulp te komen, wat hij in 63 ook inderdaad deed.

In 58 was Ptolemaeus gedwongen Cyprus, dat tot die tijd onder Ptolemae?che heerschappij had gestaan, aan de Romeinen af te staan. Dit stuitte in Alexandri?op zoveel verzet, dat Ptolemaeus uit de stad werd verdreven. Met hulp van de Romeinen en tegen betaling van 6000 talenten zilver wist hij drie jaar later de Egyptische troon weer in handen te krijgen.

 
 
 
Berenice IV ca 58 - 55 v Chr was het oudste kind van Farao Ptolemaeus XII en koningin Cleopatra V.
Bij de vlucht van haar vader naar Rome tijdens een opstand in Alexandri? nam zij de heerschappij over.
Ze regeerde samen met haar zuster Cleopatra VI.
Na de dood van laatstgenoemde regeerde ze alleen tot haar vader, geholpen door Romeins geweld, de troon hernam.
Voor haar rebellie werd ze publiekelijk onthoofd door haar vader.
 
 
 
Ptolemaeus XIII Theos Philopator  ca 51 - 47 v Chr was de oudste zoon van Ptolemaeus XII Auletes en broer van de bekendste Cleopatra, Cleopatra VII.
Cleopatra VII was de derde dochter van koning Ptolemaeus XII, met wie zij in eerste instantie samen regeerde.
Toen Ptolemaeus XII Auletes stierf in het voorjaar van 51 v. Chr., was Cleopatra VII net 18 jaar oud en als Auletes' oudste kind (?n oudere zuster was reeds gestorven) werd zij co-heerser met haar jongere broer Ptolemaeus XIII.
Zij trouwde met hem en consumeerde het huwelijk om haar greep op de troon te verstevigen.
Vanaf augustus 51 v. Chr. begon Cleopatra VII met het weglaten van de naam van Ptolemaeus XIII in de offici?e documenten, een klap in het gezicht van de Ptolemae?che traditie die bepaalde dat vrouwelijke heersers ondergeschikt waren aan de mannelijke co-heerser.
Bovendien verscheen alleen Cleopatra's gezicht op munten. Misschien vanwege haar drang tot zelfstandigheid zette een kliek van hovelingen, geleid door de eunuch Pothinus Cleopatra af, waarschijnlijk in 48 v. Chr., wellicht eerder; een decreet met alleen de naam van Ptolemaeus bestaat uit 51 v. Chr.
Zij probeerde om een rebellie te organiseren rond Pelusium maar zij was spoedig gedwongen om Egypte te ontvluchten. Haar enige levende zuster, Arsino?IV vergezelde haar.
 
In de herfst van 48 v. Chr. echter bracht Ptolemaeus zijn eigen macht in gevaar door onwettelijke inmenging in de zaken van Rome. Toen Pompeius, op de vlucht voor de zegevierende Julius Caesar, arriveerde in Alexandri?op zoek naar bescherming, liet Ptolemaeus hem vermoorden om in de gunst van Caesar te komen.
Caesar vond dit verraad echter zodanig verachtelijk dat hij de Egyptische hoofdstad innam en zichzelf als arbiter in de rivaliserende claims van Ptolemaeus en Cleopatra benoemde. (Pompeius was getrouwd met de dochter van Caesar, die gestorven was bij de geboorte van hun zoon.) Na een korte oorlog werd Ptolemaeus gedood en Caesar herstelde Cleopatra op de troon, met een andere jongere broer, Ptolemaeus XIV, als nieuwe co-heerser.
 
 
 
Ptolemaeus XIV Theos Philopator II  ca 47 - 44 v Chr was koning van Egypte tot aan zijn dood.

Hij was een zoon van Ptolemaeus XII Neos Dionysos (Auletes) en een jongere broer van zijn voorganger Ptolemaeus XIII Theos Philopator. Er wordt vermoed dat hij op 15-jarige leeftijd in opdracht van zijn zuster Cleopatra VII vermoord werd om plaats te maken voor Ptolemaeus XV Caesarion de oudste zoon van Cleopatra.

 
 
 
Cleopatra VII Philopator  ca 51 - 30 v Chr was waarschijnlijk de bekendste Egyptische koningin, waarover nog steeds veel mythes en verhalen de ronde over doen.
Ze werd omschreven als 'uitmuntend in intelligentie, vorming en cultuur'. Ze zette haar charme in om belangrijke mannen voor haar te winnen en zo haar plannen door te kunnen voeren. Cleopatra was echter anders dan Hatsjepsoet een toonbeeld voor vrouwelijkheid. Ze wist haar vrouwelijke charmes niet onder stoelen of banken te steken en hield evenveel van schoonheid en hartstocht als van politieke machtspelletjes.
Cleopatra regeerde in eerste instantie doordat ze na de dood van haar vader, Ptolemaeus XII, haar minderjarige broer Ptolemaeus XIII van de troon stootte. Ze werd echter verbannen naar Syri? Pas met hulp van de Romeinen lukte het haar de Egyptische troon te heroveren. Bij de Romeinse keizer Julius Caeser kreeg ze een zoon maar in diezelfde periode begon ze een liefdesrelatie met diens legeraanvoerder Antonius.
 
Uit deze verhouding kwam de tweeling Alexander en Cleopatra en de zoon Ptolemaeus Philadelphos voort. Toen Antonius vanwege een strategische fout de oorlog tegen Rome verloor, pleegde hij zelfmoord. Tegelijkertijd werd Kaiserion, de zoon van Cleopatra en Caesar. samen met zijn vader in Rome vermoord.
Omdat Cleopatra de Romeinen niet de triomf van haar gevangenneming gunde, koos ze na de bijzetting van haar geliefde Antonius voor zelfmoord.

 
 
 
Ptolemaeus XV  ca 44 - 30 v Chr, bijgenaamd Caesarion (kleine Caesar), was de zoon van Cleopatra VII en Julius Caesar. Hij kon niet tot erfgenaam van zowel Egypte als Rome erkend worden. In Egypte volgde hij als driejarige in 44 v.Chr. zijn vermoorde oom Ptolemaeus XIV op als farao, maar in Rome werd hij uitgelachen door de Romeinse adel. Marcus Antonius beweerde dat Caesarion de enige echte erfgenaam van Caesar was, in tegenstelling tot Octavianus. Dit werd zowel Antonius als Caesarion niet in dank afgenomen en na de nederlaag van Cleopatra en Marcus Antonius tegen Octavianus werd hij op 16-jarige leeftijd op last van Octavianus omgebracht. Zijn jongere halfzuster Cleopatra Selene II en beide jongere halfbroers Alexander Helios en Ptolemaeus Philadelphos werden naar Rome ontvoerd.

 

Romeins en Byzantijns Egypte

Romeins en Byzantijns Egypte is de periode in de geschiedenis van Egypte die begint als de Romeinse alleenheerser Octavianus in 30 voor Chr. Egypte inlijft bij het Romeinse Rijk, waarmee een einde komt aan de periode van Macedonisch Egypte en Ptoleme?che rijk.

Gaius Julius Caesar Octavianus of keizer Augustus (63 v. Chr. - 14 n. Chr.) was de zoon van Gaius Octavius en Atia Maior en was de eerste keizer van Rome, van 27 voor Christus tot aan zijn dood in 14 na Christus. Hij was de opvolger van Gaius Julius Caesar en na hem was Tiberius Julius Caesar de keizer.

Augustus' daden voor hij keizer werd

Na de moord op Gaius Julius Caesar door onder anderen Brutus en Cassius in 44 v. Chr. brak in Rome een machtsstrijd uit tussen Marcus Antonius, legeraanvoerder Marcus Aemilius Lepidus en de toen 18-jarige Octavianus (=Augustus). Ze besloten uiteindelijk 5 jaar lang Rome samen te regeren als het zogenaamde "Tweede Triumviraat". In de 1e Slag bij Philippi in 42 v.Chr. versloeg Brutus Octavianus en Marcus Antonius versloeg Cassius. In de 2e Slag bij Philippi versloeg Antonius Brutus en redde daarmee Octavianus.

In 41 v. Chr. ontmoet Marcus Antonius de koningin van Egypte, Cleopatra. Toen hij hij haar zag vergat hij alles, zijn vrouw in Itali? en het hele Romeinse rijk. Intussen proberen Fulvia en Lucius Antonius Augustus van de troon af te gooien. Augustus moest zelfs Rome verlaten.

In 40 v. Chr. vertrok Augustus naar Gallia om daar de positie van Lucius Antonius te vernietigen. In 39 v. Chr. sluiten Sextus Pompeius en Augustus een deal voor even, maar al gauw werd Sextus Pompeius verraden door Augustus en daardoor verliest hij Corsica en Sardini?

 In 37 v. Chr. verslaat de Romeinse vloot die van Pompeius. En in 36 v. Chr. wordt hij voorgoed uitgeschakeld. Marcus Antonius begon echt goed samen te werken met Cleopatra. De machtstrijd werd erger, steeds maar erger, nadat Antonius een scheidingbrief had gestuurd naar zijn vrouw Octavia.

In de slag bij Actium, een plaatsje aan de kust van Hellas, versloeg de vloot van Augustus die van Antonius en Cleopatra. Antonius pleegde zelfmoord op zee. Cleopatra vluchtte naar Egypte en pleegde daar ook zelfmoord met een slangenbeet. Niemand durfde Augustus' Rijk meer te bedreigen. Hij had dus geen rivalen meer en werd in 31 v. Chr., toen hij 32 jaar oud was, de ultieme heerser over het Rijk. Pas in 27 v. werd hij ook de offici?e keizer.

Augustus als Keizer

Augustus wilde als keizer eerst een hoop oorlogen voeren: hij veroverde Egypte, delen van Turkije, en wilde ook de grens van de rijn honderden kilometers opschuiven van de rivier de Rijn naar de rivier de Elbe, waardoor een heel stuk van Duitsland veroverd werd. Dit lukte echter niet. Augustus wilde de Germanen verslaan in het Teutoburgerwoud. Hij liet drie legioenen (18.000 soldaten) onder leiding van Quintilius Varus de strijd aangaan. Maar de Germanen onder Aminius vermoordden bijna alle soldaten, en de Romeinen konden Germani?niet veroveren.

Na deze mislukte slag wilde Augustus vooral aandacht besteden aan de veiligheid. Hij liet alle legioenen de grenzen bewaken en zorgde voor beter wegen, zodat soldaten gauw van plek naar plek konden. Hierdoor begon een periode van rust en vrede in het Romeinse Rijk: de Pax Romana, oftewel Romeinse vrede. Deze duurde twee eeuwen en was de beste tijd van het Romeinse Rijk.

Augustus' dood en opvolging

Augustus stierf in 14 n. Chr. toen hij 76 jaar oud was en 45 jaar geregeerd had. Hij overleed tijdens een reis naar Campani?

Augustus is drie keer getrouwd. Eerst in 41v. met Cloda, in 40 v. Chr. met Scribonia en kreeg het enige biologische kind: Julia. En de laatste keer met Livia Drussilla in 38 v. Chr.. Hij had geen zoons die hem konden opvolgen en adopteerde er meerdere, maar geen van hen kon Augustus opvolgen. Daarom adopteerde hij kind van Livia, wat het kind was van de man met wie Livia was getrouwd voordat ze trouwde met Augustus. Het was dus Augustus' stiefzoon: Tiberius. Hij werd de opvolger van Augustus. Bij het volk was hij erg geliefd.

Romeinse Keizerrijk

De Romeinen hadden in Egypte negen cohortes gelegerd, waarvan drie in Alexandri? drie in Syene (dicht bij de grens met het Koninkrijk Aksum) en drie in het binnenland. De Romeinse machtsovername bracht voor de inheemse rurale Egyptische bevolking weinig verandering; ook de voertaal van het nieuwe bewind bleef Grieks. Net als onder de Ptolemee? bleef Egypte ?n grote plantage tot nut van de heersers. Het Egyptische graan stroomde nu niet meer naar de Ptoleme?che graanschuren, maar naar Rome, waar het voorzag in een derde van de voedselbehoefte. Dwangarbeid, vordering van landgoederen en drukkende belastingen maakten het leven van de plattelanders zwaar. Regelmatig kwamen de boeren in opstand, bijvoorbeeld in 295 - 298 n Chr, maar Rome wist hen meestal betrekkelijk eenvoudig weer te onderdrukken. Naast graan werden ook papyrus, graniet, albast en ander kostbaar gesteente naar Rome en later Constantinopel gebracht; Egyptische beelden en andere objecten werden versleept om pleinen en heiligdommen in Itali?en het Romeinse Rijk op te sieren

Palmyreense Rijk

Tijdens de Crisis van de derde eeuw, na de Slag bij Edessa (260 n Chr), waarbij keizer Valerianus I werd gevangengenomen, braken overal opstanden uit. Het Romeinse Rijk stond op de rand van de afgrond. De nieuwe keizer Gallienus, zoon van Valerianus, probeerde de opstanden in het Westen te beteugelen en gaf Septimius Odaenathus, de titel Corrector totius orientus "Gouverneur van het hele Oosten". Gestaag kreeg hij heel de regio onder controle. Bij zijn dood in 267 n Chr nam zijn beeldschone en bekwame vrouw Septimia Zenobia, de leiding over. Ze zette haar zoon Vabalathus op de troon, en ze riepen zichzelf uit als koning en koningin. Keizer Gallienus weigerde de titels te aanvaarden en de vriendschap sloeg om in ruzie. Palmyra scheurde zich af.

In 272 n Chr heroverde keizer Aurelianus de opstandige regio's. Zenobia en haar zoon werden door de Romeinen gevangengenomen en in gouden kettingen naar Rome gedeporteerd.

Dioecesis Orientis

De aanzet van de bestuurlijke hervormingen in het Romeinse Rijk begon met Diocletianus en zijn Tetrarchie: het opsplitsen van het rijk in vier delen. Constantijn de Grote zette die hervormingen verder in praefectura praetorio, die op hun beurt verdeeld werden in dĭ?cēsĭs. Het Palmyreense Rijk werd omgedoopt tot Dioecesis Orientis waar ook Egypte onder viel. Constantijn stichtte een nieuwe hoofdstad voor het rijk: Constantinopel en bij gelegenheid werd ook de bestemming van het Egyptische graan verandert. Dit stroomde voortaan naar Constantinopel.

Op het einde van de 4de eeuw, was men door de toenemende druk van buitenaf en van binnenin het Rijk, gedwongen een co-keizerschap te installeren en werd het bestuur van het oostelijke en het westelijke deel gesplitst. Het oostelijke deel, waar Egypte onder viel, had als hoofdstad Constantinopel. Herstructurering was een noodzaak, het aantal provincies steeg van 48 naar 120. Egypte werd een afzonderlijk diocees, Diocees Aegyptus, die werd onderverdeeld in 5 provincies.

Byzantijnse Rijk

Aan het eind van de 5e eeuw werd het Romeinse Rijk definitief gesplitst in een west- en oostdeel. Het oostelijke deel werd later bekend als het Byzantijnse Rijk met als hoofdstad Constantinopel (het huidige Istanboel). Het West-Romeinse Rijk werd overspoeld door barbaren en doofde langzaam uit. In het oosten gingen de Romeins-Perzische oorlogen gewoon verder.

De laatste, de Byzantijns-Sassanidische oorlog (602 - 628 n Chr) zal voor de regio grote gevolgen hebben. Van de tien jaar durende machtsstrijd aan de top van het Byzantijnse Rijk, profiteerde sjah Khusro II om Byzantium binnen te vallen. Antiochi?werd in 613 n Chr veroverd, daarna richten de Perzen zich naar het zuiden en veroverden in 614 n Chr Jeruzalem.

Enkele jaren later zullen de Sassaniden doorstoten naar Egypte (618 n Chr). De Byzantijnse legers werden meerdere malen verslagen en het land werd in 619 n Chr veroverd en vervolgens administratief in het Sassanidenrijk ingelijfd, waarmee ook de "graanschuur" van het Oost-Romeinse Rijk in Perzische handen was gevallen ? een catastrofe, die de keizer met lede ogen moest aanzien. Reeds een kort na de val van Jeruzalem in grote aantallen aangemunte zilvermunt met de bijzondere legenda Deus adiuta Romanis ("God, help de Romeinen!") toont de vertwijfelde toestand van het rijk aan.

Pas op 12 december 627 n Chr keerde het tij met de slag bij Ninive, toen keizer Herakleios tijdens een gedurfde veldtocht diep in Perzisch gebied, tot voorbij de Tigris was doorgedrongen. Hij wist met verschillende manoeuvres uit het ??Strategikon??, het militaire handboek van keizer Mauricius, de Perzische generaal Rhazates te verslaan. Als gevolg daarvan kon Herakleios de nabijgelegen zomerresidentie van Khusro II innemen. De grootkoning kon ternauwernood vluchten, en verloor door deze afgang veel van zijn prestige. Delen van het leger kwamen in opstand, Khusro werd afgezet en zijn zoon Siro?kwam onder de naam Kavad II op de troon. Kavadh liet (eind februari 628 n Chr) Khusro en achttien van zijn eigen broers terechtstellen, waarmee er aan de glorieuze, lange regering van de trotse Khusro II een roemloos einde kwam. Ook Kavadh stierf nog voor het eind van het jaar 628 v Chr, terwijl het door de Byzantijnse en Turkse oorlogen verzwakte Perzische Rijk al in 651 n Chr gewelddadig ten onder ging door de opkomst van de islamitische Arabieren.

Keizer Herakleios besloot in het offensief te gaan en dat werd een onverwacht succes. Het einde van de oorlog werd een uitputtingsslag, eerst had je het Beleg van Constantinopel (626 n Chr), daarna de val van Ninive (627 n Chr), het overlopen van generaal Shahrabaraz, naar het Byzantijnse kamp en de moord op sjah Khusro II (628 n Chr). De vrede die hier opvolgde, gaf aan Herakleios, de verloren gebieden terug.

Islamitische verovering

Door de voortdurende en eeuwenlange onderlinge oorlogen waren het Byzantijnse en Sassanidische Rijk helemaal uitgeput en een nieuwe speler op het toneel van het Midden-Oosten profiteerde daarvan. Vanaf 634 n Chr werd de islam door de volgelingen van Mohammed verspreid vanaf Mekka. Mohammed en zijn volgelingen stichtten het Arabische Rijk. In 636 n Chr werd Palestina veroverd, in 637 n Chr Mesopotami? in 640 n Chr veroverde de Arabische krijgsheer Amr ibn al-As, Egypte. Het Sassanidische Perzi?werd door de Arabieren uiteindelijk helemaal veroverd en de Byzantijnen wisten maar ternauwernood te overleven.

 

Vroeg-islamitisch Egypte

De periode van vroeg-islamitisch Egypte of ook wel de tijd van Egypte onder de Arabieren, Fatimiden en Ajjoebiden 640 - 1250 n Chr is in de geschiedenis van Egypte de periode na Romeins en Byzantijns Egypte  30 v Chr. ? 640 n Chr.

Arabieren

Tussen 639 en 642 verovert de islamitische Arabische kalief Omar Egypte. Het feit dat het regime in Constantinopel de, in hun ogen, ketterse Egyptische Kopten niet erg tolerant behandelde vergemakkelijkte deze verovering; sommige historici menen zelfs dat de Kopten de Arabieren verwelkomden als bevrijders van het Griekse juk.

Amr ibn al-'As was een Arabisch commandant, die zijn reputatie te danken heeft aan zijn verovering van het Egyptische rijk in 640. Hij klom sinds zijn bekering in 629 als een van de goede metgezellen van profeet Mohammed snel op in de islamitische hi?archie. Hij stichtte de stad Fustat, dat de hoofdstad zou worden en bouwde er de naar hemzelf genoemde Moskee Amr ibn al-As. Hij trok, met steun van Mokoukos (of Makaukas), prefect van Midden-Egypte, Memphis binnen, maakte zich meester van de Burcht van Babylon en trok op tegen Alexandri? waar de melkitische groepen zich het hardnekkigst verzetten. Alexandri?kreeg echter geen enkele hulp vanuit Byzantium. Na veertien maanden beleg gaf Alexandri?zich op 22 december 640 over.

Egypte was in de eerste eeuw na de verovering een typisch wingewest, dat aan de schatkist van de kaliefen in Damascus geweldige baten opleverde door middel van de belasting (djizya) die aan niet-moslims wordt opgelegd. Historici zijn echter eensgezind dat het moslim-Arabische bestuur in die periode toleranter was dan het Byzantijnse; de Arabieren eisten minder belastingen dan de Byzantijnen. Het Arabisch-islamitische bewind ondervond weinig moeilijkheden van de Egyptische kopten, maar er waren toch wel verscheidene opstanden van Koptische boeren. Aanvankelijk handhaafden de Arabieren de Kopten in hoge regeringsfuncties, in vreedzame samenwerking, en deden ze weinig pogingen de Kopten te bekeren tot islam, maar ontmoedigden ze zelfs bekering. Voor de Arabische heersers waren onbekeerde Egyptenaren een grote bron van belastingopbrengst die ze graag in ere hielden.

Omajjaden

De Omajjaden (of Omayyaden, Oemayyaden, Umayyaden, Banu Umayya enzovoort. Turks: Emeviler) vormden een dynastie die van 661 tot 750 het Arabische Rijk bestuurde. De Omajjaden waren van oorsprong een belangrijke clan uit Mekka en werden binnen de islamitische wereld de belangrijkste clan. In totaal regeerden veertien leden van de clan als kalief over de toenmalige islamitische wereld. Nadat de Omajjaden in 750 verslagen waren door de Abbasiden, zette de gevluchte prins Abd al-Rahman I de dynastie voort in Spanje tot 1027.

Na Mohammeds dood werd een opvolger aangesteld. Deze opvolgers kregen de titel emir al-mu'minin of Commandant van de Gelovigen. Eerst regeerde Mohammeds vriend en metgezel Aboe Bakr en vervolgens Omar (vermoord door een Perzische slaaf in 644). De derde commandant was Uthman van de clan van de Omajjaden. Hij wordt niet gezien als deel uitmakend van de Omajjaden-dynastie, aangezien hij gekozen werd door de brede kerngroep van moslims en zijn status als vroege moslimbekeerling. Hij wees ook geen opvolger aan vanuit zijn clan.

Maar er kwam al snel kritiek van de Hasjemieten omdat Uthmans regering bijna alleen maar bestond uit mannen van zijn eigen Omajjadenclan. Zo benoemde hij clanleden als gouverneurs in Egypte, Koefa en Basra (beide nu in het huidige Irak). Ook het veel bekritiseerde beleid van zijn voorganger Omar met betrekking tot belastingen op grondgebied werd door Uthman overgenomen. Dit beleid hield in dat belastingen afkomstig uit veroverde gebieden naar het toenmalige bestuurscentrum Medina gestuurd moesten worden, ten voordele van dit centrale bestuur, de soldaten die het land veroverd hadden en hun families. Landeigenaren buiten Medina vonden daarentegen dat hun lokaal opgebrachte belastingen ook lokaal gebruikt moesten worden.

Uthman werd in 656 door rebellerende moslims uit Fustat (Egypte) vermoord in zijn huis in Medina nadat onderhandelingen tussen hen en Uthman over de kwestie van de belastingheffing op niets uitgelopen waren.

De nieuwe kalief werd de Hasjemiet Ali, een neef en schoonzoon van Mohammed. Ali kreeg onmiddellijk tegenstand van enkele metgezellen van Mohammed, Talha en Zubayr, en de weduwe van Mohammed, A?ja. Zij marcheerden van Mekka naar Basra, waar ze een leger op de been brachten. Ali ging naar Koefa waar hij ook een leger opbouwde om strijd te kunnen leveren tegen hen. In 656 stonden de twee strijdmachten tegenover elkaar in de Slag van de Kameel. Ali won de strijd overtuigend: Talha en Zubayr werden gedood en A?ja werd teruggebracht naar Medina. De overwinnaars hadden niet de moed om de weduwe van Mohammed te executeren en zij werd daarom de rest van haar leven onder huisarrest geplaatst.

Deze 'broederstrijd' tussen de eerste generatie moslims was tevens de aanleiding om de tot dan mondeling doorgegeven Koran schriftelijk vast te leggen. Hierbij waren namelijk zoveel 'reciteerders', mensen die Mohammeds openbaringen van buiten kenden, gesneuveld dat de kennis van de Koran verloren dreigde te gaan. Kort daarna kwam er een eerste op schrift gestelde versie van de Koran uit. 657 n Chr

Vrij snel hierna daagde de gouverneur van Damascus, de nog door Uthman aangestelde Omajjaad Moe'awija, de zoon van Aboe Sufyan, Ali uit om de moordenaars van Uthman te vinden om hen te kunnen straffen. Toen Ali dit niet deed, leidde Moe'awija een leger tegen Ali in 657. De strijd verliep echter slecht voor Moe'awija en op het punt van het verliezen van de oorlog vroeg hij vervolgens aan Ali om arbitrage. Ali stemde toe en de arbitrage stond Moe'awija zelfs toe zijn ambt in Damascus te behouden. De vergevingsgezinde Ali verloor hierdoor echter de steun van een grote groep minder verdraagzamen, de kharidjieten ("zij die weggingen" of "rebellen") en hij werd in 661 door een van hen vermoord. Deze strijd staat bekend als de Eerste Fitna burgeroorlog.

De machtsovername door de Omajjaden in 658 ging met bloedvergieten gepaard. De Omajjaden-dynastie (658?750) bleek de Kopten niet langer gunstig gezind te zijn. De Kopten, die toen nog de meerderheid hadden, probeerden in zes opstanden tussen 725 en 773 zich van het Arabische juk te ontdoen. Discriminerende maatregelen, zoals het dragen van een zwarte gordel en zware belastingen, bemoeilijkten het leven voor de Kopten, zodat velen tot de islam overgingen. Naarmate meer Kopten overgingen tot de islam verminderden de belastingopbrengsten, maar ook de algemene welvaart van Egypte ging sterk achteruit.

De legitimiteit van de kaliefen werd al vrij snel in twijfel getrokken door de gewone moslims die meenden dat er een groot verschil was ontstaan tussen de luxe aan het hof en het egalitarisme van de vroege islam. Daarom werd in veel steden een vrome, geweldloze oppositie gevoerd, onder andere door de asceet Hasan al-Basri (728).

In 747 begonnen de Abbasiden, een groep rondom Imam Ibrahim, een opstand in de Iraanse regio Khorasan. Hij was een achterkleinzoon van Abbas, een oom van Mohammed. Veel Perzen en andere niet-Arabieren voelden zich tot de opstand aangetrokken omdat de Arabieren niet-Arabieren niet als gelijkwaardig beschouwden. Daarnaast vonden velen dat de kaliefen in Damascus niet volgens de regels van de Oemma leefden, maar te autocratisch regeerden. Ibrahim de Imam werd gevangengenomen en zijn strijd werd voortgezet door zijn broer Abu-Abbas Al-Saffah. In 750 werden in de Slag bij de Zab, nabij de stad Koefa, de Omajjaden verslagen door de Abbasiden. Abu-Abbas Al-Saffah claimde daarop het kalifaat.

De Omajjaden hadden 72 jaar geregeerd en veertien kaliefen voortgebracht.

Abbasiden

In 750, bij de machtsovername door de Abbasiden, vielen opnieuw slachtoffers. De laatste Omajjadenkalief, Marwan II, vluchtte naar Egypte en werd daar vermoord. In 830 werd door de Abbasiden het laatste Koptische verzet in de delta gebroken. De te Bagdad zetelende Abbasiden bestuurden Egypte evenals hun voorgangers door middel van stadhouders. Op den duur konden de Abbasiden hun gezag niet handhaven; in 868 stichtte stadhouder Ahmad ibn Toeloen de Toeloenidische dynastie. In 902 wist de kalief van Bagdad echter zijn gezag te herstellen. In 935 bleek opnieuw een stadhouder, Mohammed al-Ichsjid, in staat zich als onafhankelijk heerser op te stellen. Na zijn dood werd de macht uitgeoefend door de door hem tot voogd van zijn kleinzoon aangewezen eunuch Kafoer, die als een van de beste heersers van Egypte bekendstaat. In 968 stierf Kafoer.

Fatimiden

In 969 veroverde Gohar van het sjiitische vorstenhuis van de Fatimiden vanuit Tunis Egypte, met name de toenmalige provinciehoofdstad Fustat. Deze stad bouwden ze uit tot al-Medina al-Qahira (de Overwinnende Stad) oftewel Cairo. Nadat ze er Gama al-Azhar (de moskee van de meest glansrijke) hadden gesticht, voegden ze daar in 988 Game at al-Azhar al-Sjarief (de edele al-Azhar-universiteit) aan toe. Egypte werd een intellectueel en commercieel centrum van de moslimwereld, en een belangrijke handelspartner van onder andere Genua en Veneti?

Door inwendige twisten, maar ook door het niet wassen van de Nijl in de jaren 1062?1075, beleefde Egypte een diep economisch verval, waarbij ook schatten van literatuur en kunst verloren gingen. Daarna was het gezag herhaaldelijk in handen van viziers, religieuze regeringsadviseurs. Geleidelijk gingen steeds meer Egyptenaren over op de islamitische religie, vermoedelijk wegens de daaraan verbonden sociale, economische en politieke voordelen.

Ajjoebiden

De opvolgingskwestie in het kalifaat van de Fatimiden, bracht met zich mee dat de ene partij hulp vroeg aan de kruisvaarders en de andere partij aan Nur ad-Din. In 1169 veroverde generaal Shirkuh in dienst van Nur ad-Din, Egypte. Kort na zijn overwinning stierf Shirkuh en kreeg zijn neef Saladin de titel van vizier van Egypte van al-Adid, kalief van de Fatimiden.

Toen al-Adid in 1171 stierf, nam Saladin de titel van sultan en stichtte de dynastie van de Ajjoebiden. In 1172 versloeg Saladin de laatste kalief van de Fatimiden. De Fatimiden waren isma?iten, een tak van het sjiisme. Saladin bekeerde de Egyptenaren om, opnieuw, soennitisch te worden. De Al-Azhar Universiteit en Moskee zouden zich vervolgens ontwikkelen tot een van de belangrijkste autoriteiten binnen de soennitische islam. In tegenstelling tot de Fatimiden erkende Saladin de autoriteit van de Abbasidische kalief in Bagdad.

Toen Nur ad-Din in 1174 stierf, riep Saladin een oorlog uit tegen diens zoon As-Salih Ismail al-Malik en veroverde Damascus. Ismail vluchtte naar Aleppo, waar hij weerstand bleef bieden aan Saladin, totdat Ismail vermoord werd in 1181. Hierna veroverde Saladin het grootste deel van het binnenland van Syri?

 

Kruisvaardersinvasie van Egypte

De Kruisvaardersinvasie van Egypte (1154 - 1169) bestond uit een aantal campagnes gevoerd door het Koninkrijk Jeruzalem om zijn positie in de Levant te versterken ten koste van het verzwakte Kalifaat van de Fatimiden in Egypte.

In de nasleep van de Eerste Kruistocht en de Slag bij Ascalon van 1099 bleven de Fatimiden uit Egypte plundertochten ondernemen tegen de kruisvaarders in hun nieuw veroverde koninkrijk. Ondertussen had Zengi, gouverneur van Aleppo, in het noorden een aantal aanvallen uitgevoerd, waarbij het Vorstendom Antiochi?/b> grote schade had geleden.
De Tweede Kruistocht (1146-1148) was erop gericht om de schade te herstellen die door Zengi was toegebracht. De aanval werd echter gericht op Damascus, Zengi's rivaal. Het beleg werd een mislukking, en de kruisridders hoopten nu in de richting van Egypte te expanderen.

Tijdens de daar in de 12e eeuw heersende dynastie der Fatimiden waren interne ruzies meer regel dan uitzondering. De macht lag niet bij de kalief, die niet meer dan een pion was, maar bij zijn grootvizier, de belangrijkste ambtenaar. De instabiele situatie in Egypte maakte het rijp voor inname door een machtiger partij; zowel de kruisvaarders als de Syri?s onder Zengi hadden hun oog erop laten vallen.

De oorlog begon tijdens conflicten rond de opvolging van de kalief. Terwijl een deel van de Egyptenaren de hulp inriep van de Syrische vorst Nur ad-Din, zochten anderen contact met de kruisvaarders. Er brak een burgeroorlog uit, en de scheidslijn liep tussen twee religies: moslims en christenen.

De verovering van de Palestijnse stad Ascalon door de kruisvaarders in 1154 betekende dat het kalifaat op twee fronten in oorlog was, met een vijandelijke basis vlak bij de grens met Egypte.

Een aantal Syrische campagnes in Egypte werd afgestopt door de agressieve campagnes van koning Amalrik I van Jeruzalem. Maar de kruisvaarders hadden ook niet alles mee, hoewel verschillende steden geplunderd werden. Een gecombineerd beleg van Damietta door Byzantijnen en kruisvaarders in 1169 mislukte ook. Datzelfde jaar werd de Koerdische generaal Salah ad-Din in Egypte tot vizier benoemd; hij is bij ons bekend als Saladin. In 1171 werd hij sultan van Egypte en bracht hij wat meer eenheid in zijn rijk, waardoor de kruisvaarders zich moesten terugtrekken om zich bezig te houden met de verdediging van hun koninkrijk, dat nu door twee sterke buren omringd werd. Het zou nog zestien jaar standhouden tot Jeruzalem opnieuw viel.

Na de val van Jeruzalem in 1187 gingen de kruisvaarders zich steeds meer op Egypte richten en minder op de Levant. Tijdens de Derde Kruistocht hield Richard Leeuwenhart tweemaal een pleidooi voor een invasie van Egypte. Indien Egypte in christelijke handen zou komen, hadden de kruisvaarders meer mankracht om het Heilig Land opnieuw in te nemen. De moslimwereld had immers steeds weer profijt van de soldaten en middelen uit deze regio. De daaropvolgende kruistochten (de Vierde, Vijfde, Zevende, Achtste en de Alexandrijnse Kruistocht) werden allemaal op Egyptisch grondgebied uitgevochten, met tijdelijke overwinningen en verliezen als gevolg. Het leverde uiteindelijk niets op voor de kruisvaarders: rond 1291 werd het laatste grote kruisvaardersbolwerk Akko veroverd en het Heilig Land verviel aan de strijdkrachten van de mammelukken.

Akko de stad van de kruisvaarders

Akko is gebouwd op een landtong in de baai van Haifa in Israel. De perfecte locatie voor een havenstad. Al een paar duizend jaar is de plek op die manier in gebruik bij verschillende volkeren. In de tijd van de kruistochten tussen 1095 en 1291 n.Chr. waren West-Europese christenen een periode heer en meester in Akko of Acre zoals de stad toen bekend stond. Voor de christelijke kruisvaarders was de stad van vitaal belang voor het handhaven van hun moeizaam bevochten koninkrijk in het heilige land.

In het hedendaagse Akko is van het kruisvaarders Acre weinig meer te zien. Daarvan rest bovengronds alleen nog een indrukwekkend fort, door islamitische Turken voor eigen gebruik hersteld eeuwen na de laatste nederlaag van de christenen.

De rest van het christelijke Acre ligt meters onder de grond. De islamitische troepen van sultan Al-Malik Al-Ashraf (1262-1293) hebben na de laatste herovering van Acre in 1291 de verwoeste stad volgestort met puin en aarde en letterlijk met de grond gelijk gemaakt om voor altijd te vergeten. Dachten ze.

Verdedigbare haven

Hoe begon het allemaal met die kruistochten naar het heilige land? In 1095 roept paus Urbanus II op tot een kruistocht om in het Oosten land terug te veroveren op islamitische heersers. Daarna zouden er in twee eeuwen tijd in totaal negen van dit soort militaire acties gehouden worden. Tijdens de eerste kruistocht (1095-1099) lukt het de christelijke ridders en pelgrims om Jeruzalem en omgeving te veroveren en er een eigen rijk te vestigen. Maar het stukje land is moeilijk te verdedigen. Daarom is er grote behoefte aan een constante levering van troepen en goederen uit het Westen. Dat vereist een goed verdedigbare haven, zoals Acre.

In 1104 lukt het de kruisvaarders om de stad in handen te krijgen. Ze verbeteren en vergroten de forten en havens. En al snel wordt Acre, net als havenstad Jaffa in het Zuiden van Israel, een aanlegplaats voor schepen vol met nieuwe pelgrims en soldaten.

Nog ?n keer herovert Egypte in 1187 de stad, daarna is Acre een eeuw lang (van 1191 tot 1291) de hoofdstad van de kruisvaarders. Dit door een effectieve belegering onder de leiding van onder andere Richard I Leeuwenhart (1157-1191). De beheersing van Jeruzalem is te onstabiel om de stad als hoofdstad te gebruiken.

Lucratieve business

De kruisvaarders hebben tijdens hun heerschappij in het heilige land een constant gebrek aan soldaten. Hun sterkste wapen tegen hun islamitische vijanden is dan ook het uitbouwen van forten, steden en burchten waarin ze zich kunnen verschansen. Acre is hier een uitstekend voorbeeld van. Niet alleen hebben de drie grote ridderorden er hun fort, ook zijn de muren verstevigd en zijn er torens gebouwd.

Acre is een eeuw het centrum van de politieke en economische macht in de regio. De handelssteden Genua, Pisa en Veneti?hebben allemaal hun eigen wijk in de stad. De handel met de lokale bevolking en het vervoer van pelgrims van en naar het heilige land is een lucratieve business. Het is ?n van de weinige steden in die periode waar de twee geloven elkaar niet bevechten.

Toch raakt deze vrede verstoord. De nieuwe gewapende pelgrims hebben namelijk totaal geen weet van het leven in het heilige land. De ervaren kruisvaarders weten dat ze ver in de minderheid zijn en dat de vrede fragiel is. De nieuwe pelgrims zijn te fanatiek en grijpen snel naar het zwaard als ze de lokale moslims zien.

Zand erover

Dit is ook het geval in 1291. Acre is dan de laatste grote stad in handen van de kruisvaarders en er heerst vrede dankzij een verdrag met de Egyptische sultan Al-Malik Al-Ashraf. Een bloedig incident tussen de nieuwe gewapende pelgrims en de lokale moslims is de aanleiding voor een belegering door de sultan. Het begin van het einde voor de kruisvaarders. Zij zijn ver in de minderheid en niet opgewassen tegen het grote Egyptische leger.

De strijd is kort en heftig. Zowel burgers als soldaten proberen per schip te ontkomen naar Cyprus. Daarvoor zijn zelfs tunnels aangelegd om ongezien vanuit de forten in de stad naar de havens te komen. Maar veel christenen zijn er niet ontkomen. En met de achtergebleven christenen heeft de sultan geen medelijden.

Hij laat ze allemaal ombrengen om daarna de resten van de stad zoveel mogelijk te begraven. In de daarop volgende eeuwen is het huidige Akko erbovenop gebouwd.

De tunnel

De resten van de christelijke stad sluimerden ondergronds tot de jaren ?90 van de vorige eeuw. In 1994 ontdekken archeologen een tunnel onder Akko. Het blijkt een tunnel te zijn van de ridderorde der Tempeliers, gebouwd om van hun fort in de stad naar de zee te komen.

Als je er doorheen loopt voelt het als een ontsnappingsroute. Vooral met het verhaal van de belegering in het achterhoofd is het je niet moeilijk voor te stellen dat mensen in deze tunnel voor hun leven renden om een plekje op een schip naar Cyprus te bemachtigen.

Complete kruisvaardersstad 

Behalve de vluchttunnel hebben archeologen de citadel van de Hospitaalbroeders teruggevonden, een van de andere grote ridderorden uit de kruisvaarderstijd. Zij bouwden ooit in Acre grote gotische zalen, waarin ridders, pelgrims en zieken konden verblijven, eten en trainen. Nu na vele eeuwen nog steeds indrukwekkend om te zien.

Verder is er uit het puin en stof van eeuwen een kerk tevoorschijn gekomen, graftombes, een binnenplaats en talloze historische voorwerpen. De archeologische opgravingen onder het huidige Akko gaan nog steeds door. Wie weet wat voor historische schatten er de komende jaren nog aan het licht komen.

Onder de citadel van Akko hebben archeologen de afgelopen 15 jaar doorlopend opgravingen gedaan. Ze vonden er een complete kruisvaardersstad die werd gebruikt door de Orde der Hospitaalridders.

Eliezer Stern, archeoloog in Akko: ?Het is net als Pompeii, uit de Romeinse tijd ? het is een volledige stad?. Hij noemt de stad ?een van de opwindendste vindplaatsen in de wereld van de archeologie?. De Ridderzaal is de grootste zaal in het complex.

 

Verder met de Kruisvaardersinvasie van Egypte

Shawar, de afgezette vizier van Egypte, riep de hulp van Nur ad-Din in om hem in zijn oude positie te herstellen. Deze stuurde zijn generaal Asad ad-Din Shirkuh met een leger, in de hoop dat een verbond tussen Syri?en Egypte ook de ondergang van het koninkrijk Jeruzalem zou inluiden. In mei 1164 werd Shawar opnieuw ge?stalleerd als vizier van Egypte. Hij was echter vooral vizier in naam, omdat Nur ad-Din Shirkuh tot heerser van Egypte had benoemd. Shawar kon daarmee niet instemmen en wendde zich tot aartsvijand Amalrik I van Jeruzalem.

Amalrik I had zijn eigen plannen voor Egypte. Shawars uitnodiging om naar Egypte te komen kon hij niet weerstaan. Bij Bilbeis, een vesting ten oosten van de Nijl, belegerde Amalrik samen met Shawar de stad waarin Shirkuh zich bevond. Maar Nur ad-Din trok ondertussen op tegen het Vorstendom Antiochi?/b>, en tijdens de Slag bij Harim werden de vorsten Bohemund III van Antiochi?/b> en Raymond III van Tripoli gevangengenomen. Amalrik moest zijn beleg plotseling afbreken en zich naar het noorden spoeden om de kruisvaardersstaten te verdedigen. Niettemin verliet Shirkuh Egypte, waardoor Shawar in feite winnaar werd en de heerschappij in Egypte verwierf.

Shawars regeerperiode in Egypte was van korte duur. Shirkuh keerde in 1166 terug naar Egypte. Shawar probeerde zijn kruisvaarderstroef opnieuw uit te spelen, en Amalrik geloofde nu in een andere tactiek: hij wilde een confrontatie op open terrein en dacht zo een makkelijke overwinning te boeken. Amalrik kon daarbij voor bevoorrading en andere middelen steun vinden vanuit zee, terwijl Shirkuh die steun miste. Amalrik trok met zijn leger op langs de korte kustroute en kon zich snel bij zijn bondgenoot Shawar aansluiten, nog net voor Nur ad-Dins generaal Shirkuh met zijn leger arriveerde.

Terwijl het gezamenlijke kruisvaarders- en Fatimidenleger zich samentrok bij Cairo, deed Shirkuh een onverwachte zet en trok met zijn leger vanaf de piramiden van Gizeh zuidwaarts. Het gecombineerde leger achtervolgde het Zengidenleger en in de Slag bij al-Babein kwam het tot een bloedig treffen, maar de slag bleef onbeslist. Vervolgens achtervolgden de gecombineerde strijdkrachten de Syri?s noordwaarts, omdat Shirkuh daar van plan was om Alexandri?te belegeren. Maar nadat hij een kruisvaardersvloot voor anker zag liggen, wist hij dat zijn kansen beperkt waren. Uiteindelijk kwam het tot onderhandelingen, en Shirkuh beloofde dat hij zich zou terugtrekken als de kruisvaarders dat ook deden. Amalrik bedong een schatting van de Egyptenaren en trok zich vervolgens terug, een hem gunstig gezinde vizier Shawar op de troon achterlatend.

Voordat de vierde campagne startte zou Amalrik er goed aan gedaan hebben om de grenzen met Syri?te versterken, maar hij liet zich door de Hospitaalridders verleiden om Egypte opnieuw binnen te vallen en het definitief te veroveren. Daarbij zou hij steun ontvangen van het Byzantijnse Rijk. Het idee ontstond in 1166 toen Amalrik om hulp verlegen zat tijdens de Slag bij al-Babein; Manuel I Komnenos was dit niet vergeten en stuurde hulp. Amalrik voerde opnieuw een aanval op Bilbeis uit in 1168, waarna de gehele bevolking werd afgeslacht. Daardoor verspeelde hij de steun van de Koptische christenen, die tot dan toe de kruisvaarders als bevrijders hadden gezien.

Shawar zocht nu zelf hulp in Damascus, vanwaar opnieuw zijn oude vijand generaal Shirkuh gestuurd werd. Deze wist Amalrik uit Egypte te verdrijven, hij veroverde Cairo, liet de onbetrouwbare vizier Shawar vermoorden en werd zelf grootvizier. Hij overleed echter nog geen twee maanden later aan de gevolgen van een peritonsillair abces, waarna zijn neef Saladin hem opvolgde als regent.

Bij Damietta formeerde het verbond van Byzantijnen en kruisvaarders zich en begon met het belegeren van de havenstad. De kruisvaarders plunderden de stad, maar werden na drie maanden verlaten door de Byzantijnen. In 1171 riep Saladin zich uit tot sultan, terwijl Amalrik gedwongen werd om zich terug te trekken, aangezien hij hoge verliezen had geleden door voedseltekort en ziektes.

De orde van de Hospitaalridders was bankroet na de campagne, maar wist zich al gauw financieel te herstellen. Dat kon niet van het Koninkrijk Jeruzalem gezegd worden, dat nu omringd was door vijanden. Zijn ondergang werd onvermijdelijk. Saladin kreeg behalve in Egypte ook steeds meer invloed in Syri?en kon als het nodig was een leger op de been brengen van meer dan 100.000 man. Na Nur ad-Dins dood in 1174 bleven Syri?en Egypte verenigd, en uiteindelijk greep Saladin in 1185 definitief de macht.

Enkele overwinningen, zoals de Slag bij Montgisard, hielden het Koninkrijk Jeruzalem nog op de been. Maar in 1187, na de verloren slag met het door Saladins Ajjoebiden geleide leger bij Hittin, werd Jeruzalem door de moslims heroverd. De kruisvaarders bleef nog slechts een smalle kuststrook langs de Middellandse Zee Voor de verdediging ervan waren ze in toenemende mate afhankelijk van onervaren en politiek gemotiveerde versterkingen uit Europa.

 Grens Egypte-Israel met het kruisvaarders kasteel. in de Golf van Akaba

 

Mammelukken Egypte

Mammelukken of mamlukken (Arabisch: مملوك; letterlijk: (een persoon) in bezit, bezetene; vroeger ook als "mamelukken" gespeld) waren in de middeleeuwen in de islamitische wereld slaven, voornamelijk van Turkse origine, die opgeleid werden tot militair of bestuurder. De meesten waren geboren in arme families, die bij een overschot aan kinderen hun zonen verkochten. Veel islamitische veroveraars uit de middeleeuwen maakten gebruik van legers die grotendeels uit dergelijke slaven bestonden. Slaven die bijzonder capabel bleken konden tot hoge functies opklimmen, zoals legerleider, minister of vizier. In een aantal gevallen werd een voormalige slaaf zelf sultan.

In het Midden-Oosten werden de mammelukken een machtige militaire orde, die als ridders te paard vochten, onder andere tegen de kruisridders. Van 1250 tot 1517 regeerde een mammelukkendynastie van sultans over Egypte. Eerder, in 1206, was in het noorden van India de Slavendynastie aan de macht gekomen.

De eerste mammelukken werkten in de 9e eeuw voor het Abbasiden-kalifaat in Bagdad. De Abbasiden wierven hen uit niet-moslimfamilies in Anatoli? Oost-Europa, Centraal-Azi?en de Kaukasus. Door niet-moslims als militairen in te zetten, werd gedeeltelijk het islamitische verbod op gevechten tussen moslims omzeild. Na hun bekering tot de islam werden zij opgeleid tot cavaleristen. Hun diensten werden beloond met macht en uiteindelijk met vrijheid. Vele mammelukken klommen op tot hoge posities binnen het rijk. De status was niet-erfelijk: zonen konden hun vaders niet opvolgen.

In het leger van het Ajjoebidische Rijk, opgericht door Saladin, kregen de mammelukken na verloop van tijd de macht in handen. In 1250 leidden mammelukse emirs een succesvolle staatsgreep en vermoordden de Ajjoebidische sultan. Daarna konden ze Egypte voor zich opeisen.

Vanuit hun basis in Cairo rukten ze op naar Syri?en Palestina. In 1260 bracht Baibars, hun aanvoerder, in het noorden van Palestina het Mongoolse leger een nederlaag toe. In 1271 veroverde hij in Syri? de kruisvaardersburchten    

        

                                           Chastel Blanc

Krak des Chevaliers

In 1291 vielen ook de steden Tyrus, Sidon, Beiroet en Akko. Zo voltooiden de mammelukken het werk van Saladin en verdreven de laatste kruisvaarders uit de Levant. Hun rijk strekte zich nu uit tot Oost-Turkije.

De mammelukken hielden vast aan het slavensysteem: diegene die het grootste slavenleger had, kon sultan worden. Er was dus ook toen geen erfelijke opvolging. Eenmaal aan de top moest de sultan een bekwaam machiavellist zijn om zich te kunnen handhaven. De mammelukken waren trots op hun vechtkunst.

Dankzij hun veroveringen beheersten zij de specerijenhandel in oost-westrichting. De belastingen op bijvoorbeeld specerijen, zijde en parfum maakten Cairo tot een van de rijkste steden ter wereld. Dit blijkt uit het erfgoed aan schitterende bouwwerken (vooral moskee?) dat nu nog aanwezig is. De bouwtradities uit het Midden-Oosten werden gecombineerd: de mammelukken vermengden Armeens metselwerk met Noord-Afrikaans stucwerk, Byzantijnse moza?ken met polychroom ingelegd marmer.

Belangrijke voorbeelden van deze architectuur zijn de moskee? van Sultan Hassan en ar-Rifai in Cairo. Ook in Syri?vindt men bouwwerken uit deze tijd: een voorbeeld is het mammelukken-paleis binnen de citadel van Aleppo.

De in 1230 op een heuvel gebouwde citadel van de Syrische stad Aleppo dat geldt als een van de sterkste burchten ter wereld, steekt 50 meter boven de stad uit en wordt omgeven door een 20 meter diepe en 30 meter brede greppel. Een van de typische kenmerken van de burcht is de grote toegangspoort die via een brug bereikt kan worden. Deze werd in de XVIe eeuw gebouwd door de Mamelukken. In de poort zijn drie stalen deuren verwerkt. Verder bestaat de burcht uit een wapenzaal, de Byzantijnse zaal, de troonzaal, een amfitheater en een hamam. Ook een paar waterputten waarvan enkele 125 meter diep en een ondergronds gangenstelsel maken deel uit van het gebouw.De stad werd achtereenvolgens geregeerd door de Hittieten, de Assyri?s, de Arabieren, de Mongolen, de Mamelukken en de Ottomanen. De ommuurde stad rond de citadel toont bewijzen van een vroeg Grieks-Romeins stratenplan. 

Het mammelukken-monopolie op de oost-westhandel spoorde Europa aan nieuwe wegen naar Oost-Azi?te zoeken. Na een vergeefse poging in westelijke richting, waarbij Columbus in 1492 landde in Amerika in plaats van in India, wist in 1498 Vasco da Gama de Kaap de Goede Hoop te omvaren; dit betekende een zware slag voor de Egyptische handel.

Het mammelukse Rijk werd ten val gebracht door de Ottomanen. In 1517 versloeg sultan Selim I het mammelukse leger en veroverde hun hele rijk in slechts enkele jaren. De Ottomanen namen de macht in Egypte over, maar de mammelukken bleven aan als plaatselijke elite.

In 1798 viel Napoleon Egypte binnen met een Frans revolutionair leger en versloeg de mammelukken (zie: Expeditie van Napoleon naar Egypte). Napoleon was niettemin onder de indruk van de mammelukse cavalerie en formeerde een eigen mammelukken-korps voor het Franse leger. Napoleons lijfwacht Roustam Raza was ook een mammeluk

 

Ottomaans Egypte

De periode van Ottomaans Egypte is in de geschiedenis van Egypte de periode na Vroeg-islamitisch Egypte (640-1517). Het duurde formeel tot 1914, maar in 1867 kwam Egypte onder Britse invloed.

 

In 1517 veroveren de Ottomaanse Turken onder leiding van sultan Selim I het Mamlukse rijk bestaande uit Egypte en Syri? Tot 1914 bleef Egypte deel van het Ottomaanse Rijk, maar vanaf 1801 werd die band steeds losser en symbolischer.

Nadat de Portugezen in 1488 de zeeroute om Kaap de Goede Hoop naar Azi?hadden gevonden, en de Spanjaarden in 1492 begonnen waren de Cara?en en de Amerika?s te veroveren, verloor de Europese handelsroute naar Azi?door Egypte en Syri?aan betekenis, wat tot verarming van Egypte en Syri? leidde. Na 1517 trokken vele geleerden en ambachtslieden uit Cairo weg naar de Ottomaanse hoofdstad Constantinopel die nu Istanboel genoemd werd. Cairo verloor zijn vooraanstaande positie aan het expanderende en florerende Istanboel, maar bleef toch een belangrijk economisch en cultureel centrum, met transithandel van koffie en textiel uit India naar Anatoli? Noord-Afrika en de Balkan, en ook wel handel met de rest van Europa, vooral Frankrijk, bijvoorbeeld in specerijen, textiel, rijst, tarwe, suiker, en eind 17e eeuw enige tijd koffie. Handel met zwart Afrika in goud, ivoor, laken, specerijen en slaven bleef onverminderd bloeien. Het systeem van ?belasting verpachten? (tax farming) waarbij de Ottomaanse regering het recht om belasting te innen verpachtte aan Mamlukken en oelama (moslimgeleerden) leidde echter tot uitbuiting van boeren, ambachtslieden en kooplui. Boeren die hun belastingen niet konden opbrengen verlieten hun dorpen en werden nomaden. Ook de rivaliteit tussen Mamlukken onderling, en tussen hen en de Ottomaanse gouverneurs, verarmde het land. Eind 18e eeuw was Egypte armer, en ge?oleerder van Europa en de landen oostwaarts, dan drie eeuwen eerder. De bevolking, ooit tien miljoen, telde tegen 1798 vier miljoen zielen.

Er waren echter ook tekenen van terugkerende Egyptische zelfstandigheid en zelfbewustheid. Twee Mamlukse krijgsheren, Ali Bey Al-Kabir (1760-?72) en Muhammad Abu al-Dhabab (?72-?75) wisten tijdelijk de macht over Egypte te ontrukken aan de Ottomanen en lieten een centraal bestuur over Egypte, los van Constantinopel, vrij goed functioneren. Sommige etnische Egyptenaren werkten zich op tot grootgrondbezitter; de al-Azhar-universiteit beleefde een renaissance; intussen bleven de oelema recht spreken en openbare orde handhaven.

Franse bezetting (1798-1801)

In april 1798 voer de Franse generaal Napoleon Bonaparte de haven van Toulon uit met een vloot van 13 slagschepen, 6 fregatten en 40.000 troepen, om Egypte te veroveren. 1 juli landde hij bij Alexandri? De met hun zwaard zwaaiende Mamlukken op hun paarden dolven het onderspit tegen de modern bewapende Fransen, die op 21 juli Cairo innamen. Napoleon stelde een regeringsraad in, bestaande uit oelema en afstammelingen van de profeet Mohammed. Na twee maanden was er rebellie van koopmansgildes en soefi-broederschappen tegen de Franse bezetters. De Fransen openden vanaf de citadel van Cairo het vuur op moskee?.

In juli 1799 probeerden de Ottomanen tevergeefs met een leger te landen bij Abu Qir. In maart 1801 wist een gezamenlijke Brits-Ottomaanse legermacht de Fransen te verslaan en verjagen. Vervolgens vertrokken ook de Britten, en bleef een Ottomaans bezettingsleger achter om de orde te herstellen.

 

Egypte als semiautonome Ottomaanse provincie (1801-1882)

  Mehmet Ali (1801-?48)

Van 1801 tot 1805 strijden Mamlukse facties om de macht in Egypte, en verzwakken daarmee elkaar en zichzelf. Een ondercommandant in het Ottomaanse bezettingsleger, vermoedelijk van Albanese afkomst, Mohammed ?Ali, beter bekend onder zijn Turkse naam Mehmet Ali, weet intussen de steun te winnen van de oelama en de gildes, en krijgt van de sultan in Istanboel gedaan dat die hem in 1805 benoemt tot nieuwe wāli (= gouverneur) over Egypte. Tot zijn dood zou zijn grootste zorg zijn: die macht te behouden. In dat kader zou Mehmet in 1811 ongeveer 470 Mamlukken vermoord hebben tijdens een banket in de citadel van Cairo.

Westerse invloeden

Van hoge belastingheffingen bij de boeren financierde Mehmet Ali een sterk leger. Zijn regering voerde staatsplanning van de landbouwsector in: verstrekking van zaaigoed, gereedschap, mest, irrigatie, het plannen van de agrarische productie, en het bepalen van de prijzen die boeren moesten ontvangen voor hun producten. Later liet hij Franse ingenieurs kanalen, dammen, stuwen, sluizen en nieuwe irrigatiesystemen aanleggen. De agrarische sector bloeide op.

Mehmet voerde meer Westerse vernieuwingen in: rivierhavens, pakhuizen, katoenontkorrelmachines, suikerraffinaderijen, etc. Ook probeerde hij industrie? naar Westers voorbeeld van de grond te krijgen, maar dit sloeg nauwelijks aan. Wel kwamen technische scholen van de grond, en opleidingen voor geneeskunde, talen, administratie, en kunstonderwijs.

Lossere band met Turkije

Mehmet?s leger werd het sterkste van het Midden-Oosten. In 1811-1818 heroverde hij voor de Ottomanen Mekka en Medina. In 1821 bracht hij een deel van Soedan onder zijn controle, in het noorden werd de provincie Nubi?met Khartoem als provinciehoofdstad ingericht, en in het midden Kordofan met hoofdstad El Obeid. Hiervandaan werden slavenraids uitgevoerd naar Zuid-Soedan.

In 1825 steunde zijn zoon Ibrahim tevergeefs de Ottomanen in hun strijd tegen de Griekse onafhankelijkheidsoorlog. In 1831-?33 verovert Ibrahim, met enige steun van Frankrijk, heel Syri?(oftewel de Levant) en een deel van Anatoli?van, nota bene, zijn eigen Ottomaanse sultan. Het Turkse Rijk dreigde te vallen en sloot ter overleving een verdrag met Rusland (1833).

Groot-Brittanni?zag nu, dat zowel Rusland zijn invloed in de oostelijke Middellandse Zee vergrootte via Turkije, als Frankrijk via Egypte, en vreesde daar nadelen van. Eerst sluiten de Britten daarom in 1838 een handelsverdrag met de Ottomanen. Vervolgens eisen de Britten met alle Europese machten behalve Frankrijk in 1839 dat Egypte zich terugtrekt uit Syri? Mehmet en Ibrahim weigeren. Daarop bombarderen de Britten Akko en dreigen met invasie van Syri? Na onderhandelen wordt het Verdrag van Londen van 1840 overeengekomen, waarin Mehmet Ali belooft zijn troepen uit Syri?terug te trekken, in ruil voor erkenning door het Ottomaanse Rijk en de Europese machten van Egypte als bevoorrechte autonome provincie van het Ottomaanse Rijk onder bestuur van Mehmet en z?n nakomelingen.

  Abbas Hilmi I (1848-?53)

 

Spoorlijn

In 1848 sterft Mehmet Ali. Kleinzoon Abbas Hilmi I volgt hem op als gouverneur. Nadat de Britten in 1836 een postkoetsverbinding tussen Cairo en Suez (150 km) hadden ingesteld, gaf in 1851 Abbas Hilmi de Britten toestemming een spoorlijn aan te leggen tussen Alexandri? en Cairo (200 km). Daarmee ontstond een handelsroute tussen Engeland en zijn koloni? in India die nog maar zes weken vergde, half zo lang als de zeeroute via Kaap de Goede Hoop.

  Mohammed Said Pasha (1854-?63)

Said Pasha was een zoon van Mohammed Ali Pasha, de stichter van het moderne Egypte. Toen zijn oom Abbas I Hilni op 13 juli 1854 werd vermoord, volgde hij hem op als erfelijk gouverneur van Egypte namens de sultan van het Osmaanse Rijk.

Al direct na zijn ambtsaanvaarding moest hij beslissen over het plan van de Franse diplomaat Ferdinand de Lesseps om een kanaal te graven van de Middellandse Zee naar de Rode Zee. Hij verleende een concessie voor het kanaal, waarvan hij de voltooiing niet meer zou beleven. Ten behoeve van dit project stichtte Said in 1859 de havenstad Port Said.

Hij trouwde twee keer. Eerste vrouw: Angie Hanem  Zoon uit de eerste vrouw: Ahmed sherif Basha Tweede vrouw: Malek ber Hanem  Zonen van de tweede vrouw: Mohamed Toson Basha en Mahmoud Basha  Er is nu een lid van zijn familielijn, genaamt  Prince Mohammed Farouk Sharif en is de oudste kleinzoon van Ahmed Sherif Basha  zoon van Mohamed Said Pasha en woont nu in Alexandria.

 

Het Suezkanaal

De Fransman Ferdinand de Lesseps, hij werd geboren op 17 november 1805 te Versaille, jeugdvriend van Said, kreeg dat jaar toestemming van hem om het Suezkanaal te graven. Hij was een Franse ingenieur die al sinds 1854 als consult in Cairo was. Hij kreeg van de Egyptische onderkoning Said een concessie van 99 jaar voor het graven van het Suezkanaal in het jaar 1856. Hij kreeg daarbij hulp van E. Negrelli, die de technische leiding in handen kreeg. In 1859 werd met het graafwerk begonnen en op 17 November 1869 werd het kanaal officieel opengesteld. De Suezkanaal Maatschappij financierde de aanleg met uitgifte van aandelen, die wereldwijd werden verkocht
Het Suezkanaal is een waterweg in Egypte die de Middellandse Zee en de Rode Zee met elkaar verbindt. Het kanaal is, inclusief de toegangsvaargeulen, 195 km lang. In de noordelijke sectie is het kanaal 365 m breed en heeft een vaargeul van 180 m. In het zuiden 305 m breed en een vaargeul van 175 m.
Het begin van het verhaal van het Suezkanaal is al in 2000 v.Chr als farao Sesostris de oostelijke Nijlarm en alle meren met elkaar laat verbinden. De kanalen verzanden en in 600 en 500 v.Chr. moest Pers Daruis I het kanaal weer herstellen. De daarop volgende heersers onderhielden het kanaal, maar kalief
Mansur vond het een strategisch risico en liet het kanaal dempen in 775.

De echte behoefte naar een kanaal tussen de Rode Zee en de Middellandse ontstond toen de handel in Azi?erg belangrijk was. Engeland en Frankrijk, die daar hun koloni? hadden liggen moesten een hele omweg varen via kaap Goede de Hoop om bij deze koloni? te komen. Voor hen zou het een heel stuk varen schelen wanneer er door Egypte een waterweg zou komen. Dan zou dat een hoop geld en tijd besparen. Ook kwam de handel van vooral specerijen via scheepsvaart kwam zoveel voor dat het de oplossing voor alle boten en schepen uit Europa zou zijn wanneer zij via het de Suezkanaal naar Azi?zouden kunnen gaan.

Na het graven van het Suezkanaal

Nadat Said aan Lesseps de opdracht had gegeven tot het graven van het Suezkanaal, had Egypte grote schulden. Hij liet dan ook een groot deel van deze schuld achter toen hij in 1863 overleed. Hierna kwam Ismail aan de macht, hij verdubbelde belastingen en kreeg van Constantimopel de eretitel van Khedive (onderkoning). Waarna hij het Suezkanaal in 1869 voor een vergroting van het strategisch belang van Egypte. Ismail wou expanderen in Afrika, maar in Afrika waren een groot deel van de koloni? in bezit van Engeland en Frankrijk. En beide waren van plan een groot deel van Afrika tot hun kolonien te behalen. Engeland wou het oosten van Afrika expanderen en Frankrijk het noorden. Ze trokken een soort kruis door Afrika. Deze noemde ze het dan ook ? kruis over de kaart van Afrika?. Het Midden Oosten maakte op dat moment deel uit van het Turks Osmaanserijk. Op een bepaald moment verovert Ismail de Nijldelta. Maar wanneer hij daar te veel invloed krijgt komt Groot-Brittanni?in opstand.
In Egypte ontstaat dezelfde rechtspraak als er in heel Europa al was, Code Napoleon. In Egypte was deze nog niet ingevoerd omdat zij deel uit maakte van het Turks Osmaanse rijk. Hierdoor ontstond in Egypte steeds meer invloed vanuit Europa. In 1875 was Egypte economisch zo achteruit gegaan dat Ismail de schulden aan Europa niet meer kon betalen en genoodzaakt was de aandelen van het Suezkanaal te verkopen aan Engeland in zijn Suez-maatschappij. Hierbij moest hij ook toekijken hoe buitenlanders zijn financi? gingen controleren. Tenslotte werd Ismail ontslagen en nam Mohammed Tawfik de macht over. In 1882 werd Arabi, een nationalist, aangewezen als minister van Oorlog. Hij kwam in conflict met Frankrijk en Engeland, zij waren bang voor hun aandeel in het Suezkanaal. Hierdoor ging Groot-Brittanni?over tot militaire actie. Ze bombardeerde Alexandrie en in september 1882 was de bezetting van Engeland een feit.

In 1958 was ene Nassser, een dictator, aan de macht. Hij had geld nodig voor o.a. nieuwe waterwegen en het leger. Een grote bron van inkomsten het Suezkanaal, vanwege de tol die de schepen moesten betalen voor de vaart erdoorheen. Daarom besloot hij het Suezkanaal te nationaliseren wat eerst natuurlijk Frans en Engels gebied was. Hierdoor waren de Britten en Fransen natuurlijk niet blij mee. Hierdoor liet de VS die op dat moment midden in de Koude oorlog verwikkelt was.
De hulp die de Vs aan Egypte gaf vallen. Daardoor had Egypte ruzie met Frankrijk, Engeland en VS. Maar kreeg wel steun van de Sovjet-Unie. Hierna zoekt Engeland contact met Israel, die op dat moment ruzie heeft met alle andere Arabische landen. Dan valt Israel heel toevallig Egypte aan waardoor Engeland en Frankrijk kan ingrijpen. Dit noemen ze het neokolonialisme. De VS was anti-kolonialisme. En de Sovjet-Unie was op dat moment bondgenoot van Egypte. Daarom besloot de VN raad bijeen te komen. Zij besloten dat de engelse zich terug moesten trekken. En als uiteindelijk was Nasser de grote winnaar, want het kanaal was genationaliseerd.

Voor het graven van het Suezkanaal

In de tijd dat het Suezkanaal gegraven wordt zijn er 2 grootmachten in de wereld, namelijk Engeland en Frankrijk. Frankrijk was minder belangrijk als Engeland, maar kwam toch aardig in de buurt. En dan was er nog het Osmaanse Rijk. Dit was heel erg groot, maar wel erg zwak. Hier probeerde Engeland en Frankrijk dan ook steeds meer grondgebied in te krijgen. Verder hadden Frankrijk en Engeland vooral voor gebied in het Midden Oosten. Dit was moeilijk bereikbaar, omdat de schepen helemaal om Afrika heen moesten. Daarom zou het voor Engeland en Frankrijk een stuk vermakkelijken wanneer er een vaarroute via Egypte zou komen. In Egypte was nog steeds de grote invloed van Frankrijk te vinden van een bezetting die van 1797 tot 1800. De Britten ontdekte dat het verschil van de 2 zee? maar 30 cm was in plaats van 3 meter, wat eerdere berekeningen van Napoleon?s ingenieurs berekend hadden.
Toch waren de Britten niet blij met de waterweg door Egypte, dit door het feit dat de Britten net een spoorweg hadden aangelegd. . Economisch gezien was dit natuurlijk niet echt een opsteker.Want wanneer er een vaarweg zou komen zou niemand meer gebruik maken van de spoorweg die ze net hadden aangelegd. En zouden ze nooit het geld eruit halen wat ze erin hadden gestoken. Engeland was er dus helemaal niet blij toen Lord Palmerston in 1833 een brief van William IV ontving. Nog een reden tegen het bouwen van het kanaal was dat de Franse invloed in de wereld zou vergroten. En Frankrijk was al bijna net zo grootmacht als Engeland, hoewel Engeland nog steeds de vloot had, zou Frankrijk toch meer invloed krijgen. Door al deze reden was Engeland eigenlijk tegen het graven van het Suezkanaal en kreeg daarom Frankrijk, namelijk Ferdinand Marie Lesseps, de opdrachtvoor het graven.

Technisch werd het graven ook mogelijk gemaakt door het feit dat de stoommachine werd uitgevonden. Als de stoommachine niet was uitgevonden had de bouw van het Suezkanaal waarschijnlijk nog even op zich laten wachten. Dit door het feit dat in de vaarroute tussen de Rode Zee en de Middellandse vaak een sterke noordelijke wind, waardoor het heel moeilijk is om zeilschepen te laten varen. En omdat er door de stoommachine stoomboten gebruikt konden worden gebruikt, was het wel mogelijk tot het graven van het Suezkanaal. .

Verarming islamitische Egyptenaren

De handelsovereenkomst tussen Engeland en het Ottomaanse Rijk uit 1838, die sinds 1840 ook voor Egypte gold, hield in dat Britse fabrieksproducten met verlaagde invoerheffingen naar deze landen mochten worden ge?porteerd. Deze regeling ondermijnde de lokale Egyptische ambachten en handelsgildes en frustreerde de ontwikkeling van eigen Egyptische industrie.

Daarnaast hield de overeenkomst in, dat Britten, gevestigd in Ottomaans gebied, ontheven waren van de lokale wetten en belastingen, tenzij hun eigen regering akkoord was gegaan met die wetten of belastingen. Deze regeling heet in het Engels de Capitulations of the Ottoman Empire. Later sloot de Turkse sultan zulke Capitulations ook met andere Westerse landen. Een gevolg hiervan was, dat Europese ondernemers, ingenieurs en leraren in Egypte kanalen, waterleiding en modern onderwijs kwamen helpen realiseren. Deze ondernemers huurden echter vaak Egyptische minderheden zoals Armeni?s en Joden in als lokale vertegenwoordigers, en boden hen een Europese nationaliteit aan, waardoor zij meeprofiteerden van de legale en fiscale voordelen van de Westerlingen. Daarnaast kwamen dankzij de Capitulations ook armere Europeanen ongestoord een bestaan in Egypte opbouwen als aandelenspeculant, zwendelaar of handelaar in onzedelijke artikelen. Deze twee bijeffecten werkten discriminerend en concurrentievervalsend voor de autochtone islamitische Egyptenaren, en daarmee vaak nadelig voor hun levensomstandigheden.

  Ismail Pasha (1863-1879)

Expansie en financieel wanbeleid

Nadat Said al geld was gaan lenen van Europese bankiers leende zijn opvolger, neef (oomzegger) Ismail Pasha, vanaf 1863 grote bedragen in het buitenland, en hij liet de staatsschuld astronomisch stijgen. Zijn uitgavenpatroon was bedenkelijk. Bruggen, spoorlijnen, havens, telegraaflijnen waren verstandige investeringen; het Egyptisch Museum, de Opera van Cairo, het gigantische feest in 1869 met alle Europese royalty en andere upper-class ter viering van de opening van het Suezkanaal, gaven Egypte een autonomer en in Europese ogen ?beschaafder? imago. Maar Ismail besteedde ook geld aan leger en marine en veroveringen in Afrika, aan paleizen en jachten, z'n kameraden en z?n echtgenotes, aan omkopen van journalisten en Turkse politici, en het ?kopen? van zijn nieuwe titel kedive (= prins) in 1866. In 1871 werd Zuid-Soedan veroverd en de provincie Equatoria gesticht. In 1874 werd Darfur ingelijfd, waardoor geheel hedendaags Soedan onder Egyptisch gezag stond. In 1875 verkocht Ismail zijn aandelen in het Suezkanaal aan Britten om zijn schulden te kunnen aflossen.

Europees ingrijpen

In 1876 oordeelde een Britse onderzoekscommissie desondanks dat Egypte op weg was naar een bankroet. Kedive Ismail stemde in met een schuldsaneringscommissie bestaande uit Britten, Fransen, Italianen en Oostenrijkers. In 1877 droeg Ismail de controle over het hele Egyptische financi?e beleid over aan een comit?van Britten en Fransen, de zogenaamde dual control. Toen ook dat niet hielp nam hij in 1878 een Brit en een Fransman op in zijn regering. De ontluikende middenklasse van goed opgeleide Egyptenaren was deze groeiende Brits/Franse inmenging in hun landsbestuur een doorn in het oog. In 1879 organiseerde ze straatprotest. Ismail bond in, ontsloeg de Britse en de Franse minister weer en schrapte bezuinigingen die de Europeanen hadden ge?st. De Europese machten hadden er geen vertrouwen meer in dat het nog goed zou komen met de 93 miljoen Egyptische ponden staatsschuld, en gaven in 1879 de Turkse sultan de opdracht, Ismail af te zetten en diens zoon Tewfik als kedive aan te stellen.

  Muhammed Tewfik Pasha (1879-1892)

Revolutie van Urabi

Na de Europese ?regieaanwijzing? aan Istanboel in 1879 was het duidelijk dat de nieuw aangetreden kedive Tewfik nog slechts een pion was in het spel van de grote Europese machten. Tewfik probeerde dus weer netjes de Britten en Fransen te gehoorzamen die zeer stringente bezuinigingen eisten. De bezuinigingen raakten de gewone Egyptenaren, en de autochtoon-Egyptische officieren en dienstplichtigen in het leger, hard.

Januari 1881 protesteerde kolonel Ahmed Urabi bij premier Riyad en kedive Tewfik tegen het ontslag van vele autochtoon-Egyptische officieren. Urabi en twee medestanders werden gearresteerd. Oorlogsminister Rifqi wilde hen berechten voor de krijgsraad. De manschappen van Urabi en medestanders bestormden het ministerie om hen te redden, en verhinderden zo de krijgsraadzitting. Urabi en medestanders kregen gedaan dat honderden ontslagen officieren terug in dienst werden genomen en een democratischer grondwet werd geschreven.

9 september 1881 eiste Urabi het ontslag van de regering-Riyad Pasha. In een nieuwe regering werd vervolgens Urabi zelf aangesteld als onderminister van Oorlog. Soedan werd intussen vanaf 1881 stapsgewijs geheel ingenomen door Mahdi-opstandelingen onder leiding van Mohammed Ahmad ibn Abd Allah.

In november 1881 werd de nieuwe grondwet afgekondigd, waarna verkiezingen volgden, en de opening van de eerste Egyptische volksvertegenwoordiging met wetgevende bevoegdheden. Begin 1882 werd Urabi minister van Oorlog. Vervolgens gingen er geruchten over plannen om de kedive omver te werpen. Nu vreesden de Britten en Fransen en andere Europeanen voor de waarde van hun investeringen in Egypte, voor de afbetaling van de Egyptische staatsschulden, en voor de veiligheid van het Suezkanaal. In mei 1882 vroegen Londen en Parijs om de afzetting en verbanning van Urabi. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk dreigden te interveni?en om kedive Tewfik te steunen, en dirigeerden oorlogsschepen naar de oostelijke Middellandse Zee. Urabi vreesde een Europese invasie en beschuldigde de kedive van collaboratie met zulke invasieplannen. Kedive Tewfik herbenoemde Urabi als minister van Oorlog; vluchtte toen naar Alexandri?om bescherming van Europese marinevloten te zoeken.

In juni 1882 kwam het in Alexandri?tot een botsing en rellen tussen geprivilegieerde Europese immigranten en islamitische Egyptenaren. De Egyptische regering sloeg deze rellen neer; 3000 Egyptenaren en 50 Europeanen kwamen daarbij om. Britse oorlogsschepen verschenen in de haven van Alexandri?en eisten dat Urabi zijn kustdefensie ontmantelde; die weigerde dat. Toen bombardeerden de Britten de fortificaties aan de kust van Alexandri? en landden in Egypte, wat het begin zou blijken van een lange Britse bezetting.

 

Egypte onder Britse overheersing

Urabi verklaarde de Britten de oorlog. Het veel sterkere Britse leger zegevierde in december 1882 echter eenvoudig over de Egyptische strijdkrachten, in de slag bij Tal al-Kabir.

De kedive en zijn kabinet veroordeelden hem ter dood, maar onder druk van Lord Dufferin, de Britse ambassadeur in Constantinopel, die naar Egypte was gestuurd als hoge commissaris, werd het vonnis omgezet in levenslang. Urabi werd verbannen naar de Britse kolonie Ceylon, waar hij de rest van zijn leven doorbracht. Het Britse leger zou in Egypte blijven tot na de Tweede Wereldoorlog.

Daarmee begon een lange Britse bezetting. De Britten namen in feite het landsbestuur over. Lord Cromer (Sir Evelyn Baring) regeerde Egypte als eerste Britse consul-generaal van 1883 tot 1907 met ijzeren hand. Kedive Tewfil was nu een marionet in Britse handen.

  Abbas Hilmi II (1892-1914)

Abbas Hilmi II  voerde de titels "Heerser van Nubi?quot;, "Heerser van de Soedan, Kordofan en Darfoer". Als kedive van Egypte was hij een leenman van de Turkse Sultan al had de Britse regering in de praktijk de controle over Egypte gekregen.

Deze oudste zoon van kedive Muhammad Tawfik Pasha en Prinses Amina Najiya Khanum Effendimiz, Valida Sultana werd in Gen?e en aan het Theresianum in Wenen opgeleid. Hij sprak dan ook uitstekend Turks, de voertaal in zijn Turkse familie, Frans, Engels en Duits. Hij sprak als eerste van zijn dynastie ook Arabisch. Op 7 januari 1892 volgde zijn zoon Abbas Hilmi II hem op. Soedan, dat sinds 1874 geheel onder Egyptisch gezag had gestaan, werd tussen 1881 en 1888 geheel veroverd door de zelfverklaarde Mahdi, Mohammed Ahmad ibn Abd Allah.

Rond 1892 ontwikkelde zich een Egyptische nationalistische beweging die streefde naar democratisch bestuur door en voor alle Egyptenaren. Dit nationalisme ori?teerde zich vooral op het antieke Egypte uit de tijd van de farao's, waar moslims en kopten in gelijke mate trots aan ontleenden. De kritiek van de nationalisten luidde, dat het Britse beleid in de eerste plaats de Britse belangen diende en pas in de tweede plaats de Egyptische. De Britten maakten bijvoorbeeld Egyptische textielindustrie onmogelijk: Egypte mocht katoen leveren aan Engeland, en de hiermee vervaardigde kleding weer inkopen bij Engelse firma's, maar hoge exportaccijnzen op Egyptische eindproducten smoorden een eigen katoenindustrie. Wel lieten Westerse toeristen en renteniers met hun bestedingen enige rijkdom tot Egypte doorsijpelen. Omdat oppositie tegen het Britse beleid vooral in diverse dagbladen werd gevoerd, begonnen de Britten in 1909 kranten die opruiende artikelen publiceren te onderdrukken.

De Egyptische antikoloniale beweging had deels ook islamitische trekken. De tendens van sommige kopten om gewillig met de Britten mee te werken droeg het gevaar in zich van spanningen tussen Egyptische christenen en moslims. Premier Boutros Ghali, kopt, ging akkoord met onbeperkte verlenging van de concessie aan de Suezkanaal-maatschappij, en werd in reactie daarop vermoord in 1910 door een fanatieke opponent van het Britse bestuur. De Egyptische pers, politieke en andere publieke bijeenkomsten werden verder aan banden gelegd. Kitchener, vanaf 1911 de nieuwe consul-generaal, legde nationalistische leiders beperkingen, gevangenisstraf, of verbanning op. Wel lieten de Britten in 1913 verkiezingen houden voor een Wetgevende Vergadering, die daarna inderdaad in januari 1914 in werking trad.

Eerste Wereldoorlog

Zodra de Eerste Wereldoorlog uitbrak riep het Verenigd Koninkrijk een protectoraat over Egypte uit. De band tussen Egypte en Turkije werd verbroken en was onduidelijk aan welke zijde de Turkse Sultan stond. Na enige aarzeling koos de Turkse regering de kant van Oostenrijk en Duitsland. Kedive Abbas die toevallig in Constantinopel verbleef kon daarom niet terugkeren naar zijn, door de Britten gecontroleerde, land. Hij werd op 18 december 1914 afgezet. Op die dag verving het Verenigd Koninkrijk het Turkse protectoraat door een Brits protectoraat.  Ook werden belangrijke nationalisten onder huisarrest geplaatst en werd kedive Abbas, die sympathie voor de nationalisten had getoond, vervangen door diens oom sultan Hoessein Kamel.

  Hoessein Kamel (1914-1917)

De Egyptische Wetgevende Vergadering werd buiten werking gesteld en het openbare bestuur werd deels overgenomen door matig opgeleide Britten. Egypte werd vervolgens gebruikt als uitvalsbasis voor Britse, Australische en Nieuw-Zeelandse troepen en 100.000 Egyptenaren werden verplicht tot dienstverlening aan deze legers.

Hoewel de aanwezigheid van die troepen, en de toegenomen vraag naar Egyptische agrarische producten, enige welvaart brachten, nam de goodwill, die de Britten nog hadden, sterk af. De nationalistische leider Sjeik Jawish, uitgeweken naar Istanboel, hielp de Ottomaanse sultan met het opstellen van een proclamatie van jihad tegen de Geallieerden. In 1917 werd de Egyptische sultan Hoessein opgevolgd door zijn broer Foead.

  Foead I Kamel (1917-1936)

Foead I  was sultan en later de eerste koning van Egypte (na de onafhankelijkheid van dat land in 1922) en Soedan, soeverein vorst van Nubi? Kordofan en Darfur.

Foead was de zevende zoon van Isma'il Pasha en diens echtgenote Farial Kadin. Zijn overgrootvader was Mohammed Ali van Egypte, stichter van het moderne Egypte. Tijdens zijn regeerperiode had Foead grote moeite met de Wafd partij.

Hij regeerde over Egypte van 1917 tot 1936, eerst als sultan en vanaf 1922 als koning. In 1936 volgde zijn zoon, Faroek hem op. Foead sprak geen Arabisch, maar zorgde er des te meer voor dat zijn zoon Faroek dat wel deed.

Foead huwde zijn eerste vrouw, H.H. Prinses Shivakiar Khanum Effendi (1876-1947) op 30 mei 1895 in het Abbasiya Paleis te Cairo. Zij was zijn nicht en de enige dochter van H.H. Prins Ibrahim Fahmi Ahmad Pasha. Het paar kreeg twee kinderen, een zoon, Ismail Foead, die al op jonge leeftijd stierf, en een dochter, Fawkia. Het huwelijk was niet erg gelukkig, het paar scheidde in 1898. Tijdens een onenigheid met de broer van zijn vrouw, werd Foead in zijn hals geschoten. Hij overleefde het, maar hield er de rest van zijn leven een litteken aan over.

Foead huwde zijn tweede vrouw, Nazli Sabri (1894-1978) in het Bustan Paleis te Cairo, op 26 mei 1919. Zij was een dochter van Abdu'r-Rahim Pasha Sabri en Tawfika Khanum Sharif. Het paar kreeg vijf kinderen, onder wie de latere Faroek van Egypte en vier dochters. Fawzia, Faiza, Faika, en Fathiya. Ook dit huwelijk was niet gelukkig. Foead verbood zijn vrouw het paleis te verlaten en ze hadden regelmatig ruzie. Na zijn dood verkocht Nazli uit wraak al zijn kleding aan een tweedehandswinkel in de buurt van het paleis.

Foead stierf in het Qubba Paleis te Cairo en werd bijgezet in het Khedival Mausoleum van de ar-Rifai Moskee.

Revolutie (1919-1922)

Gedurende 1918, toen de Eerste Wereldoorlog ten einde leek te lopen, overlegden Egyptenaren over het sturen van een delegatie (Arabisch woord wafd) naar de te verwachten Vredesconferentie. Op 13 november 1918 vroeg een delegatie onder leiding van Saad Zaghloel aan de Britten onafhankelijkheid voor Egypte, deelname aan de komende Vredesconferentie, en aan het vooroverleg hierover in Londen. Hiermee was de latere Wafd-partij geboren. Londen weigerde echter Zaghloel te ontvangen, waarop uit protest de Egyptische premier Rushdi zijn ontslag indiende. Wegens de aanhoudende pressie van de nationalistische beweging verbanden de Britten in maart 1919 Saad Zaghloel en drie andere Wafd-leden naar Malta. Uit woedende verontwaardiging braken in heel Egypte demonstraties en geweld uit, die pas luwden toen Zaghloel een maand later werd vrijgelaten. Inmiddels waren in de chaos 1000 ?3000 Egyptenaren en ongeveer 40 Britten omgekomen. Een Britse onderzoekscommissie onder leiding van lord Alfred Milner toog naar Egypte om te onderzoeken hoe het Verenigd Koninkrijk het protectoraat zou kunnen voortzetten. Milner raakte echter onder de indruk van de Egyptische saamhorigheid en adviseerde het protectoraat te be?ndigen. De Britse regering wees dit in eerste instantie af. Wegens de niet aflatende Egyptische protesten zagen de Britten in februari 1922 echter geen andere oplossing meer dan eenzijdig te verklaren dat het protectoraat be?ndigd was, en dat Egypte een onafhankelijke staat was geworden

Politieke structuur

In feite werd Egypte op 28 februari 1922 echter ni? onafhankelijk, maar won het slechts gedeeltelijke autonomie, in de vorm van een 'koninkrijk' dat formeel tot 1953 zou standhouden. Tot 1942 zou de Egyptische politiek vooral bepaald worden door de machtsdriehoek van de Britten, de koning, en de Wafd-partij. Egyptische geleerden schreven een grondwet. Deze gaf aan koning ? voorheen sultan ? Foead de bevoegdheid om de premier aan te wijzen, en om functionarissen in het leger en de ambtenarij, en oelema te benoemen; en de bevoegdheid om wetgeving te veto?, en het parlement te ontbinden. Ook had de koning macht door zijn enorme grondbezit.

De Wafd-partij had enorme steun onder de bevolking en kon eerlijke verkiezingen altijd winnen. In de eerste parlementsverkiezingen behaalde de partij 179 van de 211 zetels in het Huis van Afgevaardigden. De Wafd bleef geloven in de weg van onderhandelingen om de Britse troepen het land uit te krijgen. De Britten hadden in februari 1922 vier terreinen genoemd die onder Brits gezag zouden blijven, waaronder bescherming van buitenlandse belangen en minderheden in Egypte, en veiligheid van door Egypte lopende verbindingsroutes die voor het Britse Rijk belangrijk waren. Met name wilden de Britten het Suezkanaal onder hun controle houden.

Naast deze machtsdriehoek konden kleinere partijen soms enige invloed doen gelden. De Nationale Partij was van mening dat met de Britten pas onderhandeld kon worden nadat die hun troepen hadden teruggetrokken. De Liberale Constitutionalisten daarentegen hadden zich in 1919 juist van de Wafd afgescheiden omdat ze die te onverzoenlijk en te demagogisch vonden. Vanaf 1925 speelde ook de Communistische Partij een rol. In 1936 bereikte de Egyptische regering eindelijk een verdrag met de Britten die gedurende vredestijd nog twintig jaar maximaal 10.000 troepen in Egypte mochten houden. Die troepen moesten wel meteen snel weg uit Cairo en Alexandri?en zich concentreren bij het Suezkanaal. In 1936 werd koning Foead opgevolgd door zijn zestienjarige zoon Faroek.

  Faroek I Kamel (1936-1952)

Faroek I  was koning van Egypte van 1936, toen hij zijn vader Koning Foead I van Egypte opvolgde, tot 1952, toen hij werd afgezet door een coup onder leiding van kolonel Gamal Abdel Nasser en generaal Mohammed Naguib. Faroeks ?n jaar jongere zuster Fawzia was de eerste echtgenote van Mohammed Reza Pahlavi, de sjah van het toenmalige Perzi?/b>, nu Iran.

De 16-jarige Faroek besteeg de troon op een golf van populariteit; zelfs vele anti-monarchistische politici gaven zich enige tijd gewonnen. Zijn populariteit en reputatie kregen echter een eerste deuk toen hij in 1942 gedwongen werd een meer pro-Britse premier aan te stellen en zijn toenmalige premier, die te pro-Duits was, te ontslaan uit zijn functie - onder bedreiging van een revolver. Dat werd gezien als een aantasting van de autoriteit van de koning, alsof hij niet in staat was zijn land zelf te leiden. Faroek hield er een gloeiende haat jegens de Britten aan over.

Maatschappij en economie

Op concreter niveau werd Egypte tussen 1922 en 1940 grotendeels gerund door buitenlanders: die beheersten vaak het bedrijfsleven; hoge legerofficieren waren Brits of van Turkse of Circassische afkomst; hoge overheidsfuncties waren voor Britten, andere Europeanen, Syri?s of Armeni?s. De economische structuur was zwak. Door verbeterde irrigatie en spoor- en scheepvaarttransport waren veel boeren overgestapt van zelfvoorzieningsgewassen op marktgewassen, vooral katoen. Toen tussen 1926 en 1931 de wereldmarktprijs van katoen met 65% instortte werden kleine boeren hard geraakt. Sommigen trokken naar de steden voor werk, maar de industrie stelde tot 1940 nog weinig voor. De armoede in vooral de landelijke gebieden was enorm. Tegelijkertijd moesten de Egyptenaren aanzien dat de buitenlanders onverminderd profiteerden van de Capitulations, de vrijstelling van Egyptische wetten en belastingen. Desalniettemin had de Revolutie van 1919 wel nieuw elan in Egypte gebracht, dat het land tot leider van de populaire Arabische cultuur maakte. Filmstudio?s maakten Cairo tot het Hollywood van de Arabische wereld; dagbladen, tijdschriften en boekuitgevers bloeiden; de zangeres Umm Kulthum begon in de jaren 1920 haar carri?e die een halve eeuw zou duren en haar tot misschien de bekendste en geliefdste zangeres van de gehele Arabische wereld maakte.

Politieke islam en pan-Arabisme

Ontgoocheling in de mogelijkheden en onmogelijkheden van Europese parlementaire democratie en andere Europese idee? en instituties droeg bij aan herleving van de interesse in de islam, en tot het ontstaan in 1928 van de Moslimbroederschap. Deze wees partijen, parlementen en grondwetten af, en riep op de islamitische oemma en sharia en het gezag van de oelema te herstellen. De Broederschap wist in alle lagen van de bevolking wel enige sympathie of steun te verwerven.

Het sinds 1917 in buurland Palestina groeiende conflict tussen enerzijds de Arabisch-sprekende islamieten en christenen en anderzijds de Britten en zionisten die er een "nationaal thuis" of staat "voor het Joodse volk" wilden stichten leidde in 1936 tot Egyptische steun aan de daar uitgebroken burgeroorlog van de Arabieren tegen de Britten en zionisten, en deden gevoelens van pan-Arabische solidariteit of Arabisch nationalisme ontwaken.

Tweede Wereldoorlog

Het Anglo-Egyptische verdrag uit 1936 gaf de Britten het recht om tijdens de Tweede Wereldoorlog onbeperkt troepen in Egypte te legeren. Toen de oorlog uitbrak nam het aantal Britse troepen snel toe, alles bij elkaar uiteindelijk tot 250.000. Egypte moest die troepen faciliteiten en voorzieningen leveren, en de onvrede over het verdrag uit 1936 groeide. Een klasse van Egyptische ondernemers wist profijt te trekken uit militaire contracten en het organiseren van recreatie en amusement voor de soldaten in de vorm van nachtclubs, bars en prostitutiehuizen. Dit schokte de vaak diep-religieuze bevolking. De Moslimbroeders toonden aan dat islamitische principes werden geschonden door de Britse aanwezigheid, en verhoogden hun activiteit.

Koning Faroek voor schut

De Tweede Wereldoorlog bracht de werkelijke machtsverhoudingen in Egypte onverbloemd aan het licht, en gaf daarmee de aanzet tot de instorting van de Egyptische machtsmaskerade. Nadat het Duitse Afrikakorps onder generaal Erwin Johannes Eugen Rommel Libi?had veroverd, trokken de Duitsers Egypte binnen. In februari 1942 stonden ze bij El Alamein, op 100 kilometer van Alexandri? In 1940 hadden de Britten koning Faroek de opdracht gegeven om de fel-nationalistische premier Ali Mahir te vervangen. In 1942, met generaal Rommel al in de Egyptische voortuin, wilde Faroek echter toch de door de Britten gehate Mahir opnieuw aanstellen. De Britten omsingelden daarom op 4 februari 1942 het koninklijk Abdien-paleis in Cairo met tanks, en eisten een Egyptisch regeringskabinet dat het verdrag van 1936 in ere zou houden. Faroek gaf toe en stelde een 100%-Wafd-regering aan. Koning Faroek was daarmee ten overstaan van zijn volk in zijn hemd gezet als machteloze marionet. Wafd, ooit vaandeldrager van het nationalisme, werd symbool voor collaboratie met de Britten. De machtsdriehoek die sinds 1922 had gefunctioneerd was moreel failliet. De Wereldoorlog ging intussen door. In november 1942 wisten de Britten in de slag bij El Alamein de Duitsers uit Egypte te verdrijven. In februari 1945 werd de Egyptische premier Ahmed Maher Pasha vermoord door een politieke tegenstander.

Verbittering, wanhoop, geweld

Na de Tweede Wereldoorlog bleken de Egyptenaren, vooral de jongeren, verbitterd over en gedesillusioneerd in de zogenaamde parlementaire democratie, die minder dan ooit kon verhullen dat Egypte feitelijk onderhorig was aan het Verenigd Koninkrijk. De massa van het gewone volk had te kampen met analfabetisme, endemische ziekten, dalende inkomens, en hopeloosheid. Landeigenaren onderdrukten boeren; stedelingen waren werkloos of verdienden slecht; buitenlanders in de betere functies blokkeerden doorstroming van goed opgeleide Egyptenaren.

Sinds 1945 heerste een sfeer van opstandigheid en rellen, onder andere door de aanhang van de militante ultranationalistische Islamitisch-Socialistische Partij, en terroristische acties en politieke moorden voor rekening van de Moslimbroederschap. In november 1945 vond een moordaanslag op Wafd-leider Nahhas plaats; in januari 1946 de moord op een voorstander van samenwerking met de Britten; op 9 februari ontspoorde een studentendemonstratie, met diverse doden als gevolg; en op 21 februari bestormden studenten en arbeiders de Britse kazernes waarbij 23 Egyptenaren werden doodgeschoten.

Oorlog met Israel, verbod op Moslimbroederschap

In mei 1948 beeindigde het Verenigd Koninkrijk zijn mandaat over Palestina en werd de staat Israel uitgeroepen. De Egyptische premier en de minister van Defensie vertelden koning Faroek dat Egypte nu niet in staat was om ten oorlog te trekken. De volgende ochtend lazen beide ministers in de krant dat Egypte toch Israel de oorlog had verklaard. De Arabisch-Israelische Oorlog van 1948 verliep overwegend desastreus voor Egypte. Wel veroverde Egypte het gebied rond Gaza. De Moslimbroeders vochten als vrijwilligers mee. Ze geloofden in hun zaak Palestina redden van de zionisten en ze toonden zich strijdvaardig. Daarom beschouwde premier Mahmoud Nuqrashi de Moslimbroeders als bedreiging, en beval in 1948 dat de Broederschap werd ontbonden. In reactie daarop werd hij drie weken later vermoord. In reactie daarop werd Broederschapsleider Hasan al-Banna vermoord. De Broederschap werd verboden en diverse Broeders gearresteerd, evenals vele socialisten en linkse politici.

Onderhandelingen, chaos, geweld

Direct na de Tweede Wereldoorlog hervatten de Egyptenaren de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk om de Britse troepen geheel te laten vertrekken of op z'n minst in aantal te reduceren. De Britten bleven echter vastbesloten om 80.000 troepen bij het Suezkanaal te handhaven uit vrees, zo stelden ze, voor een oorlog tussen de Sovjet-Unie en het Westen. In oktober 1951 zegde premier Mustafa el-Nahhas het verdrag met de Britten van 1936 eenzijdig op. Daarmee verviel Egypte tot totale bestuurlijke chaos.

Na oktober 1951 escaleerde het geweld verder: de Egyptische regering moedigde studenten, arbeiders, hulppolitieagenten en uit de gevangenis vrijgelaten Moslimbroeders aan om Britse troepen aan te vallen. Op 26 januari 1952 liep een protestmars van Wafd, Islamitisch-Socialistische Partij en Moslimbroederschap door het verwesterste centrum van Cairo uit op grootschalige brandstichting en plundering. Hierbij gingen 400 gebouwen in vlammen op, en er vielen 30 doden. Historicus Arthur Goldschmidt Jr. ziet deze zogenaamde Zwarte Zaterdag als collectieve uitbarsting van vijandschap jegens Westerse rijkdom, macht en culturele invloed.

Staatsgreep Vrije Officieren

De vermeende corruptie van koning Faroek, die leidde tot een nederlaag in de oorlog tegen Israel in 1948, hetgeen als zijn derde zware vernedering werd beschouwd, had een staatsgreep onder leiding van toenmalig kolonel en later president Gamal Abdel Nasser tot gevolg, waarna Faroek gedwongen werd af te treden, op 23 juli 1952. Drie dagen later, op 26 juli 1952, werd eerst zijn zoontje, een baby van een paar maanden oud, tot Foead II van Egypte uitgeroepen. Aan de 'regering' van Foead II werd echter een eind gemaakt op 18 juni 1953, toen de Egyptische republiek werd uitgeroepen. Eerst werd generaal Mohammed Naguib president, maar hij werd op 14 november 1954 aan de kant geschoven door de nieuwe machthebber kolonel Nasser.

Op 23 juli 1952 pleegde een groep van zo'n 300 jonge Egyptische legerofficieren een vrijwel geweldloze staatsgreep. Deze "Vrije Officieren" (zoals zij genoemd werden) bezetten 's nachts alle strategische posities in Cairo, en vertelden koning Faroek dat zijn bewind ten einde was. Faroek vroeg de Amerikanen en Britten om de coup te stoppen, maar die weigerden. Op 26 juli escorteerden de Officieren Faroek naar de haven van Alexandrie en zonden hem per jacht naar de Italiaanse Riviera, en daarmee was de koning feitelijk afgezet. Na zijn gedwongen abdicatie vertrok Faroek met zijn luxe jacht op uiterst pompeuze wijze vanuit de haven van Alexandri?definitief naar Monaco. Daarna vestigde hij zich in Rome waar hij zijn extreem luxueuze levensstijl voortzette tot hij als balling stierf op 18 maart 1965, na een overvloedige maaltijd. De offici?e doodsoorzaak was een hersenbloeding. Formeel bleef de monarchie nog voortbestaan tot 1953, met zuigeling Foead II op de troon onder een regentschap van Officieren.

  Foead II Kamel (1952-1953) 

Foead II  was koning van Egypte van 26 juli 1952 tot 18 juni 1953.

Hij was de laatste monarch van het moderne Egypte, nadat hij was afgezet tijdens een militaire coup en de Egyptische republiek werd uitgeroepen.

Foead was net een half jaar oud toen hij tot koning werd uitgeroepen. Hij is nooit formeel gekroond. Zijn vader, koning Faroek van Egypte, hoopte door af te treden ten gunste van zijn zoon een tweeledig doel te bereiken: de republikeinse stromingen in zijn land de kop in te drukken en de baby-koning tot een eenmakende kracht te maken in Egypte. Na onttroond te zijn op 18 juni 1953, werd Foead naar Frankrijk gebracht, waar hij opgroeide, en waar hij tegenwoordig nog steeds woont. Hij is getrouwd met Dominique-France Picard Loeb.en heeft drie kinderen.

 

Egypte onder Presidentschap

  Mohammed Naguib (18 juni 1953 ? 14 november 1954)

Ali Mohammed Naguib was een Egyptische generaal en president.

Naguib werd in Egypte als een van de "helden" van de Arabisch-Israelische Oorlog van 1948 beschouwd. Nadat hij zijn officiersopleiding aan de Koninklijke Militaire Academie in Cairo had afgerond studeerde hij ook rechten en economie. Na de Tweede Wereldoorlog, tijdens welke hij staflid van het Egyptische leger was, nam hij een aantal belangrijke functies waar. Toen de Palestijnse oorlog van 1948 voorbij was kwam hij in contact met de militaire beweging van de Vrije Officieren, geleid door kolonel Djamal Abd al-Nasser. Deze pleegden op 23 juli 1952 een militaire coup waarbij koning Faroek van Egypte zonder bloedvergieten afgezet werd. De groepering stelde de bekende generaal Naguib aan als bevelvoerder van het leger, als eerste minister en ook als minister van Oorlog en Marine. Na het uitroepen van de republiek op 18 juni 1953 werd hij eveneens de eerste president van Egypte.

Toen Naguib aanstalten maakte om de politieke partijen opnieuw toe te laten liet Nasser hem niet begaan en op 17 april 1954 nam hij het presidentschap van hem over. Op 14 november 1954 werd Naguib, na een aanslag op Nasser door de Moslimbroederschap, beschuldigd van medeplichtigheid, afgezet en in Cairo onder huisarrest geplaatst. Wat zo bleef tot aan zijn dood in 1984.

Tot 1954 bewezen de Vrije Officieren lippendienst aan democratie en vrije verkiezingen. Ze lieten Egypte aanvankelijk in naam regeren door burgerregeringen, echter met het Revolutionary Command Council (RCC) van de Vrije Officieren op de achtergrond dat de ministers adviezen gaf, feitelijk vaak decreten. Begin augustus 1952 maakten de textielarbeiders in Kafr al-Dawar bij Alexandri? geleid door communisten, oproer, naar hun eigen zeggen in naam van "de revolutie van het volk". Ze bezetten de fabriek en staken die deels in brand. Het bewind greep keihard in, doodde acht arbeiders, nam de oproerleiders gevangen en gaf twee van hen de doodstraf. In september kondigden de Vrije Officieren landhervorming af: niemand mocht meer dan 200 feddans (= 84 hectare) akkerland hebben. Land van ex-koning Faroek en zijn grote familie werd geconfisqueerd en verdeeld onder landloze boeren, die er wel voor moesten betalen.

In december 1952 werd het parlement ontbonden, en iets later werden de politieke partijen verboden. De Moslimbroeders echter mochten, mede dankzij hun goede contacten met Vrije Officier Anwar al-Sadat, doorgaan met hun programma te propageren. De oudste van de Vrije Officieren, generaal Mohammed Naguib, was vanaf het begin de woordvoerder en werd in juni 1953 de eerste president en premier en RCC-voorzitter, waarmee formeel een einde kwam aan het koninkrijk dat in 1922 in sc?e was gezet. Naguib was voorstander van een pluriform staatsbestel waarin RCC met Wafd, Moslimbroeders en Communisten zou dingen naar de gunst van de Egyptenaren.

Opkomst Nasser

  Gamal Abdel Nasser (23 juni 1956 ? 28 September 1970)

Gamal Abdel Nasser  was de tweede president van Egypte. Hij wordt gezien als een van de belangrijkste Arabische leiders in de geschiedenis.

Nasser werd geboren in Alexandri? Reeds op 16-jarige leeftijd was hij de leider van een studentendemonstratie tegen de Britse invloed in Egypte. Hij volgde een officiersopleiding aan de militaire academie en promoveerde in 1938. In 1942 werd hij als instructeur aangesteld. Kort daarna richtte hij een geheime organisatie op genoemd de Vrije Officieren. Hij nam deel aan de Arabisch-Israelische Oorlog van 1948 waarin hij gewond raakte.

De werkelijke leider van de Vrije Officieren was vanaf het begin luitenant-kolonel Gamal Abdel Nasser. Hij wilde geen pluriform bestel, de macht moest bij de RCC liggen vond Nasser. Geleidelijk namen RCC-leden de ministersposten over van burgers; Nasser werd in 1953 minister van Binnenlandse Zaken. Een vriend van Nasser, Abd al-Hakim Amir, en diens assistent zuiverden het leger van politieke opponenten van Nasser. Dit verontrustte de Moslimbroeders die er in januari 1954 tegen protesteerden. Dit leidde tot een stevige vechtpartij met aanhangers van Nasser georganiseerd in de Liberation Rally waarbij gewonden vielen. Daarop verbood de RCC de Moslimbroederschap.

Machtsgreep Nasser, verhouding met Moslimbroederschap

In juli 1954 kwamen Egypte en Groot-Brittanni? overeen dat binnen 20 maanden alle Britse troepen de Suezkanaal-zone zouden verlaten, in oktober werd de overeenkomst geratificeerd. Terwijl president Naguib die zomer in Soedan was mobiliseerde Nasser steun van de Vrije Officieren, de strijdkrachten en de vakbondsleiders, en overtuigde hen dat Naguib de revolutie bedreigde.

Een week na het verdrag met Groot-Brittanni? nog in oktober 1954, werd tijdens een speech in Alexandri?een moordaanslag op Nasser gepleegd, volgens sommige auteurs door een Moslimbroeder, volgens een andere auteur mogelijk georganiseerd door de Moslimbroeders. Motieven had de Moslimbroederschap in ieder geval wel voor zo?n daad: de Broederschap veroordeelde de zojuist gesloten overeenkomst met Groot-Brittanni? ook hadden de Broeders de Vrije Officieren geholpen om aan de macht te komen en verwachtten ze nu een aandeel in de staatsmacht die de Officieren hen nu echter weigerden. Nasser moet gevreesd hebben dat de Broederschap, eenmaal nauw betrokken bij het landsbestuur, met haar enorme machtsbasis onder het volk kans zou zien om hem, Nasser, uit zijn positie te verdrijven. Diverse samenzweerders werden na de moordaanslag ter dood veroordeeld, en de Broederschap werd verboden. Nasser probeerde jarenlang de Broederschap geheel te vernietigen, de Broederschap ging ondergronds, maar kwam enkele jaren later weer bovengronds, en was nog even sterk als ze geweest was. De Moslimbroederschap zou Nasser echter nooit meer in zijn positie bedreigen.

In april 1955 nam Nasser het premierschap over, ontdeed het kabinet van Naguibs sympathisanten, trok beloftes van verkiezingen in, gooide de steunpilaren van Naguib achter de tralies of het land uit, en was daarmee dictator geworden.

Spanningen met Israel

Begin jaren 1950 had Egypte de toegang tot de Golf van Akaba, die Egypte beschouwde als Egyptisch territoriaal water, afgesloten voor Israelische schepen. Egypte, dat in 1948 Israel tevergeefs had bestreden, ervoer buurstaat Israel echter ook als bedreiging. Egypte was wel veel groter, maar had weinig wapens. In 1950 hadden de VS, Frankrijk en Engeland afgesproken Israel noch de Arabische landen te bewapenen. Egypte trainde Palestijnse fedayin (zelfopofferingsstrijders) in Gaza voor gewapende invallen in Israel. Israel sloeg daarom in februari ?55 hard terug in Gaza. Mede door die fedayintrainingen, en door radiopropaganda gericht op Arabische landen, ontwikkelde Egypte zich tot centrum van Arabisch nationalisme, en Nasser tot held van de Arabieren. In september 1955 kocht Nasser voor 200 miljoen dollar aan wapens van Tsjecho-Slowakije. Daarmee verloor de niet-bewapenings-overeenkomst uit 1950 haar zin, Frankrijk haastte zich om Israel wapens te verkopen, en de Arabisch-Israelische wapenwedloop was een feit.

Nationalisatie Suezkanaal

Op 26 juli 1956 nationaliseerde Nasser demonstratief het Suezkanaal, dat formeel eigendom was van de Compagnie Universelle du Canal Maritime de Suez met vooral Franse en Britse aandeelhouders. Dit was een slag in het gezicht van de eens zo trotse Europese koloniale imperia Frankrijk en Groot-Brittanni? De Britten zagen de nationalisatie als onaanvaardbare aanval op de Britse belangen en bedreiging van de positie van Groot-Brittanni?in de wereld. Frankrijk beschouwde Nasser als steunpilaar van de verzetsbeweging in Algerije die sinds 1954 een bloedige oorlog met Frankrijk voerde, en was na deze nationalisatie uit op volledige politieke liquidatie van Nasser. Britten en Fransen waren razend en dreigden met oorlog. Zionisten en Israel wezen daarnaast op Egyptische bewapening en radiopropaganda en fedayin-steun en blokkade van de Golf van Akaba voor Israelische schepen.

Aanval door drie landen

Op 22 oktober 1956 maakten Frankrijk, Groot-Brittanni?en Israel in het geheim afspraken voor een militaire interventie in Egypte. In overeenstemming met die afspraken vielen op 29 oktober Israelische troepen op drie plaatsen de Sinai-woestijn binnen en trokken ook de Gazastrook in. Ook volgens de afspraken eisten de Britse en Franse regeringen de volgende dag gezamenlijk dat zowel Israel als Egypte zich terugtrekken tot tien mijl oostelijk respectievelijk westelijk van het Suezkanaal. Dit zou betekenen dat Egypte het Suezkanaal zou moeten prijsgeven en een ander deel van zijn grondgebied, namelijk het schiereiland Sina? door Israel bezet zou blijven. Zoals de drie landen in hun afspraken voorzien hadden, weigerde Nasser dit, waarop de Britten de Egyptische steden Cairo, Alexandri?en de kanaalzone bombardeerden; een Frans-Britse armada stoomde op in de Middellandse Zee.

De grootmachten V.S. en Sovjet-Unie keerden zich echter ondubbelzinnig tegen deze drievoudige agressie. President Eisenhower veroordeelde de Britse aanval en eiste Israelische terugtrekking. De Russische premier Boelganin dreigde Londen, Parijs en Tel Aviv te bombarderen. Ook India, Pakistan en Canada keerden zich tegen de politiek van Londen. Daarop staakte Engeland de aanval. Na zware druk van de V.S. trok Israel zich na een week of acht terug. De VN plaatste vredesmacht UNEF (UN Emergency Force) in Gaza en Sinai.

Nasser was, wegens zijn trotseren van Brits en Frans imperialisme en het zionisme, de held van zeer vele Arabieren. Vele Fransen en Britten werden zonder hun bezittingen Egypte uitgegooid. Egypte, voor het eerst sinds 343 voor Christus onder bestuur van een inheemse Egyptenaar, toonde zich onafhankelijk en kreeg daarvoor respect van andere landen.

Staatsinrichting

In juni 1956 stemde het Egyptische volk voor een grondwet die de macht centraliseerde in de president en Egypte verklaarde tot Arabisch land, deel van de grotere Arabische natie. Nasser, die zonder tegenkandidaat tot president werd gekozen, leek te streven naar Arabische eenheid. Voor het eerst mochten vrouwen stemmen. In plaats van het afgeschafte parlement kreeg Egypte een raadgevende vergadering. Politieke partijen bleven verboden.

Aswandam; stijgende welvaart

Sinds de machtsovername in 1952 hadden de Vrije Officieren plannen voor een hoge Aswandam, die de regulering van het Nijlwater sterk zou verbeteren, en dus de irrigatie en de landbouw bevorderen en de levensstandaard verhogen. In 1955 probeerde Egypte de benodigde 1 miljard dollar te lenen bij Wereldbank, de Verenigde Staten en Engeland. De Amerikaanse regering werd echter bezorgd over de linkse en, volgens hen, dus ?communistische? neigingen van Nasser, en het Amerikaanse Congres werd bezorgd over Egyptische concurrentie op de katoenmarkt en groeiende vijandigheid tussen Egypte en Israel. Het Congres blokkeerde op 18 juli 1956 de lening. Daarop bood in 1958 de Sovjet-Unie aan de eerste fase van de Aswandam te zullen financieren. Inmiddels stegen sinds 1952 de inkomens van Egyptenaren, en huisvesting en onderwijs en medische zorg verbeterden. De V.S. leverden financi?e steun, maar zouden daar in juni 1967 mee stoppen.

Fusie met Syri? Arabisch socialisme

In 1957 was de Syrische regering bang dat de goed georganiseerde Syrische communisten de macht zouden grijpen, en vroeg aan Nasser een unie tussen de twee landen. Deze unie kwam er in 1958 onder de naam Verenigde Arabische Republiek (VAR). Bovendien vormde Egypte dat jaar een confederatie met Noord-Jemen (VAS).

Voordien streefde de regerende Ba'ath-partij van Syri?reeds naar een synthese van nationalisme en socialisme. Mede onder invloed van het ba'athisme krijgt Nassers politiek in de VAR vanaf 1958 socialistische trekken ? soms aangeduid als ?Arabisch socialisme?: dertien nutsbedrijven kwamen onder staatstoezicht; de grote banken werden genationaliseerd; kranten en uitgevers werden onderworpen aan de National Union, een soort eenheidspartij zoals communistische landen die destijds kenden; men mocht niet van meer dan ?n bedrijf directeur zijn. Sinds 1952 waren inmiddels een half miljoen feddans (210.000 hectare) akkerland herverdeeld onder behoeftige plattelanders. In 1961 werd regulering van de meeste industrie? aangekondigd, en nationalisatie van textiel-, tabak-, scheepvaart- en farmaceutische bedrijven en nu alle banken en verzekeringsbedrijven, inkomensherverdeling, en verdergaande landherverdeling.

Indirect droeg deze socialistische koers ook weer bij aan de afscheiding van Syri?van de VAR in 1961. Syri?kende meer principi?e socialisten dan Egypte, maar ?k meer recalcitrante kapitalisten. De salarissen van Syrische ambtenaren en militairen werden onder Nasser lager dan ze voorheen gewend waren. Ook waren Syri?s verontwaardigd over de hautaine houding van Egyptenaren gedetacheerd in Syri? In september 1961 viel de VAR weer uiteen. Ook de VAS viel voor eind 1961 weer uiteen. Egypte bleef zichzelf VAR noemen.

In september 1961 was Nasser ?n van de leiders van de eerste topconferentie van 25 zogenaamde ?niet-gebonden landen?, samen met Tito (president van Joegoslavi? en Nehru (premier van India). In mei 1962 verving Nasser de National Union door een Nationaal Congres genaamd ?Arab Socialist Union? als ?hoogste politieke autoriteit? in het land. Tijdens het debat over Nassers nationale beleidsplan uitte het Nationaal Congres openlijk kritiek, maar nam daarna het plan toch unaniem aan.

Sterke leider; politiestaat

In januari 1964 nodigt Nasser de Arabische staatshoofden uit in Cairo. Men stelt onder andere voor, de PLO (Palestine Liberation Organization) op te richten, zodat de druk op de Arabische landen om Palestina te bevrijden kan worden afgewenteld op deze organisatie van Palestijnse Arabieren. Mei 1964 wordt de PLO in Oost-Jeruzalem opgericht. Deze ontwikkelingen versterkten Nassers status als Arabisch leider.
 
Yasser Arafat was een Palestijns strijder en politicus, en samen met Yitzhak Rabin en Shimon Peres in 1994 winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede. Hij was tot zijn dood president van de Palestijnse Autoriteit en leider van zowel de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) als van zijn voornaamste fractie Al Fatah. Vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij aanslagen op burgers is hij vaak, met name door Israel en de Verenigde Staten, als een terrorist aangemerkt. In de jaren zestig van de 20e eeuw wist Arafat de Palestijnse kwestie op de internationale agenda te krijgen. Na de Nakba, hun verdrijving uit Palestina in 1948 leefden honderdduizenden Palestijnen in Jordaanse vluchtelingenkampen. Nog jaren daarna probeerden Palestijnen tevergeefs naar hun landerijen en bezittingen terug te keren. Vanuit en met hulp van zijn overkoepelende organisatie, de PLO, gaf Arafat leiding aan de Palestijnen met als doel: terug naar Palestina als eigen staat (i.p.v. Israel).
 
De Palestijnen die in verhouding met de oorspronkelijke Jordaanse bevolking een behoorlijke minderheid vormden gingen zich steeds meer gedragen als een staat binnen een staat. In 1970 werd Arafat door koning Hoessein van Jordanie het land uitgezet omdat de PLO een bedreiging werd voor de eenheid van Jordani?en een mislukte staatsgreep pleegde. Arafat verplaatste zijn hoofdzetel naar Beiroet in Libanon. Vanuit Libanon zette hij de strijd voor de Palestijnse zaak voort. Syri?/b> verhinderde dat Palestijnse guerrilla's, waarbij hij gebruik maakte van geweld en terreur, vanuit Libanon via Syri?Jordani?binnenvielen. In 1982 verplaatste Arafat zijn hoofdkwartier naar Tunis, nadat het Israelische leger Libanon was binnengevallen en rondom Beiroet gelegerd was. In 1988 riep de PLO de staat Palestina uit, die door zo'n negentig landen erkend werd. In 1990 koos Arafat de zijde van Saddam Hoessein nadat deze Koeweit veroverd en bezet had. Na de daaropvolgende Golfoorlog (1990-1991) stond Arafat internationaal aan de zijlijn.

Arafat overleed in de vroege ochtend van 11 november 2004 op 75-jarige leeftijd in het ziekenhuis te Clamart. Dezelfde dag nog werd zijn stoffelijk overschot naar de Egyptische stad Cairo overgebracht. Hier vond de volgende ochtend een islamitische uitvaartplechtigheid plaats in aanwezigheid van onder meer: de gezant voor het Midden-Oosten van de VN Terje R?-Larsen, de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU-landen, India, Iran en Turkije, de vicepremier van China, de eerste ministers van Maleisi?/b>, Pakistan, Sri Lanka en Zweden, de (toenmalige) kroonprins van Saoedi-Arabi?/b> Abdoellah, de vicepresident van Irak, de presidenten van Algerije, Bangladesh, Egypte, Indonesi?/b>, Libanon, Soedan, Tunesi?/b>, Jemen, Zimbabwe en Zuid-Afrika. De Verenigde Staten werden vertegenwoordigd door William Burns, een adviseur van de minister van Buitenlandse Zaken. Van Israelische zijde kwam niemand.

Een tweede uitvaartplechtigheid vond 's middags plaats in Ramallah op de Westelijke Jordaanoever waar Arafat vervolgens werd begraven. Die plechtigheid verliep zeer chaotisch vanwege de enorme Palestijnse menigte die zich verdrong rond Arafats lijkkist. Volgens de Palestijnen is zijn graf 'voorlopig' omdat zij Arafat in de toekomst willen laten herbegraven op de Tempelberg in Jeruzalem als zij de zeggenschap over Oost-Jeruzalem krijgen. Op het Palestijnse verzoek om Arafat direct na zijn dood op de Tempelberg te mogen begraven reageerde de Israelische regering afwijzend. Bepaalde extremistische Palestijnse groeperingen zoals al-Aqsa Martelarenbrigades en Hamas beschuldigden Israel ervan voor Arafats dood verantwoordelijk te zijn.

Rond 1964 verlieten veel Vrije Officieren de regering, wegens onenigheid met Nassers koers van Arabisch socialisme. De burgerministers die hen vervingen waren vooral technocraten zonder eigen machtsbasis. De regering werd steeds meer een eenmansbedrijf van Nasser. Diverse geheime diensten ?beschermden? de VAR (= Egypte) tegen spionnen; Nasser liet dissidenten bespioneren en hun telefoongesprekken afluisteren; er was geen persvrijheid of vrijheid van vergadering; Egypte had een sfeer gekregen van een politiestaat. De Nasseriaanse onderdrukking en martelingen werden later beschreven door Tawfiq al-Hakim in het boek Awdat al-wa?y (?De terugkeer van het bewustzijn?) en door Nagieb Mahfoez in het boek al-Karnak.

Na een decennium van zware repressie liet Nasser in 1964 diverse communisten en vele Moslimbroeders vrij uit de gevangenis, en stond de Moslimbroeders toe hun propaganda te hervatten. Ze bleken onverminderd in staat om steun te vergaren in Egypte en andere Arabische landen, en dit verontrustte Nasser, die geen kritiek op zijn Arabisch-socialistische programma duldde. Eind 1965 zaten de belangrijkste leiders van de Broederschap weer in de gevangenis. Moslimbroederschapleider Sayyid Qutb en anderen werden in een showproces schuldig bevonden aan samenzweren tegen het regime, ter dood veroordeeld, en in augustus 1966 opgehangen.

Zesdaagse Oorlog

Begin 1966 greep een groep radicale Ba'ath-legerofficieren, grotendeels Alawieten, de macht in Syri? Zij ageerden sterk tegen Israel. Grensincidenten tussen Syri?en Israel namen toe. Syri?s trainden de nieuwe Palestijnse guerrillagroep al-Fatah om vanuit Jordani?Israel aan te vallen; daarop sloeg Israel in november 1966 terug met een zware aanval op het Jordaanse dorp al-Samu?. Aanhoudende spanning tussen Syri?en Israel leidde in april ?67 tot een luchtgevecht boven Damascus waarbij Israeli?s zes Syrische straaljagers uit de lucht schoten en zelf ongedeerd huiswaarts vlogen. Syri?riep op tot oorlog. Toen vervolgens de Sovjet-Unie rapporteerde dat Israel troepen same